<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="research-article" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>The Hague, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.10760</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.18352/bmgn-lchr.10760</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Verenigd maar verdeeld</article-title>
<subtitle>Constitutionele debatten over jacht en eigendom in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden dieter bruneel en leon wessels</subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Bruneel</surname>
<given-names>Dieter</given-names>
</name>
</contrib>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Wessels</surname>
<given-names>Leon</given-names>
</name>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>11</month>
<year>2019</year>
</pub-date>
<volume>134</volume>
<issue>4</issue>
<fpage>4</fpage>
<lpage>32</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2019 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2019</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by-nc/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International (CC BY-NC 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.10760"/>
<abstract>
<p>In this article we analyse constitutional debates on game hunting in the post-Napoleonic Low Countries (1814-1819). We demonstrate that these debates reflect fundamental differences within the United Kingdom of the Netherlands (1815-1830), which cannot be retraced to an a priori division between the Northern and Southern provinces. While a majority in the First Chamber favoured a (semi-)seigneurial system protected by the king, a majority in the Second Chamber based its arguments on a modern interpretation of property rights guaranteed by the Constitution of 1815. Building on the line of thought drawn in a recent study by Rafe Blaufarb, we argue that these debates on the relationship between king and constitution fit into a broader discourse on the (dis)entanglement of public power and private property in post-Napoleonic Europe.</p>
<p>In dit artikel bestuderen we de constitutionele debatten over het jachtrecht in de post-Napoleontische Lage Landen (1814-1819). We tonen aan dat deze debatten een inzicht geven in fundamentele tegenstellingen binnen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830), die niet teruggebracht kunnen worden tot een a priori tegenstelling tussen de Noordelijke en Zuidelijke provincies. Terwijl een meerderheid in de Eerste Kamer een (semi-)heerlijk jachtregime voorstond dat beschermd werd door de koning, onderbouwde een meerderheid in de Tweede Kamer haar argumenten op een moderne invulling van het eigendomsrecht zoals beschermd door de Grondwet van 1815. Voortbouwend op de gedachtegang in het recente werk van Rafe Blaufarb, beargumenteren we dat deze debatten over de verhouding tussen koning en grondwet passen binnen een bredere discussie over de scheiding van publieke macht en privaat eigendom in post-Napoleontisch Europa.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>De decennia die volgden op de Franse Revolutie hadden Europa politiek tot op het bot verdeeld. Terwijl de Franse troepen meer en meer werden teruggedrongen, begonnen de overige Europese machtshebbers tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) plannen te maken voor het post-Napoleontische tijdperk. De revolutionaire geest moest terug in de fles, maar de overwinnaars waren realistisch genoeg om te erkennen dat het <italic>ancien r&#x00E9;gime</italic> niet volledig kon worden hersteld. Als antwoord op het vraagstuk van de revolutie schoven zij de constitutionele monarchie naar voren. De constitutionele monarchie leek een aanvaardbaar compromis. Enerzijds werd het anarchisme uitgebannen door een hi&#x00EB;rarchische ordening van de samenleving die niet onderhevig was aan de grilligheid van de democratie. Anderzijds werden verlicht-liberale grondrechten van de burgers vastgelegd in een grondwet. De constitutionele monarchie zou een einde maken aan de splijtzwam van de revolutie.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup></p>
<p>Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830, hierna <sc>vkn</sc>) was een van de constitutionele monarchie&#x00EB;n waarvan de contouren op de Weense tekentafel werden geschetst. Het <sc>vkn</sc>besloeg ruwweg de voormalige territoria van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in het noorden, de Oostenrijkse Nederlanden in het zuiden en enkele min of meer onafhankelijke gebieden zoals het Prinsbisdom Luik. Na vijftien jaar viel het <sc>vkn</sc>uiteen in de afzonderlijke staten Nederland en Belgi&#x00EB;. In de afgelopen twee decennia is het beeld van deze periode ingrijpend veranderd. Aanvankelijk stelden historici in de lijn van Herman Colenbrander en Henri Pirenne het uiteenvallen van het <sc>vkn</sc>voor als een onvermijdelijk gevolg van de tegenstellingen tussen Noord en Zuid.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup> Inmiddels zijn Nederlandse historici als Niek van Sas en Jeroen van Zanten het erover eens dat het <sc>vkn</sc>niet gedoemd was om te mislukken. Sterker nog, de Belgische afscheiding was niet onvermijdelijk geweest. Zelfs in de crisisjaren vanaf 1828 waren er weinig politici uit op een scheiding.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn3">3</xref></sup> Voor het Zuiden ontkrachtten onderzoekers als Els Witte de rol van nationale sentimenten door te benadrukken dat noch de liberale noch de katholieke Zuidelijke oppositie in 1830 uit was op onafhankelijkheid. Bovendien benadrukten onderzoekers die zich toelegden op zowel het Noorden als op het Zuiden dat het nationale gevoel v&#x00F3;&#x00F3;r de revolutie niet aan de eis voor onafhankelijkheid werd gekoppeld.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn4">4</xref></sup></p>
<p>Toch worden de tegenstellingen tussen Noord en Zuid in de historiografie impliciet in stand gehouden. Zo zijn er maar weinig onderzoekers die zowel het Noorden als het Zuiden hebben bestudeerd. Dit heeft geleid tot een divergerende tendens in de historiografie. Historici die zich concentreren op het Noorden, stellen dat er in de beginjaren nauwelijks sprake was van politisering. Na de Bataafs-Franse periode zou het Noorden &#x2018;afscheid&#x2019; genomen hebben van de revolutionaire geest. Eendracht was het nieuwe ideaal.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn5">5</xref></sup> Een levend grondwetsbesef zou in het Noorden niet bestaan hebben.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn6">6</xref></sup> Stefaan Marteel, die zich op het Zuiden toespitst, benadrukt daarentegen de cruciale rol die de grondwet in het politieke denken speelde. Onenigheid over de grondwet en de manier waarop deze tot stand kwam was aanvankelijk een voedingsbodem voor het ontstaan van een Zuidelijke oppositie, maar al gauw zette diezelfde oppositie de grondwet en het moderne constitutionalisme in ter ondersteuning van haar opvattingen over de staat.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn7">7</xref></sup> Een opvallende uitzondering op deze historiografische tendens is de historisch-juridische dissertatie van Peter van Velzen, waarin hij aantoont dat het <sc>vkn</sc>vanaf het prille begin verdeeld was over de ministeri&#x00EB;le verantwoordelijkheid zonder dat er sprake was van een Noordelijk en een Zuidelijk kamp.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn8">8</xref></sup></p>
<p>In dit artikel willen wij aantonen dat de beginjaren van het <sc>vkn</sc> gekenmerkt worden door scherpe constitutionele debatten, terwijl de meeste historici juist het gedepolitiseerde karakter van de nieuwe staat hebben benadrukt. We doen dit aan de hand van een analyse van het politiek-maatschappelijke debat over het jachtrecht in de beginjaren van het <sc>vkn</sc>. Vanuit die invalshoek willen wij een van de centrale constitutionele discussies uit deze periode concretiseren, namelijk de verhouding tussen publieke macht en privaat eigendom. De bronnen die we gebruiken richten zich op dit openbare debat, eerder dan op discussies binnen de regering zelf. We maken gebruik van de gereconstrueerde Parlementaire Handelingen, samengesteld uit notulen, verslagen van de Staatscourant, oude kranten en nagelaten dossiers van ministers en Kamerleden. Dit materiaal vullen we aan met de bronnenverzameling van Colenbrander over het ontstaan van de Grondwet, de polemische geschriften van Th&#x00E9;odore Dotrenge en Jean-Joseph Raepsaet over de grondwetsdiscussie en de verwijzingen naar het jachtdebat in de oppositiekranten (hoofdzakelijk de Zuidelijke liberale krant<italic> L&#x2019;Observateur</italic> en het Noordelijke, overwegend liberale tijdschrift <italic>De Weegschaal</italic>).<sup><xref ref-type="fn" rid="fn9">9</xref></sup> Voor de discussie in het Zuiden tijdens de periode 1814-1816 beroepen we ons op de archieven van de Geheime Raad en het Staatssecretarie voor Belgi&#x00EB;. Dit corpus wordt voor de periode 1816-1819 aangevuld met de petities en gedrukte stukken bewaard in het archief van de Eerste en Tweede Kamer van de Staten-Generaal, alsook met de verwijzingen naar het debat over jachtwetgeving in het archief van de Opperhoutvesterij, de dienst die toezicht hield op de uitoefening van jacht en visserij. Tot slot maken we gebruik van archieven en memoires van politici betrokken bij het debat over het jachtrecht. In wat volgt, zetten we allereerst uiteen waarom juist het jachtrecht zo&#x2019;n interessant kwestie was in de vroege negentiende eeuw. Vervolgens presenteren wij onze casus in chronologische volgorde.</p>
