<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="research-article" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>The Hague, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.10818</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.18352/bmgn-lchr.10818</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Verkrachting tijdens de Indonesische en Algerijnse onafhankelijkheidsoorlogen</article-title>
<subtitle>Motieven, contexten en politiek</subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Scagliola</surname>
<given-names>Stef</given-names>
</name>
</contrib>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Vince</surname>
<given-names>Natalya</given-names>
</name>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>06</month>
<year>2020</year>
</pub-date>
<volume>135</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>72</fpage>
<lpage>92</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2020 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2020</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by-nc/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International (CC BY-NC 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.10818"/>
<abstract>
<p>The vast theoretical literature on why soldiers rape in wartime stands in contrast to the scarce, fragmented and scattered accounts about rape that one can find in court cases, fleeting references in soldiers&#x2019; diaries and hesitantly spoken testimonies of victims. This contrast calls for us to pay closer attention to why we know what we do, and why so many blind spots persist: what can this tell us about the dynamics and politicisation of rape in wartime? This article begins to answer these questions through a comparison of rape committed by European militaries during the Indonesian War of Independence (1945-1949) and the Algerian War of Independence (1954-1962). In both conflicts, sources suggest that the rape of colonised women by Dutch and French troops was widespread. This observation stands in stark contrast to the limited number of court cases or to the rare occasions in which victims were heard. In Indonesia there appear to have been proportionally more prosecutions, whilst in Algeria the rape of Algerian women by French militaries was much more publicised.</p>
<p>Er bestaat een omvangrijke theoretische literatuur over de motieven van militairen om vrouwen tijdens gewapende conflicten te verkrachten. Getuigenissen over verkrachting zijn echter schaars. We vinden fragmenten terug in krijgsraadrechtszaken, in terloopse verwijzingen in dagboeken van militairen, of in aarzelend uitgesproken herinneringen tijdens interviews met slachtoffers. Om deze tegenstelling te verklaren is het van belang stil te staan bij de vragen waarom wij weten wat we weten, en waarom er nog steeds zoveel blinde vlekken zijn. Wat vertelt een reflectie op het bronnenmateriaal ons over de oorzaken voor en de politieke instrumentalisering van verkrachting in een gewapend conflict? In dit artikel wordt gepoogd deze vragen te beantwoorden door de rol van verkrachting gepleegd door Nederlandse troepen tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949) te vergelijken met het voorkomen van verkrachting door Franse troepen tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog (1954-1962). De bronnen suggereren dat de verkrachting van lokale vrouwen in beide conflicten veelvuldig voorkwam. Deze observatie staat in schril contrast met de zeldzame keren dat een verkrachting daadwerkelijk tot een rechtszaak leidde of tot de zeer beperkte mate waarin slachtoffers gehoord werden. Hoewel er in Indonesi&#x00EB; verhoudingsgewijs meer zaken vervolgd lijken te zijn dan in Algerije, is aan de verkrachting van Algerijnse vrouwen veel meer ruchtbaarheid gegeven.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<sec id="s1">
<title>Inleiding<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup></title>
<disp-quote><p>Een 23-jarige Algerijnse verbindingsofficier bij het <sc>fln;</sc> door Franse soldaten ontvoerd, gemarteld en met een fles verkracht. Dagelijkse kost.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup></p></disp-quote>
<p>Zo beschreef de Franse feministe Simone de Beauvoir in 1962 wat in Frankrijk en ook daarbuiten een van de grootste schandalen van de Algerijnse Oorlog (1954-1962) zou worden, namelijk de marteling en verkrachting van Djamila Boupacha, lid van het Algerijnse bevrijdingsfront <italic>Front de lib&#x00E9;ration nationale</italic> (<sc>fln</sc>), nadat zij door het Franse leger was opgepakt. Binnen de context van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog van een decennium eerder (1945-1949) vinden we geen soortgelijke &#x2018;cause c&#x00E9;l&#x00E8;bre&#x2019;. De nationalistische Indonesische generaal Abdul Haris Nasution maakte in zijn oorlogsdagboeken weliswaar gewag van de verkrachting van Indonesische vrouwen door Nederlandse troepen, maar alleen op een bijna terloopse manier:</p>
<disp-quote><p>Op 25 april 1949 patrouilleerden de Nederlanders naar de Pasir/Tanjung. Bij hun zuiveringsacties in het dorp aarzelden ze niet om de eer van vrouwen te schenden. Op 2 mei 1949 bereikte ons uit het gebied ten zuiden van de Kali Brantas het bericht dat majoor Sucipto, de commandant van het bataljon, in april 1949 in de buurt van Mojosari door Nederlandse soldaten gevangen was genomen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn3">3</xref></sup></p></disp-quote>
<fig id="fg001">
<caption><p>Djamila Boupacha, een lid van het <sc>fln</sc>, wordt samen met andere Algerijnse persoonlijkheden, waaronder Ahmed Belaid, Rabah Mahiout en commandant Mohammed Guenez, ontvangen op het hoofdkantoor van de Labour Party in Londen door J.J. Clarke, hoofd van het Overzeese Departement van de Labour Party. Verenigd Koninkrijk, 14 maart 1963. &#x00A9; Keystone-France/Gamma-Rapho via Getty Images, <sc>ka08</sc>10624_01.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.10818_fig1.jpg"/>
</fig>
<p>Het is opmerkelijk hoe verschillend de rol van verkrachting wordt benaderd in de context van de Algerijnse en Indonesische Onafhankelijkheidsoorlogen. In de Algerijnse en, in mindere mate, ook in de Franse geschiedschrijving en populaire cultuur wordt het als een vaststaand feit beschouwd dat er in Algerije op grote schaal verkrachtingen hebben plaatsgevonden. Daarentegen is de verkrachting van Indonesische vrouwen tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog in Nederland noch in Indonesi&#x00EB; een onderwerp dat in publieke discussies wordt aangesneden.</p>
<p>Dat betekent echter niet dat verkrachting in Indonesi&#x00EB; minder vaak voorkwam dan in Algerije.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn4">4</xref></sup> De Nederlandse en Franse krijgsmachten voerden een soortgelijke strijd waarbij ze contraterreur inzetten tegen lokale guerrillagroeperingen die zich mengden onder de plaatselijke bevolking. De omstandigheden waarbinnen verkrachtingen voorkwamen, waren veelal vergelijkbaar: tijdens ondervragingen, in de nasleep van militaire zuiveringsacties in afgelegen gebieden, of wanneer militairen in hun vrije tijd uit hun kamp wegslopen en de nabijgelegen dorpen introkken.</p>
