<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="research-article" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.9775</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.9775</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Behoud de <italic>Bijdragen</italic>, vernieuw de vorm</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Huistra</surname>
<given-names>Pieter</given-names>
</name>
</contrib>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Mellink</surname>
<given-names>Bram</given-names>
</name>
<xref ref-type="fn" rid="fn1"><sup>1</sup></xref>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>06</month>
<year>2021</year>
</pub-date>
<volume>136</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>6</fpage>
<lpage>22</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2021 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2021</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by-nc/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International (CC BY-NC 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.9775"/>
<abstract>
<p>In de afgelopen vijftig jaar heeft <sc>bmgn</sc> zich staande gehouden in een versnipperend tijdschriftenlandschap en een snel internationaliserende geschiedbeoefening &#x2013; zij liep daarbij zelfs voorop bij de digitalisering. De bestaansreden van <sc>bmgn</sc> is door de opeenvolgende redacties gevonden in het entameren van historisch debat. Daarin zijn zij succesvol gebleken, al waren de discussanten wellicht te homogeen. Een koploper in historiografische vernieuwing is <sc>bmgn</sc> niet geweest en, zo stellen wij, dat zou zij als geografisch gedefinieerd tijdschrift ook niet moeten beogen. Beter kan <sc>bmgn</sc> zich ook in de toekomst richten op vormvernieuwing en wel op drie manieren. Ten eerste door het publicatieproces anders in te richten met als doel de <italic>peer review</italic> nuttiger en aantrekkelijker te maken. Ten tweede door artikelformats los te laten, discussie en debat nog meer ruimte te geven en experimentele bijdragen te stimuleren. Ten derde door het primaat van digitaal publiceren te aanvaarden en de mogelijkheden die dat biedt beter te benutten.</p>
<p>In the past fifty years the <sc>bmgn</sc> has prevailed amid a fragmenting journal landscape and rapidly internationalising historical scholarship and has even done pioneering work in digitisation. Successive editorial boards established the <italic>raison d&#x2019;&#x00EA;tre</italic> of the <sc>bmgn</sc> by initiating historical debate. They have succeeded in this endeavour, although those participating in the discussions may have been overly homogeneous. The <sc>bmgn</sc> has not been a trailblazer in historiographic innovation, nor should it aim to be, in our view, as a geographically defined journal. The <sc>bmgn</sc> would benefit in the future from focusing on three form innovations. First, by revising the publication process to make the peer review more useful and appealing. Second, by digressing from article formats, doing more to promote discussion and debate and encouraging experimental contributions. Third, by accepting the primacy of digital publishing and making better use of the opportunities it offers.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<fig>
<caption><p>&#x2018;Onder de loep&#x2019;. &#x00A9; Lotte Dijkstra.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.9775_fig1.jpg"/>
</fig>	
<p>Waarom toch altijd zo zwaarmoedig&#x003F; Er gaat geen jubileum of andere viering voorbij of <sc>bmgn</sc> grijpt de gelegenheid aan voor zelfonderzoek. Toen <sc>bmgn</sc> in 1985 de honderdste jaargang publiceerde wijdde de redactie in een poging &#x2018;alle schijn van geborneerdheid te vermijden&#x2019; een nummer aan de geschiedenis van de Lage Landen door de ogen van buitenlandse historici.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup> Vijfentwintig jaar later vond het <italic>International Congress for Historical Sciences</italic> in Amsterdam plaats en ging de aandacht ook in <sc>bmgn</sc> uit naar &#x2018;the international relevance of Dutch history&#x2019;. Weer acht jaar later, in 2018, vroeg de redactie bij de uitreiking van de eerste <italic>Low Countries History Award</italic> enkele collega&#x2019;s van niet-Nederlandse en niet-Belgische komaf om hun oordeel over de geschiedschrijving van de Lage Landen. En nu <sc>bmgn</sc> in zijn huidige vorm vijftig jaar bestaat, bereikte ons eerder dit jaar het verzoek een stuk te wijden aan de vraag of het tijdschrift &#x2018;klassiek&#x2019; of juist &#x2018;modern&#x2019; aandoet.</p>
<p>Reflectie op de eigen uitgangspunten is prijzenswaardig voor een tijdschrift. Toch vraagt het bijbehorende redactionele getob wel wat van de lezer, want een beetje geborneerd klinkt het wel degelijk. En eigenlijk is het allemaal al begonnen toen <sc>bmgn</sc> in 1970 tot stand kwam als een fusie van de <italic>Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap</italic> en de <italic>Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden</italic>. De eerste voorzitter van de redactie, Ernst Kossmann, bekende aan zijn collega Hans Bornewasser: &#x2018;Ik twijfel een beetje aan de toekomst van het blad. [&#x2026;] De fusies hebben de zaak niet verhelderd; als we niet oppassen zakken we naar de status van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn3">3</xref></sup> Toen Kossmann zich wat later tot de lezers richtte, was dat dan ook &#x2018;met enige schroom&#x2019;, want, bekende hij, de redactie had zich serieus gebogen over de vraag of aan de nieuwe <sc>bmgn</sc> wel behoefte bestond. Het besluit om w&#x00E9;l van start te gaan leek eerder door angst dan door enthousiasme ingegeven: &#x2018;Het zou roekeloos zijn nu te besluiten dat wij geen prijs meer stellen op wat Nederland sinds 1837 bezeten heeft: een tijdschrift gewijd aan de onuitputtelijke geschiedenis van de Lage Landen&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn4">4</xref></sup></p>
<p>In deze bijdrage doen wij geen poging om een traditie in ere te houden, maar willen wij met een traditie breken. In plaats van ons in abstracto de vraag te stellen wat <sc>bmgn</sc> is en of zij ertoe doet, willen we in het verleden behaalde resultaten benoemen om te laten zien waar het tijdschrift goed in is &#x2013; of zou kunnen zijn. In onze analyse van het redactionele beleid richten we ons op het tijdschrift als geheel en maken we dus geen systematisch onderscheid tussen Nederlandse en Belgische bijdragen &#x2013; al valt over de vertegenwoordiging van beide delen van de Lage Landen nog wel een en ander te zeggen, zoals verderop zal blijken. Verder zoeken we in onze aanbevelingen &#x2013; anders dan in de eerder genoemde bijdragen &#x2013; niet naar vernieuwingen van inhoud, maar in vorm. Aan het thema &#x2018;de Lage Landen&#x2019; zit de redactie nu eenmaal vast, terwijl de kwaliteit waarmee de Lage Landen behandeld worden bovenal afhangt van de kwaliteit van de ingediende bijdragen. Onze vraag luidt of <sc>bmgn</sc> meer en (nog) verrassendere bijdragen kan binnenhalen met behulp van gerichte vormvernieuwingen, die het tijdschrift voor lezers en auteurs aantrekkelijker zouden maken.</p>