<sec id="s1">
<title>Jacht en revolutie</title>
<p>De jacht is meer dan alleen een manier om voedsel te vergaren. Als gevolg van een lang proces van uitsluiting en criminalisering van jagers uit de lagere standen was het recht om te jagen in de vroegmoderne tijd uitgegroeid tot een privilege van de elite.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn10">10</xref></sup> In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vaardigde iedere provincie haar eigen jachtwetten uit. Het aantal jachtgerechtigden bleef veelal beperkt tot (riddermatige) edelen, hoge ambtsbekleders (zoals stadsbestuurders, dijkgraven en hoge rechters) en (groot)grondbezitters.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn11">11</xref></sup> In de Zuidelijke Nederlanden was de jacht eveneens een voorrecht van de adel en andere groepen die we tot de elite mogen rekenen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn12">12</xref></sup> Het jachtrecht was in de vroegmoderne tijd dus een typisch standsprivilege. Geboorte en geld bepaalden in grote mate wie gerechtigd was om te jagen.</p>
<p>De praktijk van de jacht bevestigde de hoge status van de jachtgerechtigde. De jacht was een zichtbaar privilege van de elite.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn13">13</xref></sup> Jachtgerechtigden beperkten zich niet tot de jacht op hun eigen bezittingen. Zij maakten ook gebruik van de mogelijkheid op andermans gronden te jagen. De jager liet daarmee zien dat zijn recht om te jagen belangrijker was dan de belangen van de grondgebruiker.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn14">14</xref></sup> In tijden waarin de macht van de elite ter discussie stond, werd ook het jachtrecht betwist. Zowel de Engelse Burgeroorlog als de Franse Revolutie werden voorafgegaan door een explosie van gewelddadige stroperijen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn15">15</xref></sup> Verlichte denkers zagen de exclusieve jachtrechten van de elite als een vorm van onderdrukking van de boerenbevolking. Bovendien zou het in stand houden van uitgestrekte jachtgebieden irrationeel en economisch ineffici&#x00EB;nt zijn.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn16">16</xref></sup></p>
<fig id="fg001">
<caption><p>Portret van Jonkheer Gijsbert Carel Rutger Reinier van Brienen van Ramerus (1771-1821), met zijn vrouw en vier van hun kinderen, vervaardigd door Adriaan de Lelie in 1804. De keuze voor een jachtpartij als decor voor dit familieportret is tekenend voor het symbolische belang van de jacht tijdens de revolutietijd. &#x00A9; Rijksmuseum Amsterdam, <sc>sk</sc>-<sc>a</sc>-1355, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/10934/rm0001.collect.12126">http://hdl.handle.net/10934/rm0001.collect.12126</ext-link>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.10760_fig1.jpg"/>
</fig>
<p>De Franse Revolutie had grote gevolgen voor het jachtrecht in continentaal Europa. Kort na het uitbreken van de revolutie werd in Frankrijk een einde gemaakt aan de jacht als standsprivilege. Grondeigenaren hadden voortaan het recht om op hun eigen gronden te jagen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn17">17</xref></sup> In de Zuidelijke Nederlanden werd na de Franse inlijving direct de revolutionaire jachtwetgeving ingevoerd. In de Bataafse Republiek bleef aanvankelijk de jacht een provinciale aangelegenheid. In een aantal provincies werden in de geest van de revolutie de vroegmoderne jachtprivileges afgeschaft en was iedere inwoner voortaan gerechtigd om te jagen. De Bataafse jachtwetten hadden echter een tijdelijk karakter. Op den duur nam grondeigendom een steeds belangrijker plaats in als criterium om te mogen jagen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn18">18</xref></sup> Na de inlijving bij het Franse keizerrijk werd in het Noorden alsnog de Franse jachtwet ingevoerd.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn19">19</xref></sup></p>
<p>In de loop van de achttiende en negentiende eeuw werd het recht om te jagen verder geherdefinieerd. De gangbare perceptie dat het jachtrecht een privilege van specifieke sociale groepen was, werd steeds meer overschaduwd door de opvatting dat het recht om te jagen een afgeleide van grondeigendom zou moeten zijn. Deze verschuiving hangt samen met een bredere ontwikkeling. In de vroegmoderne tijd was de verstrengeling van publieke macht en privaat eigendom de gewoonste zaak van de wereld. Enerzijds bracht het bezit van bepaalde titels en onroerende goederen bestuurlijke rechten en gebruiksrechten met zich mee. Anderzijds waren publieke functies te koop of overerfbaar. Rafe Blaufarb, een Canadese historicus gespecialiseerd in de geschiedenis van Frankrijk tijdens het revolutionaire tijdvak, analyseert de veranderende Franse opvattingen over de verhouding tussen publieke macht en privaat eigendom in zijn studie <italic>The Great Demarcation. The French Revolution and the Invention of Modern Property</italic> (2016). Blaufarbs centrale stelling luidt dat de Franse Revolutie een einde maakte aan het tot dan toe gangbare eigendomssysteem. In plaats daarvan werd een radicaal onderscheid gemaakt tussen de publieke macht en privaat eigendom, hetgeen tevens de conceptuele basis van het ancien r&#x00E9;gime vernietigde.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn20">20</xref></sup></p>
<p>Alhoewel in landen als Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittanni&#x00EB; verschillende studies zijn verschenen over de betekenis van de jacht en het jachtrecht, is er tot op heden weinig onderzoek gedaan naar de jacht in de Nederlanden in de overgangsperiode van vroegmoderne naar moderne tijd. De eerste Nederlandse studies belichten alleen juridische aspecten van de ontwikkeling van het jachtrecht.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn21">21</xref></sup> In de laatste decennia is meer aandacht uitgegaan naar de sociale, economische en ecologische context van de jacht. Enerzijds wordt de jacht bestudeerd als onderdeel van een elitaire levensstijl. Verschillende monografie&#x00EB;n over de <italic>landed elite</italic> beschrijven de obsessie die vele edelen en aristocratische industri&#x00EB;len hadden met de jacht.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn22">22</xref></sup> Anderzijds wordt de jacht geanalyseerd als een bron van inkomsten. In deze studies staat de beroepsmatige jacht centraal.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn23">23</xref></sup> Tot slot is onderzoek gedaan naar de invloed van de jacht op de wildstand in de voorbije eeuwen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn24">24</xref></sup></p>
<p>In het vervolg van dit artikel analyseren wij de politiek-maatschappelijke debatten over het jachtrecht in de beginjaren van het <sc>vkn</sc>aan de hand van Blaufarbs these. Daarbij moet worden aangetekend dat Blaufarb terecht is bekritiseerd omdat hij pogingen om de scheiding van macht en eigendom constitutioneel te verankeren als een coherent programma heeft voorgesteld, terwijl de leidende juridische denkers juist onderling verdeeld waren en de uitkomsten niet altijd te voorzien waren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn25">25</xref></sup> Die verdeeldheid speelde ook een belangrijke rol in de politiek-maatschappelijke debatten binnen het <sc>vkn</sc> die in dit artikel centraal staan. Niettemin biedt Blaufarbs these dat de Franse Revolutie leidde tot een modern concept van eigendom, toegepast op de debatten over het jachtrecht, mogelijkheden om een nieuw licht te laten schijnen op de politieke verhoudingen in het <sc>vkn</sc>.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Noord-Nederlandse jachtwetgeving onder een nieuw bewind (1813-1815)</title>
