<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="research-article" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.9781</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.9781</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>&#x2018;Et pour les Belges la m&#x00EA;me chose&#x2019;&#x003F;</article-title>
<subtitle>Het Vlaamse aandeel in de <sc>bmgn</sc></subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name><surname>Boone</surname>
<given-names>Marc</given-names>
</name>
</contrib>
<contrib contrib-type="author">
<name><surname>Verschaffel</surname>
<given-names>Tom</given-names>
</name>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>06</month>
<year>2021</year>
</pub-date>
<volume>136</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>24</fpage>
<lpage>41</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2021 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2021</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by-nc/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International (CC BY-NC 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.9781"/>
<abstract>
<p><italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> was en is een Nederlands-Belgisch project. Belgische, in de realiteit enkel Vlaamse, historici hebben een rol gespeeld in de redactie en als auteurs van bijdragen. Het aandeel van het Zuiden is altijd kleiner geweest dan dat van het Noorden. Het tijdschrift poogde via een meestal paritaire samenstelling van de redactie en initiatieven, zoals comparatief opgezette themanummers en fora, de balans te herstellen. Aangezien het tijdschrift, zeker wat het Zuiden betreft, nauw verbonden was met de universitaire vakgroepen geschiedenis, in het bijzonder die van Gent en Leuven, weerspiegelen de evoluties van dit Belgische aandeel algemene verschuivingen in het academisch bedrijf. Uitbreiding van de onderzoeksfinanciering zorgde voor een aangroei, een verjonging en een vervrouwelijking van het auteursbestand en van de redactie. Ook andere ontwikkelingen in het historisch bedrijf van de voorbije halve eeuw, zoals het verschijnen van nieuwe tijdschriften en de internationalisering van het onderzoek, hadden een impact op de plaats van het tijdschrift en bijgevolg ook op Vlaamse bijdragen en hun auteurs.</p>
<p><italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> was and is a Dutch-Belgian project. Belgian, though in fact only Flemish, historians have edited and authored contributions. The share from the South has always been smaller than that from the North. Via a generally balanced composition of the editorial board and initiatives, such as comparatively structured special issues and forums, the journal aimed to restore the balance. Since the journal, especially in the South, was closely affiliated with university history departments, those of the universities of Ghent and Leuven in particular, the evolutions of this Belgian share therefore reflect general shifts in academia. Expansion of research financing brought about accretion, rejuvenation and feminisation of the stock of authors and editors alike. Other developments in historical</p><p>scholarship from the past half century, such as the appearance of new journals and internationalisation of research, had an impact on the positioning of the journal and consequently on Flemish contributions and their authors as well.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<fig>
<caption><p>&#x2018;&#x201C;Et pour les Belges la m&#x00EA;me chose&#x201D;? Het Vlaamse aandeel in de <sc>bmgn</sc>&#x2019;. &#x00A9; Frippery.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.9781_fig1.jpg"/></fig>	
<p>Een historisch tijdschrift onder de titel <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> moet uiteraard de meervoudsvorm &#x2018;Nederlanden&#x2019; eren, en dus stond van bij de aanvang van de <sc>bmgn</sc> de inbreng van Belgische auteurs en redactieleden op de agenda. De titel vestigt de aandacht op een specifieke problematiek van de geschiedenis der Nederlanden, ooit in een bijdrage in dit tijdschrift door de Engelse kenner van de Reformatie, Alastair Duke, omschreven als &#x2018;the elusive Netherlands&#x2019;, een variant op het &#x2018;tuchteloos probleem&#x2019; van Ernst Kossmann.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup> Wat deze specifieke problematiek betreft, alluderen we op de eb en vloed van een streven naar eenheid en het benadrukken van particuliere eigenheid, maar vooral het onmiskenbaar delen van een gemeenschappelijke geschiedenis. Nochtans was bij de fusie van de twee tijdschriften die uiteindelijk in 1969 in de <italic>Bijdragen en Mededelingen</italic> zijn uitgemond niet alles zomaar evident.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup> In hun geschiedenis van het (Nederlands) Historisch Genootschap wijzen Leen Dorsman en Ed Jonker erop dat in de schoot van dit Genootschap bij de overname van de <italic>Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden</italic> twee problemen werden gesignaleerd: de bronnen en de Belgen!<sup><xref ref-type="fn" rid="fn3">3</xref></sup></p>
<p>De achtergrond voor het tweede &#x2018;probleem&#x2019; situeerde zich in de vrees voor het doorleven van enig Groot-Nederlands gedachtengoed, dat zich in de aanloop naar en tijdens de Tweede Wereldoorlog gemanifesteerd en gecompromitteerd had in de <italic>Nederlandsche Historiebladen</italic>, de in 1938 door Pieter Geyl opgerichte voorloper van de <italic>Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden</italic>.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn4">4</xref></sup> Bij de oprichting van het nieuwe tijdschrift in 1969 werd de Groot-Nederlandse gedachte afgezworen en verdween de Zuid-Afrikaanse kroniek, dat andere symptoom van het denken in termen van een Nederlandse &#x2018;stam&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn5">5</xref></sup> Natuurlijk werden Belgen in de redactie opgenomen en richtte de inhoud van het tijdschrift zich op de geschiedenis van &#x2018;alle&#x2019; Nederlanden, versta niet enkel de Nederlandstalige gewesten, die bij uitstek het actieterrein van de Groot-Nederlandse &#x2018;stam&#x2019; uitmaakten.</p>
<p>Wat het probleem van de bronnen betreft: Kossmann, de eerste hoofdredacteur, had al in 1968 het bestuur van het Historisch Genootschap deelachtig gemaakt van zijn vrees dat de <italic>Bijdragen en Mededelingen</italic> door Belgische bronnenpublicaties zou kunnen worden overspoeld. Een onterechte vrees, zo bleek ook achteraf, die ook voorbijging aan het bestaan van de Belgische Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, die al sinds 1837 ruimte voorzag voor &#x2018;kleine bronnenedities&#x2019; in haar <italic>Handelingen/Bulletin</italic>.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn6">6</xref></sup> Hoe dan ook, de allereerste redactievergadering van de <sc>bmgn</sc> op 4 juli 1969 vond plaats in Belgi&#x00EB;, in het Leuvense Instituut voor Nieuwe Geschiedenis, en de rol van Kossmann bleek in vele opzichten doorslaggevend.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn7">7</xref></sup> Toch bleef de beginperiode, zoals ook gereconstrueerd door oud-redactievoorzitter Klaas van Berkel, er een van aarzeling en zelfs enig wantrouwen. De schaduw van het Groot-Nederlandse gedachtegoed bleef over de onderneming hangen en de interne relaties tussen de vertegenwoordigers van de &#x2018;oorspronkelijke&#x2019; tijdschriften waren niet altijd even harmonisch. Tijdschrift en vereniging kenden evenwel een geslaagde doorstart met het in december 1972 in Groningen georganiseerde internationale Huizingacongres, ter herdenking van de honderdste verjaardag van Johan Huizinga, waarvan de teksten in het tweede nummer van 1973 en ook als aparte publicatie verschenen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn8">8</xref></sup></p>
<sec id="s1">
<title>De redactie</title>