<p>Wij denken van wel, en om ons optimisme kracht bij te zetten vergelijken we de door ons bepleite agenda met de inhoudelijke ambities van de <sc>bmgn</sc>-redactie zelf en de institutionele ontwikkelingen waarmee de redactie vooral in de afgelopen twintig jaar te maken kreeg. De institutionele ontwikkelingen vloeiden onder meer voort uit de snelle digitalisering van het academische tijdschriftenlandschap. Tijdens deze digitalisering heeft <sc>bmgn</sc> behoorlijke successen geboekt, zo zullen we betogen, maar tegelijkertijd heeft de redactie een nogal klassieke vorm van het tijdschrift gehandhaafd. Op inhoudelijk terrein is de redactie in veel opzichten vernieuwender geweest, dankzij een aanhoudende en steeds meer met succes bekroonde inzet voor &#x2018;debat&#x2019; tussen specialisten in de geschiedenis van de Lage Landen. De vraag is evenwel hoe breed deze specialisten worden gerekruteerd. Aan het slot van onze bijdrage stellen wij dat <sc>bmgn</sc> via vormvernieuwingen een spannender tijdschrift kan worden voor lezers en auteurs, omdat het blad vergeleken met veel andere tijdschriften een opvallend onafhankelijke status geniet. Dat biedt kansen voor een serie experimenten en verdere verbetering van een tijdschrift dat, zeker gezien de lage verwachtingen aan het kraambed, toch heel behoorlijk is opgegroeid.</p>
<sec id="s1">
<title>Een digitale <sc>bmgn</sc> met een nieuwe functie</title>
<p>Sinds de oprichting van de huidige <sc>bmgn</sc> in 1970 is de geschiedbeoefening in de Lage Landen zowel inhoudelijk als organisatorisch veranderd. Die verandering laat zich schetsen aan de hand van een veranderend tijdschriftenlandschap en de positie van <sc>bmgn</sc> daarin. Inhoudelijk is de geschiedbeoefening in toenemende mate &#x2018;vergruisd&#x2019;. De toename van het aantal historische periodieken naast de klassieke grote twee, <sc>bmgn</sc> en <italic>Tijdschrift voor Geschiedenis</italic>, getuigt daarvan. Nieuwe periodieken richtten zich op specifieke tijdvakken &#x2013; bijvoorbeeld het <italic>Documentatieblad werkgroep 18<sup>e</sup> eeuw</italic> (1968) &#x2013; en op nieuwe thematische benaderingen &#x2013; denk aan het <italic>Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis</italic> (1975) of het <italic>Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis</italic> (1980). De thematische en inhoudelijke vernieuwingen in de geschiedwetenschap vonden in de eerste plaats hun weg naar deze nieuwe tijdschriften, maar zouden in tweede instantie ook <sc>bmgn</sc> inhoudelijk veranderen. In de jaren zeventig domineerden nog de politieke en economische geschiedenis, vanaf de jaren tachtig kwam daar steeds meer sociale geschiedenis en cultuurgeschiedenis bij, en in het laatste decennium publiceerde <sc>bmgn</sc> opvallend veel (post)koloniale geschiedschrijving (zie grafiek 1).</p>
<p>De inhoudelijke proliferatie werd in de afgelopen twintig &#x00E0; dertig jaar gevolgd door een snelle verandering in de vorm en functie van tijdschriften. In 1994 stapte het <italic><sc>neha</sc>-Jaarboek</italic> (een voorloper van het huidige <italic><sc>tseg</sc></italic>) als een van de eerste Nederlandstalige historische tijdschriften over op &#x2018;een systeem dat bij onze buitenlandse vakgenoten [...] reeds geheel is ingeburgerd, het inschakelen van referenten&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn5">5</xref></sup> Dit nieuwe systeem van <italic>peer review</italic> werd in een mum van tijd de norm. Tussen de jaren 2000 en 2010 internationaliseerde de geschiedbeoefening vervolgens zodanig, dat het Engels het Nederlands als academische voertaal van de troon stootte. Op technologisch gebied verving de <sc>pdf</sc> grotendeels het papier en werden artikelen full-tekst doorzoekbaar en direct raadpleegbaar, als het stuk althans niet achter de betaalmuur van een grote academische uitgever verdween. Deze grote uitgevers maakten in het historisch tijdschriftenlandschap namelijk eveneens een snelle opmars. Terwijl de digitalisering voortschreed verdween de nationale geschiedenis als vanzelfsprekend betekenisgevend kader en verdwenen de Lage Landen als vanzelfsprekende historische gemeenschap. De academische wereld ori&#x00EB;nteerde zich intussen internationaler en specialistischer. De combinatie van deze ontwikkelingen betekende een metamorfose van de academische tijdschriften.</p>
<p><sc>bmgn</sc> liep bij veel van deze ontwikkelingen voorop, of ging op zijn minst goed mee in de vaart der volkeren. De redactie trad steeds meer naar de voorgrond om de veranderingen aan te kondigen en te verantwoorden. Verontschuldigde Klaas van Berkel zich in het eerste nummer van 2008 nog voor zijn &#x2018;niet gebruikelijke&#x2019; redactionele boodschap, toen Catrien Santing zich twee jaar later tot de lezers richtte was het &#x2018;redactioneel&#x2019; gewoonte geworden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn6">6</xref></sup> Santing kende de uitdagingen die <sc>bmgn</sc> het hoofd moest bieden, wilde zij &#x2018;als toonaangevend wetenschappelijk tijdschrift overleven&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn7">7</xref></sup> Ze beheerste bovendien het jargon waarin die uitdagingen te lijf moesten worden gegaan. <sc>bmgn</sc> had de in 2009 van de European Science Foundation verkregen &#x2018;<sc>a</sc>-status&#x2019; te danken aan een goede redactie, aan de procedure van &#x2018;<italic>peer review</italic>&#x2019;, aan een &#x2018;Advisory Board&#x2019; met &#x2018;buitenlandse experts op het terrein van Low Countries History&#x2019;, en aan de &#x2018;online&#x2019; beschikbaarheid van alle jaargangen vanaf 1970, &#x2018;in pdf&#x2019;. Maar dat was volgens Santing niet genoeg: in de toekomst was verdere &#x2018;digitalisering en internationalisering&#x2019; nodig. <sc>bmgn</sc> zou worden omgeturnd tot &#x2018;een E-Journal, bij voorkeur in Open Access&#x2019;. Bij deze ontwikkeling hoorde ook een toename van het aantal Engelstalige artikelen (zie grafiek 5). In 2009 was Karel Davids nog voorzichtig toen hij de opname van artikelen in het Engels legitimeerde, enkele jaren later was <sc>bmgn</sc> al vol overtuiging een &#x2018;tweetalig tijdschrift&#x2019;, aansprekend voor een internationaal publiek.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn8">8</xref></sup> Het blad was sinds 2006 ook een <italic>Low Countries Historical Review</italic> geworden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn9">9</xref></sup></p>
<p>Met deze Engelse toevoeging aan de titel was eindelijk ook het probleem van de naam opgelost. Dat de naam <sc>bmgn</sc> &#x2018;kernachtig en ritmisch meeslepend zou zijn, zal wel niemand beweren&#x2019; meende Kossmann in 1970; &#x2018;berustend&#x2019; had de redactie &#x2018;een naam aanvaard die in elk geval de verdienste heeft duidelijk te zijn&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn10">10</xref></sup> Maar was dat laatste eigenlijk wel waar&#x003F; De tijdschrifttitel wekte de al in 1970 gedateerde indruk dat de auteurs met hun &#x2018;bijdragen en mededelingen&#x2019; gezamenlijk werkten aan &#x00E9;&#x00E9;n project, een Geschiedenis der Nederlanden. Dit overkoepelende verhaal, hoe onjuist ook, gaf echter wel direct een plaats en een betekenis aan een type artikelen dat op zichzelf misschien onbeduidend leek. Misschien verklaart dit ook waarom de &#x2018;bijdragen&#x2019; &#x2013; ondanks redactionele pogingen dit te voorkomen &#x2013; hardnekkig bleven terugkeren: in 1970 letterlijk door een &#x2018;bijdrage tot de geschiedenis van de economische politiek in de Zuidelijke Nederlanden&#x2019;, of in 1975 via &#x2018;De aanbieding van de landsheerlijkheid van Groningen aan de hertog van Brunswijk in de jaren 1295-1594&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn11">11</xref></sup> Aan dit genre artikelen, dat de redactie niet prefereerde maar wel vaak uitgaf, dankt <sc>bmgn</sc> vermoedelijk zijn reputatie van ambachtelijkheid. De technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen twintig, dertig jaar hebben evenwel stevig afgerekend met het idee van het project van de Geschiedenis der Nederlanden, niet omdat iedereen als bij toverslag het geloof in zo&#x2019;n project verloor, maar omdat zo&#x2019;n project binnen een snel internationaliserende academische wereld wel erg zichtbaar werd in zijn kleinschaligheid.</p>
