<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.10885</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.18352/bmgn-lchr.10885</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>The Civilising Offensive. Social and Educational Reform in 19th-Century Belgium</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Dhondt</surname>
<given-names>Pieter</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">University of Eastern Finland</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>02</month>
<year>2021</year>
</pub-date>
<volume>136</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>2021012</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="editor">
<name><surname>De Spiegeleer</surname><given-names>Christoph</given-names></name>
</person-group>
<source>The Civilising Offensive. Social and Educational Reform in 19th-Century Belgium</source>
<comment>New Perspectives on the History of Liberalism and Freethought 1</comment>
<publisher-loc>Berlijn/Boston</publisher-loc>
<publisher-name>De Gruyter Oldenbourg</publisher-name>
<year>2019</year>
<page-range>237 pp.</page-range>
<isbn>978 3 11 057842 3</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2021 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2021</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by-nc/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International (CC BY-NC 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.10885"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Via een diepgaande studie van diverse initiatieven van sociale en educatieve hervormers die zich in de negentiende eeuw bezighielden met de sociale kwestie v&#x00F3;&#x00F3;r de wijdverbreide opkomst van sociale wetgeving in Belgi&#x00EB;, ambi&#x00EB;ren de auteurs in de bundel <italic>The Civilising Offensive. Social and Educational Reform in 19th-Century Belgium</italic> om inzicht te verschaffen in de welvaartsstaat als een traag gegroeide historische constructie (9). De vaststelling dat disciplinering en emancipatie bij dergelijke initiatieven vaak hand in hand gingen, is uiteraard niet nieuw en ook de gebruikte concepten zoals pedagogisering, civilisering en normalisering zijn reeds lang bekend. Maar door een minutieuze reconstructie van heel gerichte acties en door Belgische casestudies in een ruim Europees perspectief te plaatsen, wordt het belang van soortgelijke priv&#x00E9;-initiatieven in de geleidelijke totstandkoming van sociale wetgeving inzichtelijk gemaakt. Zoals de auteurs aantonen, was dit inderdaad een proces dat verliep met vallen en opstaan en dat zeker niet kan worden gezien als een rechtlijnige evolutie. De talrijke vergelijkingen tussen ontwikkelingen in Belgi&#x00EB; en voornamelijk de buurlanden (met name Frankrijk en Nederland) worden uitgewerkt aan de hand van een indrukwekkend corpus aan internationale literatuur, weliswaar vaak via een omvangrijk notenapparaat wat de leesbaarheid niet altijd ten goede komt.</p>
<p>Waarom is net Belgi&#x00EB; nu zo&#x2019;n interessant en goed voorbeeld van dit zogenaamde &#x2018;burgerlijke beschavingsoffensief&#x2019;? Een eerste, evidente reden is de erg vroeg op gang komende industrialisatie en de relatief snelle confrontatie met bijhorende sociale problemen. Zo focussen Evelyne Deceur, Maria Bouverne-De Bie en Angelo Van Gorp in hoofdstuk 3 op de ruimtelijke sociale segregatie in Gent in het kielzog van de snelle uitbouw van de textielindustrie tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw. Dit leidde tot de totstandkoming van wijken voor de burgerij in het zuiden van de stad, tegenover dichtbevolkte arbeidersgetto&#x2019;s in het noorden &#x2018;waar ellende, ziekte en misdaad regeerden&#x2019;, zoals de Gentse hoogleraren Daniel Mareska en J. Heyman in 1845 stelden (55). De centrale vraagstelling van dit hoofdstuk naar de integratie en participatie van de arbeidersklasse in allerhande werkmansgenootschappen in een van deze noordelijke wijken, namelijk het Rabot, krijgt een afdoend antwoord. Enerzijds was het de ambitie van werkgevers om via de participatie van werknemers in deze verenigingen een groot deel van de verantwoordelijkheid voor hun erbarmelijke sociale omstandigheden in eigen handen te leggen. Anderzijds was deze aard van participatie veeleer bedoeld als een vorm van sociale controle in plaats van het daadwerkelijk steunen van de arbeiders bij het aanpakken van hun maatschappelijke problemen (69). Echt vernieuwend is dit besluit natuurlijk niet en net als in sommige andere hoofdstukken dreigt de niet-Belgische lezer, voor wie dit boek in de eerste plaats is bedoeld, zich te verliezen in details waarvan de relevantie niet altijd even duidelijk is. Bovendien komt de link tussen negentiende-eeuwse participatieve strategie&#x00EB;n en de hedendaagse focus binnen het sociaal-cultureel werk op gedeelde zorgen en verantwoordelijkheden weinig overtuigend en zelfs enigszins anachronistisch over.</p>