<p>In beide onafhankelijkheidsoorlogen is het onmogelijk om het aantal verkrachtingen in exacte cijfers uit te drukken. Een oppervlakkige vergelijking tussen Franse en Nederlandse rechtbankarchieven leert echter wel dat Nederlandse militaire rechtbanken opvallend veel meer verkrachtingszaken hebben behandeld dan hun Franse tegenhangers. Op een totaal aantal van 220.000 militairen die in Indonesi&#x00EB; hebben gediend, zijn in de archieven van de Nederlandse krijgsraad 72 zaken terug te vinden waarin Nederlandse militairen beschuldigd werden van seksueel geweld. In 53 van deze gevallen werd de verdachte schuldig bevonden aan verkrachting.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn5">5</xref></sup> Aan Franse kant heeft de historicus Marius Loris-Rodionoff dertien gevallen van verkrachting gevonden op een totaal van 636 krijgsraadzaken, waarbij de beschuldigingen varieerden van desertie en doodslag tot diefstal en ongehoorzaamheid. Deze zaken werden behandeld door het <italic>Tribunal militaire permanent de Constantine</italic>, een van de drie permanente rechtbanken die de Franse strijdkrachten in Algerije hadden opgezet voor de twee miljoen Franse militairen die tussen 1954 en 1962 in Algerije werden gestationeerd.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn6">6</xref></sup></p>
<fig id="fg002">
<caption><p>Ru&#x00EF;ne van de vrouwengevangenis in Tifelfel, in het Aur&#x00E8;sgebergte van Algerije. Dit was een ge&#x00EF;mproviseerde gevangenis waar vrouwen werden vastgezet om hun echtgenoten te straffen die zich hadden aangesloten bij de guerrillastrijd tegen de Franse troepen. Vrouwen werden hier gemarteld en verkracht. Foto door Khedidja Adel. &#x00A9; Khedidja Adel.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.10818_fig2.jpg"/>
</fig>
<p>Maar het vergelijken van exacte cijfers is onmogelijk en weinig zinvol. Aangifte en vervolging bleven na een verkrachting vrijwel altijd achterwege. Daar komt bij dat militairen zelden uit de school klapten over misdrijven die ze gepleegd of gezien hadden. Een database van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (<sc>nimh</sc>), waarin citaten over geweld afkomstig uit 89 contemporaine dagboeken van Nederlandse militairen in Indonesi&#x00EB; worden verzameld, blijkt niet meer dan negen verwijzingen naar seksueel geweld te bevatten. In een soortgelijke database van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (<sc>kitlv</sc>) die de volledige tekst van 659 gepubliceerde memoires van Nederlandse veteranen bevat, wordt slechts tweemaal over verkrachting gesproken.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn7">7</xref></sup></p>
<p>Het stilzwijgen van de slachtoffers zelf, de Indonesische en Algerijnse vrouwen, was in beide gevallen sterk verbonden met de heersende maatschappelijke normen en de druk om de familie-eer hoog te houden. Hoe lastig het ook voor onderzoekers is om vrouwen over hun marteling en verkrachting te laten vertellen, valt te lezen in een recent artikel van de historica Khedidja Adel over de gevangenis van Tifelfel. Deze gevangenis was een ge&#x00EF;mproviseerd interneringskamp in het Algerijnse Aur&#x00E8;sgebergte, waar vrouwen gevangen zaten als straf voor de keuze van hun echtgenoten om zich bij de nationalistische beweging aan te sluiten. In dit kamp werden ze regelmatig geconfronteerd met seksueel geweld.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn8">8</xref></sup></p>
<p>Om de rol van verkrachting in deze twee onafhankelijkheidsoorlogen te kunnen begrijpen en vergelijken, is het niet genoeg om de inhoud van de beschikbare bronnen te bestuderen, maar moet vooral ook stilgestaan worden bij de contexten waarbinnen deze bronnen zijn ontstaan. Een kritische reflectie hierop leert ons meer over wie, wanneer en met welk motief gevallen van verkrachting tijdens deze oorlogen rapporteerde, en welke factoren bepaalden of deze kennis als politiek middel werd ingezet. Deze vragen zijn eveneens van belang om de kloof te dichten tussen aan de ene kant de omvangrijke theoretische literatuur over waarom militairen in oorlogstijd verkrachten &#x2013; die meestal geschreven is met het doel het gedrag van deze militairen te verklaren en zich voornamelijk op getuigenissen van mannen baseert<sup><xref ref-type="fn" rid="fn9">9</xref></sup> &#x2013; en aan de andere kant de schaarse en fragmentarische aard van getuigenissen die afkomstig zijn van slachtoffers van verkrachting. Bij de beantwoording van deze vragen hanteren we de volgende indeling. Allereerst richten we ons op de literatuur die de motieven van verkrachting in een militaire context tracht te verklaren. Daarna worden de contexten toegelicht waarin verkrachtingen plaatsvonden en getuigenissen daarover werden vastgelegd. Tot slot zetten we uiteen hoe het thema verkrachting ook als politiek instrument kon worden gebruikt, en hoe dit bepalend kan zijn voor de historische beeldvorming hierover.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Motieven: waarom verkrachten mannen in tijd van oorlog en dekolonisatie?</title>
<p>Sinds de regulering van wat in een oorlog geoorloofd is aan het begin van de twintigste eeuw, vormt verkrachting een uitzondering op andere gewelddaden in oorlogstijd. Anders dan bij bijvoorbeeld het uitvoeren van executies of het afbranden van huizen is verkrachting in geen enkel geval toegestaan en moet het formeel altijd bestraft worden. Toch komt verkrachting in tijden van oorlog steeds opnieuw voor. Al sinds mensenheugenis worden zowel burgervrouwen als strijdsters door militairen gezien als &#x2018;seksuele buit&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn10">10</xref></sup> Militaire leiders zijn dan ook geneigd verkrachting af te doen als een vervelend, maar oncontroleerbaar, structureel bijverschijnsel van militaire aanwezigheid: iets dat nu eenmaal kan gebeuren als groepen jonge mannen worden gescheiden van hun sociale omgeving, opgeleid zijn om geweld te gebruiken, en ingezet worden in lichamelijk en geestelijk zware omstandigheden die vaak leiden tot morele uitputting en verlies van discipline.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn11">11</xref></sup> De feministische politicologe Cynthia Enloe maakt een onderscheid tussen drie hoofdmotieven: &#x2018;recreatieve verkrachting&#x2019;, &#x2018;verkrachting omwille van de staatsveiligheid&#x2019; en &#x2018;systematische massaverkrachting&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn12">12</xref></sup> De eerste zou het gevolg zijn van een vermeende biologische mannelijke behoefte aan seksuele ontlading. Op deze behoefte speelt de militaire organisatie sinds jaar en dag in door militaire bordelen op te zetten ten behoeve van de &#x2018;gezondheid&#x2019; en &#x2018;discipline&#x2019; van troepen. De inzet hiervan is het voorkomen van geslachtsziekten, van homoseksuele handelingen tussen militairen en van het lastigvallen van vrouwen.</p>
<p>De twee volgende motieven, &#x2018;verkrachting omwille van de staatsveiligheid&#x2019; en &#x2018;systematische massaverkrachting&#x2019; hebben een doel gemeen, namelijk het slachtoffer te domineren en te vernederen. Dit perspectief, het beschouwen van verkrachting als iets dat meer met macht dan met seks te maken heeft, ligt veel dichter bij hoe psychologen, criminologen en sociologen sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw het voorkomen van verkrachting in het algemeen &#x2013; dus niet in oorlogstijd &#x2013; verklaren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn13">13</xref></sup></p>