<p>Iets van dit kleinschalige karakter werd in <sc>bmgn</sc> ook zichtbaar waar het ging om de mededelingen. Van oudsher vonden mededelingen aan collega&#x2019;s hun plaats in de &#x2018;kroniek&#x2019;. De redactie wist zich eigenlijk al vroeg geen raad met deze rubriek.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn12">12</xref></sup> De kroniek bestond uit korte stukjes die door de tientallen medewerkers, met naam en adres, werden aangeleverd. Dat kon gaan over een oproep van de &#x2018;nostalgie-commissie&#x2019; voor de te organiseren re&#x00FC;nie van Utrechtse historici, maar vooral betrof het een eindeloze reeks signaleringen van artikelen in andere tijdschriften.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn13">13</xref></sup> Het repertorium was in trek bij de lezers, wat onder meer bleek uit het feit dat de rubriek in de loop der jaren steeds verder uitdijde. De redactie wilde meer controle over de inhoud van het tijdschrift dan mogelijk was bij deze onderlinge informatie-uitwisseling en schrapte per 1995 de kroniek uit <sc>bmgn</sc>.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn14">14</xref></sup> Niet lang daarna maakten de opkomst van e-mail, zoekmachines en online raadpleegbare of aanvraagbare tijdschriften dergelijke rubrieken bovendien overbodig. <sc>bmgn</sc> verloor hiermee echter wel een deel van haar functie als informatiekanaal en ontmoetingsplaats van Nederlandse en Belgische historici.</p>
<p>Waar <sc>bmgn</sc> als informatiekanaal aan belang inboette, won het blad onder invloed van de digitale ontwikkelingen aan betekenis als instrument voor kwaliteitscontrole. Wie alleen het traditionele instrument van kwaliteitscontrole onder de loep neemt, de recensierubriek, zou gemakkelijk het tegendeel kunnen beweren. Aanvankelijk werd in deze rubriek de gehele historische productie omtrent de Lage Landen besproken. Toen die productie steeds verder toenam, moest de redactie dit &#x2018;ruimhartige recensiebeleid&#x2019; prijsgeven en brak zij met de in 1995 nog herbevestigde ambitie om &#x2018;alle monografie&#x00EB;n van enige betekenis en ten minste alle dissertaties op het gebied van de geschiedenis van Nederland en Belgi&#x00EB;&#x2019; te recenseren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn15">15</xref></sup> De recensies verdwenen daarmee ook langzaam uit het gedrukte tijdschrift: in 2008 werden zij &#x2018;webrecensies&#x2019;, in 2013 gingen ze geheel digitaal. Tegelijkertijd werd de kwaliteitscontrole op artikelen steeds scherper: zij draaide nu meer om het aannemen en afwijzen van artikelen. Vanaf 2006 werd het gebruik van externe referenten voor het beoordelen van ingezonden artikelen &#x2013; <italic>peer review</italic> dus &#x2013; de standaard.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn16">16</xref></sup></p>
<p>Deze verandering was nodig omdat artikelen een nieuwe rol waren gaan vervullen in de geschiedwetenschap. Niet alleen waren zij manieren om informatie over te brengen, steeds meer werden zij ook de felbegeerde valuta waarmee de historicus zich kon profileren in de toenemende competitie om onderzoeksfinanciering. De eenentwintigste-eeuwse historicus moest haar of zijn keuze voor een publicatiekanaal niet alleen maken op basis van het beoogde lezerspubliek, maar moest ook de toekomstige oordelen van <italic>funding panels</italic> en bevorderingscommissies in het achterhoofd houden. Op die nieuwe publicatiestrategie&#x00EB;n speelde ook <sc>bmgn</sc> in, door zorg te dragen voor een goede <italic>ranking</italic>. Santing vermeldde het al in 2010 en twee jaar later verzekerde James Kennedy de lezers (of waarschijnlijker: de auteurs) van de <italic>standing</italic> van zijn tijdschrift: &#x2018;een <sc>nt</sc>1 rating&#x2019; en opname &#x2018;in Thomsen Reuter&#x2019;s <italic>Arts and Humanities Citation Index</italic>&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn17">17</xref></sup></p>
<p>Ten slotte hebben ook ontwikkelingen rondom de financiering van onderzoek hun weerslag op <sc>bmgn</sc> gehad. De snelle opkomst van subsidieverstrekkers zoals <sc>nwo</sc> &#x2013; het budget van <sc>nwo</sc> steeg van 75 miljoen euro in 1990 naar ongeveer 1 miljard vandaag &#x2013; en de in 2007 opgerichte <sc>erc</sc> droeg in de historische wereld bij aan de toenemende &#x2018;projectificatie&#x2019; van de wetenschap, en be&#x00EF;nvloedde dus de kopij die de redactie kreeg aangeleverd.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn18">18</xref></sup> In 1970 had Kossmann de oproep tot &#x2018;planning en co&#x00F6;rdinatie van het historisch onderzoek&#x2019; nog ironisch begroet.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn19">19</xref></sup> Drie decennia later was het ernst: in 2002 wijdde <sc>bmgn</sc> voor het eerst een heel nummer aan &#x2018;de ijkpuntenreeks&#x2019;, een product van dergelijke planning en co&#x00F6;rdinatie. Dit door <sc>nwo</sc> gefinancierde &#x2018;megaproject&#x2019; over Nederlandse cultuur in Europese context had tien miljoen gulden gekost.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn20">20</xref></sup> In de daaropvolgende jaren verschenen steeds vaker themanummers op basis van uit de tweede geldstroom gefinancierde projecten. Dergelijke themanummers zouden &#x2013; zo blijkt ook uit de online speciale collectie &#x2018;keuze van de redactie 1970-2020&#x2019; &#x2013; uitgroeien tot het sterkste wat <sc>bmgn</sc> te bieden heeft.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn21">21</xref></sup></p>
<p>Een andere, rechtstreeks door <sc>nwo</sc> afgedwongen verandering is de al in 2012 door <sc>bmgn</sc> gemaakte keuze om geheel in <italic>Open Access</italic> te verschijnen. De digitalisering van het publiceren heeft deze stap technisch mogelijk gemaakt, maar die is natuurlijk door lang niet alle wetenschappelijke tijdschriften genomen. Dat het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap als onafhankelijke uitgever van <sc>bmgn</sc> de beslissing heeft kunnen nemen om de inhoud gratis te delen, is natuurlijk zeer gelukkig. Tegelijk betekent digitaal publiceren nog een vanzelfsprekendheid die verloren is gegaan. Voorlopig is er nog een papieren versie en volgt de publicatie van de digitale nummers het papier, maar wat gebeurt er als <sc>bmgn</sc> net als vele andere tijdschriften zou overstappen naar een systeem van <italic>rolling publication</italic> of van enkel digitale publicatie&#x003F; Als er geen kaft meer is, wat houdt dan <sc>bmgn</sc> bijeen&#x003F;</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Discussie en debat, maar met wie&#x003F;</title>