<p>Een vanzelfsprekende benadering van de inbreng van Belgische historici in de <sc>bmgn</sc> ligt vervat in hun plaats en rol in de redactie. Een eerste vaststelling is alvast dat alle <italic>Belgische</italic> redacteuren <italic>Vlamingen</italic> waren, om precies te zijn: cultureel en bestuursmatig deel uitmakend van het Nederlandstalig deel van Belgi&#x00EB; dat als de huidige regio Vlaanderen bekend staat. Hoewel &#x2018;de Nederlanden&#x2019; ook de Franstalige provincies van Belgi&#x00EB; omvatten, en historisch gesproken ook Luxemburg en een deel van Noord-Frankrijk, hebben Franstalige Belgen nooit deel uitgemaakt van de redactie. De vertegenwoordiging van de &#x2018;Zuidelijke&#x2019; historici daarin weerspiegelt dan ook het Vlaamse academische landschap: de universiteiten van Gent en Leuven zijn in 1969, wanneer de <sc>bmgn</sc> van start gaat, &#x2018;volledige&#x2019; universiteiten. In 1817 werd de Gentse als rijksuniversiteit door Willem <sc>i</sc> opgericht. De Leuvense werd in 1834 als katholieke universiteit gesticht: eerst in Mechelen, de vestigingsplaats van het aartsbisdom en als zodanig de katholieke hoofdstad van het land, maar een jaar later werd ze al overgebracht naar Leuven, waar al eeuwenlang een universiteit had bestaan (1425-1797). Nadat die in de Franse periode was verdwenen, cre&#x00EB;erde Willem <sc>i</sc> ook hier in 1817 een rijksuniversiteit, die na de Belgische onafhankelijkheid werd opgedoekt. In 1969 werd de katholieke universiteit gesplitst in een Nederlandstalige universiteit, die in Leuven bleef, en een Franstalige, die werd gevestigd in Louvain-la-Neuve, een nieuwe stad net over de taalgrens.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn9">9</xref></sup> Ook Brussel kende met de Vrije Universiteit Brussel een Nederlandstalige universiteit: deze werd als vrijzinnige en aanvankelijk antiklerikale onderwijsinstelling opgericht in 1969, als afsplitsing met aparte rechtspersoonlijkheid van de Universit&#x00E9; Libre de Bruxelles, die actief was sinds 1834. Aan deze instellingen werd dus in 1970 een volledige Nederlandstalige opleiding geschiedenis in de twee cycli aangeboden, toen nog kandidaturen en licenties genoemd, nu bachelor en master. De Antwerpse universiteit zou in 2003 definitief uit de startblokken komen als een fusie van het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen, de Universitaire Instelling Antwerpen en de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (<sc>ufsia</sc>), waarvan de <sc>ufsia</sc> de enige was die kandidaturen in de geschiedenis aanbood. Pas vanaf dat moment werd in Antwerpen een volledige opleiding geschiedenis in de twee cycli georganiseerd.</p>
<p>Van bij de aanvang van de <sc>bmgn</sc> is het aandeel van aan de <sc>ku</sc> Leuven gelieerde historici in de redactie erg uitgesproken. In 1970 behoorden Jan Arthur Van Houtte, Maurits De Vroede en Raymond Van Uytven tot de eerste generatie redacteuren. Van Uytven was op dat ogenblik weliswaar als hoogleraar verbonden aan de Antwerpse faculteit <sc>ufsia</sc>, maar was wel een product van de Leuvense school.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn10">10</xref></sup> Pas in 1975 trad de eerste Gentse historicus, de vroegmodernist Michel Baelde, tot de redactie toe. Van de in het totaal 26 Belgen die tot de redactie hebben behoord, hadden niet minder dan 12,5 (of 48%)<sup><xref ref-type="fn" rid="fn11">11</xref></sup> een <sc>ku</sc> Leuven-signatuur, tegenover 8 (of 30%)<sup><xref ref-type="fn" rid="fn12">12</xref></sup> die aan de UGent gelieerd waren. E&#x00E9;n Belgische redacteur, Wim Blockmans, heeft na een opleiding aan de UGent zijn verdere actieve loopbaan in Nederland uitgebouwd: eerst aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, daarna aan de Leidse universiteit en het <sc>nias</sc>. Drie redacteuren zijn weliswaar aan de UGent opgeleid (11,5%), maar waren op moment waarop ze tot de redactie toetraden aan het Algemeen Rijksarchief verbonden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn13">13</xref></sup> Dat is uiteraard een nationale en tweetalige instelling, maar ook zijn vertegenwoordigers in de redactie waren tot nu toe uitsluitend Nederlandstaligen. De universiteiten van Brussel en Antwerpen verschijnen niet alleen laat, maar zijn ook &#x2018;ondervertegenwoordigd&#x2019;, met elk slechts &#x00E9;&#x00E9;n redacteur (of 4%).<sup><xref ref-type="fn" rid="fn14">14</xref></sup></p>
<p>Als we per decennium kijken naar het zwaartepunt inzake onderzoek en periode wordt duidelijk dat voor 1990 redacteuren met een ancien r&#x00E9;gime-profiel domineren (8) ten aanzien van collega&#x2019;s die de nieuwste of hedendaagse periode bestuderen (3). Vanaf de jaren 1990 is deze verhouding gekanteld, met 6 ancien r&#x00E9;gime-historici tegenover 9 specialisten van de hedendaagse periode. Nog meer uitgesproken is de genderratio. Het is de Gentse medi&#x00EB;vist Th&#x00E9;r&#x00E8;se de Hemptinne geweest die in 2004 als eerste Belgische vrouwelijke redacteur dit bescheiden deel van het glazen plafond heeft doorbroken. Sindsdien is de genderratio bij de Belgen perfect in evenwicht. Meer zelfs: de eerste Belgische hoofdredacteur van het tijdschrift was een vrouw: Kaat Wils, die in 2013 toetrad.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn15">15</xref></sup></p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Vriendenclub en netwerk</title>
<p>Er zijn weinig aanwijzingen over de manier waarop de Belgische redacteuren geselecteerd werden, een systeem van co&#x00F6;ptatie door de zetelende redactie spoort in elk geval met de persoonlijke ervaring van een van de ondergetekenden. Daarbij werd vooral rekening gehouden met zowel de spreiding over de universiteiten als met de zwaartepunten inzake onderzoekstraditie, wat onder meer blijkt uit het aantal Gentse medi&#x00EB;visten dat in de redactie heeft gezeteld.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn16">16</xref></sup> Wel valt op dat zowat alle Belgische redacteuren, zeker in de eerste decennia, trouwe deelnemers waren aan de jaarlijkse Belgisch/Vlaams-Nederlandse historische congressen. In een verslag van het congres dat in 1951 in Amsterdam was gehouden, stelde de jezu&#x00EF;et Michiel Dierickx onomwonden dat de deelnemende historici, &#x2018;de leidende geschiedkundigen van Noord en Zuid&#x2019;, ook samen het tijdschrift <italic>Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden</italic> uitgaven en de <italic>Algemene Geschiedenis der Nederlanden</italic> voorbereidden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn17">17</xref></sup></p>
<p>De jaarlijkse ontmoetingen in de context van de Belgisch-Nederlandse historische congressen vonden voor het eerst plaats in 1939; vanwege de oorlog werd de draad pas in 1947 terug opgenomen. Oorspronkelijk heette het congres &#x2018;Belgisch-Nederlands&#x2019;, maar in de context van de herhaalde Belgische grondwetswijzigingen, de steun van de Nederlands-Vlaamse Taalunie, en een duidelijk gebrek aan interesse bij Franstalige Belgen, werd dit vanaf het 42ste congres in 1995 te Tilburg in &#x2018;Nederlands-Vlaams&#x2019; veranderd. Kenmerkend voor de bijeenkomsten was het beperkte aantal genodigden (twintig deelnemers uit elk land) en een selectie die rekening hield met de academische anci&#x00EB;nniteit.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn18">18</xref></sup> Deze beslotenheid ging gepaard met een gemoedelijk en semi-informeel karakter van de bijeenkomsten, onder meer door de aanwezigheid van de &#x2018;echtgenotes&#x2019; (later: &#x2018;partners&#x2019;), en de uitstappen en maaltijden die steevast op het programma stonden. Zij boden alle kansen voor netwerking en het opzetten van collectieve ondernemingen.</p>