<p>Bij &#x2018;verkrachting omwille van de staatsveiligheid&#x2019; zijn de slachtoffers vrouwen die als subversief en als een gevaar voor de veiligheid van de natie of de staat worden beschouwd. In Algerije was Djamila Boupacha een van de vrouwen die op verdenking van actieve deelname aan de antikoloniale strijd werd gevangengenomen, gemarteld en verkracht. Ook tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog was de combinatie van marteling en verkrachting een bekend fenomeen. In &#x00E9;&#x00E9;n geval dat leidde tot een rechtszaak in 1949 vertelde de dader dat hij de verdachte wilde ondervragen &#x2018;over haar politieke voorkeuren en morele gedrag&#x2019;. Hij kleedde haar uit, bond haar vast, drukte een sigaret uit op haar tepel, stak een speld onder haar teennagel en &#x2013; zo verklaarde althans het slachtoffer &#x2013; verkrachtte haar. De laatste beschuldiging werd echter ongegrond verklaard omdat die niet bewezen kon worden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn14">14</xref></sup></p>
<p>&#x2018;Systematische massaverkrachting&#x2019; wordt getypeerd als een onderdrukkingsinstrument dat militairen gebruiken om zowel de vrouwen als mannen van vijandige zijde te vernederen door ze te straffen voor het feit dat ze tot een bepaalde groep behoren. Door de vrouw van de mannelijke vijand te verkrachten en te onteren, wordt de familie van deze man ondermijnd en bij uitbreiding zijn hele natie.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn15">15</xref></sup> Historica Rapha&#x00EB;lle Branche, expert op het gebied van martelpraktijken binnen het Franse leger tijdens de Algerijnse Revolutie, ziet eveneens de &#x2018;vernedering van de natie&#x2019; als het ultieme doel, maar dan veeleer vanuit het perspectief van de vrouw:</p>
<disp-quote><p>Verkrachting is een gewelddaad waarbij de penis van de man het middel is &#x2013; maar een ander object zou ook gebruikt kunnen worden &#x2013; en de vagina van de vrouw n&#x00ED;et het ultieme doel is. [...] Het gaat niet zozeer om seksuele behoefte maar meer om het willen bezitten en vernederen [...] Via de geradbraakte, in elkaar geslagen, verkrachte vrouw valt de soldaat haar familie aan, haar dorp en alle kringen waar ze toe behoort, tot en met de laatste: het Algerijnse volk.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn16">16</xref></sup></p></disp-quote>
<p>Als we verkrachting beschouwen als een aanval op de natie is het van belang te begrijpen dat zowel het Nederlandse als het Franse koloniale bewind een lange geschiedenis kennen van seksuele uitbuiting van de lichamen van gekoloniseerde vrouwen. Koloniale tentoonstellingen waar &#x2018;inboorlingen&#x2019; aan het nieuwsgierige Europese publiek werden gepresenteerd, sekstoerisme en de productie van pornografische afbeeldingen van gekoloniseerde vrouwen zijn hiervan slechts een paar voorbeelden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn17">17</xref></sup> Witte mannen voelden zich aangemoedigd door geseksualiseerde beelden van Noord-Afrikaanse vrouwen om onder hun sluier te gluren en daar een &#x2018;primitieve&#x2019;, &#x2018;wilde&#x2019; vrouw te ontdekken. Zuidoost-Aziatische vrouwen werden gestereotypeerd als &#x2018;vroegrijp&#x2019; en &#x2018;promiscue&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn18">18</xref></sup> Nederlandse mannen die naar Azi&#x00EB; afreisden, waren goed vertrouwd met het idee van de vermeende gewilligheid van Aziatische vrouwen die werd bezongen in populaire Nederlandse liedjes en beschreven in verhalen over de seksuele privileges van Europeanen in de kolonies.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn19">19</xref></sup> Veel Nederlandse Indi&#x00EB;veteranen beschreven Indonesische vrouwen in hun dagboeken als &#x2018;mysterieuze&#x2019; wezens die nogal eens &#x2018;onschuldige dienstplichtigen&#x2019; wilden &#x2018;verleiden&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn20">20</xref></sup> Franse militairen gebruikten de kolonie ook als een plek waar ze zich seksuele escapades konden permitteren die thuis niet mogelijk waren. Het idee dat de koloni&#x00EB;n een geschikte plek waren voor de &#x2018;repos du guerrier&#x2019; (letterlijk vertaald als &#x2018;de rust van de strijder&#x2019;, met andere woorden &#x2018;seks na de strijd&#x2019;) werd weliswaar niet expliciet genoemd in militaire propaganda, maar het speelde wel degelijk een rol in de werving van soldaten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn21">21</xref></sup> Zo regelde het Franse leger op grote schaal prostituees voor de militairen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn22">22</xref></sup></p>
<p>Het is echter lastig te beoordelen in welke mate deze ingesleten Europese beeldvorming over gekoloniseerde vrouwen van invloed is geweest op de seksuele wandaden die Europese mannen tijdens de onafhankelijkheidsoorlogen op deze vrouwen hebben gepleegd. De interpretatie van verkrachting als een aanval op de Algerijnse of Indonesische natie &#x2013; oftewel een radicale uiting van imperialistische overheersing &#x2013; wordt bovendien des te problematischer als we bedenken dat in beide conflicten ook lokaal geworven militairen, en dus Algerijnse en Indonesische mannen, Algerijnse en Indonesische vrouwen hebben verkracht.</p>
<p>Zowel militaire archieven als egodocumenten over de koloniale uitbuiting van lokale vrouwen hebben uiteraard hun beperkingen als bron. Aannames doen op basis hiervan over de motieven van militairen om te verkrachten, iets waar vele onderzoekers zich door de jaren heen wel aan gewaagd hebben<sup><xref ref-type="fn" rid="fn23">23</xref></sup>, is dus gevaarlijk. Deze bronnen bieden echter wel inzicht in de contexten waarbinnen verkrachting voorviel, wie er over rapporteerde en waarom.</p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>Contexten: waar en wanneer kwamen verkrachtingen in onafhankelijkheidsoorlogen voor?</title>
<p>Door de aard van de militaire operaties in zowel Indonesi&#x00EB; als Algerije gingen Nederlandse en Franse troepen op zoek naar Indonesische en Algerijnse rebellengroepen die in plaatselijke gemeenschappen waren ge&#x00EF;nfiltreerd. Zo konden situaties ontstaan waarin de ongelijke machtsverhoudingen tussen lokale vrouwen en vooral gewapende Europese mannen in uiterst gewelddadige confrontaties resulteerden. Niet alleen volwassen vrouwen, maar ook meisjes waren kwetsbaar. In de verkrachtingszaken die de rechtbank haalden, waren de slachtoffers, zowel in Indonesi&#x00EB; als in Algerije, vaak geen volwassen vrouwen, maar meisjes van tien tot vijftien jaar.</p>
<fig id="fg003">