<p>Het antwoord op de vraag wat <sc>bmgn</sc> bijeen zou moeten houden is aan de zijde van de redactie opmerkelijk constant gebleven. Steeds opnieuw bepleitte zij dat <sc>bmgn</sc> een plaats van debat zou moeten zijn. Al in 1970 heette het dat er &#x2018;nog maar weinig debat gevoerd&#x2019; werd door de historici van de Lage Landen en dat <sc>bmgn</sc> daarin verandering moest brengen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn22">22</xref></sup> Daarmee zochten de successieve redacties de functie van hun tijdschrift dus in een nieuw, betekenisgevend verhaal: de nationale geschiedenis werd ingewisseld voor de geschiedenis als &#x2018;discussie zonder eind&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn23">23</xref></sup> De bijdragende historici bleken echter niet altijd aan deze discussies mee te willen werken. Toen Bernard Slicher van Bath in 1976 in een uitvoerig artikel door zijn collega&#x2019;s Han Baudet en Jan Willem Drukker werd uitgedaagd, hield hij het bij een reactie van slechts &#x00E9;&#x00E9;n pagina (&#x2018;Storm in een glas water&#x2019;).<sup><xref ref-type="fn" rid="fn24">24</xref></sup></p>
<p>Vandaar dat de redactie vanaf 1985 zelf het heft in handen nam met een discussiedossier over het proefschrift van Siep Stuurman. Tekenend was de keuze voor een discussiedossier dat nu juist de verzuiling als thema had. Wat enkele decennia eerder nog het vanzelfsprekende kader was geweest van waaruit nationale geschiedenissen van verschillende levensbeschouwelijke kleur waren geschreven, werd nu een object van studie. In 2000 volgden de rubrieken &#x2018;De arena&#x2019; en &#x2018;Forum&#x2019; met een soortgelijk doel, en dat gebeurde naar tevredenheid van de redactie (zie grafiek 4). Toen de huidige redactie afgelopen jubileumjaar oud-redacteurs en oud-bureauleden vroeg om de beste bijdragen aan <sc>bmgn</sc> uit hun periode te selecteren, viel op dat vrijwel iedereen koos voor bijdragen die discussie binnen het vak hadden losgemaakt, of voor debatten die de redactie zelf via een discussiedossier had ge&#x00EB;ntameerd.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn25">25</xref></sup></p>
<p>Bij die discussies ging het toch vaak over het Belgisch-Nederlandse kader waaraan <sc>bmgn</sc> nu eenmaal vastzat. De omgang met dat kader is aan de ene kant trivialiserend geweest: uiteraard had dit niets meer te maken met Groot-Nederlandse sympathie&#x00EB;n uit het verleden, zo werd de lezer verzekerd.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn26">26</xref></sup> Dat politiek engagement zou inderdaad geen enkel redactielid meer voor zijn of haar rekening willen nemen, maar ondertussen had en heeft <sc>bmgn</sc> toch stilzwijgend een deel van de Groot-Nederlandse erfenis aanvaard. En dat is de andere kant van de omgang daarmee: de twijfel over dat kader. Had Belgisch-Nederlandse geschiedenis nog voldoende betekenis in een periode waarin nationale geschiedschrijving werd aangevuld door comparatieve benaderingen, of als zodanig door transnationale benaderingen ter discussie werd gesteld&#x003F;</p>
<p>In 2018 stond die vraag centraal in een forum over Belgisch-Nederlandse geschiedschrijving. De Amerikaanse historicus Benjamin Schmidt, die met zijn collega&#x2019;s Martha Howell en James Kennedy zoals gezegd door de redactie tot &#x2018;outsider&#x2019; werd gebombardeerd en in die hoedanigheid zijn verfrissende mening gaf, twijfelde niet over de relevantie van de Lage Landen. Ook als tijdschrift deed <sc>bmgn</sc> het op vrijwel alle terreinen goed: veel artikelen van jonge onderzoekers met innovatieve onderzoeksmethoden, een <italic>Open Access</italic>-publicatiemodel, veel Engelstalige artikelen en een eigentijdse themakeuze. Seksualiteit, religieuze praktijken, koloniale verhoudingen, geschiedenis van emoties, <italic>digital humanities</italic>: je kon het zo hip niet bedenken, of het stond er wel in.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn27">27</xref></sup></p>
<p>Maar zoals het vaker gaat in de academische wereld, bleek de lofprijzing een opmaat voor kritiek. Het probleem van <sc>bmgn</sc> school volgens Schmidt namelijk niet in (de benadering van) haar onderzoeksobject, maar in de auteurs die deze taak op zich namen. Want hoewel er buiten Belgi&#x00EB; en Nederland volop specialisten in de geschiedenis van de Lage Landen voorhanden waren, kwamen hun publicaties vrijwel nooit in <sc>bmgn</sc> terecht. Van alle publicaties tussen 2013 en 2015 trof Schmidt slechts &#x00E9;&#x00E9;n publicatie van een &#x2018;allochtone&#x2019; historicus aan. Daarmee deed <sc>bmgn</sc> het aanmerkelijk slechter dan soortgelijke tijdschriften in het buitenland.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn28">28</xref></sup></p>
<p>Toen wij in het kader van dit artikel het auteursbestand van <sc>bmgn</sc> bestudeerden, stuitten wij ook op andere hardnekkige patronen. We keken naar alle wetenschappelijke artikelen (recensies uitgezonderd) sinds 1970 en gebruikten twee peiljaren per decennium. Tussen 1970 en 1990 werd in elk peiljaar minimaal 85% van de artikelen door mannen geschreven, met uitschieters tot 100%. Daalde dit percentage in 1990 tot 79%, in 2005 schreven mannen 29 van de 30 wetenschappelijke artikelen (97%), terwijl in dat jaar in Nederland 21,6% van de Nederlandse <italic>tenured</italic> professionele historici vrouw was, en in Belgi&#x00EB; 22,7%.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn29">29</xref></sup> In 2015 was de verhouding ongeveer twee derde om een derde, maar dat jaar verscheen dan ook een themanummer over &#x2018;de vrouw&#x2019;. Bij dit onderwerp waren de vrouwelijke auteurs bij uitzondering nipt in de meerderheid (zie grafiek 6). Intussen werd ongeveer driekwart van alle bijdragen door Nederlanders geschreven, tegen een kwart aan Belgische bijdragen. Ook op de langere termijn kwamen artikelen van auteurs buiten de Lage Landen nauwelijks voor (zie grafiek 7). Auteurs schreven eigenlijk altijd over hun eigen land. Soms trokken zij een vergelijking met de noorder- of zuiderburen, maar vergelijkende geschiedschrijving strekte zich slechts zelden uit tot buiten de Lage Landen (zie grafiek 3).</p>
<p>De vraag bij dit alles lijkt niet te zijn of <sc>bmgn</sc> dankzij dit auteursbestand het gevaar loopt voor traditioneel te worden aangezien. Allereerst is dat niet zozeer het probleem, want nieuwe methoden en perspectieven passeren in <sc>bmgn</sc> de revue en al loopt het tijdschrift als algemeen historisch tijdschrift zelden voor de troepen uit, het is ook geen hekkensluiter. De vraag lijkt eerder te zijn of de Belgisch-Nederlandse geschiedenis in <sc>bmgn</sc> niet door een nogal traditioneel aandoende groep auteurs wordt geschreven, die zich kernachtig laat samenvatten als &#x2018;mannen van eigen bodem&#x2019;, wetenschappers zoals wij. Dit zou ook gedeeltelijk het probleem kunnen verklaren dat Schmidt twee jaar geleden signaleerde. Belgisch-Nederlandse historici preken volgens hem in <sc>bmgn</sc> te vaak voor eigen parochie, omdat zij hun publiek een &#x2018;unieke&#x2019; eigen geschiedenis voorspiegelen zonder die vermeende uniciteit te bevragen of te onderzoeken.</p>