<p>In dit gremium werd de basis gelegd voor een ander gemeenschappelijk Nederlands-Vlaams historisch initiatief: de reeks <italic>Algemene Geschiedenis der Nederlanden</italic> (<italic><sc>agn</sc></italic>). Dit project startte in 1949, wanneer het eerste deel verscheen, en zou in 1958 zijn afronding kennen met de publicatie van deel twaalf. Ook de auteurs van de <italic><sc>agn</sc></italic> keerden zich nadrukkelijk af van een Groot-Nederlandse inspiratie; niet alleen omdat deze stroming tijdens de Tweede Wereldoorlog in extreemrechts vaarwater was terechtgekomen, maar ook omdat het op weerstand van belgicistisch ingestelde Vlaamse historici stuitte, die het beschouwden als een verloochening van de erfenis van Henri Pirenne.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn19">19</xref></sup> Andermaal treft men onder de medewerkers van de <italic><sc>agn</sc></italic> veel <sc>bmgn-</sc>redacteuren aan, wat evenzeer geldt voor de zogenaamde &#x2018;Nieuwe <sc><italic>agn</italic>&#x2019;</sc>, die tussen 1977 en 1983 in vijftien delen verscheen. Ook het initiatief voor het vaak in Nederland en Belgi&#x00EB; gebruikte handboek <italic>Geschiedenis van de Nederlanden</italic>, dat verscheen onder redactie van Hans Blom en Emiel Lamberts, kreeg op deze congressen gestalte.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn20">20</xref></sup></p>
<p>Hedendaagse lezers kunnen zich verwonderen over het belang van een op het eerste gezicht wat archa&#x00EF;sch ogend gremium als de Nederlands-Vlaamse congressen, maar hun rol valt ook samen met een tijdvak waarin de contacten tussen Noord en Zuid niet zo vlot en evident waren. De communicatie gebeurde bijna uitsluitend via een klassieke brief, weliswaar vanaf de jaren 1970 meer en meer vervangen door de fax wat de snelheid opdreef maar toch nog dicht bij een traditionele vorm van correspondentie bleef. En van andere institutionele mogelijkheden tot Vlaams-Nederlandse samenwerking, zoals de in 1994 door het Vlaamse <sc>fwo</sc> en de Nederlandse <sc>nwo</sc> opgestarte projecten van het Vlaams-Nederlands Comit&#x00E9; voor Nederlandse Taal en Cultuur, was amper sprake. In de aanloop naar de start van de <sc>bmgn</sc> waren de Nederlands-Vlaamse congressen dus van groot belang en kan hun impact moeilijk overschat worden.</p>
<p>De inbreng van de Franstalige Belgische historici was, afgezien van enkele zeldzame deelnames bij de aanvang van de reeks congressen, zo goed als nihil, en dit gebeurde ook onder invloed van een andere reeks ontwikkelingen aan Belgische zijde. In 1988 waren immers, in de context van de derde Belgische staatshervorming, de bevoegdheden onderwijs en wetenschapsbeleid aan de taalgemeenschappen toegewezen, waarbij de Vlaamse en Franstalige onderwijs- en onderzoekswereld nog verder van elkaar verwijderd werden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn21">21</xref></sup> De unitair Belgische organisatie voor wetenschapsbeleid, nu bekend als <sc>belspo</sc>, heeft in de voorbije decennia verschillende programma&#x2019;s ontwikkeld waarin enige ruimte was voor Vlaams-Nederlandse samenwerking, zoals het ook in het vakgebied geschiedenis benutte programma van de <sc>iuap</sc>&#x2019;s (interuniversitaire attractiepolen). In het kader van verdere staatshervormingen en overheveling van bevoegdheden en middelen naar de gemeenschappen in 2017 kwam aan deze kans op gemeenschaps- en grensoverschrijdende samenwerking echter een einde.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn22">22</xref></sup></p>
<p>Hoewel de Nederlands-Vlaamse historische congressen een besloten en ietwat geheimzinnige aangelegenheid waren van gevestigde academici die elkaar goed kenden, zorgden zij in de loop der jaren toch voor een zekere uitbreiding en stimulering. De groep werd bewust klein gehouden en anci&#x00EB;nniteit speelde een rol bij het lidmaatschap, maar toch werden ook jongere collega&#x2019;s uitgenodigd, om aansluiting te vinden bij nieuwe benaderingen en inzichten en om het gevaar van intellectuele inteelt tegen te gaan. Zo werden veelbelovende jonge historici uitgenodigd om een lezing te houden, waarbij zij enigszins door de &#x2018;bonzen&#x2019; van het vakgebied werden gekeurd. Voor sommigen werkte dit als een &#x2018;ingangsexamen&#x2019;, dat kon leiden tot een volwaardige toelating tot de groep. De leden die door overlijden of al te hoge ouderdom wegvielen, werden op die manier vervangen door jongere generaties historici. Toch werd de rekrutering lastiger. Onder de jongere historici nam het enthousiasme voor de ietwat oubollige bijeenkomsten, met hun nationale en generalistische benadering van de geschiedenis, af. Hun academische carri&#x00E8;re was meer gebaat met deelname aan meer gespecialiseerde, internationale conferenties. Ook het &#x2018;trage&#x2019; sociale karakter van de congressen beantwoordde niet meer aan de gewoontes en wensen van de jongere generaties (en in toenemende mate vrouwelijke) academici. Op het einde kenden de Nederlands-Vlaamse congressen een wat slepend bestaan. De laatste zevenenvijftigste editie vond plaats in 2012 in Leuven, het jaar voordien was het congres in Utrecht afgelast.</p>
<p>De afnemende rol van de congressen en de generatiewissel waarvan zij het gevolg was, wordt ook weerspiegeld in de evolutie van het type <sc>bmgn</sc>-redacteur. Aanvankelijk waren dit vooral gevestigde professoren, voor wie het lidmaatschap van de redactie een soort van bekroning was, of in elk geval een bevestiging van het feit dat zij in het historische bedrijf van &#x2018;de Nederlanden&#x2019; de top hadden bereikt. Na pakweg 2000 was dat niet meer het geval. Zeker, het redacteurschap bleef voorbehouden aan Vlaamse historici die een plaats hadden veroverd aan de gevestigde instellingen en universitaire vakgroepen, maar ze waren jonger dan hun voorgangers en het <sc>bmgn</sc>-redacteurschap kwam vroeger in hun carri&#x00E8;re op hun pad. Ook dit hangt samen met het veranderende en verruimde academische landschap, waarin dit redacteurschap niet meer zowat het hoogst denkbare was, maar een engagement naast vele andere. Ook veranderingen in de wetenschaps- en geschiedbeoefening zelf verklaren de verschuivingen en de verjonging van de redactie. Voor een wetenschappelijk tijdschrift werd het belangrijker korter op de bal te spelen, de laatste stand en de nieuwe trends van het onderzoek te volgen, en in te zetten op debat en discussie: zaken die jongere academici geacht worden beter te kunnen dan hoogleraren die de top al hebben bereikt &#x2013; en dus achter de rug hebben.</p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>De bijdragen en de auteurs</title>
<p>Redacteurs zijn regisseurs, en de veranderende samenstelling van de redactie wordt dan ook weerspiegeld in de regie die zij heeft gevoerd, en de veranderingen die zich daarbij ook in de bijdragen hebben voorgedaan. Een wat ouderwets genre als het &#x2018;in memoriam&#x2019; &#x2013; toch bij uitstek een genre waarin &#x2018;oude&#x2019; historici worden ge&#x00EB;erd en een element van zelfbewieroking zichtbaar is &#x2013; verdween al snel uit het blad.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn23">23</xref></sup> Ook zien we een toename van thematische ordening en clustering aan de hand van themanummers en dossiers, en van debat en discussie. Een eerste beweging daarvan is al vanaf het einde van de jaren zeventig waar te nemen, kent een hoogtepunt in de jaren negentig, en zet zich op volle kracht door vanaf 2005 (zie grafiek 4). Deze verschuiving ging gepaard met de evolutie, wellicht ook de verjonging en misschien ook de vervrouwelijking van de redactie vanaf de jaren negentig. Aan de hand van gekozen thema&#x2019;s en debatten bepaalde zij in toenemende mate de agenda en onderwerpskeuze, en in functie daarvan trad zij actiever op bij het aantrekken van auteurs. Hierdoor werd het tijdschrift minder afhankelijk van spontane bijdragen, en verschenen iets meer artikelen van auteurs die niet uit de historische wereld stricto sensu of uit de gebruikelijke poel van &#x2018;historici van de lage landen&#x2019; kwamen en wellicht niet uit eigen beweging voor de <sc>bmgn</sc> hadden geschreven. Als het debat erom vroeg, verscheen al eens een (Belgische) politicoloog, econoom of jurist in de kolommen &#x2013; al bleven zij zeldzaam. De toename in absolute aantallen van Belgische bijdragen vanaf 2005 was niet zozeer het gevolg van een aangroei of toegenomen productiviteit van gevestigde historici, maar van een toenemend aantal bijdragen van thesis- of scriptiestudenten en promovendi, waarin vaak de stimulerende invloed van promotoren die lid waren van de redactie te herkennen was (zie grafiek 7).</p>