<caption><p>Het doorzoeken van verdachte kampongs door Nederlandse troepen in afgelegen gebieden was risicovol voor vrouwen en kinderen. Op deze foto voert een vijftal mariniers een verkenning uit in een kampong in de buurt van Soerabaja. Als wapen wordt een .30 inch mitrailleur meegevoerd. Hugo Wilmar, Mariniersbrigade, 25 april 1946, Soerabaja. &#x00A9; Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, objectnummer 2174-0078. <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://nimh-beeldbank.defensie.nl/foto-s/detail/6291cbe6-d71f-c06e-809f-7e1741b3183a/media/5810d976-b7d3-80ff-c38f-71d6df7e5cdd">https://nimh-beeldbank.defensie.nl/foto-s/detail/6291cbe6-d71f-c06e-809f-7e1741b3183a/media/5810d976-b7d3-80ff-c38f-71d6df7e5cdd</ext-link>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.10818_fig3.jpg"/>
</fig>
<p>Vooral de nasleep van militaire zuiveringsacties in afgelegen gebieden was uitermate gevaarlijk voor vrouwen. Voor Indonesi&#x00EB; beschreef de Nederlandse veteraan Sikke Galama de sfeer onder zijn collega-militairen in die context als volgt: &#x2018;de drang naar vrouwenvlees &#x2013; noem het voor mijn part lust, of verlangen &#x2013; steekt de kop op als de angst voorbij is&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn24">24</xref></sup> Als een groep mannen het slachtoffer belaagde, was dreigen met een wapen niet nodig. Deze beschrijving uit een vonnis, dat op 5 augustus 1949 werd uitgesproken tegen drie militairen van het <sc>knil</sc>, illustreert hoe de fysieke kracht van deze mannen tezamen een groepsverkrachting mogelijk maakt:</p>
<disp-quote><p>E&#x00E9;n van de drie die I. opzettelijk gewelddadig hebben aangegrepen en opgetild en in de goeboeg [wachtpost] hebben gedragen dan wel getrokken en vervolgens in die goeboeg die vrouw, die zulks niet wilde en zich verzette achterover op de vloer hebben getrokken zodat zij op haar rug kwam te liggen, terwijl hij, verdachte, daarenboven nog haar sarong van haar lijf heeft getrokken en haar enkels op de vloer heeft vastgedrukt en terwijl G. daarenboven nog haar armen op de vloer hield gedrukt. Toen zij zich niet meer verweerde hebben V. K. en G. haar verkracht.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn25">25</xref></sup></p></disp-quote>
<p>In 1957 beschreef de Algerijnse schrijver en leraar Mouloud Feraoun in zijn dagboek hoe Franse militairen verkrachting tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog op een veel bredere schaal hadden georganiseerd:</p>
<disp-quote><p>De vrouwen bleven thuis in de dorpen. Ze moesten de deur openlaten en apart van elkaar in verschillende kamers van elk huis blijven. Zo veranderde het <italic>douar</italic> [dorp] in een drukbezocht <sc>bmc</sc> [<italic>Bordel Militaire de Campagne</italic>, militair bordeel], waar de berginfanterie en andere legionairscompagnie&#x00EB;n hun gang mochten gaan.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn26">26</xref></sup></p></disp-quote>
<p>Dit soort referenties naar verkrachting is zeldzaam onder mannen die getuige waren. Dit geldt in nog veel sterker mate voor getuigenissen van vrouwen, daar de overgrote meerderheid van de slachtoffers analfabeet was. Als ze het al aandurfden om verhaal te halen, speelde het probleem dat militairen nooit lang op een plek bleven. Tegen de tijd dat een onderzoek werd ingesteld, was de verdachte al lang met zijn eenheid vertrokken. Deze factoren maken het aannemelijk dat verkrachtingen in deze specifieke context zelden gemeld werden, en verklaren tevens waarom bronnen over dit onderwerp zo schaars zijn.</p>
<p>In Indonesi&#x00EB; was er echter een specifieke categorie lokale vrouwen met wie Nederlandse militairen in de kazerne langdurig contact onderhielden: de baboes, een term die Nederlanders gebruikten om een huishoudster of kindermeisje aan te duiden. Zij deden de was, maakten schoon en kookten eten in de militaire verblijven. Elke groep van vijf tot acht militairen kon gebruikmaken van de diensten van &#x00E9;&#x00E9;n baboe. Bij deze &#x2018;dienstverlening&#x2019; hoorde vaak ook het bieden van &#x2018;seksuele ontspanning&#x2019;. Het was algemeen bekend dat lokale bevelhebbers, die niet wilden dat hun mannen bij een bezoek aan een prostituee een geslachtsziekte zouden oplopen, de baboes lieten optreden als &#x2018;veilig alternatief&#x2019;. Dit betekent echter niet dat alle seksuele contacten tussen baboes en Nederlandse militairen neerkwamen op dwang en uitbuiting. In mondeling overgedragen getuigenissen en memoires typeerden Nederlandse veteranen deze relaties zelf geregeld als &#x2018;liefdesverhoudingen&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn27">27</xref></sup></p>
<fig id="fg004">
<caption><p>Lokaal vrouwelijk personeel was standaard aanwezig in militaire posten. Nederlandse militairen <italic>gingen</italic> regelmatig intieme relaties met het vrouwelijk personeel aan, maar zij misbruikten de vrouwen ook. Zo deden ze bijvoorbeeld dienst als prostituee voor de gehele eenheid. Hier zijn vier baboes kleding van Nederlandse militairen aan het wassen. Dienst Legercontacten, 1949, Kobak Wiroe, Nederlands-Indi&#x00EB;, collectie Koninklijke Landmacht. &#x00A9; Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, objectnummer 2155_019053. <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://nimh-beeldbank.defensie.nl/foto-s/detail/3c20d6ba-eb18-11df-a391-13966e870614/media/f5f2c1a8-f68d-ac36-ec7c-195ec5d40182">https://nimh-beeldbank.defensie.nl/foto-s/detail/3c20d6ba-eb18-11df-a391-13966e870614/media/f5f2c1a8-f68d-ac36-ec7c-195ec5d40182</ext-link>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.10818_fig4.jpg"/>
</fig>
<p>Bij het interpreteren van deze specifieke bronnen die vanuit het perspectief van een Nederlandse veteraan zijn opgesteld, mogen de structurele machtsverschillen tussen Nederlandse militairen en Indonesische vrouwen niet uit het oog worden verloren. Hoewel de meeste Nederlandse dienstplichtigen voor het eerst in Nederlands-Indi&#x00EB;/Indonesi&#x00EB; waren, profiteerden ze (vaak onbewust) van het feit dat uitbuiting van lokale Indonesische vrouwen al een lange traditie kende sinds het begin van de Nederlandse koloniale overheersing. De handelskolonie dreef in het begin vooral op de arbeid van mannen, en ontwikkelde zich gaandeweg tot een maatschappij waarin lokale vrouwen vaak als bedienden en concubines van Nederlandse mannelijke bestuurders en militairen werkzaam waren. In Algerije kwam seksuele uitbuiting van vrouwelijk huishoudelijk personeel ook voor, maar de functie van baboe bestond niet. De verzorging werd geregeld door mannelijke bedienden. Algerije was immers een vestigingskolonie, met vanaf het begin een balans tussen Europese mannen en vrouwen. De sociale structuur van het Europese kerngezin ging echter heel goed samen met een systeem van prostitutie van Algerijnse vrouwen dat door de Franse staat en krijgsmacht georganiseerd werd.</p>
<p>Het is lastig vast te stellen of de legering van een Indonesische baboe bij een militaire eenheid een risico vormde of juist iets meer bescherming bood. De sporen in de juridische archieven maken duidelijk dat de kans op misbruik op deze besloten plekken aanzienlijk was, gezien de structurele aanwezigheid van de baboes en hun intensieve contacten met de militairen. Tegelijkertijd suggereren deze bronnen dat de baboes door hun band met Nederlandse militairen, als hen iets overkwam, een grotere kans hadden om een spoor in de archieven achter te laten. We kunnen aannemen dat baboes, gelet op de zeer beperkte mogelijkheden tot genoegdoening voor de slachtoffers, en de ongelijke machtsverhoudingen met de Nederlandse militairen, zeer kwetsbaar waren in de besloten omgeving van de kazerne en buitenpost.</p>