<p>Het Belgisch-Nederlands, maar dus toch vooral Nederlands geori&#x00EB;nteerde, mannelijke auteursbestand is niet alleen nadelig in het licht van de geschiedenis waarop <sc>bmgn</sc> zich richt, maar ook in het licht van de gemeenschap die zij beoogt samen te brengen. Zoals eerder bleek uit het redactionele commentaar van Kossmann, beoogde de <sc>bmgn&#x00AD;&#x00AD;</sc>-redactie bij haar oprichting de discussiecultuur &#x2018;in de Nederlandse (!) historische wereld&#x2019; te bevorderen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn30">30</xref></sup> Dit paste bij Kossmann, die in die jaren veel inspiratie ontleende aan de Anglo-Amerikaanse historiografie en de daar aanwezige felle discussiecultuur die hij in Nederland miste.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn31">31</xref></sup> Nadien heeft de redactie deze ambitie voortgezet, wat onder meer blijkt uit het &#x2018;forum&#x2019; en het &#x2018;discussiedossier&#x2019;, die inmiddels tot de vaste rubrieken van het tijdschrift horen. Wie de discussiecultuur onder Belgische en Nederlandse historici wil voeden, zal zich moeten bezinnen op de vraag tussen wie dergelijke discussies in de praktijk worden gevoerd. Wordt daarbij telkens uit hetzelfde auteursbestand gerekruteerd, dan worden discussies gemakkelijk circulair, eenzijdig, of bestendigen zij de in het veld bestaande machtsverhoudingen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn32">32</xref></sup></p>
<p>Nu is dit alles natuurlijk veel gemakkelijker gezegd dan gedaan, ook omdat de vraag blijft of het probleem van het eenzijdige auteursbestand ligt aan de vraag- of aanbodzijde. Anders gezegd: publiceert de redactie uit alle kopij alleen het werk van Nederlandse en Belgische auteurs die ook nog meestal man blijken te zijn, of krijgt zij vooral uit deze hoek kopij aangeleverd&#x003F; Wat het antwoord op die vraag ook mag zijn, hoe dan ook dringt zich de vraag op hoe dit probleem kan worden verholpen. Onze veronderstelling is niet dat <sc>bmgn</sc> nieuwe groepen aan zal trekken door zich minder te binden aan de geschiedenis van de Lage Landen, of door inhoudelijk een modieuzere koers te varen &#x2013; maar hoe dan wel&#x003F;</p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>Naar nieuwe vormen</title>
<p>Door de geschetste aanpassingen in de laatste twee decennia heeft <sc>bmgn</sc> zijn status als h&#x00E9;t wetenschappelijk tijdschrift over de geschiedenis van de Lage Landen weten te behouden in een tijdschriftenlandschap dat competitiever, internationaler en gefragmenteerder is geworden. De thema&#x2019;s die <sc>bmgn</sc> aansneed &#x2013; Schmidt constateerde het al &#x2013; zijn ook bij de tijd, al is <sc>bmgn</sc> geen koploper in historiografische vernieuwing. Verrassend is de laatste constatering evenwel niet: het is logisch dat een geografisch afgebakend tijdschrift zoals <sc>bmgn</sc> het vooral op het punt van historiografische vernieuwing aflegt tegen thematisch of methodologisch georganiseerde tijdschriften op het gebied van politieke geschiedenis, transnationale geschiedenis, gendergeschiedenis of <italic>digital history</italic>.</p>
<p><sc>bmgn</sc> is steeds zeer succesvol geweest door vernieuwingen in de vorm van het tijdschrift: de themanummers, de forumsecties, <italic>Open Access</italic>. Wij menen dat de redactie hierin op drie terreinen nog verder zou kunnen gaan: de organisatie van het publicatieproces, de introductie van een grotere vari&#x00EB;teit aan artikelen en &#x2013; in nauwe samenhang met het voorafgaande &#x2013; het bevragen en herzien van de archa&#x00EF;sche publicatievorm die historici nog altijd hanteren. Bijkomend voordeel hiervan is dat <sc>bmgn</sc> zich op deze manier van andere tijdschriften zou kunnen onderscheiden en daarmee mogelijk aantrekkelijker wordt voor een gevarieerdere groep van auteurs. Een garantie is dat natuurlijk niet, maar de strategie is het proberen waard. Hieronder een aanzet.</p>
<p>Allereerst het publicatieproces. Wanneer wij onze studenten proberen uit te leggen hoe lang de publicatie van een ingediend tijdschriftartikel in de regel op zich laat wachten, valt ons meestal verbijstering ten deel. Met twaalf maanden tussen het indienen van de eerste versie en de uiteindelijke publicatie mag de gemiddelde historicus zich in de handen knijpen: meestal duurt het langer. Deze vertraging is voor de inhoud van het stuk meestal niet zo erg: afgezien van &#x2018;pakkend&#x2019; actuele inleidingen gebaseerd op het nieuws van twee jaar geleden, veroudert historisch onderzoek niet zo snel. Een van de redenen voor deze lange duur is uiteraard het <italic>peer review</italic> systeem: de gouden standaard dat de kwaliteit van een artikel is gewaarborgd doordat twee anonieme collega&#x2019;s er hun oordeel over hebben gegeven. In andere disciplines is deze procedure inmiddels zo zeer onder druk komen te staan dat er wordt gesproken van een crisis van de <italic>peer review</italic>. Symptomen van de crisis zijn de moeilijkheid om beoordelaars te vinden voor de steeds groeiende hoeveelheid artikelen, toenemende tijdsdruk en als gevolg daarvan een aantal spraakmakende zaken waarbij dubieuze of zelfs frauduleuze artikelen ongeschonden door de beoordelingsprocedure kwamen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn33">33</xref></sup></p>
<p>Hoe het staat met <italic>peer review</italic> door historici is onduidelijk, maar dat deze problemen geheel aan de geschiedwetenschap voorbij zouden gaan, lijkt onwaarschijnlijk. In dat licht is het van belang om in te zien dat deze gouden standaard maar een betrekkelijk recent fenomeen is, zoals wetenschapshistorica Melinda Baldwin heeft aangetoond.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn34">34</xref></sup> In <sc>bmgn</sc> wordt <italic>peer review</italic> systematisch toegepast sinds 2006, in <italic>Nature</italic> pas sinds de jaren 1970. Deze betrekkelijkheid opent de mogelijkheid naar veranderingen die een aantal bezwaren uit de huidige procedure tegengaan. Ons voorstel is om de <italic>peer review</italic> te verplaatsen van het einde naar het begin van het schrijfproces en niet langer te werken met anonieme referenten. De auteur dient een opzet voor een artikel in van een of twee kantjes, met een onderwerp, een historiografische plaatsbepaling, de articulatie van een eigen insteek en de uitleg van de te hanteren methode, inclusief bronnen en literatuur. De beoordelaars geven op basis hiervan een oordeel, de redactie neemt het definitieve besluit.</p>
<p>De voordelen zijn groot. Ten eerste is de auteur hiermee veel meer geholpen dan met de bestaande procedure. Het is niet onze ervaring dat de feedback, een maand of zes na indienen, altijd met enthousiasme wordt begroet en dat auteurs direct beginnen met de verwerking van het stimulerende commentaar. Meestal komt het toch neer op een zenuwachtig openen van een e-mail, hopend op toffe <italic>peers</italic>. De verwerking van de anoniem toegestuurde kritiek &#x2013; waarover een nader gesprek dus niet mogelijk is &#x2013; voelt onder die omstandigheden als een horde die plichtmatig moet worden genomen. Deze gelaten houding kan naar ons idee niet worden verklaard uit een gebrek aan vatbaarheid voor kritiek. Bij andere gelegenheden, bijvoorbeeld op conferenties en tijdens workshops, zijn historici immers w&#x00E9;l bereid tot discussie, zelfs al worden zij daarbij zelf voorwerp van kritiek. Onze indruk is dat hier een dynamiek speelt die in de onderwijskundige literatuur al vaak aan de orde is gesteld. We weten dankzij dit onderzoek dat de vatbaarheid van studenten voor kritiek afneemt naarmate hun geschreven werk vordert.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn35">35</xref></sup> Dit is niet meer dan logisch: wie aan het begin van het proces het advies krijgt het roer eens grondig om te gooien, kan die kritiek gemakkelijk verwerken en daar haar of zijn voordeel mee doen. Wie in het laatste stadium een grote hoeveelheid kritiek te verwerken krijgt, heeft een zee van tijd gestoken in een stuk dat van geen kanten deugt. Dat werkt ontmoedigend.</p>