<p>Sinds 1970 hebben in totaal 158 Belgische auteurs in de <sc>bmgn</sc> gepubliceerd, in veruit de meeste gevallen als enige auteur, soms als co-auteur.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn24">24</xref></sup> 41 van hen publiceerden meer dan eens in het tijdschrift, 117 deden dat eenmalig. Van de zeven historici die vier of meer bijdragen hebben geleverd, zijn er vijf die zelf tot de redactie behoorden of op een bepaald moment daartoe hebben behoord.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn25">25</xref></sup> De uitzonderingen op deze regel zijn twee historici die al lang meedraaien in het Belgische historische bedrijf en sowieso zeer productief waren en nog zijn: Els Witte (6) en Lode Wils (4). Van alle Belgische auteurs zijn er slechts zes Franstalig (4%).<sup><xref ref-type="fn" rid="fn26">26</xref></sup> In de meeste gevallen beperkt hun inbreng zich tot een artikel op uitnodiging of is hun bijdrage het resultaat van betrokkenheid bij een Vlaams-Nederlands onderzoeksproject. Een echte brugfunctie naar de wetenschappelijke productie in de Franstalige wereld is dit niet. Verwijzingen naar studies uit Frankrijk, tot in de jaren 1970-1980 toch een inspirerend gidsland inzake historisch onderzoek, kwamen in de context van de <sc>bmgn</sc> toch voornamelijk voor in de Nederlandstalige Belgische, maar ook Nederlandse comparatieve artikelen. Het aandeel vrouwelijke auteurs was aanvankelijk zeer beperkt: in de jaren 1970 publiceerden slechts drie Belgische vrouwen in de <sc>bmgn</sc> (of 7%). Vanaf de tweede helft van de jaren 1980 nam hun aandeel toe en in de jaren 1990 en de jaren 2010 schommelde het rond de 40% (in het eerste decennium van de eeuw was het tijdelijk weer gezakt naar 15%). In absolute aantallen nam het aantal Belgische artikelen vooral vanaf 2005 toe, tot zes &#x00E0; zeven per jaargang (vergelijk met grafiek 6 en 7).</p>
<p>Als we de behandelde onderwerpen in de bijdragen van Belgische auteurs bekijken, dan blijkt ook hier aanvankelijk een overwicht van het ancien r&#x00E9;gime. In de eerste periode situeerden 60 tot 70% van de bijdragen zich op dat domein. In de tweede helft van de jaren tachtig kantelt deze verhouding, en sindsdien beslaat het aandeel hedendaagse geschiedenis tussen de 60 en (in de periode 2001-2005) 80% van de artikelen. Zeer verrassend is deze verschuiving niet. Rond 1970 nam de beoefening van de nieuwste geschiedenis aan de Vlaamse universiteiten nog een bescheiden en ondergeschikte positie in. Onder aanvoering van Jan Dhondt, de befaamde Gentse medi&#x00EB;vist die zich na de Tweede Wereldoorlog tot contemporanist omschoolde, werden de aanvankelijk schaarse krachten aan de verschillende universiteiten gebundeld om deze nieuwe subdiscipline uit te bouwen. In 1955 was met het oog daarop een Interuniversitair Centrum voor Hedendaagse Geschiedenis (<sc>iuchg</sc>) opgericht, dat in zijn <italic>Cahiers</italic>, de informeel zo genoemde &#x2018;blauwe reeks&#x2019;, talrijke werkinstrumenten publiceerde, hoofdzakelijk bibliografie&#x00EB;n en persrepertoria. Ditzelfde netwerk lag ook aan de basis van het <italic>Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis</italic>, dat voor het eerst in 1969 werd uitgegeven. In de jaren 1980 was de institutionele achterstand weggewerkt en nam ook het aantal studenten en doctorandi dat voor de hedendaagse geschiedenis koos sterk toe (vergelijk met grafiek 2).<sup><xref ref-type="fn" rid="fn27">27</xref></sup></p>
<p>Het kan niet verbazen dat de Belgische historici vooral ook Belgische inhoud inbrachten. Toch is dat niet uitsluitend het geval. In de eerste plaats is duidelijk dat het geheel-Nederlandse karakter van de <sc>bmgn</sc> auteurs aantrekt die zich in hun persoon en carri&#x00E8;re en/of met hun onderzoek enigermate aan de scheiding van de Nederlanden onttrekken: dit betreft Belgische auteurs die in Nederland werken<sup><xref ref-type="fn" rid="fn28">28</xref></sup>, onderzoek doen over de Nederlandse geschiedenis<sup><xref ref-type="fn" rid="fn29">29</xref></sup>, en/of uitdrukkelijk over de verhouding tussen Noord en Zuid en de omgang met hun gezamenlijke geschiedenis reflecteren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn30">30</xref></sup> Ook zijn een aantal bijdragen in de <sc>bmgn</sc> samen geschreven door Vlaamse en Nederlandse auteurs, al dan niet met een comparatief doel, of als resultaat van een gezamenlijk onderzoeksproject.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn31">31</xref></sup> De redactie poogde af en toe uitdrukkelijk de grensoverschrijding te bevorderen, onder meer door met een aantal dossiers en fora de comparatieve aanpak uitdrukkelijk te agenderen, Noord- en Zuid-Nederlanders over elkaars geschiedenis te laten reflecteren, en noordelijke en zuidelijke studies met elkaar te vergelijken.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn32">32</xref></sup> Zelfs als dat niet altijd gemakkelijk bleek, werd uitdrukkelijk gepoogd om ook over specifieke Nederlandse en Belgische onderwerpen, zoals de Nederlandse canon (2006) en de Belgische parlementaire Lumumba-commissie (2007), een perspectief van de andere kant van de grens aan de discussie toe te voegen. Toch blijft het aandeel van deze grensoverschrijdende bijdragen beperkt. Zoals de meeste Noord-Nederlandse historici schreven over de Noord-Nederlandse geschiedenis (vergelijk met grafiek 3), zo namen de meeste Zuid-Nederlanders de Belgische geschiedenis voor hun rekening &#x2013; een taakverdeling die overigens ook in een gezamenlijk project als de <italic><sc>agn</sc></italic> werd gehanteerd.</p>
<p>Uiteraard komen zeer verscheiden onderwerpen en subdomeinen in het tijdschrift aan bod, maar het is niet zo dat alle onderdelen van de geschiedenis van de (Zuidelijke) Nederlanden daarbij evenveel aandacht kregen. De aard van het tijdschrift en de soms uitdrukkelijke zoektocht naar onderwerpen die een zo groot mogelijk deel van de historische wereld in Noord &#x00E9;n Zuid verbindt, werkt een keuze voor generalistische bijdragen en studies op het vlak van de politieke geschiedenis en de cultuurgeschiedenis in de hand. In combinatie met een toenemende focus op debat en discussie, verklaren deze factoren het ruime aandeel van bijdragen met een beschouwende en (in de ruime zin van het woord) historiografische inslag. De sociale en de economische geschiedenis en ook de geschiedenis van kerk en religie zijn geenszins afwezig, maar krijgen toch minder aandacht (vergelijk met grafiek 1). Verklaringen hiervoor liggen wellicht in het feit dat het onderzoek in deze subdomeinen in grotere mate ge&#x00EF;nternationaliseerd was en gemakkelijker zijn weg vond naar andere publicatiekanalen. Maar ook de aard en de evolutie van het landschap van historische tijdschriften in de Nederlanden zelf vormt een verklaring: zo hebben de kerk- en godsdienstgeschiedenis er een stevige specifieke traditie, met zowel de aloude en internationale maar in de Leuvense universiteit gegroeide <italic>Revue d&#x2019;Histoire Eccl&#x00E9;siastique</italic> (1900-) als het op de geschiedenis van het katholicisme in de Nederlanden gerichte <italic>Trajecta</italic> (1959-).</p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>Veranderend landschap</title>
<p>De samenstelling van de redactie en auteursgroep, en de aard van de bijdragen die zij leverden, hangen dus samen &#x2013; hoe zou het ook anders kunnen &#x2013; met het landschap waarin het tijdschrift zich bevond en waarmee het rekening diende te houden. Naast de <sc>bmgn</sc> bestond en bestaat een ander oud en eerbiedwaardig tijdschrift, het <italic>Tijdschrift voor Geschiedenis</italic> (<italic>TvG</italic>), dat in 1886 werd opgericht. Het <italic>TvG</italic> onderscheidt zich van de <sc>bmgn</sc> door zich niet te beperken tot de geschiedenis <italic>van de Nederlanden</italic>, maar, zoals het op zijn website aangeeft, &#x2018;de geschiedenis van alle tijden en van de hele wereld&#x2019; bestrijkt en dus een meer generalistisch karakter heeft. Toch heeft het <italic>TvG</italic>, als orgaan van de Nederlandse en Belgische (Vlaamse) historische wereld, veel aandacht voor de Nederlanden. Ook dit tijdschrift heeft een gemengde Belgisch-Nederlandse redactie en vist hiervoor (deels) in dezelfde vijver als de <sc>bmgn</sc>.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn33">33</xref></sup></p>
