BMGN - Low Countries Historical Review https://bmgn-lchr.nl/ <p>BMGN – <em>Low Countries Historical Review</em> is the leading academic journal for the history of the Netherlands, Belgium and their global presence. The journal publishes research about broad and important issues in the history of the Low Countries and seeks to do so in a wider comparative and international context. BMGN – <em>Low Countries Historical Review</em> aims to present the best historical scholarship of both junior and senior scholars. The journal accommodates all historical subdisciplines, covers the history of the Low Countries since the Middle Ages, and accepts contributions in Dutch and English.</p> en-US <p>Authors who publish with this journal agree to the following terms:</p> <p>a) Authors retain copyright and grant the journal right of first publication with the work simultaneously licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0) that allows others to share the work with an acknowledgement of the work's authorship and initial publication in this journal.</p> <p>b) Authors are able to enter into separate, additional contractual arrangements for the non-exclusive distribution of the journal's published version of the work (e.g., post it to an institutional repository or publish it in a book), with an acknowledgement of its initial publication in this journal.</p> <p>c) Authors are permitted to post their work online (e.g., in institutional repositories or on their website) prior to and during the submission process.</p> <p>Authors are explicitly encouraged to deposit their published article in their institutional repository.</p> bmgn@huygens.knaw.nl (Editorial Office BMGN – Low Countries Historical Review) info@openjournals.nl (openjournals) Wed, 22 Dec 2021 15:30:06 +0100 OJS 3.3.0.7 http://blogs.law.harvard.edu/tech/rss 60 Confessional Coexistence in the Habsburg Netherlands https://bmgn-lchr.nl/article/view/7006 <p>For decades, early modern historians have stressed the religious differences between the Dutch Republic and the Habsburg Netherlands. The former is usually represented as a tolerant Reformed state, while the latter is represented as a repressive Catholic regime. By consequence, the similarities in terms of confessional coexistence have never been considered. This article seeks to fill that gap by reviewing the <em>Geuzenhoek</em>, a small rural Reformed minority group in Flanders. Fortunately, a plethora of available sources allows us to research the interactions between the Protestants and the Catholic majority. This article shows that the divide between public worship and private devotion played a key role in keeping peaceful <span style="font-size: 0.875rem;">interreligious relations</span><span style="font-size: 0.875rem;"> </span><span style="font-size: 0.875rem;">and that a stable system of connivance dominated the local framework. This situation was very similar to that of the Dutch Republic. As a result, this study concludes that confessional coexistence in the Habsburg Netherlands should be re-evaluated and merits further investigation.</span></p> <p><br />Vroegmoderne historici hebben jarenlang vooral de religieuze verschillen tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden en de Habsburgse Nederlanden benadrukt. De een werd gewoonlijk voorgesteld als een tolerante gereformeerde staat, terwijl de andere bekendstond als een repressief katholiek regime. De gelijkenissen <span style="font-size: 0.875rem;">op vlak van confessionele co-existentie</span><span style="font-size: 0.875rem;"> zijn daarom </span><span style="font-size: 0.875rem;">nooit nader onderzocht. Dit artikel wil dit hiaat opvullen door de Geuzenhoek, een kleine landelijke gereformeerde minderheidsgroep in Vlaanderen, onder de loep te nemen. Dankzij een ruime collectie aan bronnen konden de interacties tussen de protestanten en de katholieken in beeld gebracht worden. Dit artikel toont aan dat de scheiding tussen publieke en private devotie een grote invloed had op het bewerkstelligen van vredige contacten, en dat in deze lokale context een systeem van </span>‘<span style="font-size: 0.875rem;">oogluikendheid’ domineerde. Deze situatie is vergelijkbaar met die in de Republiek. De conclusie van deze studie is dan ook dat de confessionele co-existentie in de Habsburgse Nederlanden een herevaluatie en verder onderzoek verdient.</span></p> <p><br /><strong>Actualiteitsparagraaf<br /></strong><em>Vrienden noch vijanden? </em><br /><em>Katholieken en protestanten in vroegmodern Vlaanderen</em></p> <p>Over de interacties van protestanten en katholieken in het verleden overheersen ook vandaag nog hardnekkige clichés: ze konden elkaars bloed wel drinken, geweld tussen religieuze groepen kwam vaak voor en verdraagzaamheid was vrijwel onbestaand. Toch was de historische realiteit vaak anders. Roman Roobroeck toont in zijn artikel in BMGN – <em>Low Countries Historical Review</em> over de Geuzenhoek aan dat de verhoudingen tussen katholieken en protestanten in het zeventiende-eeuwse overwegend katholieke Vlaanderen opvallend vreedzaam waren. Tussen de leden van deze rurale protestantse groep nabij Oudenaarde en hun katholieke buren ontsponnen zich conflicten, maar over het algemeen waren hun relaties vreedzaam. De protestantse dorpelingen profiteerden van het afwachtende beleid van de Habsburgers en ontwierpen samen met de lokale katholieken een gedoogsamenleving. Deze vorm van religieuze co-existentie kwam dus niet enkel in de Noordelijke Nederlanden voor, maar ook in de Habsburgse Nederlanden. Misschien was het religieuze klimaat in de Zuidelijke Nederlanden dan toch niet zo rigide als vaak gedacht?