<p>Ten tweede maakt de vervroeging van de <italic>peer review</italic>-procedure het werk van beoordelaars interessanter, uitdagender en korter. Het gaat niet meer om het volledig ontleden van een artikel, maar om het beoordelen van een voorstel. De opmerkingen van de beoordelaar richten zich hierdoor veeleer op de articulatie van de hoofdlijn en niet op de bijschaving van details. Aldus draagt de beoordelingsprocedure hopelijk bij tot het aanscherpen van de boodschap, de invalshoek en de argumentatie, waardoor de bijdrage van de auteur aan het bredere debat duidelijker voor het voetlicht treedt. Met een beetje geluk leidt dit tot scherpere stukken, meer debat en door de bank genomen artikelen met een bredere betekenis voor het veld &#x2013; precies de doelstellingen die de redactie van <sc>bmgn</sc> zich altijd heeft gesteld. Bij deze nieuwe benadering past ook dat beoordelaars niet langer anonieme (maar voor zover zij uit het kleine Belgisch-Nederlandse wereldje worden gerekruteerd meestal herleidbare) arbiters behoren te zijn. Op deze manier worden zij gesprekspartners in de ontwikkeling van een onderzoek. Ook maakt deze procedure snellere publicatie mogelijk, omdat de redactie bij groen licht met de auteur een deadline kan afspreken die is afgestemd op de planning van de redactievergadering. Deze manier van werken sluit ten slotte goed aan bij het digitaal publiceren dat in tal van sectoren, de journalistiek voorop, tot een veel hogere omloopsnelheid van informatie heeft geleid. Met een dergelijke procedure kan de geschiedwetenschap daarbij aansluiten.</p>
<p>Dan de vari&#x00EB;teit aan artikelen. Voor de Tweede Wereldoorlog stonden de <italic>Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde</italic> bij toonaangevende historici als Johan Huizinga en Pieter Geyl niet erg hoog in aanzien.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn36">36</xref></sup> Zij verkozen <italic>De Gids</italic> omdat zij de <italic>Bijdragen</italic> stijf van vorm en taai van inhoud vonden. En misschien geldt die kritiek op vorm en inhoud nog steeds wel een beetje. Om de een of andere reden zijn historici het vanzelfsprekend gaan vinden dat academische artikelen een lengte hebben van acht- &#x00E0; tienduizend woorden, liefst onderverdeeld in drie of vier paragrafen met tussenkopjes: inleiding van twee of drie kantjes, eventueel een paragraaf over historiografisch debat en/of methode, een verhaal in drie bedrijven, conclusie erachter met wat aanbevelingen voor vervolgonderzoek, klaar. <sc>bmgn</sc> plaatst hier natuurlijk nog een aantal artikelvormen naast &#x2013; forumbijdrage, een discussiedossier, een reviewartikel en een recensie &#x2013; maar ook die moeten voldoen aan strikte formele eisen. Dat een dergelijk herkenbaar model praktisch is voor grote academische uitgevers als Routledge, Springer of de Britse en Amerikaanse <italic>university presses</italic> is betreurenswaardig maar logisch: als commerci&#x00EB;le bedrijven scheelt gelijkschakeling van de artikelvorm hen tijd en geld. Maar waarom zou een tijdschrift als <sc>bmgn</sc>, met een ongebonden uitgever, precies dezelfde normen hanteren&#x003F; Zijn er niet gegronde redenen om de auteurs meer vrijheid te geven&#x003F;</p>
<p>Het belangrijkste argument daarvoor zijn niet literaire aspiraties, al zou een grotere vari&#x00EB;teit in stijl wel welkom zijn. Zwaarwegender is dat ons vakgebied vanwege de hernieuwde belangstelling voor digitale onderzoeksmethoden snel verandert, terwijl de tijdschriften voor die verandering vooralsnog beperkt ruimte bieden. Op het terrein van stadsgeschiedenis oogt de mogelijkheid om ruimtes virtueel weer te geven en met historische data te verrijken veelbelovend, zoals het onderzoeksproject <italic>The Freedom of the Streets</italic> onder leiding van huidig <sc>bmgn</sc>-redactielid Danielle van den Heuvel laat zien.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn37">37</xref></sup> Maar ook op tal van andere terreinen zijn historici op dit moment bezig met experimenten op het terrein van digitale tekstanalyse en het steeds nadrukkelijker verbinden van kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksresultaten. Veel van dit methodologische onderzoek bevindt zich in een experimentele fase, waardoor het publiceren van een artikel in een historisch tijdschrift in de praktijk vaak moeilijk is. Vormvrijheid helpt om methodologische reflecties op dergelijke digitale experimenten wel een plaats te geven in <sc>bmgn</sc>. Dit voorkomt dat een methodologische ontwikkeling die veel historici raakt zich buiten hun blikveld in hoogspecialistische tijdschriften afspeelt. Bovendien kunnen experimentele bijdragen, mogelijk gemaakt door een vrije vorm, laten zien dat methodologie meer is dan een dwangbuis van regels waaraan vakgenoten onderworpen worden. Een breder arsenaal aan methodologisch gereedschap maakt gevarieerdere benaderingen van het verleden mogelijk en roept in het gunstigste geval nieuwe vragen en idee&#x00EB;n op.</p>
<p>Ook zou een dergelijke vrijheid in de vorm meer ruimte kunnen bieden aan discussie en de deelnemers aan die discussie kunnen verbreden en diversifi&#x00EB;ren. Op dit moment is het debat in <sc>bmgn</sc> wel heel keurig omheind: de redactie bepaalt de thema&#x2019;s en nodigt de historici uit die mogen bijdragen, en het format vereist dat alle discussies precies binnen &#x00E9;&#x00E9;n nummer worden afgerond. Dat is wellicht wat afgemeten voor een goede discussie. Ook hier zou de mogelijkheid van een bijdrage op eigen initiatief en in een vrije vorm te verkiezen zijn. Dergelijke vormexperimenten zouden prima hun beslag kunnen krijgen in een rubriek &#x2018;Letters to the editor&#x2019; of, om het dichter bij huis te houden, &#x2018;bijdragen en mededelingen&#x2019;.</p>
<p>Is er voor al deze vernieuwingen wel plaats in <sc>bmgn</sc>&#x003F; Ja, als <sc>bmgn</sc> ten volle de digitale publicatievorm aanvaardt. Eigenlijk heeft <sc>bmgn</sc> met de overgang naar <italic>Open Access</italic> in 2012 het primaat van het digitaal publiceren aanvaard, maar de consequenties daarvan zijn nog niet helemaal in het tijdschrift doorgevoerd. De huidige <italic>Open Access</italic>-publicatievorm van <sc>bmgn</sc>, die veel wetenschappelijke tijdschriften hanteren, combineert de nadelen uit twee werelden: de stroperigheid van de informatievoorziening v&#x00F3;&#x00F3;r het internet en het schermlezen uit de wereld erna. Het <sc>pdf</sc>-document is van dit alles het weinig bezielende resultaat. Toen Microsoft in de jaren tachtig zijn besturingssysteem Windows presenteerde, moest de digitale werkomgeving worden afgestemd op de analoge omgeving die de gebruiker al kende. De achtergrond waarop icoontjes stonden heette gekunsteld het &#x2018;bureaublad&#x2019;, een eenvoudige tekstverwerker was het &#x2018;kladblok&#x2019;, bestanden verdwenen in &#x2018;mappen&#x2019;. Met deze manier van denken worden de voornaamste voordelen van het internet nauwelijks benut en hanteren historici nog altijd een notenapparaat dat bij digitale publicaties alleen maar omslachtig is. <sc>bmgn</sc> biedt de lezers natuurlijk zowel een <sc>pdf</sc>- als een <sc>xml</sc>-format, maar <sc>pdf</sc> is hierbij toch leidend. En daarmee dicteert nog steeds het papier in een digitaal tijdschrift, want <sc>pdf</sc> is toch vooral iets dat doet denken aan een overdruk: een stabiel en vastgelegd format, dat niet meer kan veranderen. Dat is handig voor de zetter, maar allicht niet meer nodig in een digitale vorm.</p>