<p>In hoofdstuk 2 proberen ook de auteurs Lieselot De Wilde, Bruno Vanobbergen en Michel Vandenbroeck een actuele invulling te geven aan hun historische studie naar initiatieven voor kinderwelzijn gericht op kinderen uit risicogroepen. Opnieuw is de kernboodschap grotendeels bekend, namelijk dat verwaarloosde kinderen in de beeldvorming van de burgerlijke elite aan het adres van onder meer private initiatiefnemers en de publieke autoriteiten werden afgeschilderd als kinderen die zelf risico&#x2019;s liepen, maar tegelijk een risico vormden voor hun omgeving. Maar in dit geval lijkt het wel degelijk relevant om te wijzen op de nog steeds voortdurende evolutie van het idee van het kind in gevaar, op hoezeer ook nu nog armoede te vaak wordt beschouwd als een moreel in plaats van een sociaal probleem, en op welke manier het potenti&#x00EB;le risico van deze kinderen voor de samenleving nog steeds wordt gebruikt als argument om (overheids)interventies te legitimeren. De pedagogische benadering van hoofdstukken 2 en 3, geschreven door Gentse onderzoekers met een (historisch-)pedagogische achtergrond, contrasteert sterk met de zuiver historische aanpak in de rest van het boek.</p>
<p>Een tweede motief voor de focus op Belgi&#x00EB; is het bestaan van talrijke maatschappelijke spanningsvelden &#x2013; lingu&#x00EF;stisch, ideologisch en socio-economisch &#x2013; wat de auteurs toelaat om de daaruit voortvloeiende segmentatie van de burgerlijke samenleving te onderzoeken. Met name het conflict tussen katholieken en liberalen komt voortdurend terug, het meest nadrukkelijk in hoofdstukken 4 en 5. Beide zijn gebaseerd op zeer divers origineel bronnenmateriaal zoals persartikelen, archiefdocumenten van de verenigingen in kwestie en vooral veel persoonlijk briefmateriaal van de initiatiefnemers. In vergelijking met de voorgaande hoofdstukken voegen ze veel duidelijker iets toe aan bestaande kennis of corrigeren ze deze zelfs. Stijn Van de Perre gaat op zoek naar de moeilijkheden die katholieken en liberalen ondervonden bij het investeren in fondsenwervende organisaties om een schoolsysteem naar eigen idee te ontwikkelen. Christina Reimann op haar beurt verklaart de gefaalde decentralisatie van de liberale <italic>Ligue de l&#x2019;enseignement</italic> en weerlegt hiermee een eerdere interpretatie van Christophe Verbruggen en Carmen Van Praet (die trouwens zelf hebben bijgedragen aan deze bundel) van de <italic>Ligue</italic> als een nationale organisatie die werd ondersteund door een stevige lokale verankering.</p>
<p>Een derde reden om het burgerlijke beschavingsoffensief in juist Belgi&#x00EB; te bestuderen, is de sterke internationalisering van het debat erover. Dit zorgde ervoor dat zelfs kleinschalige, plaatselijke initiatieven vaak internationale relevantie kregen omdat ze fungeerden als voorbeelden voor soortgelijke projecten in het buitenland en/of zichzelf inspireerden op buitenlandse modellen. Zo toont Jeffrey Tyssens aan op welke manier volksgaarkeukens in Brussel, Charleroi, Leiden en Rotterdam enerzijds het origineel in Grenoble navolgden, maar anderzijds in wederzijdse interactie hun eigen invulling gaven aan het ideaal van &#x2018;durch das Fressen kommt die Moral&#x2019; (152). Ook het volgende hoofdstuk over de overdracht van idee&#x00EB;n voor sociale huisvesting op internationale congressen in het midden van de negentiende eeuw vormt een uitstekend voorbeeld van &#x2018;transnational entangled history&#x2019;. Op deze Europese congressen werd het voorbeeld van de Franse stad Mulhouse, waar reeds in 1853 een woningbouwvereniging werd opgericht die een arbeiderswijk bouwde, gepromoot als het beste model om het huisvestingsprobleem op te lossen. De industri&#x00EB;len in Mulhouse waren van mening dat ze zelf moesten zoeken naar oplossingen voor de sociale kwestie om directe staatsinterventie te vermijden en om zo hun vrijheid en hun belangen te beschermen. De discussie met betrekking tot deze uitermate boeiende motivatie voor filantropie had nog meer mogen worden opengetrokken. Enerzijds wijst Carmen Van Praet op het succes van het project in Mulhouse door aan te geven in welke mate en op welke manier dit voorbeeld van sociale huisvesting bijdroeg tot structurele overheidsmaatregelen in Frankrijk. Anderzijds stelt zich de vraag of dit dan niet betekende dat het project enigszins had gefaald, aangezien het minstens gedeeltelijk was opgestart om eventuele staatstussenkomst tegen te houden.</p>
<p>Het voorbeeld van Mulhouse kreeg navolging in steden als Nijvel, Gent en Verviers en het is vooral deze algemene boodschap &#x2013; namelijk &#x2018;dat lokale onderwijs- en sociale hervormingspraktijken niet los kunnen worden gezien van transnationale connecties en het internationale veld van reformistische kennis&#x2019; (217) &#x2013; die naar boven komt in het laatste deel en tegelijkertijd fungeert als een van de sterke conclusies van de bundel als geheel. Om dit besluit kracht bij te zetten, ontleedt Thomas D&#x2019;haeninck in het laatste hoofdstuk de impact van &#x2018;intellectuele mobiliteit&#x2019; via internationale contacten en netwerken op de ontwikkeling van het discours over de sociale kwestie bij Auguste Wagener, een prominent liberaal politicus en hoogleraar uit Gent. Op die manier bevestigt dit hoofdstuk meteen een andere conclusie van het boek over de cruciale rol die individuen speelden in de totstandkoming en het eventuele succes of falen van dergelijke sociale en educatieve initiatieven vanuit de private sector. Hoe na&#x00EF;ef en paternalistisch een groot deel van deze projecten ook waren, allemaal illustreren ze het heersende geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Van het opkomende pessimisme als gevolg van sociale degeneratie was in het midden van de negentiende eeuw nog weinig te merken. Daarvoor was het wachten tot het <italic>fin de si&#x00E8;cle</italic>.</p>
</body>
</article>