<p>Het Laaglandse landschap waarin de <sc>bmgn</sc> en het <italic>TvG</italic> door hun respectabele ouderdom en door hun generalistische aanpak een centrale plaats bekleedden, is de voorbije halve eeuw grondig veranderd. De toename van het aantal geschiedenisstudenten, van de onderzoeksgelden en bijgevolg ook van het aantal projecten en doctorandi, zorgden niet alleen voor een uitbreiding maar ook een grotere diversificatie van het historisch onderzoek. Er was nood aan meer publicatiekanalen die aan de groeiende verscheidenheid en specialisatie konden voldoen. Groepen onderzoekers organiseerden zich in chronologisch of thematisch gedefinieerde verenigingen en werkgroepen, die soms ook een eigen tijdschrift startten. Zo verschenen een aantal &#x2018;eeuwtijdschriften&#x2019;. Vanaf 1968 werd het <italic>Documentatieblad van de Werkgroep Achttiende Eeuw</italic> uitgebracht, dat sinds 1985 <italic>De Achttiende Eeuw</italic> heet. Deze uitgave beperkte zich tot de genoemde eeuw, maar verruimde tegelijk ook de actieradius en bood een forum aan historici, maar ook aan historisch-letterkundigen, kunsthistorici, filosofen en al wie zich, vanuit welke discipline dan ook, op de achttiende eeuw toelegt. Hetzelfde geldt voor <italic>De Negentiende Eeuw</italic>, dat sinds 1977 verscheen, en het vanaf 1985 uitgebrachte <italic>De Zeventiende Eeuw</italic>. <italic>De Negentiende Eeuw</italic> had een minder gemengde werking en redactie dan <italic>De Zeventiende</italic> en <italic>De Achttiende Eeuw</italic>, waarvan de Leuvense hoogleraar Jan Roegiers een van de drijvende krachten was, maar elk van deze tijdschriften publiceerde ook werk van Vlaamse historici.</p>
<p>Het is nuttig even stil te staan bij een tijdschrift dat in zijn eerste verschijningsvorm het een kwart eeuw heeft uitgezongen en dat ook de ambitie had de geschiedenis van Noord en Zuid te omvatten en daartoe een Belgisch-Nederlandse redactie kende. In 1975, kort na de doorstart van de <sc>bmgn</sc>, kwam het eerste nummer van het <italic>Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis</italic> (<italic>TvSG</italic>) uit. Dicht aanleunend bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (<sc>iisg</sc>) in Amsterdam richtte <italic>TvSG</italic> zich in eerste instantie op de studie van de arbeidersbeweging, niet enkel in de Nederlanden, maar wereldwijd. Deze ori&#x00EB;ntatie werd in de loop der jaren uitgebreid naar de studie van &#x2018;sociale strukturen en processen&#x2019;, zoals in het redactioneel van het eerste nummer van <italic>TvSG</italic> te lezen valt.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn34">34</xref></sup> Opvallend daarin is dat de verwachting voor een samenwerking met &#x2018;de Nederlandstalige Belgische beoefenaren der sociale geschiedenis&#x2019; wordt geformuleerd. En effectief, met ingang van het in februari 1976 verschenen vierde nummer treden twee Belgische redacteuren, Catharina Lis en Christiaan Vandenbroeke, aan. Zij waren respectievelijk werkzaam aan de <sc>vub</sc> en de UGent. In 1999 fusioneerde <italic>TvSG</italic> samen met het &#x2018;<sc>neha</sc>-Jaarboek voor economische, bedrijfs- en techniekgeschiedenis&#x2019; (opgericht in 1914) en het &#x2018;<sc>neha</sc>-Bulletin&#x2019; (opgericht in 1986) tot het <italic>Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedeni</italic>s met een Belgisch-Nederlandse redactie. Naar aanleiding van deze fusie publiceerde <italic>TvSG</italic> een handig overzicht van redacteuren en redactiesecretarissen, en een index van artikelen en recensies. Toenmalig redactiesecretaris Anton Schuurman schreef er een inleiding bij waaruit een aantal merkwaardige paralellen met de <sc>bmgn</sc> kunnen worden afgeleid.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn35">35</xref></sup> Van de 31 redacteuren waren er elf Belgen en wanneer we de &#x2018;institutionele&#x2019; verankering bekijken, valt eenzelfde effect van interne co&#x00F6;ptatie op dat we bij de Belgische vertegenwoordiging in de <sc>bmgn</sc>-redactie meenden te onderkennen. Van de elf Belgische redacteuren hadden zes een UGent-achtergrond en waren vijf redacteuren afkomstig van de Vrije Universiteit Brussel. Pas na de fusie in het huidige <italic>Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis</italic> traden academici van andere Belgische instellingen tot de redactie toe.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn36">36</xref></sup></p>
<p>Schuurman presenteerde in zijn overzicht ook enkele tellingen over de inhoud: in totaal publiceerde <italic>TvSG</italic> 417 artikelen, waarvan er 246 (59%) expliciet op Nederland betrekking hadden, 63 (15%) op Belgi&#x00EB;, en de rest op andere landen. Wat de verdeling over de historische periodes betreft, hadden 19 artikelen betrekking op de middeleeuwen, 94 op het ancien r&#x00E9;gime, 144 op de negentiende en 76 op de twintigste eeuw. Inhoudelijk constateerde Schuurman een duidelijke overgang van een traditionele geschiedenis van sociale bewegingen naar een structurele sociale geschiedenis, met vervolgens sinds circa 1985 een duidelijke opkomst van sociaal-politieke en sociaal-culturele geschiedenis, zonder dat daarbij de &#x2018;oude&#x2019; belangstelling voor bijvoorbeeld sociale bewegingen was verdwenen. De oude thema&#x2019;s werden wel vaak op een fundamenteel andere manier aan de orde gesteld.</p>
<p>In Belgi&#x00EB; hebben ook historische tijdschriften bestaan die hun actieradius tot de Zuidelijke Nederlanden beperkten, al dan niet in uitdrukkelijke samenwerking tussen Nederlandstaligen en Franstaligen. Sinds 1922 publiceert het <italic>Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis/Revue Belge de Philologie et d&#x2019;Histoire</italic>, in het Frans en het Nederlands studies, &#x2018;betreffende de klassieke, Romaanse en Germaanse filologie enerzijds en de geschiedenis van de oudheid, de middeleeuwen, de nieuwe tijd en de hedendaagse periode anderzijds&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn37">37</xref></sup> Uitgegeven door de &#x2018;<italic>Soci&#x00E9;t&#x00E9; pour le Progr&#x00E8;s des &#x00C9;tudes Philologiques et Historiques</italic>&#x2019; blijft het sterk verbonden met de Franstalige <sc>ulb</sc>-historici, wat in de jaren na de Tweede Wereldoorlog kortstondig tot een intern conflict heeft geleid toen de vraag werd gesteld of de door de Duitse bezetter opgelegde tweetalige titel van het tijdschrift behouden diende te blijven.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn38">38</xref></sup> Het houdt ook sinds 1953 de evenzeer tweetalige bibliografie van de geschiedenis van Belgi&#x00EB; bij, zij het nu in samenwerking met het Algemeen Rijksarchief en de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn39">39</xref></sup> Ook de Belgische Vereniging voor Nieuwste Geschiedenis / l&#x2019;Association belge d&#x2019;Histoire contemporaine is een &#x2018;geheel-Belgisch&#x2019; en dus tweetalig genootschap, dat in 1974 is gesticht. Een volwaardig tijdschrift geeft zij niet uit, maar wel een <italic>Mededelingenblad</italic> (vanaf 1978), met aankondigingen, discussies en recensies, en de voorstelling van onderzoeksgroepen, projecten, archieven en collecties.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn40">40</xref></sup> Later gaf het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (<sc>soma</sc>), het voormalige Navorsings- en Studiecentrum van de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, de <italic>Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis / Cahiers d&#x2019;Histoire du Temps Pr&#x00E9;sent</italic> (1996-2011) uit.</p>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Verengelsing en digitalisering</title>