<p>Nu <sc>bmgn</sc> een volwaardig digitaal beschikbaar, <italic>Open Access</italic>-tijdschrift is geworden, loont het de moeite om een volledige overstap naar <sc>html</sc>/<sc>xml</sc> te overwegen. Voetnoten kunnen nog meer plaatsmaken voor hyperlinks, audiovisuele bronnen kunnen gemakkelijker worden ge&#x00EF;ntegreerd en de digitale databases die historici tegenwoordig in de praktijk voor hun onderzoek aanleggen, kunnen gemakkelijk (gedeeltelijk) inzichtelijk worden gemaakt voor de ge&#x00EF;nteresseerde lezer. Op het gebied van informatievoorziening zou dit wezenlijke voordelen opleveren. Bovendien, artikelen hoeven niet meer te worden opgevat als een stabiel eindresultaat, maar kunnen ook worden herzien, bijvoorbeeld naar aanleiding van een commentaar of een nieuw inzicht. Zoals we inmiddels gewend zijn met digitale nieuwsberichten, zou een versiegeschiedenis de veranderingen in een artikel inzichtelijk kunnen maken. Het belangrijkste probleem dat hierbij komt kijken, namelijk hoe verwijs je in een klassiek notenapparaat met precisie naar een website, als daar paginanummers ontbreken, is al een aantal jaren geleden opgelost door het tijdschrift <italic>Digital Humanities Quarterly</italic>: voorzie alle alinea&#x2019;s van een geautomatiseerde nummering en datering. Dat is nog preciezer ook.</p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>Ten slotte</title>
<p>De drie aanzetten die we <sc>bmgn</sc> in overweging willen geven, vloeien uiteindelijk voort uit &#x00E9;&#x00E9;n centrale boodschap: maak <sc>bmgn</sc> in zijn vorm onderscheidend en daarmee aantrekkelijk, allereerst voor degenen die in het tijdschrift publiceren, maar daarmee hopelijk ook voor de lezers van het blad. Academisch publiceren is een stroperige bezigheid, maar hoeft dat, vooral vanwege veranderingen in de (digitale) infrastructuur van ons vakgebied, niet te zijn. Een tijdschriftredactie die deze veranderingen in haar voordeel gebruikt, en dus vormexperimenten aandurft, kan naar ons idee een groot verschil maken.</p>
<p>Natuurlijk zijn hiermee niet alle problemen als bij toverslag opgelost. Vooral het thema van het nogal eenzijdige auteursbestand is in onze zoektocht naar oplossingen blijven liggen. Of toch niet&#x003F; We vermoeden dat een tijdschrift dat zich niet alleen op inhoud, maar ook op vorm onderscheidt, wetenschappers een aanleiding geeft om juist in d&#x00ED;t tijdschrift te willen publiceren. Vernieuwing van vorm kan daarmee indirect wel degelijk veranderingen in het auteursbestand op gang brengen. Maar bovenal zou <sc>bmgn</sc> juist dankzij het introduceren van nieuwe vormen kunnen uitdragen dat historisch publiceren bijdetijds en creatief kan zijn &#x2013; en soepel kan verlopen bovendien.</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Graag bedanken we de redactie van <sc>bmgn</sc> voor de uitnodiging om aan deze discussie bij te dragen. Veel dank bovendien aan redactie-assistent van <sc>bmgn</sc>, Nathan Looije, voor het onderzoek naar de inhoud en de auteurs van <sc>bmgn</sc>, dat hij voor dit artikel verrichtte. De grafieken die Looije ontwierp op basis van dit onderzoek naar een aantal aspecten van het <sc>bmgn</sc>-archief, vindt u als apart bestand bij dit nummer.</p></fn>
<fn id="fn2"><label>2</label><p>&#x2018;Woord vooraf&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 100:4 (1985) 575.</p></fn>
<fn id="fn3"><label>3</label><p>Geciteerd in: Klaas van Berkel, &#x2018;E.H. Kossmann als redacteur van de <italic>Bijdragen en mededelingen</italic>&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 119:1 (2004) 1-9, aldaar 4. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.5966">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.5966</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn4"><label>4</label><p>&#x2018;Een woord ter inleiding&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 85:1 (1970) 4-5. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1599">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1599</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn5"><label>5</label><p>Erik Bloemen, &#x2018;Ten geleide&#x2019;, <italic><sc>neha</sc>-Jaarboek voor economische, bedrijfs- en techniekgeschiedenis</italic> 57 (1994) 8.</p></fn>
<fn id="fn6"><label>6</label><p>Klaas van Berkel, &#x2018;Redactioneel&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden/The Low Countries Historical Review</italic> 123:1 (2008) 1. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.6731">http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.6731</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn7"><label>7</label><p>Catrien Santing, &#x2018;Redactioneel&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden/The Low Countries Historical Review</italic> 125:1 (2010) 1-2. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.7065">http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.7065</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn8"><label>8</label><p>Karel Davids, &#x2018;Redactioneel&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden/The Low Countries Historical Review</italic> 124:2 (2009) 161. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.6953">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.6953</ext-link>; James Kennedy, &#x2018;Redactioneel&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 127:1 (2012) 3. <sc>doi</sc>: https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1561<ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1561"/>.</p></fn>
<fn id="fn9"><label>9</label><p>Klaas van Berkel, &#x2018;Ter inleiding&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden/The Low Countries Historical Review</italic> 121:1 (2006) 1-2; Santing, &#x2018;Redactioneel&#x2019;, 2.</p></fn>
<fn id="fn10"><label>10</label><p>&#x2018;Een woord ter inleiding&#x2019;, 3.</p></fn>
<fn id="fn11"><label>11</label><p>Mark D&#x2019;hoker, &#x2018;De economische conferenties te Brussel in 1699. Bijdrage tot de geschiedenis van de economische politiek in de Zuidelijke Nederlanden&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 85:2 (1970) 167-214. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1617">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1617</ext-link>; Wiebe Jannes Formsma, &#x2018;De aanbieding van de landsheerlijkheid over Groningen aan de hertog van Brunswijk in de jaren 1592-1594&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 90:1 (1975) 1-14. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1850">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1850</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn12"><label>12</label><p>Leen Dorsman en Ed Jonker, <italic>Anderhalve eeuw geschiedenis. (Nederlands) Historisch Genootschap 1845-1995</italic> (&#x2019;s-Gravenhage 1995) 123-124.</p></fn>
<fn id="fn13"><label>13</label><p>&#x2018;Kroniek&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 95:1 (1980) 177.</p></fn>
<fn id="fn14"><label>14</label><p>&#x2018;Ten geleide&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 110:1 (1995) 1.</p></fn>
<fn id="fn15"><label>15</label><p>&#x2018;Ten geleide&#x2019;, 2.</p></fn>