<fig id="fg005">
<caption><p>De 85-jarige Indonesische mevrouw Tremini schreef geschiedenis toen in januari 2016 een Haagse rechtbank oordeelde dat zij recht had op 7500 euro compensatie van de Nederlandse staat voor de verkrachting door vijf mannen van het Nederlandse Korps Speciale Troepen. Dit gebeurde in februari 1949 in de stad Peniwen, waar ze nog steeds woont. Haar zaak was een soort &#x2018;bijvangst&#x2019; voor mensenrechtenadvokaat Liesbeth Zegveld, die aanvankelijk alleen een zaak over marteling in behandeling had van een Indonesi&#x00EB;r uit Peniwen. Mevrouw Tremini is hier rechts op de foto te zien in gezelschap van ooggetuige mevrouw Sri Penganti (links) en mevrouw Handayani, de dochter van mevrouw Tremini (midden). Foto door Yvonne Rieger-Rompas, Peniwen 2014. &#x00A9; Yvonne Rieger-Rompas.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.10818_fig5.jpg"/>
</fig>
<p>Het feit dat in Algerije veel van de bij ons bekende gevallen van aanranding en verkrachting &#x2013; de gevallen waarvan we de namen van slachtoffers en daders gevonden hebben &#x2013; in militaire hechtenis plaatsvonden, wijst &#x00E9;n op een specifieke Algerijnse context &#x00E9;n op het soort geweld dat papieren sporen zou kunnen nalaten. Het slagen van de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog was sterk afhankelijk van de deelname van de burgerbevolking, en daarin speelden ook Algerijnse vrouwen, die actief meevochten in het nationale bevrijdingsleger <italic>Arm&#x00E9;e de lib&#x00E9;ration nationale</italic> (<sc>aln</sc>), een speciale rol. Deze actieve militaire deelname van vrouwen betekende dat er in deze oorlog veel vrouwen werden gearresteerd, veel meer dan in Indonesi&#x00EB;. De verhalen van deze vrouwen leggen een patroon van seksueel geweld bloot waarbij Franse militairen de vrouwelijke gevangenen steeds kwetsbaarder maakten: ze moesten zich uitkleden, ze werden beledigd, ze werden gemarteld, bijvoorbeeld door elektrische schokken op de genitali&#x00EB;n toe te dienen. En vervolgens werden ze verkracht. Ook hier verdient het feit dat we getuigenissen zoals die van Boupacha in handen hebben bijzondere aandacht. Terwijl de overgrote meerderheid van de Algerijnen analfabeet was, kwamen sommige van deze vrouwen in het stedelijke <sc>aln</sc>-netwerk in Algiers uit de iets hogere klassen. Zij waren wel naar school geweest en konden schriftelijk verslag doen van wat hun was overkomen, hoe moeilijk dat ook was. Hun getuigenissen maken ook duidelijk hoe marteling en verkrachting, anders dan in Indonesi&#x00EB;, in de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog als politiek instrument werden gebruikt.</p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>Verkrachting als politiek instrument</title>
<p>Eerder in deze bijdrage beschreven we hoe onderzoekers verkrachting in de context van de Algerijnse Oorlog als een aanval op de familie en de natie interpreteren, en dus als een manier van de Franse militairen om antikoloniale Algerijnse mannen te vernederen. Dit interpretatiekader was in Algerije en Frankrijk dominant, maar ontbrak volledig in de Indonesische/Nederlandse context. Ook in de kringen van links intellectueel Nederland was er niemand die destijds, en ook later niet, de verkrachtingen door Nederlandse mannen op deze manier interpreteerde<italic>.</italic> Dit verschil werpt licht op hoe in de Algerijns/Franse context het academische interpretatiekader mede bepaald werd door een politiek discours dat gangbaar was in die periode. Tijdens de Algerijnse Oorlog bestond er immers een nationalistisch discours waarin het thema dominant was van de Franse mannelijke kolonisator die de Algerijnse familie, en in het verlengde daarvan de Algerijnse natie, vernederde door de seksuele uitbuiting van echtgenoten, moeders en dochters.</p>
<p>De bekendste uiting van dit discours is ongetwijfeld die van de Frans-Martinikaanse psychiater Frantz Fanon die bij het <sc>fln</sc> actief was. In het essay &#x2018;Algeria Unveiled&#x2019;, dat in 1957 voor het eerst werd gepubliceerd in de oorlogskrant <italic>R&#x00E9;sistance alg&#x00E9;rienne</italic> van het <sc>fln</sc>, beschreef Fanon hoe de sluier een dynamisch symbool van verzet was geworden, zowel wanneer de Algerijnse verzetsvrouw hem draagt (en zo benadrukt dat ze niet gezien wil worden door de Franse kolonist en dat ze cultureel van deze Franse overheerser verschilt) als wanneer ze hem n&#x00ED;et draagt (om zich onopgemerkt door Europese wijken te kunnen bewegen en er bommen te kunnen leggen). Fanon betoogt dat een verkrachting in de fantasie van de Europese man altijd met een ontsluiering begint. In Fanons ogen was de fysieke lust van Europeanen om Algerijnse vrouwen te verkrachten de symbolische manifestatie van de wens om Algerije en de gehele Algerijnse maatschappij te bezitten en domineren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn28">28</xref></sup> Fanons werk heeft een belangrijke rol gespeeld in de vorming van latere narratieven over de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog. Niet alleen wordt er in de Algerijnse context meer gepraat over verkrachting dan in Indonesi&#x00EB;, Fanons interpretatie is een fundamentele manier geworden om over de oorlog te praten. Tot op de dag van vandaag heeft Fanon nog steeds invloed op hoe wetenschappers de rol van verkrachting in oorlogstijd verklaren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn29">29</xref></sup></p>
<p>Hoewel er in Indonesi&#x00EB; gevallen van verkrachting bekend waren, is hier geen nationalistisch discours ontstaan waarin de seksuele uitbuiting en de verkrachting van Indonesische vrouwen door Nederlandse mannen werden gehekeld als metafoor voor de Nederlandse koloniale dominantie, of publiekelijk werden gepresenteerd als bewijs voor het onrechtmatige karakter van de Nederlandse aanspraak op Indonesi&#x00EB;. De Indonesische onafhankelijkheidsbeweging trachtte internationale steun voor haar zaak te mobiliseren door gebruik te maken van een juridisch discours. De Nederlandse rekolonisatie, zo stelde de zelfbenoemde Indonesische republikeinse regering, was onwettig. Zij beriep zich op het nieuwe internationale discours waarin werd gesproken over het universele recht op zelfbeschikking en riep de internationale gemeenschap en de in 1945 opgerichte Verenigde Naties op om de onafhankelijkheid van Indonesi&#x00EB; te erkennen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn30">30</xref></sup> Dat was ook het referentiekader van de Algerijnse nationalisten, en ook zij vergeleken het door de kolonist gepleegde geweld met dat van de nazi&#x2019;s.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn31">31</xref></sup> Maar het agenderen van de exploitatie van lokale vrouwen lieten de Indonesi&#x00EB;rs achterwege.</p>