<p>Aan de bescheiden proliferatie van Belgische en Belgisch-Nederlandse historische tijdschriften vanaf het einde van de jaren zestig is intussen een einde gekomen. De toegenomen (internationale) publicatiemogelijkheden, de trend naar het elektronisch en in <italic>open access</italic> aanbieden van tijdschriften, en de toegenomen academische concurrentie die jonge onderzoekers noodzaakte om in te zetten op internationale &#x2018;A1-artikelen&#x2019; en Nederlandstalige en nationale tijdschriften links te laten liggen, maakten het die tijdschriften moeilijker om het hoofd boven water te houden. Door de publicatiedruk die door beleidskeuzes in de meeste universiteiten in het begin van de eenentwintigste eeuw fors werd opgevoerd, deed zich vaak ook een omschakeling voor naar het Engels als publicatietaal, wat zoals verhoopt een erkenning door de grote <italic>citation index</italic> systemen gemakkelijker maakte (vergelijk met grafiek 5). In het geval van de <sc>bmgn</sc> bleef dat relatief beperkt, met de Engelse subtitel <italic>The Low Countries Historical Review</italic> die met ingang van jaargang 121 in 2006 op de kaft verscheen, het aantreden van een internationale <italic>advisory board</italic> en naderhand ook het plan om in <italic>open access</italic> te verschijnen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn41">41</xref></sup> De achtergrond hiervan bleek, zoals verwoord in het redactioneel van 2010, de erkenning als A-tijdschrift door de European Science Foundation.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn42">42</xref></sup></p>
<p>De verschillende tijdschriften met een relatief beperkte chronologische of thematische scope, zijn zo goed als allemaal in de loop van de jaren 2010 verdwenen of gefusioneerd tot doorgaans Engelstalige tijdschriften. <italic>De Zeventiende Eeuw</italic> en <italic>De Achttiende Eeuw</italic> zijn in 2017 opgegaan in het Engelstalige en door een Belgisch-Nederlandse redactie gedragen <italic>open access</italic> tijdschrift <italic>Early Modern Low Countries</italic>.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn43">43</xref></sup> <italic>De Negentiende Eeuw</italic> is op datzelfde moment omgevormd tot <italic>De Moderne Tijd: De Lage Landen, 1780-1940</italic>, met uiteraard ook een gemengde, zij het overwegend Nederlandse, redactie. En terwijl de redacties zo goed als altijd Belgisch-Nederlands gebleven zijn, werden de te verwachten aanpassingen ingegeven door de ambitie om die (internationale) A1-status te verwerven: een internationale <italic>advisory board</italic>, eventueel <italic>open access</italic>, een doorgedreven anonieme peerreview. Het <italic>Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis</italic> werd in 1998 voor het eerst uitgegeven. Dit tijdschrift kende vijftien afleveringen, waarvan de laatste in 2012 werd gepubliceerd. Parallel bestond ook het tijdschrift <italic>Millennium: tijdschrift voor middeleeuwse studies</italic>, opgestart in 1987 en eveneens stopgezet in 2012.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn44">44</xref></sup> De traditie van beide tijdschriften werd vanaf 2014 overgenomen door het jaarboek <italic>The Medieval Low Countries. An Annual Review</italic>.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn45">45</xref></sup></p>
<p>De <sc>bmgn</sc> heeft de dubbele beweging van proliferatie en beperking van het omliggende landschap zonder al te veel problemen doorstaan. Zijn bestaansreden heeft, ook in Vlaanderen, nooit echt ter discussie gestaan. De uitbreiding van het historisch onderzoek en van het aantal onderzoekers (niet zozeer van het aantal hoogleraren, maar in elk geval van het aantal doctorandi) maakte het mogelijk de concurrentie het hoofd te bieden. De toename van het aantal historische tijdschriften in Vlaanderen, die onvermijdelijk ook voor bestaffing en bijdragen in dezelfde vijver moesten vissen, heeft de aantrekkelijkheid van de <sc>bmgn</sc> voor Vlaamse historici verminderd. Deze ontwikkeling verklaart wellicht het vrij beperkt aantal zuidelijke bijdragen in de periode 1980-2005. Met name in het midden van de jaren 1990 zijn er jaargangen geweest waarin geen enkel artikel van een Belgisch auteur is verschenen. Deze periode ligt evenwel al lang achter ons. De krimp van het landschap, tenminste wat papieren tijdschriften betreft, heeft gezorgd voor een hernieuwde aantrekkelijkheid. Tegenover de internationale en digitale concurrentie, kan de <sc>bmgn</sc> nu weer gemakkelijker zijn specificiteit uitspelen en zich van aanloop uit Belgi&#x00EB; verzekeren.</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group><fn id="fn1"><label>1</label><p>Alastair Duke, &#x2018;The Elusive Netherlands. The question of national identity in the Early Modern Low Countries on the Eve of the Revolt&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 119:1 (2004) 10-38. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.5967">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.5967</ext-link>; Ernst H. Kossmann, <italic>Een tuchteloos probleem. De natie in de Nederlanden</italic> (Leuven 1994).</p></fn>
<fn id="fn2"><label>2</label><p>Hans Blom, &#x2018;Een eeuwfeest&#x003F; Een verkenning ter gelegenheid van de laatste aflevering van deel honderd van de <sc>bmgn&#x2019;</sc>, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 100:4 (1985) 576-587. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.2655">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.2655</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn3"><label>3</label><p>Leen Dorsman en Ed Jonker, <italic>Anderhalve eeuw geschiedenis. (Nederlands) Historisch genootschap, 1845-1995</italic> (&#x2019;s-Gravenhage 1995) 100.</p></fn>
<fn id="fn4"><label>4</label><p>Dorsman en Jonker, <italic>Anderhalve eeuw geschiedenis</italic>, 95, en Pieter Van Hees, &#x2018;Van Nederlandsche Historiebladen tot Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Geschiedenis</italic> 99:3-4 (1986) 476-506. Zie ook Lode Wils, &#x2018;De Grootnederlandse geschiedschrijving&#x2019;, <italic>Revue belge de Philologie et d&#x2018;Histoire/Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis</italic> 61:2 (1983) 322-366. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.3406/rbph.1983.3419">https://doi.org/10.3406/rbph.1983.3419</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn5"><label>5</label><p>Over Geyl, zie: Jo Tollebeek, &#x2018;Begreep Geyl de Vlamingen&#x003F;&#x2019;, <italic>Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden 2009-2010</italic> (Leiden 2011) 67-81, ook opgenomen in zijn <italic>Een slapeloos doordenken van alle dingen. Over geschiedenis en historische cultuur</italic> (Amsterdam 2017) 77-91. Het thema is eveneens zeer aanwezig in Lode Wils, <italic>Vlaanderen, Belgi&#x00EB;, Groot-Nederland. Mythe en geschiedenis</italic> (Leuven 1994) 261-428 en Lode Wils, <italic>Op zoek naar een natie. Het ontstaan van Vlaanderen binnen Belgi&#x00EB;</italic> (Kalmthout 2020) 281-309.</p></fn>
<fn id="fn6"><label>6</label><p>Zie de website van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://commissionroyalehistoire.be/nl/accueil_nl.html">http://commissionroyalehistoire.be/nl/accueil_nl.html</ext-link>. De handelingen zijn integraal beschikbaar via <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.persee.fr/collection/bcrh">https://www.persee.fr/collection/bcrh</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn7"><label>7</label><p>Klaas van Berkel, &#x2018;E. H. Kossmann als redacteur van de <italic>Bijdragen en mededelingen</italic>&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 119:1 (2004) 1-9. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.5966">http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.5966</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn8"><label>8</label><p>Het was meteen ook de start van een tot de dag van vandaag aanhoudende Huizinga-revival: <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 88:2 (1973) 143-377 en Willem Koops, Ernst Kossmann, en Gees van der Plaat (reds.), <italic>Johan Huizinga 1872-1972. Papers delivered to the Johan Huizinga Conference 11-15 December 1972</italic> (Den Haag 1973).</p></fn>