</p> Roman Roobroeck Copyright (c) 2021 Roman Roobroeck https://creativecommons.org/licenses/by/4.0 https://bmgn-lchr.nl/article/view/7006 Wed, 22 Dec 2021 00:00:00 +0100 Applied History in the Netherlands and Flanders https://bmgn-lchr.nl/article/view/7117 <p>This contribution shifts the debate on ‘applied history’ from the archetypal question abouts terminology and definition (‘what’s in a name’) to its current context and potential (‘why it is here again, and why it is most probably here to stay’). T<span style="font-size: 0.875rem;">hose advocating ‘applied history’</span><span style="font-size: 0.875rem;"> i</span><span style="font-size: 0.875rem;">n the Netherlands and Flanders by and large agree on a shared endeavour to apply both historical skills and insights to contemporary societal debates. They thereby tend to promote long-term, comparative and out-of-the-box thinking to confront today’s (wicked) problems. In these endeavours they offer an alternative to writing commissioned histories and commercial joint ventures, as well as to the 'public history' initiatives co-created by heritage institutions, museums or media outlets. Changing constellations of ideas and incentives in education, science, and society have certainly helped to create an incubation period for the development of applied history. History curricula now allow students to experience their added value in the workplace, research programmes ask to reflect upon the impact and valorisation of historical research, and most of all, younger generations are eager to merge postmodern approaches with clear societal achievements and are trying to do so on safe ethical and methodological grounds. This contribution argues that applied and fundamental research in the field of history could be mutually beneficial, rather than antithetical or antipathetic, and that both approaches can reinforce each other in future.</span></p> <p><br />Deze bijdrage verschuift het debat over ‘toegepaste geschiedenis’ van de archetypische vragen over terminologie en definities (‘what’s in a name?’) naar zijn huidige context en potentieel (‘waarom is het opnieuw hier en waarom zal het hoogstwaarschijnlijk blijven?’). In Nederland en Vlaanderen zijn voorstanders van toegepaste geschiedenis het grotendeels eens over een gezamenlijk streven om zowel historische vaardigheden als inzichten toe te passen op maatschappelijke debatten. Daarbij hebben ze de neiging om langetermijn-, vergelijkend en ‘out-of-the-box’ denken te bevorderen bij de aanpak van hedendaagse complexe problemen. Zo bieden ze niet alleen een alternatief voor commerciële samenwerkingsverbanden of het schrijven van geschiedenisboeken in opdracht, maar ook voor publiekshistorische initiatieven die mede zijn opgezet door erfgoedinstellingen, musea of mediakanalen. Veranderende opvattingen in onderwijs, wetenschap en samenleving hebben bijgedragen aan deze ontwikkeling van toegepaste geschiedenis. Geschiedeniscurricula laten studenten tegenwoordig hun toegevoegde waarde direct op de werkplek ervaren via stages, terwijl onderzoeksprogramma’s vragen om na te denken over de impact en valorisatie van historisch onderzoek. Vooral jongere historici combineren al een postmoderne benadering met concrete maatschappelijke verwezenlijkingen en proberen dat te doen op een ethische en methodologisch verantwoorde manier. Deze bijdrage stelt dat toegepast en fundamenteel historisch onderzoek voor beide deelgebieden voordelig zou kunnen zijn, in plaats van antithetisch of antipathiek, en dat beide benaderingen elkaar in de toekomst kunnen versterken.<br /><br /><strong>Actualiteitsparagraaf<br /></strong><em>Toegepaste geschiedenis<br /></em><em>Waarom historici steeds meer over ‘vandaag’ spreken</em></p> <p>Kun je iets uit het verleden leren? Het is een stokoude vraag die steeds meer historici in Nederland en België zich opnieuw stellen. Onder invloed van maatschappelijke vraagstukken zoals corona, klimaatverandering, diversiteit en (geo)politieke instabiliteit, maar ook door veranderende eisen van studenten en onderzoeksfinanciers, vinden historici het in toenemende mate belangrijk om na te denken over de ‘toegepaste waarde’ van historische kennis en expertise. In hun bijdrage voor BMGN 136:4 bespreken Violet Soen en Bram De Ridder hoe dergelijke ‘toegepaste geschiedenis’ aan een opmars bezig is en benadrukken ze het veelzijdige karakter daarvan. Ze beargumenteren dat toegepaste geschiedenis niet iets radicaal nieuw is maar eigenlijk al langer ingebed zit in de praktijk van veel historici. Tegelijk is het van groot belang om deze activiteiten een nieuwe methodologische en ethische basis te geven en om een constructieve dialoog te houden met historici die ‘vroeger’ vooral vroeger willen laten zijn. Kan je iets leren uit het verleden? Soen en De Ridder menen van wel, maar enkel als historici en hun maatschappelijke partners voldoende hard nadenken over het hoe en wat van toegepaste geschiedenis.