<p>De omgang met seksueel geweld tegen vrouwen was in de Indonesische en Algerijnse context dus heel verschillend. De invloed van de Tweede Wereldoorlog en de ontwikkelingen rond het taboe op seksualiteit spelen hier een rol. De onafhankelijkheidsoorlogen vonden immers plaats in verschillende periodes, respectievelijk 1945-1949 en 1954-1962, en in verschillende geografische gebieden. Indonesi&#x00EB; had in 1945 net een periode van massale gedwongen prostitutie onder Japanse bezetting (1942-1945) achter de rug, waarbij Europese, Indo-Europese en Indonesische vrouwen als seksslavinnen voor de Japanse troepen werden gebruikt. Hier werd destijds echter nauwelijks over gepraat. Zelfs toen het taboe op dit onderwerp in de jaren negentig van de vorige eeuw geleidelijk werd doorbroken, stond in de Nederlandse publieke discussie het lijden van Nederlandse en Indo-Europese vrouwen centraal, terwijl verreweg de meeste van deze zogenaamde &#x2018;troostmeisjes&#x2019; Indonesische vrouwen waren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn32">32</xref></sup></p>
<p>In de jaren zestig, toen het denken over seksueel geweld langzaamaan begon te veranderen, had dit een sterke invloed op de kennis over verkrachting tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog en de impact daarvan. Zohra Drif, lid van de stadsguerrilla van het <sc>fln</sc> in Algiers, schreef in 1961 op uitnodiging een pamflet voor <italic>Les Temps modernes</italic>, het literaire tijdschrift van de Franse schrijvers en politieke activisten Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir. In <italic>La mort de mes fr&#x00E8;res</italic> [De dood van mijn broeders] schetste Drif een portret van Algerijnse vrouwen als slachtoffers van moord, geweld en verkrachting, en van Algerijnse mannen die zij door deze Franse aanslag op &#x2018;hun&#x2019; vrouwen als ontmand presenteerde.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn33">33</xref></sup> In een interview in 2005 legde ze uit dat ze een paar van de ergste aspecten van de oorlog had willen belichten om &#x2018;invloed uit te oefenen op een bepaald segment van de bevolking [van Frankrijk]&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn34">34</xref></sup> Deze handelswijze deelden Drif met vele vrouwen en mannen in het <sc>fln</sc>, aangezien zij inderdaad precies wisten met welk soort getuigenissen over geweld ze het beste de internationale opinie tegen de Fransen konden keren.</p>
<p>Het is in deze context dan ook geen toeval dat de getuigenis van Djamila Boupacha in 1961 naar buiten werd gebracht door haar advocate Gis&#x00E8;le Halimi, lid van het advocatencollectief van het <sc>fln</sc>. Deze solidariteit werd ook getoond door andere activisten die zich inzetten voor de Algerijnse onafhankelijkheid, zoals De Beauvoir. Boupacha paste in het ideaaltypische beeld van een slachtoffer van verkrachting uit die tijd: ze was jong, Frans geschoold en maagd. Dit maakte het gemakkelijk voor het Franse publiek om zich met haar te identificeren. Ze was bereid haar lijdensweg politieke betekenis te geven door voor de rechter resoluut te verklaren dat ze na haar arrestatie was gemarteld en verkracht en dat ze door een arts onderzocht moest worden. Voor het <sc>fln</sc> belichaamde zij de barbaarsheid van het Franse leger in Algerije en legde ze de leugen van de Franse &#x2018;beschavingsmissie&#x2019; bloot.</p>
<p>De zaak Boupacha vormde bovendien een belangrijke opmaat naar de latere campagnes die haar aanhangers in antikoloniale, Frans-Tunesische en Franse feministische kringen, zoals Halimi en De Beauvoir, lanceerden voor het lichamelijk zelfbeschikkingsrecht van de vrouw in het algemeen. Zo startte Halimi in de jaren zeventig rechtszaken tegen de restrictieve Franse abortuswetgeving, en droeg ze in 1980 ook bij aan een nieuwe definitie van verkrachting in het Franse rechtssysteem, waarmee wetgeving uit 1810 werd vervangen.</p>
<p>De verkrachtingen van Indonesische vrouwen tijdens hun onafhankelijkheidsstrijd kregen pas veel later politieke impact. Pas tijdens de oorlogen in Rwanda en Joegoslavi&#x00EB; in de jaren negentig werd in de media echt goed zichtbaar hoe verkrachting kon dienen als oorlogswapen. Een stroom van mensenrechtenactivisme kwam hierdoor op gang, waarin ook historische gerechtigheid voor de slachtoffers van onafhankelijkheidsoorlogen werd ge&#x00EB;ist. Verkrachtingszaken uit de Frans-Algerijnse, Brits-Keniaanse en Nederlands-Indonesische oorlogen konden langs de gerechtelijke weg worden heropend. In Frankrijk belemmert een reeks na 1962 aangenomen amnestiewetten echter nog steeds het plaatsvinden van rechtszaken tegen de Franse staat voor misdaden die tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog zijn gepleegd. Voor de Keniaanse en ook de Indonesische slachtoffers waren de rechtszaken meer succesvol.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn35">35</xref></sup> Op 26 januari 2016 won de toen 85-jarige Indonesische mevrouw Tremini, die in februari 1949 in het Javaanse dorp Peniwen door vijf leden van het Korps Speciale Troepen werd verkracht, een rechtszaak tegen de Staat der Nederlanden. Haar zaak werd door de mensenrechtenorganisatie Komite Utang Kehormatan Belanda<sc> (kukb,</sc>Stichting Comit&#x00E9; Nederlandse Ereschulden) aan het licht gebracht en aangenomen door mensenrechtenadvocaat Liesbeth Zegveld.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn36">36</xref></sup> Deze zege met betrekking tot berechting van seksueel geweld in een gewapend conflict van lang geleden is uniek. Navolging hiervan binnen en buiten Nederland zou best kunnen leiden tot een groter begrip voor de rol van verkrachting in onafhankelijkheidsoorlogen in de wetenschap, politiek en maatschappij.</p>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Conclusie</title>
<p>Als we het voorkomen van verkrachtingen in de Indonesische en Algerijnse onafhankelijkheidsoorlogen willen vergelijken, moeten eerst de bekende dominante interpretatiekaders worden onderzocht. Overeenkomsten tussen beide casussen zijn er zeker: het stereotyperen van gekoloniseerde vrouwen, het gevaar voor verkrachting in de context van verzetsbestrijding, en de schaarse mogelijkheden om hun stem te laten horen en om genoegdoening te verkrijgen. Maar de verschillen zijn nog veel opvallender. De baboes die in Indonesische kazernes werkten, bestonden in Algerije niet. Er is een klein aantal zaken bekend waarbij baboes betrokken waren en die hebben geleid tot strafvervolging. Het is echter onbekend hoeveel baboes gezien de omstandigheden niet werden gehoord. We moeten vooral niet vergeten dat de vervolging van daders afhankelijk was van getuigenverklaringen van collega-militairen met een sterk gevoel voor discipline en/of een emotionele band met deze vrouwen. Dat geluk had de overgrote meerderheid van de Indonesische en Algerijnse slachtoffers niet.</p>
<p>Deze vergelijking laat duidelijk zien hoe in de Algerijnse context verkrachting werd gepolitiseerd en ingezet als propagandamiddel in de antikoloniale strijd. Het &#x2018;frame&#x2019; van verkrachting als een aanval op de familie en de natie moet dus niet &#x2018;slechts&#x2019; als een wetenschappelijke interpretatie worden gezien, maar ook als deel van een politieke discours tijdens en na de Algerijnse oorlog. Politici en activisten negeerden hierbij elementen van het narratief die niet pasten in de tweedeling kolonist/gekoloniseerde, zoals de rol van lokale Algerijnse en Indonesische troepen die aan de kant van de kolonisator streden en betrokken waren bij het seksueel geweld tegen lokale vrouwen.</p>