<p>Nadat de Franse troepen zich in 1813 uit Nederland hadden teruggetrokken, nam een driemanschap, bestaande uit Gijsbert Karel van Hogendorp, Frans Adam van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum, tijdelijk het bestuur van de Noordelijke Nederlanden op zich. Zij nodigden Willem Frederik uit, de zoon van de laatste stadhouder, om als soeverein vorst (later koning) het land te leiden, hetgeen hij dankbaar aanvaardde. Willem Frederik trok veel macht naar zich toe. In de bestuurlijke indeling van het nieuwe Koninkrijk bouwde hij verder op de Bataafs-Franse erfenis, maar herstelde hij tevens facetten van het ancien r&#x00E9;gime. Kenmerkend is de creatie van een nieuw soort notabelenstand bestaande uit oude regenten en aristocraten, voormalige Bataafse bestuurders en <italic>nouveau riches</italic>.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn26">26</xref></sup></p>
<p>Een commissie boog zich over een nieuw te ontwerpen grondwet. Van Hogendorp, wiens schetsen de basis vormden voor de nieuwe Grondwet, fungeerde als voorzitter. Tijdens een zitting van de Grondwetscommissie stelde Apollonius J.C. Lampsins voor om in de Grondwet ook een bepaling over de jacht op te nemen. Lampsins argumenteerde profetisch dat dit vele moeilijkheden zou voorkomen die een stilzwijgen over het onderwerp zou veroorzaken tussen bezitters van het jachtrecht en grondeigenaren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn27">27</xref></sup> Van Hogendorp was het daar echter niet mee eens. Hij meende dat die materie bij wet geregeld moest worden en niet in de Grondwet thuishoorde en dit standpunt vond algemeen bijval binnen de commissie.</p>
<p>Toch verwees de Grondwet van 1814 indirect naar bepaalde jachtrechten. Zo erkende de Grondwet het bestaan van heerlijkheden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn28">28</xref></sup> Een heerlijkheid is een geheel van rechten en plichten met betrekking tot het bestuur van een bepaald plattelandsgebied. De heer van een heerlijkheid beschikte over bepaalde rechten, waaronder vaak het (exclusieve) recht om te jagen in de heerlijkheid. Alle heerlijke rechten werden in de Bataafs-Franse tijd afgeschaft. Maar enkele dagen voordat de Grondwet werd aangenomen, was een Staatsbesluit uitgevaardigd dat allerlei heerlijke rechten herstelde, waaronder heerlijke jachtrechten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn29">29</xref></sup> Op die manier werd de verstrengeling tussen publieke macht en privaat eigendom, h&#x00E9;t centrale kenmerk van het prerevolutionaire eigendomsconcept, opnieuw gedeeltelijk hersteld. Het besluit was in belangrijke mate ge&#x00EF;nspireerd op een ontwerp van Arnold W.N. van Tets van Goudriaan, commissaris-generaal van het departement van de Monden van de Maas. Hij presenteerde zijn ontwerp als een manier om een einde te maken aan het machtsvacu&#x00FC;m dat was ontstaan op het platteland na het vertrek van de Franse troepen. In feite probeerde Van Tets van Goudriaan de tijd twintig jaar terug te draaien, door voor te stellen een systeem te herstellen dat in het geboortejaar van de Bataafse Republiek was afgedaan als strijdig met de gelijkheid van burgers. De kersverse vorst liet zich echter overtuigen, mede door de verzoekschriften die hij ontving van bezitters van voormalige heerlijkheden, ridderhofsteden en havezaten. De rekwestranten wensten hersteld te worden in hun vroegere rechten, waaronder de aan heerlijkheden verbonden jachtrechten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn30">30</xref></sup></p>
<p>Op 11 juli 1814 werd een nieuwe jachtwet uitgevaardigd. Het was eenieder in de Noordelijke Nederlanden voortaan toegestaan om te jagen, mits hij in het bezit was van een jachtakte. In principe kreeg de jacht daardoor een minder standsgebonden karakter dan v&#x00F3;&#x00F3;r de Franse tijd. Het jachtrecht was niet langer voorbehouden aan edelen, ambtsdragers en rijke burgers. De kosten van de jachtakten waren echter substantieel. Een akte die toestemming gaf om in &#x00E9;&#x00E9;n jachtdistrict de korte jacht &#x2013; een vorm van jagen waarbij geen windhonden worden gebruikt &#x2013; te mogen uitoefenen kostte al meer dan vijftien gulden. Bovendien werden fikse kortingen verleend aan groepen die &#x2018;gekwalificeerd&#x2019; waren tot de jacht, te weten edelen, grote grondeigenaren en militaire officieren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn31">31</xref></sup> In de praktijk bleef de jacht een elitaire hobby.</p>
<p>De jachtwet van 1814 omschrijft tamelijk precies waar wel en niet mocht worden gejaagd. Het jachtterrein bestond enerzijds uit publieke gronden, zoals &#x2018;wildernissen&#x2019;, bossen, duinen en heigronden, die de vorst niet voor zichzelf had opge&#x00EB;ist. Anderzijds mocht worden gejaagd op private grond, met uitzondering van &#x2018;lusthoven&#x2019; met geschoffelde lanen die met behulp van sloten of hekken waren afgescheiden van de natuur. Grondeigenaren die niet wilden dat anderen op hun gronden jaagden, konden hun eigendommen laten registreren als privaat jachtgebied. Daartegenover stond dat zij hun grond moesten laten afpalen en jaarlijks een premie van enkele guldens dienden te betalen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn32">32</xref></sup> De wet betekende niet het einde van de heerlijke jachtrechten. Na de uitvaardiging van de jachtwet werd het herstel van de heerlijke jachtrechten zelfs ge&#x00EB;xpliciteerd per Soeverein Besluit. Dit maakt de Noordelijke jachtwetgeving van 1814 tot een complex amalgaam waarin elementen van zowel het prerevolutionaire als het moderne eigendomsconcept werden samengebracht, waardoor publieke macht en privaat eigendom bijgevolg nauw verstrengeld bleven. Er was enige tijd discussie over de vraag of het heerlijk jachtrecht over particuliere eigendommen zou kunnen worden afgekocht door grondeigenaren. Deze mogelijkheid werd echter niet in het besluit opgenomen. Grondeigenaren moesten tot 1852 wachten op een wettelijke vastlegging van het recht op het afkopen van heerlijke jachtrechten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn33">33</xref></sup></p>
<p>Nadat in het Verdrag van Parijs (30 mei 1814) al was vooruitgelopen op een vereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, nam Willem Frederik het bestuur van het Generaal-gouvernement Belgi&#x00EB; op zich. Voorlopig bleef de Franse revolutionaire jachtwetgeving daar van kracht. In de Landen van Overmaas (het Generaal-gouvernement Neder- en Middenrijn, zie kaart), waar de jachtwetgeving tijdens de Franse periode vergelijkbaar was met die in de Zuidelijke Nederlanden, werden de jachtrechten bij besluit van gouverneur-generaal Johann August Sack naar Pruisisch voorbeeld verpacht door de gemeenten,<sup><xref ref-type="fn" rid="fn34">34</xref></sup> een regeling die door de Overmase grondeigenaren als een aanval op hun eigendomsrechten werd beschouwd.</p>
<p>Willem Frederik werd ondertussen overstelpt met verzoekschriften uit het Zuiden. Zo pleitte Charles-Emmanuel d&#x2019;Auxy de Neufvilles, voormalig Kamerheer van keizer Leopold <sc>ii</sc> en oudgediende bij de <italic>gardes nobles</italic>, voor het herstel van de jacht als adellijk privilege. Willem Frederik liet de zaak onderzoeken door de Geheime Raad, maar die wist zich er geen raad mee.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn35">35</xref></sup> Enkele edellieden uit Vlaanderen, die verklaarden alle voormalige bezitters van heerlijke rechten te vertegenwoordigen, stelden dat &#x2018;la manie r&#x00E9;volutionnaire&#x2019; tot doel had hen te ru&#x00EF;neren en de adel van de kaart te vegen. Ze riepen Willem Frederik op een einde te maken aan de onderdrukkende revolutionaire wetgeving die niet thuishoorde in een staat die het eigendomsrecht, waarmee zij hun heerlijke rechten bedoelden, respecteert.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn36">36</xref></sup></p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>Constitutionele discussies over het jachtrecht (1815-1818)</title>
<p>Het Congres van Wenen bepaalde definitief dat de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden werden samengevoegd tot het <sc>vkn</sc>. Willem Frederik benoemde zichzelf in 1815 tot koning Willem <sc>i</sc> der Nederlanden en tevens tot groothertog van Luxemburg. Als protestantse vader van de natie, was Willem <sc>i</sc> weinig geliefd onder katholieke onderdanen. Toch werd de koning in het overwegend katholieke Zuiden gesteund door een groot aantal aristocraten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn37">37</xref></sup> Het nieuwe Koninkrijk vereiste een nieuwe grondwet. De Grondwetscommissie stelde voor de Staten-Generaal op te splitsen in twee kamers. Leden van de Eerste Kamer zouden worden benoemd door de koning. Leden van de Tweede Kamer zouden worden gekozen door de Provinciale Staten.</p>