<fn id="fn9"><label>9</label><p>De <sc>ku</sc> Leuven heeft zich de geschiedenis van de &#x2018;oude&#x2019; middeleeuwse universiteit toege&#x00EB;igend en zal over enkele jaren haar zeshonderdste verjaardag vieren. In 1909 vierde de universiteit nog haar vijfenzeventigste verjaardag, in 1927, met enkele jaren vertraging door de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, vierde zij haar vijfhonderdste verjaardag. Zie onder meer Emiel Lamberts en Jan Roegiers, <italic>Leuven University, 1425-1985</italic> (Leuven 1990), en Jo Tollebeek en Liesbet Nys, met medewerking van Lieve Gevers, Louis Vos en Ruben Mantels, <italic>De stad op de berg. Een geschiedenis van de Leuvense universiteit sinds 1968</italic> (Leuven 2005). Ook Gent kende een bewogen start: het Voorlopig Bewind dat na de revolutie van 1830 aan de macht kwam schrapte er onder meer de faculteiten Letteren en Wetenschappen die pas in 1835 opnieuw werden ingericht, zie: Gita Deneckere, <italic>Uit de ivoren toren. 200 jaar Universiteit Gent</italic> (Gent 2017) 20-23.</p></fn>
<fn id="fn10"><label>10</label><p>Over Raymond Van Uytven, Leuvenaar van origine en als medi&#x00EB;vist actief in Antwerpen, en vanaf 1990 ook buitengewoon hoogleraar in Leuven, zie Walter Prevenier, &#x2018;Raymond van Uytven: een getuigenis&#x2019;, <italic>Bijdragen tot de Geschiedenis</italic> 81 (1998) 9-23.</p></fn>
<fn id="fn11"><label>11</label><p>Het gaat in chronologische volgorde van toetreding tot de redactie om Jan Arthur Van Houtte, Maurits De Vroede, Raymond Van Uytven (die we voor 50% als Leuvens meetellen), Herman Van der Wee, Emiel Lamberts, Erik Aerts, Jo Tollebeek, Louis Vos, Jan De Maeyer, Kaat Wils, Idesbald Goddeeris en Ma&#x00EF;ka De Keyzer.</p></fn>
<fn id="fn12"><label>12</label><p>Michel Baelde, John Everaert, Raoul Van Caenegem, Jan Art, Marc Boone, Th&#x00E9;r&#x00E8;se de Hemptinne, Anne-Laure Van Bruaene en Frederik Buylaert.</p></fn>
<fn id="fn13"><label>13</label><p>Gustaaf Asaert, Jules Verhelst en Nico Wouters.</p></fn>
<fn id="fn14"><label>14</label><p>Met respectievelijk Marnix Beyen voor Antwerpen en Anne Winter voor Brussel.</p></fn>
<fn id="fn15"><label>15</label><p>Kaat Wils was evenwel niet de eerste vrouwelijke voorzitter van de redactie, die eer was weggelegd voor de Groningse medi&#x00EB;vist Catrien Santing.</p></fn>
<fn id="fn16"><label>16</label><p>Zes, of vijf als Blockmans niet wordt meegerekend, op de acht Gentse leden: Van Caenegem, Blockmans, Boone, De Hemptinne, Buylaert, en tot op zekere hoogte Van Bruaene.</p></fn>
<fn id="fn17"><label>17</label><p>Michiel Dierickx s.j., &#x2018;Het Ve Nederlands-Belgisch historisch congres&#x2019;, <italic>Streven</italic> 4:9 (1951) 312-314.</p></fn>
<fn id="fn18"><label>18</label><p>Beide principes werden met enige regelmaat voorwerp van discussie, zie over deze congressen: Frits Hugenholtz, Harry van den Eerenbeemt en Louis Vos, <italic>Een beeld van een congres. Belgisch-Nederlandse/Nederlands-Vlaamse Historische Congressen, 1939-2003</italic> (Den Haag 2003) passim.</p></fn>
<fn id="fn19"><label>19</label><p>Els Witte, <italic>Voor vrede, democratie, wereldburgerschap en Europa. Belgische historici en de naoorlogse politiek-ideologische projecten (1944-1956)</italic> (Kapellen 2009) 251-252.</p></fn>
<fn id="fn20"><label>20</label><p>Hans van der Hoeven, &#x2018;De nieuwe Algemene Geschiedenis der Nederlanden&#x2019;, <italic>Ons Erfdeel</italic> 27:3 (1984) 321-328; Reginald De Schryver, &#x2018;De nieuwe <italic>Algemene Geschiedenis der Nederlanden</italic>. Een vergelijking met buitenlandse equivalenten&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 101:3 (1986) 387-399. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.2727">http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.2727</ext-link>; Hans Blom en Emiel Lamberts (reds.), <italic>Geschiedenis van de Nederlanden</italic> (Rijswijk 1993), gevolgd door diverse nieuwe edities en een Engelse vertaling (1999).</p></fn>
<fn id="fn21"><label>21</label><p>Het sinds de oprichting in 1928 unitaire Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek werd vanaf 1988 door de Nederlands- en Franstalige gemeenschappen gefinancierd. In 1992 volgde de splitsing van de Raad van Bestuur, in 1996 werd een volwaardige Nederlandstalige vleugel in het leven geroepen en in 2006 volgde de volledige ontmanteling van de oude unitaire instelling, zie: &#x2018;Geschiedenis&#x2019;, <italic><sc>fwo</sc></italic>, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.fwo.be/nl/het-fwo/profiel/geschiedenis/">https://www.fwo.be/nl/het-fwo/profiel/geschiedenis/</ext-link> (geraadpleegd op 6 januari 2020).</p></fn>
<fn id="fn22"><label>22</label><p>Opvallend is dat de historiek van de instelling zelf chronologisch niet verder gaat dan 2003, zie: &#x2018;Historiek&#x2019;, <italic><sc>belspo</sc></italic>, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.belspo.be/belspo/organisation/history_nl.stm">http://www.belspo.be/belspo/organisation/about_history_nl.stm</ext-link> (geraadpleegd op 6 januari 2020).</p></fn>
<fn id="fn23"><label>23</label><p>Jan Arthur Van Houtte publiceerde een in memoriam van Egied-Idesbald Strubbe (1971), Louis Jadin, Raymond De Roover en Charles Terlinden (1973), en Raymond Van Uytven van Jan Dhondt (1973).</p></fn>
<fn id="fn24"><label>24</label><p>Voor alle duidelijkheid: deze tellingen betreffen enkel de artikelen (inclusief de rubrieken), recensies zijn hier buiten beschouwing gelaten.</p></fn>
<fn id="fn25"><label>25</label><p>Jan Arthur Van Houtte, Jo Tollebeek, Kaat Wils, Anne-Laure Van Bruaene en Nico Wouters.</p></fn>
<fn id="fn26"><label>26</label><p>John Bartier, Michel Dumoulin, Jean-Pierre Sosson, V&#x00E9;ronique Flammang, Beno&#x00EE;t Majerus en Chantal Kesteloot. Ook hier valt een duidelijke verschuiving doorheen de tijd van medi&#x00EB;vistiek (Bartier, Sosson en Flammang) naar hedendaagse geschiedenis (Dumoulin, Majerus, Kesteloot) op.</p></fn>
<fn id="fn27"><label>27</label><p>Zie over deze ontwikkeling diverse bijdragen van Jan Art, Romain Van Eenoo en Luc Fran&#x00E7;ois in: Gita Deneckere en Bruno De Wever (reds.), <italic>Geschiedenis maken. Liber amicorum Herman Balthazar</italic> (Gent 2003).</p></fn>
<fn id="fn28"><label>28</label><p>Zoals Wim Blockmans, Louis Th. Maes, Hugo de Schepper en Nele Beyens.</p></fn>
<fn id="fn29"><label>29</label><p>Onder meer Maurits De Vroede over volksonderwijs in Belgi&#x00EB; en Nederland (1977), Jo Tollebeek over geschiedschrijving en geschiedtheorie in Nederland (1995), Kaat Wils over Comte in Nederland (1996), Pieter Lagrou over het Srebrenica-rapport (2003) en over Loe de Jong (2015), en Antoon Vrints over de voedselvoorziening in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (2011).</p></fn>
<fn id="fn30"><label>30</label><p>Zoals de historiografische bijdrage van Reginald De Schryver over de <italic><sc>agn</sc></italic> (1986), Maria De Waele over de onderlinge beeldvorming tussen Belgi&#x00EB; en Nederland in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw (2000), en Erik Buyst en Wim Lefebvre over de Nederlandse economie tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit Belgisch perspectief (2004).</p></fn>
<fn id="fn31"><label>31</label><p>Bijvoorbeeld Angelo De Bruycker en Djoeke van Netten over de migratie van wetenschappers tussen de Republiek en de Spaanse Nederlanden (2008), Nico Wouters en Jan Julia Zurn&#x00E9; over Jodenvervolging en daderprocessen in Nederland en Belgi&#x00EB; (2016), Hilde Greefs en Marjolein &#x2019;t Hart over de suikersector in Antwerpen en Rotterdam 1795-1815 (2018). Of voor de studie van de periode van het Verenigd Koninkrijk (1815-1830), zoals door Brecht Deseure en Diederik Smit (2018) en Dieter Bruneel en Leon Wessels (2019).</p></fn>