<p>Het is de taak van de onderzoeker om heel goed te luisteren naar de getuigenissen van de vrouwen zelf, om de archieven nauwgezet te bestuderen en vooral ook om tussen de regels door lezen. Orale bronnen, hoe gefragmenteerd en lastig vindbaar ze ook zijn, moeten gekoesterd worden, omdat ze vaak indirecte of subtiele verwijzingen bevatten naar pijnlijke herinneringen. Deze kunnen ons iets vertellen over in welke context de vrouwen kwetsbaar waren voor seksueel geweld, welke strategie&#x00EB;n ze hanteerden om zichzelf te beschermen of, indien ze slachtoffer werden, te leren omgaan met de fysieke en mentale consequenties.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn37">37</xref></sup> Militaire archieven zijn onmisbaar en vormen ook in zekere zin de legitimering voor het bestaan van de krijgsmacht. Maar als het gaat om vormen van geweld in een gewapend conflict waar sekse een bepalende factor is, zoals bij verkrachting, zou de aandacht verplaatst moeten worden van de motieven van daders, die overvloedig aan bod komen in de literatuur, naar de versleutelde herinneringen van slachtoffers. Meer in het algemeen is deze bijdrage een uitnodiging voor het Nederlands publiek om hun kennis over geweld gepleegd door Nederlandse militairen uit te breiden. Een aantal stereotypische categorie&#x00EB;n is langzaamaan opgenomen in de Nederlandse beeldvorming over de oorlog in Indonesi&#x00EB; &#x2013; de executie van onschuldige burgers, het afbranden van kampongs, het martelen van gevangenen met elektroden &#x2013; maar als het Indonesische vrouwen betreft komt daar een relatief onbekend pijnlijk feit bij: de verkrachting van Indonesische vrouwen door militairen van de Nederlandse krijgsmacht.</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><p>Een speciaal woord van dank voor het delen van bronnenmateriaal met ons gaat naar Jonathan Verwey (promovendus <sc>kitlv</sc> en curator van Museum Bronbeek), dr. Marius Loris-Rodionoff (gepromoveerd in 2018 bij het Centre d&#x2019;Histoire Sociale, Universit&#x00E9; Paris <sc>i</sc> Panth&#x00E9;on-Sorbonne) en naar advocate Liesbeth Zegveld. Ook zijn wij dank verschuldigd aan onze collega&#x2019;s van het brede onderzoeksprogramma over Nederlands geweld in Indonesi&#x00EB; (1945-1949) die bronnen over dit thema hebben ontdekt en met ons hebben gedeeld.</p></fn>
<fn id="fn2"><p>Gis&#x00E8;le Halimi en Simone de Beauvoir, <italic>Djamila Boupacha</italic> (Parijs 1962) 1.</p></fn>
<fn id="fn3"><p>Abdul Haris Nasution, <italic>Sekitar perang kemerdekaan. Pemberontakan <sc>pki</sc> 1948</italic> (Historische Dienst Indonesische Landmacht 1991).</p></fn>
<fn id="fn4"><p>In dit artikel richten we onze aandacht op gevallen van verkrachting die onder de verantwoordelijkheid vielen van de Nederlandse en Franse krijgsmacht. Daarbij willen we niet suggereren dat andere combattanten in deze onafhankelijkheidsoorlogen zich niet of minder schuldig maakten aan deze vorm van geweld. Het seksueel geweld van andere partijen verdient echter een afzonderlijke diepgaandere studie dan in de context van dit <sc>nias</sc>-project mogelijk was.</p></fn>
<fn id="fn5"><p>Database Nederlandse geweldsincidenten, gebaseerd op onderzoek in Nationaal Archief in Den Haag dat uitgevoerd werd tussen 2014 en 2016 door een groep onderzoeksassistenten onder co&#x00F6;rdinatie van Ireen Hoogenboom en Bart Luttikhuis, in opdracht van <sc>kitlv</sc>. Voor deze database werd onderzoek gedaan in de collecties Krijgsraad te Velde (2.09.19 &#x2013; volledig geraadpleegd), Commissie gedragingen en onderscheidingen (2.10.58 &#x2013; gedeeltelijk geraadpleegd) en Archief Procureur Generaal Nederlands Indi&#x00EB; (2.10.17 &#x2013; gedeeltelijk geraadpleegd). De database is nooit officieel afgerond, omdat met de opstart in 2016 van het grootschalige onderzoeksprogramma de onderzoekstaken onder de deelnemende instituten anders werden verdeeld, en de gegevens uit de geraadpleegde archieven op een andere manier verder verzameld en verwerkt werden. Het kan dus zijn dat er in werkelijkheid nog meer verkrachtingszaken in de archieven te vinden zijn (collectie <sc>kitlv</sc>, 2014-2016). De database is voor de duur van het onderzoeksprogramma (2021) toegankelijk gemaakt voor de betrokken onderzoekers. De regeling van de toegang daarna is nog onbekend en hangt af van de beschikbare middelen.</p></fn>
<fn id="fn6"><p>Marius Loris-Rodionoff, <italic>Crises et reconfigurations de la relation d&#x2019;autorit&#x00E9; dans l&#x2019;arm&#x00E9;e fran&#x00E7;aise au d&#x00E9;fi de la guerre d&#x2019;Alg&#x00E9;rie, 1954-1966</italic> (Parijs 2018) 336.</p></fn>
<fn id="fn7"><p>Database Nederlandse geweldsincidenten, gebaseerd op systematisch onderzoek in 659 gepubliceerde egodocumenten (<sc>kitlv</sc> 2017) en in 89 niet gepubliceerde dagboeken (<sc>nimh</sc> 2019).</p></fn>
<fn id="fn8"><p>Khedidja Adel, &#x2018;La prison des femmes de Tifelfel: enfermement et corps en souffrance&#x2019;,<italic> L&#x2019;Ann&#x00E9;e du Maghreb</italic> 20 (2019) 123-138. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.4000/anneemaghreb.4674">https://doi.org/10.4000/anneemaghreb.4674</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn9"><p>De meeste onderzoeken benaderen het probleem vanuit de psychologie van het gewapend conflict, of, in de civiele context, vanuit de vraagstelling hoe afwijkend gedrag valt te verklaren. Empirisch onderzoek ligt hier weliswaar aan ten grondslag, maar verdwijnt naar de achtergrond in de analyse. Zie hiervoor: Aloysius Nicholas Groth, <italic>Men Who Rape: The Psychology of the Offender</italic> (New York 1979); Menachem Amir, <italic>Patterns in Forcible Rape</italic> (Chicago 1971); Helen Benedict , &#x2018;Why Soldiers Rape; Culture of misogyny, illegal occupation, fuel sexual violence in military&#x2019;,<italic> In These Times,</italic> <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://inthesetimes.com/article/3848/why_soldiers_rape">https://inthesetimes.com/article/3848/why_soldiers_rape</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn10"><p>Zie bijvoorbeeld Rapha&#x00EB;lle Branche en Fabrice Virgili, <italic>Viols en temps de guerre</italic> (Parijs 2011).</p></fn>
<fn id="fn11"><p>Ruth Seifert, &#x2018;The second front: The logic of sexual violence in wars&#x2019;, <italic>Women&#x2019;s Studies International Forum</italic> 19:1/2 (1996) 35-43. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1016/0277-5395(95)00078-x">https://doi.org/10.1016/0277-5395(95)00078-x</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn12"><p>Cynthia Enloe, <italic>Maneuvers. The International Politics of Militarizing Women&#x2019;s Lives</italic> (Berkeley 2000) 111.</p></fn>
<fn id="fn13"><p>Zie noot 8.</p></fn>
<fn id="fn14"><p><sc>nl</sc>-Ha<sc>na</sc>, 2.09.19, Krijgsraden te Velde, 44 10, Vonnis van de krijgsraad 1950-04-25, 796: Beperkt Openbaar Rol nr. 6422.</p></fn>
<fn id="fn15"><p>Enloe, <italic>Maneuvers</italic>, 111.</p></fn>
<fn id="fn16"><p>Rapha&#x00EB;lle Branche, &#x2018;Des viols pendant la guerre d&#x2019;Alg&#x00E9;rie&#x2019;,<italic> Vingti&#x00E8;me si&#x00E8;cle. Revue d&#x2019;histoire</italic> 75:3 (2002) 128. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.3917/ving.075.0123">https://doi.org/10.3917/ving.075.0123</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn17"><p>Malek Alloula, <italic>The Colonial Harem</italic> (Manchester 1986); Pascal Blanchard et al. (reds.) <italic>Sexe, race &#x0026; colonies: La domination des corps du <sc>xv</sc>e si&#x00E8;cle &#x00E0; nos jours</italic> (Parijs 2018).</p></fn>