<fig id="fg002">
<caption><p>Instelling van de Staten-Generaal door koning Willem <sc>i</sc> te Brussel op 21 september 1815, mogelijk vervaardigd door Johann Nepomuk Gib&#x00E8;le, naar Denis-Sebastien Leroy (1825-1826). &#x00A9; Rijksmuseum Amsterdam, <sc>rp</sc>-<sc>p</sc>-1890-<sc>a</sc>-16184, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/10934/rm0001.collect.554521">http://hdl.handle.net/10934/<sc>rm</sc>0001.<sc>collect</sc>.554521</ext-link></p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.10760_fig2.jpg"/>
</fig>
<p>De totstandkoming van de nieuwe Grondwet verliep niet zonder slag of stoot. Met name het Zuidelijke commissielid Th&#x00E9;odore Dotrenge, uitgesproken voorstander van het modern eigendomsconcept, uitte veel kritiek. Dotrenge was een jurist die zich vooral in de beginjaren van het <sc>vkn</sc> oppositioneel opstelde. In reactie op de grondwetsartikelen over heerlijke rechten nam hij de vermenging van publieke macht en privaat bezit op de korrel. Het uitoefenen van publieke macht op basis van particulier bezit, dat nota bene van hand tot hand kon gaan zonder enige vorm van controle over de kwaliteiten van de bezitter om die macht uit te oefenen, was volgens Dotrenge &#x2018;une conception essentiellement vicieuse par elle-m&#x00EA;me&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn38">38</xref></sup> Hij merkte op dat de heerlijkheid als juridisch concept al decennia was afgeschaft. De term heerlijkheid zou alleen maar gevaarlijke en onwelkome herinneringen oproepen bij de meerderheid van de bevolking.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn39">39</xref></sup> Dotrenge ging ook specifiek in op het mogelijke herstel van allerlei rechten die aan de heerlijkheid waren verbonden, waaronder het jachtrecht. Heerlijke jachtrechten, zo stelde Dotrenge, waren niet zo onschuldig als ze werden gepresenteerd. Het waren niet meer dan beweerde rechten uit vervlogen tijden, die botsten met re&#x00EB;le (bezits)rechten van anderen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn40">40</xref></sup></p>
<p>Dortrenges kritische kanttekeningen verhinderden niet dat de Grondwetcommissie met een ontwerp kwam dat in grote lijnen was gebaseerd op de Grondwet van 1814. Op initiatief van Van Hogendorp, die opnieuw als voorzitter fungeerde, werd het ontwerp voorgelegd aan ruim 1500 notabelen uit het Zuiden. Het merendeel van hen stemde echter tegen het ontwerp. Door de tegenstemmen op basis van religieuze redenen niet ontvankelijk te verklaren en de thuisblijvers tot voorstanders te rekenen &#x2013; een werkwijze die spottend &#x2018;arithm&#x00E9;tique hollandaise&#x2019; werd genoemd &#x2013; werd de nieuwe Grondwet toch als aangenomen door het Zuiden beschouwd.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn41">41</xref></sup></p>
<p>Ondanks de nieuwe Grondwet was het <sc>vkn</sc>op vele vlakken diepgaand verdeeld. Dit gold bij uitstek ook op bestuurlijk vlak (zie kaart). De jacht werd in het Noorden gereguleerd door de jachtwet uit 1814 en het herstel van heerlijke rechten, wat tot onvrede leidde in de provincies waar grondbezit tijdens de achttiende eeuw het belangrijkste criterium geworden was bij het toekennen van jachtrechten. In het Zuiden bleef echter de Franse revolutionaire jachtwetgeving van kracht, ondanks de pogingen van conservatieve elites om de heerlijke jachtrechten te herstellen. De Landen van Overmaas behoorden weliswaar tot het Zuiden, maar hier gold tot 1822 nog de overgangsregeling van Sack die op kritiek kon rekenen bij zowel de verdedigers van het oude als het nieuwe eigendomsregime.</p>
<fig id="fg003">
<caption><p>Aanduiding van de drie zuidelijke Maasprovincies. In het gebied gelegen op de Rechtermaasoever binnen de latere provincies Namen, Luik en Limburg hield de regeling-Sack kracht van wet. Met dank aan Hans Blomme, cartograaf UGent (Vakgroep Geschiedenis).</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.10760_fig3.jpg"/>
</fig>
<p>Het herstel van heerlijke rechten in Noordelijke Nederlanden zette in het Zuiden voormalige bezitters van heerlijke rechten aan tot actie. In 1816 eisten een twintigtal edellieden uit het Naamse de restauratie van heerlijkheden en enkele heerlijke rechten. Tot die heerlijke rechten rekenden zij expliciet het recht om te jagen. De rekwestranten, aanhangers van het prerevolutionaire eigendomsconcept, benadrukten dat het eerder om eervolle dan winstgevende prerogatieven ging.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn42">42</xref></sup> Toen minister van Binnenlandse Zaken Willem Frederik R&#x00F6;ell bij Jean B.J. d&#x2019;Omalius d&#x2019;Halloy, gouverneur van Namen, navroeg wat de leden van de Naamse Ridderschap met de eis wilden bereiken, benadrukte d&#x2019;Omalius dat de groep edelen al lange tijd onrust stookte met hun eis aangaande het herstel van heerlijke rechten. De gouverneur wilde absoluut vermijden dat het onderwerp opnieuw besproken zou worden binnen de Bestendige Deputatie, omdat dit het functioneren van de Provinciale Staten onmogelijk zou maken en het debat zich algauw zou verplaatsen naar de publieke ruimte. De edelen zouden niet inzien, zo betoogde d&#x2019;Omalius, dat een persoon er politieke principes op na kon houden die strijdig waren met diens eigen belangen, verwijzend naar de vier heerlijkheden waarover de gouverneur zelf zou kunnen beschikken bij een herstel.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn43">43</xref></sup></p>
<p>In hetzelfde jaar richtten de broers Henri en Charles Poswick, eigenaren van Kasteel Baelen, een petitie aan de Tweede Kamer waarin ze eveneens het herstel van het heerlijke jachtrecht bepleitten. Henri was oudgediende bij de keizerlijke <italic>gardes nobles</italic> tijdens de Oostenrijkse periode. Tijdens de Franse periode had hij zich afzijdig gehouden van het Franse bestuur. Onder Willem <sc>i</sc> werd hij samen met zijn broer Charles lid van de Provinciale Staten van Luik.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn44">44</xref></sup> Hun eigendom lag in het voormalig hertogdom Limburg maar was tijdens de revolutietijd met de provincie Luik (Ourthe-departement) verenigd, waardoor de Franse wetgeving van kracht was. Die wetgeving ontnam hen het recht van uitsluitende jacht in de voormalige heerlijkheid Baelen-Ruyf. De gebroeders Poswick pleitten daarom voor een nieuwe wet naar Noordelijk voorbeeld, waarbij ze opnieuw exclusieve jachtrechten zouden krijgen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn45">45</xref></sup> De commissie van verzoekschriften liet het aan de Tweede Kamer over om wetgevend initiatief te nemen. De Tweede Kamer nam evenwel geen stappen in die richting, &#x2018;alhoewel het verzoek der requestranten in overeenstemming is met den algemeenen wensch, om de banden, die de Zuidelijke met de Noordelijke Provincien vereenigen, naauwer aan te halen, door de eene en andere dezelfde regten te doen genieten&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn46">46</xref></sup></p>
<p>De pleidooien en verzoekschriften voor het herstel van heerlijke rechten werden kritisch gevolgd door de Zuidelijke pers. Een krant uit het Doornikse hield een pleidooi voor het moderne eigendomsconcept door te stellen dat de uitsluitende jacht op de grond van een eigenaar zonder diens toestemming onverenigbaar was met &#x2018;les droits sacr&#x00E9;s du propri&#x00E9;taire&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn47">47</xref></sup> <italic>L&#x2019;Observateur</italic> kwalificeerde het streven naar herstelde heerlijke rechten als feodale pretenties die reeds jaren door de tijdgeest vernietigd waren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn48">48</xref></sup> De stellingname van de redactie werd ondersteund door boze lezersbrieven. Opnieuw trad Dotrenge op de voorgrond als een criticaster van het heerlijk jachtrecht. In 1817 liet hij zijn bedenkingen over het gebruik van de term &#x2018;heerlijkheid&#x2019; en zijn expos&#x00E9; over het heerlijke jachtrecht publiceren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn49">49</xref></sup> Hierop volgde een scherpe reactie van de oerconservatieve Vlaamse politicus Jean-Joseph Raepsaet. Raepsaet betichtte Dotrenge, met wie hij het al vaker aan de stok had gehad, van stemmingmakerij. Het herstel van de heerlijke jachtrechten zou geen enkele schending van de eigendommen van de boeren inhouden omdat de jachtwetgeving in het voormalig graafschap Vlaanderen de jachtpraktijk heel doelmatig reguleerde.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn50">50</xref></sup></p>