<fn id="fn32"><label>32</label><p>Bijvoorbeeld de Bourgondische periode (1980), de Duitse bezetting (1990), &#x2018;Parlementen in de Nederlanden&#x2019; (2005), historische canons (2006), over landschap, natuur en nationale identiteit (2006), de geschiedenis en rol van de provincies (2008), onderzoekscommissies naar vredesmissies (2010), <italic>histories of masculinity</italic> (2012), historisch migratieonderzoek (2012), <italic>digital history</italic> (2013), historische televisie (2015), de Beeldenstorm (2016), de herdenking van de Eerste Wereldoorlog (2016), <italic>scholarly personae</italic> (2016) en het Huis van de Europese Geschiedenis (2018).</p></fn>
<fn id="fn33"><label>33</label><p>Hier zetelen ook historici die zich op de geschiedenis van buiten de Nederlanden hebben toegelegd, zoals in de actuele redactie onder meer Georgi Verbeeck en Werner Thomas, specialisten van de respectievelijk Duitse en Spaanse geschiedenis. In de redactie van het <italic>TvG</italic> geldt geen numeriek evenwicht tussen Noordelijke en Zuidelijke leden. Onder de vijftien actuele leden zijn &#x00E9;&#x00E9;n Vlaams historicus die in Nederland werkt (Georgi Verbeeck van de Universiteit Maastricht) en drie vertegenwoordigers van de Vlaamse universiteiten: Tim Soens (Antwerpen), Werner Thomas (Leuven) en Anne-Laure Van Bruaene (Gent), voormalig redactielid van de <sc>bmgn</sc>.</p></fn>
<fn id="fn34"><label>34</label><p>Redactie/Bestuur <sc>nvsg</sc>, &#x2018;Het &#x201C;Tijdschrift voor sociale geschiedenis&#x201D;&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis</italic> 1 (1975) 3-4, ondertekend door de redactie, een viertal waaronder &#x00E9;&#x00E9;n van oorsprong Belgisch lid, Daisy Devreese. Devreese werd aan de UGent bij Jan Dhondt opgeleid, maar was indertijd werkzaam aan het <sc>iisg</sc> in Amsterdam.</p></fn>
<fn id="fn35"><label>35</label><p>Anton Schuurman, &#x2018;Inleiding&#x2019;, in: Anton Schuurman, <italic>Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, Register op de jaargangen 1 (1975) &#x2013; 25 (1999)</italic> (Hilversum 2000) 1-2.</p></fn>
<fn id="fn36"><label>36</label><p>Het gaat om de Gentenaars Daisy Devreese, Chris Vandenbroeke, Jos De Belder, Marc Boone, Hanno Brand en Gita Deneckere; bij de <sc>vub</sc> gaat het om Catharina Lis, Patricia Van den Eeckhout, Roger De Peuter, Peter Scholliers en Harald Deceulaer. Hierbij moet worden opgemerkt dat De Peuter als Belg destijds aan de Universiteit Utrecht werkzaam was, terwijl Brand als Nederlander toen aan de UGent verbonden was. Het valt verder op dat slechts twee Belgen redactiesecretaris zijn geweest: De Peuter en Brand, niet toevallig twee vertegenwoordigers van deze &#x2018;hybride variant&#x2019;.</p></fn>
<fn id="fn37"><label>37</label><p>Doelstellingen van het tijdschrift, te vinden op zijn website: &#x2018;Het Tijdschrift&#x2019;, <italic>Revue Belge de Philologie et d&#x2019;Histoire &#x2013; Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis</italic>, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.rbph-btfg.be/nl_index.html">https://www.rbph-btfg.be/nl_index.html</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn38"><label>38</label><p>De Soci&#x00E9;t&#x00E9; werd in 1874 opgericht en groeide in het interbellum uit tot een overkoepelende vereniging van Belgische historici. Ze werd de uitgeefster van de <italic>Revue Belge de Philologie et d&#x2019;Histoire/Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis</italic>, zie Els Witte, <italic>Voor vrede, democratie</italic>, 65-66 en passim over het tijdschrift, Marnix Beyen, <italic>Oorlog &#x0026; verleden. Nationale geschiedenis in Belgi&#x00EB; en Nederland, 1938-1947</italic> (Amsterdam 2002) 209, 386, en Ludo Milis, &#x2018;Fran&#x00E7;ois-Louis Ganshof (1895-1980)&#x2019;, <italic>Revue Belge de Philologie et d&#x2018;Histoire/Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis</italic> 59:2 (1981) 527-528.</p></fn>
<fn id="fn39"><label>39</label><p>Zie: &#x2018;Bibliografie van de geschiedenis van Belgi&#x00EB;&#x2019;, <italic>Koninklijke Commissie voor Geschiedenis</italic>, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://commissionroyalehistoire.be/nl/bibliografie/geschiedenisBelgie.html">http://commissionroyalehistoire.be/nl/bibliografie/geschiedenisBelgie.html</ext-link> (geraadpleegd op 30 november 2020).</p></fn>
<fn id="fn40"><label>40</label><p>Dit forum bestaat nog steeds, maar verschijnt sinds kort nog enkel digitaal: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.contemporanea.be/nl">https://www.contemporanea.be/nl</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn41"><label>41</label><p>Zie de toelichting door toenmalig redactievoorzitter Klaas van Berkel, &#x2018;Ter inleiding&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden/The Low Countries Historical Review</italic> 121:1 (2006) 1-2.</p></fn>
<fn id="fn42"><label>42</label><p>Catrien Santing, &#x2018;Redactioneel&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden/The Low Countries Historical Review</italic> 125:1 (2010) 2. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.7065">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.7065</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn43"><label>43</label><p>De Werkroep Achttiende Eeuw publiceert sinds 2017 wel nog steeds zelfstandig een jaarboek.</p></fn>
<fn id="fn44"><label>44</label><p>Uitgegeven door een aan de Katholieke Universiteit Nijmegen verbonden stichting, maar gepubliceerd bij uitgeverij Verloren in Hilversum.</p></fn>
<fn id="fn45"><label>45</label><p>Het Nederlandstalige jaarboek een initiatief van de Stichting bevordering middeleeuwse studies werd uitgegeven bij Verloren in Hilversum, haar Engelstalige opvolger bij Brepols in Turnhout.</p></fn></fn-group>
<sec>
<title/>
<p><bold>Marc Boone</bold> is gewoon hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de UGent, gastproffesor in Dijon, Parijs (Sorbonne en <sc>ehess</sc>) en Milaan, en Francqui-leerstoelhouder aan de <sc>ulb</sc>. Zijn onderzoek betreft de vergelijkende stadsgeschiedenis, de sociaal-politieke en economische geschiedenis van de (late) middeleeuwen, en de Bourgondische geschiedenis. Hij was onder meer redacteur van het <italic>TvSG</italic> en de <sc>bmgn</sc> en lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van Belgi&#x00EB; voor Wetenschappen en Kunsten (<sc>kvab</sc>). Recent was hij met Anne-Laure Van Bruaene, Bruno Blond&#x00E9; en Claire Billen redacteur van een synthese over stadsgeschiedenis: <italic>Gouden eeuwen. Stad en samenleving in de Lage Landen, 1100-1600</italic> (2016) waarvan een Engelse (2018) en Franse versie (2021) is verschenen. E-mail: <email>marc.boone@ugent.be</email>.</p>
<p><bold>Tom Verschaffel</bold> is hoogleraar Cultuurgeschiedenis aan de <sc>ku</sc> Leuven en <sc>kulak</sc>. Zijn onderzoek betreft de geschiedenis van de geschiedschrijving, de brede historische cultuur en de visualisering van het verleden, het cultureel nationalisme, de geschiedenis van de culturele infrastructuur en culturele transfers, en de Belgische cultuurgeschiedenis van de achttiende en de negentiende eeuw. Hij schreef onder meer <italic>De vreugden van Houssaye: apologie van de historische interesse</italic> (met Jo Tollebeek, 1992), <italic>De hoed en de hond: geschiedschrijving in de Zuidelijke Nederlanden, 1715-1794</italic> (1998), <italic>Broedertwist: Belgi&#x00EB; en Nederland en de erfenis van 1830</italic> (met Peter Rietbergen, 2005), <italic>Lotsverbonden ontrouw: de wankelmoedige verhouding tussen Noord en Zuid, 1585-1815</italic> (2015) en <italic>De weg naar het binnenland. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800: de Zuidelijke Nederlanden</italic> (2017). Recent publiceerde hij samen met Marjan Sterckx <italic>Sculpting abroad. Nationality and mobility in the nineteenth century</italic> (2020). E-mail: <email>tom.verschaffel@kuleuven.be</email>.</p>
</sec>
</back>
</article>