<fn id="fn18"><p>Christina Wu, &#x2018;Le Mythe de la femme du Sud-Est Asiatique&#x2019;, in: Blanchard et al, <italic>Sexe, race &#x0026; colonies</italic>, 261.</p></fn>
<fn id="fn19"><p>Roelof van Gelder, <italic>Het Oost-Indisch avontuur: Duitsers in dienst van de <sc>voc</sc></italic> (Nijmegen 1997) 122.</p></fn>
<fn id="fn20"><p>Jonathan Verwey, &#x2018;&#x201C;Hoeveel wreekt de bruidegom de bruid&#x201D;. Seksueel geweld en de Nederlandse krijgsmacht in Indonesi&#x00EB;, 1945-1950&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor geschiedenis</italic> 129:4 (2016). <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.5117/tvgesch2016.4.verw">https://doi.org/10.5117/tvgesch2016.4.verw</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn21"><p>Julie d&#x2019;Andurain, &#x2018;L&#x2019;arm&#x00E9;e coloniale et la propagande militaire aux colonies&#x2019;, in: Blanchard et al, <italic>Sexe, race &#x0026; colonies,</italic> 283.</p></fn>
<fn id="fn22"><p>Christelle Taraud, <italic>La prostitution coloniale, Alg&#x00E9;rie, Tunisie, Maroc (1830-1962)</italic> (Parijs 2009).</p></fn>
<fn id="fn23"><p>Catherine Brun en Todd Shepard waarschuwen voor instrumentalistische aannames bij de interpretatie van &#x2018;impressionistische&#x2019; data afkomstig uit verschillende bronnen. Zie: Catherine Brun en Todd Shepard, <italic>Guerre d&#x2019;Alg&#x00E9;rie. Le sexe outrag&#x00E9;</italic> (Parijs 2016) 17.</p></fn>
<fn id="fn24"><p>Hylke Speerstra, <italic>Op klompen door de dessa. Indi&#x00EB;gangers vertellen</italic> (Amsterdam 2015) 182.</p></fn>
<fn id="fn25"><p><sc>nl</sc>-Ha<sc>na</sc>, 2.10.58, Commissie Gedragingen en Onderscheidingen <sc>knil</sc>, 53, 7, Vonnis 1949-08-05, 670.</p></fn>
<fn id="fn26"><p>Mouloud Feraoun, <italic>Journal 1955-1962</italic> (Parijs 1962) 184.</p></fn>
<fn id="fn27"><p>Annegriet Wietsma en Stef Scagliola, <italic>Liefde in tijden van oorlog. Onze jongens en hun verzwegen kinderen in de Oost</italic> (Amsterdam 2013) 8.</p></fn>
<fn id="fn28"><p>Frantz Fanon, <italic>A Dying Colonialism.</italic> Engelse vertaling door Haakon Chevalier (New York 1965) 45-46.</p></fn>
<fn id="fn29"><p>Branche, &#x2018;Des viols pendant la guerre d&#x2019;Alg&#x00E9;rie&#x2019;, 123-132; Marnia Lazreg, <italic>Torture and the Twilight of Empire. From Algiers to Baghdad</italic>. Human Rights and Crimes against Humanity (Princeton 2008).</p></fn>
<fn id="fn30"><p>Muhammad Yuanda Zara, <italic>Voluntary participation, state involvement. Indonesian propaganda for the struggle of maintaining independence, 1945-1949</italic> (Amsterdam 2016); Matthew Connelly, <italic>A Diplomatic Revolution: Algeria&#x2019;s Fight for Independence and the Origins of the Post-Cold War Era</italic> (Oxford en New York 2002).</p></fn>
<fn id="fn31"><p>Antoine Weijzen, <italic>De Indi&#x00EB;-weigeraars. Vergeten slachtoffers van een koloniale oorlog</italic> (Utrecht 2015); Martin Evans, <italic>The Memory of Resistance: French Opposition to the Algerian War (1954-1962)</italic> (Oxford en New York 1997).</p></fn>
<fn id="fn32"><p>Yuki Tanaka, <italic>Japan&#x2019;s Comfort Women: Sexual Slavery and Prostitution during World War <sc>ii</sc> and the U.S. Occupation</italic> (New York 2002) 78; George Hicks, <italic>The Comfort Women: Japan&#x2019;s Brutal Regime of Enforced Prostitution in the Second World War</italic> (New York 1995).</p></fn>
<fn id="fn33"><p>Zohra Drif, <italic>La mort de mes fr&#x00E8;res</italic> (Parijs 1961) 11-12.</p></fn>
<fn id="fn34"><p>Natalya Vince, <italic>Our Fighting Sisters: Nation, Memory and Gender in Algeria, 1954-2012</italic> (Manchester 2015) 86.</p></fn>
<fn id="fn35"><p>David M. Anderson en Julianne Weis, &#x2018;The Prosecution of Rape in Wartime: Evidence from the Mau Mau Rebellion, Kenya 1952-60&#x2019;, <italic>Law and History Review</italic> 36:2 (2018) 267-294. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1017/S0738248017000670">https://doi.org/10.1017/S0738248017000670</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn36"><p>Deze zaak vloeide voort uit de gewonnen zaak tegen de Staat met betrekking tot een door Nederlandse militairen gepleegde massa-executie in datzelfde Peniwen.</p></fn>
<fn id="fn37"><p>In een langer hoofdstuk in de bundel die bij Cornell University Press wordt gepubliceerd, gaan we dieper in op hoe Algerijnse en Indonesische vrouwen probeerden te voorkomen dat ze verkracht werden, bijvoorbeeld door zichzelf te besmeuren met vuil en mest. Ook beschrijven we hoe deze vrouwen omgingen met hun herinneringen: door ze in stilzwijgen te hullen, of ze in po&#x00EB;zie en liederen te gieten of, meer recent, door gerechtelijke stappen te ondernemen.</p></fn>
</fn-group>
<sec>
<title/>
<p><bold>Natalya Vince</bold> is docent aan de Universiteit van Portsmouth in het Verenigd Koninkrijk en is gespecialiseerd in Noord-Afrikaanse en Franse geschiedenis. Ze is de auteur van <italic>Our Fighting Sisters: Nation, Memory and Gender in Algeria, 1954-1962</italic> (Manchester University Press 2015), waarmee ze in 2016 de Women&#x2019;s History Network Book Prize won. Tussen 2016 en 2019 heeft ze een Marie Sk&#x0142;odowska-Curie Actions Global Fellowship ontvangen voor een project over studenten, sociale verandering en staatsvorming in Algerije (<sc>stusocsta</sc>-705763). Ze leidt ook een drietalig online open access platform voor documentaires en publieksgeschiedenis over de postkoloniale staats- en natievorming (<ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://www.generation-independence.com">www.generation-independence.com</ext-link>). E-mail: <email>Natalya.vince@port.ac.uk</email>.</p>
<p><bold>Stef(ania) Scagliola</bold> is postdoctoraal onderzoeker bij het Centre for Contemporary and Digital History aan de Universiteit van Luxemburg, waar ze een leerplatform heeft ontwikkeld voor docenten over digitale bronnenkritiek (<ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://www.ranke2.uni.lu">www.ranke2.uni.lu</ext-link>). Vanaf de publicatie van haar proefschrift <italic>Last van de oorlog. De Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesi&#x00EB; en hun verwerking</italic> in 2002 heeft ze haar expertise over de omgang van de Nederlandse maatschappij met de oorlog in Indonesi&#x00EB; (1945-1949) gecombineerd met het opzetten van grootschalige oral history-projecten met als thema &#x2018;verwerking van oorlog&#x2019; (<ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://www.watveteranenvertellen.nl">www.watveteranenvertellen.nl</ext-link>, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://www.oorlogsliefdekind.nl">www.oorlogsliefdekind.nl</ext-link> en <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://www.croatianmemories.org">www.croatianmemories.org</ext-link>). Ze heeft over deze onderwerpen gepubliceerd in <italic>European Review of History</italic>, <italic>Journal of Genocide Studies</italic> en <italic>Rethinking History</italic>. E-mail: <email>Stefania.Scagliola@uni.lu</email>.</p>
</sec>
</back>
</article>