<p>Ook in het Noorden was er verzet tegen de heerlijke jachtrechten. Begin 1818 ontving de Tweede Kamer bijvoorbeeld een petitie van A. ten Brinck, een Gelderse grondeigenaar uit de gemeente Terborg. De rekwestrant beklaagde zich over de belemmeringen in het uitoefenen van de jacht op zijn eigen gronden door de heer van de heerlijkheid Wisch. Laatstgenoemde eigende zich het recht toe om op Ten Brincks grond te jagen door een beroep te doen op het herstel van heerlijke jachtrechten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn51">51</xref></sup> Ten Brinck beriep zich op een voorstel dat het Zuid-Nederlandse Tweede Kamerlid Reyphins eind 1817 tevergeefs aan de Kamer had voorgelegd over de afschaffing van wetten en bepalingen die strijdig waren met de Grondwet.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn52">52</xref></sup></p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>Het wetsvoorstel van Willem <sc>i</sc> (1818)</title>
<p>Willem <sc>i</sc> vond de ambivalente jachtwetgeving in zijn Koninkrijk verre van wenselijk. In 1818 rondde hij een ontwerp af voor een algemene jachtwet. Hij schreef het ontwerp samen met zijn opperjagermeesters Lodewijk van Heeckeren tot de Cloese en Charles G.M. de Marnix. In grote lijnen kwam het ontwerp overeen met de Noordelijke jachtwet van 1814. Dat wil zeggen dat natuurgebieden die de koning niet voor zichzelf opeiste en grondeigendom dat niet als privaat jachtterrein was gereserveerd door de eigenaren, tezamen de publieke jachtgronden vormden. Grondeigenaren mochten hun land niet afpalen als privaat jachtterrein indien derden &#x2018;uit hoofde van koop of anderen onereusen titel&#x2019; &#x2013; een duidelijke verwijzing naar heerlijke jachtrechten &#x2013; het recht hadden om hier te jagen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn53">53</xref></sup> Van groot belang is echter dat de jacht werd gepresenteerd als een recht dat verbonden is aan de soevereiniteit. Het jachtrecht kreeg daardoor min of meer de status van een regaal.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn54">54</xref></sup></p>
<p>Het ontging de oppositie niet dat het wetsontwerp van Willem <sc>i</sc> wel erg veel leek op de Noordelijke jachtwet. Jan B.J.G. Plasschaert, die grondwetsnotabele voor het arrondissement Leuven was geweest en nu in de race was om zelf Tweede Kamerlid te worden, stuurde samen met enkele andere Brabantse grote grondeigenaren een petitie naar de Tweede Kamer. De rekwestranten zagen het ontwerp als een poging om de Noordelijke jachtwet uit te breiden naar het Zuiden en daarmee als een onwelkome stap terug in de tijd.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn55">55</xref></sup></p>
<p>Op 3 maart vergaderde de Tweede Kamer over het wetsontwerp. De koningsgezinde Gelderse jonkheer Jan E.N. van Lynden van Hoevelaken opende de discussie met een verdediging van het voorstel en van het recht op het jagen als een regaal recht. Van Lynden van Hoevelaken meende dat het wild deze zaken betrof die aan niemand toebehoren. Om die reden gaf hij de koning, en bij uitbreiding de regering, gelijk dat ze het recht om te jagen als een regaal recht beschouwden. Hij werd hierin gesteund door de conservatieve minister van Justitie Cornelis Felix van Maanen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn56">56</xref></sup></p>
<fig id="fg004">
<caption><p>Portret van Lodewijk Antoon Reyphins, 1828, door P. Gillo, naar De Langhe, 1828-1830. In zijn postuum uitgegeven memories klaagde dit Zuidelijke Tweede Kamerlid dat de liefhebbers van de jacht niet in staat waren &#x2018;de parler de leur idole sans passion&#x2019;. &#x00A9; Rijksmuseum Amsterdam, <sc>rp</sc>-<sc>p</sc>-<sc>ob</sc>-40.104, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/10934/rm0001.collect.116933">http://hdl.handle.net/10934/<sc>rm</sc>0001.<sc>collect</sc>.116933</ext-link>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.10760_fig4.jpg"/>
</fig>
<p>De Zuid-Nederlandse, gematigd-oppositionele Tweede Kamerleden Jean-Baptiste Serruys, Jean-Fran&#x00E7;ois Gendebien en de eerder genoemde Dotrenge uitten echter forse kritiek. Zij volgden de redenering dat het jachtrecht geen regaal recht kon zijn omdat het niet in de Grondwet van 1815 werd vermeld. Bovendien zou het recht om te jagen op andermans grond in strijd zijn met artikel 164 van de Grondwet, dat &#x2018;het vreedzaam bezit en genot&#x2019; van eigendommen beschermde.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn57">57</xref></sup> In de discussie over het wetsontwerp van Willem <sc>i</sc> kwam het monarchale constitutionalisme dus lijnrecht tegenover het parlementaire constitutionalisme te staan. De verdedigers van het parlementair constitutionalisme schaarden zich resoluut achter het moderne eigendomsconcept, terwijl de koningsgezinden vanuit hun monarchaal constitutionalisme de verstrengeling tussen publieke macht en privaat eigendom in stand hielden door elementen van het prerevolutionaire eigendomsconcept te integreren in hun wetsvoorstel. Het debat eindigde in een eclatante nederlaag van het koningsgezinde kamp. Het voorstel werd verworpen met 25 stemmen voor en 50 tegen. De oppositie behaalde zijn eerste succes, maar de patstelling bleef bestaan. In het Noorden heerste sterke onenigheid, terwijl het Zuiden bijna unaniem tegen het ontwerp van de koning stemde.</p>
<p>De koningsgezinden gaven zich echter niet gewonnen. Bij Koninklijk Besluit van 8 augustus 1818 werd de overgangsregeling van gouverneur-generaal Sack in stand gehouden op de Rechtermaasoever. De drieledige structuur van het jachtrecht in het <sc>vkn</sc> werd bestendigd. De regering beschouwde het terugvallen op de Frans-revolutionaire wetgeving na het aflopen van de overgangsregeling in september 1817 immers als een uiterst onwenselijke terreinwinst voor de Frans-revolutionaire erfenis. Willem <sc>i</sc> maakte zijn reputatie van besluitenkoning waar. Precies in 1818 werd die reputatie nog versterkt door de invoering van de zogeheten &#x2018;Blanketwet&#x2019; die de koning in staat stelde veel zaken bij algemene maatregel van bestuur, dus zonder inmenging van het parlement, te regelen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn58">58</xref></sup> Deze ontwikkeling, net op een moment dat de oppositie in de Tweede Kamer aan kracht won, zorgde ervoor dat de discussie over de jachtwetgeving steeds grotere proporties aannam.</p>
<p>Het is geen toeval dat de discussie in 1818 uitgroeide tot een politieke kwestie van formaat. In het voorafgaande jaar werd immers een derde van de in 1815 door de koning benoemde Kamerleden opnieuw gekozen, wat het percentage van koningsgezinden enigszins naar beneden bracht. Van de 55 in 1815 benoemde Zuidelijke leden zetelden er in 1819 nog slechts vijftien, terwijl dat er voor het Noorden nog 39 waren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn59">59</xref></sup> Vooral in het Zuiden zou de greep van de koning op de periodieke verkiezingen door de Provinciale Staten minder sterk worden, terwijl de Eerste Kamer haar profiel als <italic>m&#x00E9;nagerie du roi</italic> nog sterker waarmaakte. Die ontwikkeling versterkte de tegenstellingen tussen de Eerste en Tweede Kamer, zowel in Noord als Zuid. Terwijl de adel en plattelandselite de Eerste Kamer domineerden, werd de Tweede Kamer vooral een vertegenwoordiging van burgers en steden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn60">60</xref></sup> Dit zorgde ervoor dat een meerderheid in de Tweede Kamer de moderne invulling van (grond)eigendom omarmde, terwijl de Eerste Kamer die resoluut afwees.</p>
<fig id="fg005">
<caption><p>Portret van Johan Melchior Kemper (1776-1824), rechtsgeleerde en staatsman, door David Pi&#x00E8;rre Giottino Humbert de Superville, 1815. Tweede Kamerlid Kemper ontpopte zich tijdens de hier bestudeerde debatten tot een van de voornaamste Noordelijke verdedigers van het modern eigendomsconcept. &#x00A9; Rijksmuseum Amsterdam, <sc>sk</sc>-<sc>a</sc>-656, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/10934/rm0001.collect.6975">http://hdl.handle.net/10934/<sc>rm</sc>0001.<sc>collect</sc>.6975</ext-link>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.10760_fig5.jpg"/>
</fig>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Het wetsvoorstel van Kemper (1819)</title>