</p> Violet Soen, Bram De Ridder Copyright (c) 2021 Violet Soen, Bram De Ridder https://creativecommons.org/licenses/by/4.0 https://bmgn-lchr.nl/article/view/7117 Wed, 22 Dec 2021 00:00:00 +0100 The Puzzle of Dutch Welfare Solidarity and the Politics of Old Age Pension Reform (1945-1975) https://bmgn-lchr.nl/article/view/7010 <p>During the first three decades of the post-war period, the Netherlands developed a system of welfare provision that by most standards belonged to the most equitable and solidaristic in the world. It did so under the patronage of Christian democratic governments, which are generally viewed as being predisposed to rejecting solidaristic welfare reform. The purpose of this article is to explain why the Dutch Christian democrats came to adopt such a solidaristic welfare stance during the formative post-war period of welfare state expansion. Rather than attributing this stance to electoral or strategic considerations, this article focuses on the formative role of the Christian democratic labour union movement in persuading these parties to gradually adopt a more solidaristic welfare stance.<br /><br />In de eerste drie decennia van de naoorlogse periode ontwikkelde Nederland een stelsel van sociale voorzieningen dat naar de meeste maatstaven tot het meest rechtvaardige en solidaristische ter wereld behoorde. Dit stelsel kwam tot stand met steun van christendemocratische regeringen, waarvan over het algemeen wordt aangenomen dat zij geneigd zijn solidaristische welzijnshervormingen af te wijzen. Het doel van dit artikel is om te verklaren waarom de Nederlandse christendemocraten een solidaristische welvaartskoers zijn gaan varen in de naoorlogse periode, een tijdvak dat gekenmerkt werd door uitbreiding van de verzorgingsstaat. In plaats van deze houding toe te schrijven aan electorale of strategische overwegingen, richt dit artikel zich op de christendemocratische vakbeweging. Deze speelde een invloedrijke rol in het overreden van christendemocratische partijen om geleidelijk een meer solidaristische welvaartshouding aan te nemen.</p> Dennie Oude Nijhuis Copyright (c) 2021 Dennie Oude Nijhuis https://creativecommons.org/licenses/by/4.0 https://bmgn-lchr.nl/article/view/7010 Wed, 22 Dec 2021 00:00:00 +0100 ‘Het vooruitzigt op zijn toekomstig geluk’ https://bmgn-lchr.nl/article/view/11117 <p>Door pages op te nemen in zijn hofhouding bood Lodewijk Napoleon, koning van Holland (1806-1810), jonge zoons van de elite de mogelijkheid zich in een hoofse omgeving voor te bereiden op een carrière als legerofficier. Deze aloude junior functies waren gering in aantal en erg gezocht. Voor de koning vormden zij een van de middelen om zijn nieuw gecreëerde troon van legitimiteit te voorzien. Dit artikel bestudeert aan de hand van de pagebenoemingen de patronagerelatie tussen Lodewijk Napoleon en de vooraanstaande families in het koninkrijk. Een prosopografische analyse van de in totaal vijfentwintig pages laat zien hoe hij daarbij probeerde zo veel mogelijk geledingen binnen de verbrede en verbrokkelde elite recht te doen. Hoewel de korte duur van Lodewijks koningschap deze inspanningen uiteindelijk doorkruiste, blijkt de loyaliteit van de pages en hun families in veel gevallen zonder bezwaar te zijn overgegaan op het daaropvolgende keizerlijke bewind.<br /><br />By admitting pages into his household, King of Holland Louis Bonaparte (1806-1810) allowed upper class adolescents to be groomed for military careers in a prestigious environment. These traditional junior court positions, few in number and eagerly coveted, constituted one of the King’s instruments to bolster the legitimacy of his newly-created throne. This article examines royal patronage through the appointments of pages, considering Louis Bonaparte’s policies as well as the response of the country’s leading families. A prosopographical analysis of the total of twenty-five pages reveals how he sought to integrate as many sections of the kingdom’s broadened and fragmented elite as possible. Although the King’s efforts were eventually thwarted by the brevity of his reign, the allegiance of both the pages and their families proved in many cases to have been easily transferred to the succeeding imperial regime.</p> Jos Gabriëls Copyright (c) 2021 Jos Gabriëls https://creativecommons.org/licenses/by/4.0 https://bmgn-lchr.nl/article/view/11117 Wed, 22 Dec 2021 00:00:00 +0100 Van de redactie – Redactioneel https://bmgn-lchr.nl/article/view/11188 Dirk Jan Wolffram Copyright (c) 2021 Dirk Jan Wolffram https://creativecommons.org/licenses/by/4.0 https://bmgn-lchr.nl/article/view/11188 Wed, 22 Dec 2021 00:00:00 +0100