<fn id="fn16"><label>16</label><p>Van Berkel, &#x2018;Ter inleiding&#x2019;, 1.</p></fn>
<fn id="fn17"><label>17</label><p>Kennedy, &#x2018;Redactioneel&#x2019;, 3.</p></fn>
<fn id="fn18"><label>18</label><p>Oili-Helena Ylijoki, &#x2018;Projectification and Conflicting Temporalities in Academic Knowledge Production&#x2019;, <italic>Teorie V&#x011B;dy/Theory of Science</italic> 38:1 (2016) 7-26.</p></fn>
<fn id="fn19"><label>19</label><p>Ernst Kossmann, &#x2018;Een belangrijke nota&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 85:1 (1970) 88-89.</p></fn>
<fn id="fn20"><label>20</label><p>&#x2018;Voorwoord&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 117:4 (2002) 451. <sc>doi</sc>: https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.5763.</p></fn>
<fn id="fn21"><label>21</label><p><ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.bmgn-lchr.nl/collections/special/keuze-van-de-redactie-1970-2020/">https://web.archive.org/web/20210121135155/https://www.bmgn-lchr.nl/collections/special/keuze-van-de-redactie-1970-2020/</ext-link>. Zie bijvoorbeeld de keuzes van Hans Blom, Herman Van der Wee en Wim Blockmans, en James Kennedy.</p></fn>
<fn id="fn22"><label>22</label><p>&#x2018;Een woord ter inleiding&#x2019;, 5.</p></fn>
<fn id="fn23"><label>23</label><p>Van Berkel onderscheidt deze betekenisgevende verhalen, maar noemt ze &#x2018;illusies&#x2019;: Klaas van Berkel, &#x2018;Het artikel. Historische tijdschriften tussen specialisatie en synthese&#x2019;, in: Jo Tollebeek, Tom Verschaffel en Leonard Wessels, <italic>De palimpsest. Geschiedschrijving in de Nederlanden 1500-2000</italic> (Hilversum 2002) 233-257, aldaar 248.</p></fn>
<fn id="fn24"><label>24</label><p>Han Baudet en Jan Willem Drukker, &#x2018;De afschuw van het getal. Een nabeschouwing over de jaarrede 1975 van de voorzitter van het Nederlands historisch genootschap&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 92:1 (1977) 1-15. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1966">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.196</ext-link>; Bernard Slicher van Bath, &#x2018;Storm in een glas water&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 92:1 (1977) 16. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1966">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1966</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn25"><label>25</label><p><ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://web.archive.org/web/20210121135155/https://www.bmgn-lchr.nl/collections/special/keuze-vande-redactie-1970-2020/">https://web.archive.org/web/20210121135155/https://www.bmgn-lchr.nl/collections/special/keuze-vande-redactie-1970-2020/</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn26"><label>26</label><p>Dorsman en Jonker, <italic>Anderhalve eeuw geschiedenis</italic>, 100; Van Berkel, &#x2018;E.H. Kossmann als redacteur&#x2019;, 5.</p></fn>
<fn id="fn27"><label>27</label><p>Benjamin Schmidt, &#x2018;Dikes and Dunes: On Dutch History and Dutchness&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 133:1 (2018) 82-99, aldaar 86. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.10477">http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.10477</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn28"><label>28</label><p>Schmidt, &#x2018;Dikes and Dunes&#x2019;, 89.</p></fn>
<fn id="fn29"><label>29</label><p>Ilaria Porciani en Lutz Raphael (reds.), <italic>Atlas of European Historiography: The Making of a Profession 1800-2005</italic> (Basingstoke 2010) 137, 143.</p></fn>
<fn id="fn30"><label>30</label><p>&#x2018;Een woord ter inleiding&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden</italic> 85:1 (1970) 5. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1599">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.1599</ext-link> &#x2013; uitroepteken toegevoegd door ons (<sc>ph</sc> en <sc>bm</sc>).</p></fn>
<fn id="fn31"><label>31</label><p>Van Berkel, &#x2018;E.H. Kossmann als redacteur&#x2019;, 2.</p></fn>
<fn id="fn32"><label>32</label><p>Vgl. Chris Lorenz, &#x2018;Het &#x201C;Academisch Poldermodel&#x201D; en de <italic>Westforschung</italic> in Nederland&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Geschiedenis</italic> 118:2 (2005) 252-270, aldaar 256-257.</p></fn>
<fn id="fn33"><label>33</label><p>Een overzicht van de belangrijkste klachten met verwijzingen naar specialistische literatuur: Julia Belluz en Steven Hoffmann, &#x2018;Let&#x2019;s stop pretending peer review works&#x2019;, <italic>Vox</italic>, 7 december 2015. <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.vox.com/2015/12/7/9865086/peer-review-science-problems">https://www.vox.com/2015/12/7/9865086/peer-review-science-problems</ext-link> (geraadpleegd op 21 april 2021).</p></fn>
<fn id="fn34"><label>34</label><p>Melinda Baldwin, &#x2018;In referees we trust&#x003F;&#x2019;, <italic>Physics Today</italic> 70:2 (2017) 44-49. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1063/pt.3.3463">https://doi.org/10.1063/pt.3.3463</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn35"><label>35</label><p>David Nicol, &#x2018;Good Designs for Written Feedback for Students&#x2019;, in: Marilla Svinicki and Wilbert J. McKeachie (reds.), <italic>McKeachie&#x2019;s Teaching Tips: Strategies, Research, and Theory for College and University Teachers</italic> (New York 2009) 108-124, aldaar 111.</p></fn>
<fn id="fn36"><label>36</label><p>Van Berkel, &#x2018;Het artikel&#x2019;, 239.</p></fn>
<fn id="fn37"><label>37</label><p><ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.freedomofthestreets.org/">https://www.freedomofthestreets.org/</ext-link>.</p></fn></fn-group>
<sec>
<title/>
<p><bold>Bram Mellink</bold> is universitair docent Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Binnen het <sc>nwo</sc>-onderzoeksproject <italic>Market Makers</italic> onderzoekt hij de geschiedenis van het vroege neoliberalisme in Nederland vanaf de beurskrach van 1929 tot de oliecrisis van 1973. Hierbij richt hij zich in het bijzonder op de vraag hoe zelfbenoemde neoliberalen, politici zonder partij, hun denkbeelden buiten het parlement om in beleid probeerden om te zetten. Eerder onderzocht Bram het ontstaan van een Nederlandse individualistische groepscultuur in het Nederlandse onderwijs. In 2014 verscheen zijn boek <italic>Worden zoals wij. Onderwijs en de opkomst van de ge&#x00EF;ndividualiseerde samenleving sinds 1945</italic>. E-mail: <email>A.G.M.Mellink@uva.nl</email>.</p>
<p><bold>Pieter Huistra</bold> is universitair docent theorie van de geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij doceert en onderzoekt de wetenschapsgeschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw, in het bijzonder de geschiedenis van de geschiedbeoefening. In 2019 verscheen zijn boek <italic>Bouwmeesters, zedenmeesters. Geschiedbeoefening in Nederland, 1830-1870</italic>. Recentelijk publiceerde hij een serie artikelen over de invloed van onderzoeksfinanciering op de twintigste-eeuwse wetenschap. In zijn huidige onderzoek betracht hij een historische epistemologie met als centrale vraag: hoe wordt historische kennis waar&#x003F; In het in 2021 gestarte onderzoeksproject <italic>Once more, with feeling</italic> (samen met Pim Huijnen en Auke Rijpma) maakt hij deze algemene vraag concreet door te onderzoeken of bestaand historisch onderzoek repliceerbaar is. E-mail: <email>p.a.huistra@uu.nl</email>.</p>
</sec>
</back>
</article>