<p>Een van de meest prominente Noordelijke critici van het wetsontwerp van Willem <sc>i</sc> was de Leidse rechtsgeleerde Joan Melchior Kemper. Hoewel Willem <sc>i</sc> hem in de adelstand had verheven en tot Tweede Kamerlid had benoemd, stelde Kemper zich opvallend onafhankelijk op. Na de verwerping van het jachtwetsontwerp nam hij de taak op zich om zelf een voorstel uit te werken. Ook Kemper stelde zich als doel de verschillende wetgevingen te vervangen door een jachtwet die in het hele Koninkrijk van kracht zou zijn. De door Kemper geformuleerde fundamenten van het jachtrecht stonden echter haaks op het wetsontwerp van Willem <sc>i</sc>. Kempers wetsvoorstel leek eerder gebaseerd op de Franse jachtwet, die nog altijd van kracht was in het Zuiden. Het jachtrecht werd beschouwd als een gevolg van grondeigendom. Grondeigenaren zou het voortaan vrij moeten staan om op hun eigen grond te jagen. Alle vroegere wetten, bepalingen en besluiten werden ingetrokken. Jagen op andermans grond was uitsluitend toegestaan met schriftelijke toestemming van de eigenaar of op grond van gereserveerd eigendom of schriftelijke titel. Die laatste toevoeging zette de deur op een kier voor bezitters van heerlijkheden om alsnog hun heerlijke jachtrechten uit te oefenen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn61">61</xref></sup></p>
<p>Op 26 februari 1819 werd Kempers voorstel besproken in de Tweede Kamer. Niet minder dan twintig kamerleden kwamen aan het woord.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn62">62</xref></sup> Kemper kreeg opvallend veel steun van Zuidelijke kamerleden. Uiteraard sprak Dotrenge zich uit voor het voorstel. Daarnaast steunden andere oppositionele Zuiderlingen het initiatief, zoals Leonard Pycke, burgemeester van Kortrijk, de Henegouwse jurist Pierre Joseph Trentesaux en de Luikse officier en grondeigenaar Louis Ph.M.J. de Go&#x00EB;r de Herve. Het voorstel kreeg echter ook bijval uit onverwachte hoek. Fran&#x00E7;ois M.Gh. della Faille d&#x2019;Huysse, lid van de Ridderschap van Oost-Vlaanderen en kamerheer van Willem <sc>i</sc> in Brussel, stond te boek als een onafhankelijk politicus en stemde eveneens voor het voorstel. Zelfs volgzame, koningsgezinde kamerleden als de Antwerpse procureur des Konings Antoon Ph.J. de Moor, de Doornikse grondeigenaar Fran&#x00E7;ois Joseph Du Bus en Joseph Jan van Crombrugghe (later burgemeester en boegbeeld van de Orangistische beweging in Gent) steunden Kempers voorstel.</p>
<p>Vanuit het Noorden werd Kempers wetsvoorstel gesteund door oppositionele kamerleden als de Amsterdamse financieel politicus Elias Canneman en Daniel Fran&#x00E7;ois van Alphen, een voormalige ambtenaar uit Nederlands-Indi&#x00EB;. Van Alphen prees het werk van Kemper omdat zijn voorstel goed verwoordde wat het werkelijke probleem was. De jacht, zo stelde hij, &#x2018;n&#x2019;est pas une affaire de parti, de passion qui nous occupe, c&#x2019;est une affaire de propri&#x00E9;t&#x00E9; et de ses droits; il faut une investigation m&#x00FB;re de l&#x2019;objet, une d&#x00E9;lib&#x00E9;ration calme, impartiale&#x2019;,<sup><xref ref-type="fn" rid="fn63">63</xref></sup> waaruit opnieuw blijkt hoezeer het jachtdebat was verbonden met het omstreden moderne eigendomsconcept.</p>
<p>Jan van Lynden van Hoevelaken, die een jaar eerder het ontwerp van de koning verdedigde, zette de toon voor de tegenstanders uit het Noorden. Hij beargumenteerde dat het jachtrecht ouder was dan het eigendomsrecht en daarom minstens even sterk beschermd diende te worden door de Grondwet. Daarenboven verzette hij zich tegen het uitgangspunt dat (grond)eigendom het beginsel voor het jachtrecht zou moeten zijn. Volgens Van Lynden van Hoevelaken kwam dit uitgangspunt te sterk tegemoet aan de verzuchtingen van de grondeigenaren, die hij als uiterst partijdig beschouwde, en stemde het niet overeen met de wil van de bevolking, &#x2018;ook van die talrijke leden der maatschappij, welke, hoe zeer geen duim grond bezittende, toch nimmer afstand gedaan hebben van hun regt van te jagen&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn64">64</xref></sup> Hij kreeg bijval van tal van koningsgezinde, Noordelijke parlementari&#x00EB;rs, onder wie de Friese ultraconservatieve advocaat Gijsbert Fontein Verschuir, de Utrechtse wiskundige Jacobus M.K. van Utenhove van Heemstede en de burgemeesters Arnould J.B. van Suchtelen van de Haere (Deventer) en Cornelis Gerrit Bijleveld (Middelburg). Opvallend genoeg stond ook het gematigd oppositionele Zuidelijke kamerlid Jean Fran&#x00E7;ois Gendebien kritisch tegenover het voorstel van Kemper. Volgens Gendebien was het voorstel te complex, terwijl het eigendomsrecht als uitgangspunt een aanvullende jachtwetgeving in principe onnodig maakte &#x2013; een argumentatie die tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw meermaals zou terugkeren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn65">65</xref></sup></p>
<p>Al met al kreeg Kempers voorstel bij de stemming beduidend meer bijval van de aanwezige Zuidelijke dan van de Noordelijke Tweede Kamerleden. Historicus Paul Janssens greep deze stemming aan om te beargumenteren dat er sprake was van een tegenstelling tussen Noord en Zuid.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn66">66</xref></sup> Die stelling vinden wij wat voorbarig. De jachtwet die Kemper voor ogen had zou een einde maken aan de bevoorrechte positie van edelen en bezitters van heerlijke rechten in het Noorden. Deze groepen, die sterk vertegenwoordigd waren in het parlement, trokken en masse naar Brussel (waar de Tweede Kamer in 1819 samenkwam) om tegen het voorstel te stemmen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn67">67</xref></sup> Opvallend is echter het grote aantal afwezige niet-adellijke Tweede Kamerleden uit het Noorden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn68">68</xref></sup> Het lijkt waarschijnlijk dat veel Noordelijke aanhangers van het moderne eigendomsconcept zich verzekerd voelden dat het voorstel ook zonder hun steun zou worden aangenomen en om die reden thuisbleven.</p>
<p>Kemper zelf benadrukte dat het &#x2018;onnauwkeurig en verkeerd&#x2019; zou zijn als de verdeeldheid over zijn voorstel zou worden voorgesteld als &#x2018;alleen tusschen het Noorden en het Zuiden bestaande&#x2019;. Hij ergerde zich aan de houding van de koningsgezinde critici. Zij zouden de tijd terug willen draaien naar 1795. &#x2018;[D]e eenige vraag&#x2019;, zo stelde Kemper, &#x2018;komt ten laatste alleen hierop neer: of gij op de belangen en wenschen van duizende landbewoners meer dan op de belangen en wenschen van een honderdtal bezitters van heerlijke regten hechten wilt?&#x2019;<sup><xref ref-type="fn" rid="fn69">69</xref></sup> Kempers voorstel werd aangenomen in de Tweede Kamer met 52 stemmen voor en 38 stemmen tegen. De Eerste Kamer moest zich echter nog uitspreken.</p>
<p>In de weken die volgden ontving de Eerste Kamer een reeks reacties tegen het voorstel van Kemper.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn70">70</xref></sup> Het hevigst was de memorie opgesteld door de Utrechtse juristen Daniel Gerard van der Brugh en Evert Rein van Nes. Zij riepen de Eerste Kamerleden op om &#x2018;nooit hunne goedkeuring [te] verlenen tot zulk eene verkrachtig der Grondwet&#x2019;. Zij beschouwden hun jachtrechten als bijzondere eigendommen, die net als grondeigendommen beschermd dienden te worden door de Grondwet. Daarnaast merkten ze op dat indien de wetgever wettig verkregen eigendommen zou vernietigen om de oogsten beter te beschermen tegen wildschade, ook het tiendrecht vanuit diezelfde redenering zou kunnen worden afgeschaft.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn71">71</xref></sup> Met dit schrikbeeld wilden ze duidelijk de Noordelijke tiendeigenaren in de Eerste Kamer overtuigen om niet in te stemmen met het voorstel.</p>
<p>Bij missive liet de Eerste Kamer weten zich niet te verenigen met het voorstel voor een nieuwe jachtwet. Kemper reageerde in een zitting van de Tweede Kamer. Hij was ervan overtuigd dat de memorie van Van der Brugh en Van Nes de reden was waarom de Eerste Kamer zijn voorstel had verworpen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn72">72</xref></sup> Kempers eerdere aanvaring met een aantal Utrechtse notabelen kan hierbij een rol hebben gespeeld.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn73">73</xref></sup> Na enige twijfel besloot hij geen nieuw voorstel uit te werken om verdergaande wederzijdse verbittering te voorkomen. Ondertussen schaarde de publieke opinie zich meer en meer achter Kemper. De Amsterdamse hoogleraar Hendrik Constantijn Cras schreef anoniem een vurig pleidooi voor Kempers voorstel in het liberale tijdschrift <italic>De Weegschaal</italic>. Hij veroordeelde de verwerping door de Eerste Kamer, die volgens hem in strijd was met de redelijkheid. Zijn voornaamste argument was dat jachtpartijen de veldoogsten zouden doen mislukken. De gedupeerde boeren zouden zich echter niet durven verzetten vanwege &#x2018;eene overge&#x00EB;rfde slaafsche onderwerping van vroegere tijden&#x2019;. Iedere grondeigenaar had volgens Cras het recht om van zijn grond te weren wat hinderlijk was, &#x2018;zoo wel ratten en muizen als adellijke Heeren&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn74">74</xref></sup></p>
<p>In april en mei 1819 kwam een indrukwekkende petitiebeweging op gang in het Noorden. De Tweede Kamer ontving verzoekschriften uit Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant over het jachtrecht. Uit de Ommelanden kwamen maar liefst 29 verzoekschriften ondertekend door meer dan duizend personen. Het Zuidelijke kamerlid en voorzitter van de verzoekschriftencommissie Reyphins vatte ze in een rapport samen als een pleidooi voor het recht om te jagen op eigen grond.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn75">75</xref></sup> Ook buiten het parlement werd er dus gediscussieerd over de jacht en het moderne eigendomsconcept. Het Zuidelijke oppositionele kamerlid Plasschaert drong erop aan dat het rapport gepubliceerd en rondgestuurd zou worden aan alle leden van de Staten-Generaal, en vond daarmee algemene bijval in de Tweede Kamer. Enkel Van Lynden van Hoevelaken sputterde tegen en meende dat de beweringen in de verzoekschriften &#x2018;geheel bezijden de waarheid&#x2019; waren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn76">76</xref></sup></p>
<p>Het mocht niet baten. Een algemene jachtwet zou er nimmer komen in het <sc>vkn</sc>. Zowel het koningsgezinde als het oppositionele kamp konden geen meerderheid bijeen krijgen om een algemene jachtwet uit te vaardigen. In 1830 viel het <sc>vkn</sc>uiteen, maar dit betekende geenszins het einde voor het debat over jacht en eigendom. De Nederlandse liberale staatsman Johan Rudolph Thorbecke wilde de scheiding tussen publieke macht en privaat eigendom definitief ingang laten vinden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn77">77</xref></sup> In 1852 maakte hij heerlijke jachtrechten afkoopbaar in Nederland.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn78">78</xref></sup> In Belgi&#x00EB; nam het artistocratische gehalte van de jacht juist toe, nadat een gewijzigde jachtwet in 1846 de toegang van kleine grondeigenaren tot de jacht beperkte.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn79">79</xref></sup></p>
</sec>
<sec id="s6">
<title>Conclusie: een (on)verenigd Koninkrijk?</title>
<p>De Franse Revolutie en de jaren die daarop volgden werden gekenmerkt door grote politieke verdeeldheid. Na de val van Napoleon probeerden Europese machtshebbers die verdeeldheid te bestrijden met de oprichting van constitutionele monarchie&#x00EB;n. Maar in het <sc>vkn</sc>leidde de vestiging van een constitutionele monarchie, in tegenstelling tot wat de historici Van Sas en Van Zanten stellen &#x00E9;n ook de overwinnaars op Napoleon hoopten,<italic> juist</italic> tot politisering.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn80">80</xref></sup> Het grote belang dat aan de Grondwet werd gehecht maakte het vastleggen van de constitutionele beginselen van het <sc>vkn</sc>tot een uiterst moeizame discussie.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn81">81</xref></sup> Aan de hand van een analyse van het politiek-maatschappelijke debat over het jachtrecht hebben wij willen aantonen dat de relatie tussen publieke macht en privaat eigendom een belangrijk twistpunt was in de beginjaren van het <sc>vkn</sc>.</p>
<fig id="fg006">
<caption><p>Portret van Hendrik Constantijn Cras, prent vervaardigd door Jacob Ernst Marcus, naar Charles Howard Hodges (1784-1826). De Amsterdamse hoogleraar publiceerde in De Weegschaal een vurig pleidooi ter verdediging van Kempers voorstel voor een nieuwe jacht. &#x00A9; Rijksmuseum Amsterdam, <sc>rp</sc>-<sc>p</sc>-1905-1643, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/10934/rm0001.collect.149110">http://hdl.handle.net/10934/rm0001.collect.149110</ext-link>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.10760_fig6.jpg"/>
</fig>
<p>Tijdens het ancien r&#x00E9;gime was de jacht een privilege van de elite. Het recht om te jagen was voorbehouden aan een klein aantal mensen op basis van ambt, afkomst of status. Deze geprivilegieerden mochten tijdens de jacht ook grond betreden die niet van hen was. In de Revolutietijd werd het recht om te jagen geherdefinieerd tot een afgeleide van grondeigendom. Deze ontwikkeling, die aansluit bij Blaufarbs these over het ontstaan van een nieuw eigendomsconcept ten tijde van de Franse Revolutie, leidde in het <sc>vkn</sc> tot een patstelling toen Willem <sc>i</sc> de premoderne jachtrechten ten dele herstelde in het Noorden. Hierdoor kende het <sc>vkn</sc>in het Noorden een gematigd-conservatieve jachtwet, terwijl in het Zuiden de revolutionaire jachtwetgeving nog altijd van kracht was. In de Landen van Overmaas gold nog tot 1822 de overgangsregeling van gouverneur-generaal Sack.</p>
<p>Zowel op nationaal als op lokaal niveau leidde deze situatie tot hevige discussies. Daarbij werden grote woorden niet geschuwd. Terugblikkend op zijn parlementaire loopbaan, klaagde het Zuidelijke Tweede Kamerlid Reyphins dat liefhebbers van de jacht niet in staat waren &#x2018;de parler de leur idole sans passion&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn82">82</xref></sup> Jachtdebatten groeiden uit tot een krachtmeting tussen het monarchaal en parlementair constitutionalisme. De koningsgezinde factie, waartoe Van Lynden van Hoevelaken en Van Maanen behoorden, wilde het prerevolutionaire eigendomssysteem gedeeltelijk herstellen. In 1818 diende Willem <sc>i</sc> een wetsvoorstel in dat grotendeels was gebaseerd op de Noordelijke jachtwet. Het voorstel werd door een ruime meerderheid verworpen in de Tweede Kamer. De oppositie, aangevoerd door Dotrenge, zette de koningsgezinde initiatieven weg als een terugkeer naar het ancien r&#x00E9;gime. In reactie presenteerde het Noordelijke Tweede Kamerlid Kemper in 1819 zijn eigen wetsvoorstel, waarin hij pleitte voor een jachtrecht op basis van een modern eigendomsconcept. Dit voorstel werd verworpen door de Eerste Kamer. De koningsgezinden vonden het primaat van het grondeigendom een vorm van radicale nieuwlichterij. Dit toont opnieuw aan dat de scheiding tussen publieke macht en privaat eigendom niet zo zuiver verliep als Blaufarb doet voorkomen, en allerminst voltooid was aan het begin van de negentiende eeuw.</p>
<p>Anders dan wat Remieg Aerts betoogt, toont dit artikel aan dat er wel degelijk sprake was van een constitutioneel bewustzijn in de prille jaren van het <sc>vkn</sc>.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn83">83</xref></sup> De debatten over het jachtrecht laten zien dat parlementari&#x00EB;rs van alle kanten van het politieke spectrum verwezen naar de Grondwet om hun argumenten kracht bij te zetten. Vanuit het monarchale beginsel kon het jachtrecht niets anders zijn dan een regaal van de koning. Een meerderheid in de Tweede Kamer verdedigde daarentegen het door de Grondwet beschermde eigendomsrecht als beginsel van het jachtrecht. Het jachtdebat laat eveneens zien dat deze verschillende opvattingen niet louter zijn terug te voeren tot tegenstellingen tussen Noord en Zuid. Het monarchaal-constitutionele standpunt kreeg niet alleen bijstand uit het Noorden. Willem <sc>i</sc> ontving verschillende verzoekschriften uit het Zuiden waarin werd gepleit voor het herstel van heerlijke jachtrechten in heel het Koninkrijk. Evenmin kreeg het parlementair-constitutionele standpunt alleen steun uit het Zuiden, hetgeen blijkt uit vele Noordelijke petities waarin het wetsvoorstel van Kemper werd onderschreven. De jachtdebatten in de vroege jaren van het <sc>vkn</sc>raakten de kern van de constitutionele monarchie, namelijk de verhouding tussen prerevolutionaire standsprivileges en moderne eigendomsrechten, tussen koning en grondwet, en tussen privaat eigendom en publieke macht.</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><p>Markus Prutsch, <italic>Making Sense of Constitutional Monarchism in Post-Napoleonic France and Germany</italic> (Basingstoke/New York 2013) 30-34 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.4159/harvard.9780674736252">https://doi.org/10.4159/harvard.9780674736252</ext-link>; Brian Vick, <italic>The Congress of Vienna. Power and Politics after Napoleon</italic> (Cambridge 2014) 240-258 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.4159/harvard.9780674736252">https://doi.org/10.4159/harvard.9780674736252</ext-link></p></fn>
<fn id="fn2"><p>Herman Colenbrander en Henri Pirenne meenden dat de nationale verschillen tussen Noord en Zuid dusdanig groot waren dat het <sc>vkn</sc> min of meer gedoemd was om te mislukken. Dit uitgangspunt is ook terug te vinden in studies van Lode Wils en Jean Stengers. Herman Colenbrander, <italic>De Belgische Omwenteling</italic> (Den Haag 1905) 133; Henri Pirenne, <italic>Histoire de la Belgique. Tome 6</italic> (Gent 1926) 247; Lode Wils, <italic>Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen</italic> (Leuven/Apeldoorn 1992) 120-135; Idem, &#x2018;Het Verenigd Koninkrijk van koning Willem <sc>i</sc> (1815-1830) en de natievorming&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 112:4 (1997) 502-516 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.4570">http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.4570</ext-link>; Jean Stengers, &#x2018;La r&#x00E9;volution de 1830&#x2019;, in: Anne Morelli (red.), <italic>Les grands mythes de l&#x2019;histoire de Belgique, de Flandre et de Wallonie</italic> (Brussel 1995) 139 en 141; Idem, <italic>Histoire du sentiment national en Belgique des origines &#x00E0; 1918. Tome 1. Les racines de la Belgique jusqu&#x2019;&#x00E0; la R&#x00E9;volution de 1830</italic> (Brussel 2000) 170-188 en 228.</p></fn>
<fn id="fn3"><p>Zie onder meer: Jeroen van Zanten, <italic>Schielijk, Winzucht, Zwaarhoofd en Bedaard. Politieke discussie en oppositievorming 1813-1840</italic> (Amsterdam 2004) 336; Remieg Aerts, &#x2018;Over een mislukte staat, zonder nostalgie. Het Verenigd Koninkrijk van Willem <sc>i</sc> en de scheiding van 1830&#x2019;, <italic>Ons erfdeel</italic> 48 (2005) 5-20; Niek van Sas, &#x2018;Geschiedenis in multiperspectief&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 121:1 (2006) 68-75 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.6340;">http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.6340</ext-link> Jeroen Koch, <italic>Oranje in revolutie &#x0026; oorlog. Een Europese geschiedenis, 1772-1890</italic> (Amsterdam 2018) 187-189.</p></fn>
<fn id="fn4"><p>Els Witte, &#x2018;De constructie van Belgi&#x00EB;, 1828-1847&#x2019;, in: Els Witte et al. (reds.), <italic>Nieuwe geschiedenis van Belgi&#x00EB;</italic> (Tielt 2005) 61, 65, 67 en 129. Daarentegen heeft Marnix Beyen op basis van een analyse van het taalgebruik van parlementari&#x00EB;rs betoogd dat er discursieve verschillen waren tussen Noordelijke en Zuidelijke politici. Marnix Beyen, &#x2018;Terug naar het oude Vaderland. De desintegratie van het Verenigd Koninkrijk&#x2019;, in: Remieg Aerts en Gita Deneckere, <italic>Het (On)verenigd Koninkrijk,</italic> 140-150.</p></fn>
<fn id="fn5"><p>Niek van Sas, <italic>De metamorfose van Nederland. Van oude orde naar moderniteit, 1750-1900</italic> (Amsterdam 2005) 127-128; Van Zanten, <italic>Schielijk</italic>, 48-49 en 74-75; Van Zanten, &#x2018;Die Niederlande&#x2019;, in: Werner Daum (red.), <italic>Handbuch der europ&#x00E4;ischen Verfassungsgeschichte im 19. Jahrhundert. Institutionen und Rechtspraxis im gesellschaftlichen Wandel. Band 2: 1815-1847</italic> (Bonn 2012) 433-483.</p></fn>
<fn id="fn6"><p>Remieg Aerts, &#x2018;Het ingesleten pad. Over de betekenis van de Grondwet van 1815&#x2019;, in: Andr&#x00E9; Alen et al. (reds.), <italic>De Grondwet van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden van 1815. Staatkundige en historische beschouwingen uit Belgi&#x00EB; en Nederland</italic> (Den Haag 2016) 52. Over de rol van het constitutionele denken tijdens de negentiende eeuw, zie Niek van Sas en Henk te Velde (reds.), <italic>De eeuw van de grondwet: Grondwet en politiek in Nederland, 1798&#x2013;1917</italic> (Deventer 1998); Kelly Grotke en Markus Prutsch (reds<italic>.</italic>),<italic> Constitutionalism, legitimacy, and power: nineteenth-century experiences</italic> (Oxford 2014).</p></fn>
<fn id="fn7"><p>Stefaan Marteel, &#x2018;Van &#x201C;oude constitutie&#x201D; tot liberale grondwet. Het Belgische politieke natiebesef tussen 1815 en 1830&#x2019;, in: Pieter Rietbergen en Tom Verschaffel (reds.), <italic>De erfenis van 1830</italic> (Leuven 2006) 35-52.</p></fn>
<fn id="fn8"><p>Peter van Velzen, <italic>De ongekende ministeri&#x00EB;le verantwoordelijkheid. Theorie en praktijk, 1813-1840</italic> (Nijmegen 2005).</p></fn>
<fn id="fn9"><p>Govaert van den Bergh en Corjo Jansen, &#x2018;De Weegschaal. Een tegendraads tijdschrift uit de 19<sup>e</sup> eeuw&#x2019;, <italic>Recht en kritiek</italic> 15:3 (1989) 345-362; Bram Delbecke, <italic>De lange schaduw van de grondwetgever. Perswetgeving en persmisdrijven in Belgi&#x00EB; (1831-1914)</italic> (Gent 2012) 155.</p></fn>
<fn id="fn10"><p>Het betreft in het bijzonder de jacht op zogenaamd herenwild. Peter Munsche, <italic>Gentlemen and Poachers. The English Game Laws 1671-1831</italic> (Cambridge 1981) 8-14; Werner R&#x00F6;sener, <italic>Die Geschichte der Jagd. Kultur, Gesellschaft und Jagdwesen im Wandel der Zeit</italic> (D&#x00FC;sseldorf/Z&#x00FC;rich 2004) 215-224.</p></fn>
<fn id="fn11"><p>Jan de Rijk, <italic>Vogels en mensen in Nederland, 1500-1920</italic> (Rotterdam 2015) 31-35.</p></fn>
<fn id="fn12"><p>Luc Duerloo, &#x2018;The Hunt in the Performance of Archducal Rule: Endurance and Revival in the Habsburg Netherlands in the Early Seventeenth Century&#x2019;, <italic>Renaissance Quarterly</italic> 69:1 (2016) 116-154 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1086/686328">https://doi.org/10.1086/686328</ext-link></p></fn>
<fn id="fn13"><p>Conrad Gietman, <italic>Republiek van adel. Eer in de Oost-Nederlandse adelscultuur, 1555-1702</italic> (Utrecht 2011) 258.</p></fn>
<fn id="fn14"><p>Joseph Morsel, &#x2018;Jagd und Raum. &#x00DC;berlegungen &#x00FC;ber den sozialen Sinn der Jagdpraxis am Beispiel des sp&#x00E4;tmittelalterlichen Franken&#x2019;, in: Werner R&#x00F6;sener (red.), <italic>Jagd und h&#x00F6;fische Kultur</italic> (G&#x00F6;ttingen 1997) 255-288; Martin Knoll, &#x2018;Hunting in the Eighteenth Century. An Environmental History Perspective&#x2019;, <italic>Historical Social Research/Historische Sozialforschung</italic> 29:3 (2004) 9-36.</p></fn>
<fn id="fn15"><p>Roger Manning, <italic>Hunters and poachers. A cultural and social history of unlawful hunting in England 1485-1640</italic> (Oxford/New York 1993) 35-56; Norbert Schindler, <italic>Wilderer im Zeitalter der Franz&#x00F6;sischen Revolution. Ein Kapitel alpiner Sozialgeschichte</italic> (M&#x00FC;nchen 2001) 163-187; Daniel Beaver, <italic>Hunting and the Politics of Violence before the English Civil War</italic> (Cambridge 2008).</p></fn>
<fn id="fn16"><p>Hans Wilhelm Eckardt, <italic>Herrschaftliche Jagd, b&#x00E4;urerliche Not und b&#x00FC;rgerliche Kritik. Zur Geschichte der f&#x00FC;rstlichen und adligen Jagdprivilegien vornehmlich im s&#x00FC;dwestdeutschen Raum</italic> (G&#x00F6;ttingen 1976) 150-169.</p></fn>
<fn id="fn17"><p>Christian Esteve, &#x2018;Les transformations de la chasse en France: l&#x2019;exemple de la R&#x00E9;volution&#x2019;, <italic>Revue d&#x2019;Histoire Moderne &#x0026; Contemporaine</italic> 45:2 (1998) 404-424 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.3406/rhmc.1998.1917">https://doi.org/10.3406/rhmc.1998.1917</ext-link></p></fn>
<fn id="fn18"><p>De Rijk, <italic>Vogels en mensen</italic>, 35; Leon Wessels, &#x2018;Jagen naar macht. Jachtrechten en verschuivende machtsverhoudingen in Twente, 1747-1815&#x2019;, <italic>Virtus: Journal of Nobility Studies</italic> 22 (2015) 81-102.</p></fn>
<fn id="fn19"><p>Eric Ketelaar, <italic>Oude zakelijke rechten. Vroeger, nu en in de toekomst</italic> (Leiden/Zwolle 1978) 54-55.</p></fn>
<fn id="fn20"><p>Rafe Blaufarb, <italic>The Great Demarcation: the French Revolution and the Invention of Modern Property</italic> (New York 2016) <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1093/acprof:oso/9780199778799.003.0008">https://doi.org/10.1093/acprof:oso/9780199778799.003.0008</ext-link></p></fn>
<fn id="fn21"><p>Karel Frederiks, <italic>Jachtrecht</italic> (Middelburg 1909); Jan Kosters, <italic>Eenige mededeelingen over oud-Nederlandsch jachtrecht</italic> (Arnhem 1910).</p></fn>
<fn id="fn22"><p>Yme Kuiper, <italic>Adel in Friesland, 1780-1880</italic> (Groningen 1993) 400-401; Elyze Smeets,<italic> Landscape and Society in Twente &#x0026; Utrecht: A Geography of Dutch Country Estates, circa 1800-1950</italic> (ongepubliceerde dissertatie, University of Leeds 2005) 188-197; Klaasje Douma, <italic>De adel in Noord-Brabant, 1814-1918. Groepsvorming, adellijke levensstijl en regionale identiteit</italic> (Hilversum 2015) 388-396.</p></fn>
<fn id="fn23"><p>Ignaz Matthey, <italic>Vincken moeten vincken locken. Vijf eeuwen vangst van zangvogels en kwartels in Holland</italic> (Hilversum 2002).</p></fn>
<fn id="fn24"><p>De Rijk, <italic>Vogels en mensen</italic>.</p></fn>
<fn id="fn25"><p>Charly Coleman, &#x2018;Review: Rafe Blaufarb. The Great Demarcation&#x2019;, <italic>Journal of Modern History</italic> 90:2 (2018) 449-450 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1086/697346">https://doi.org/10.1086/697346</ext-link></p></fn>
<fn id="fn26"><p>Robert van der Laarse, <italic>A Nation of Notables. Class, Politics and Religion in the Netherlands in the Nineteenth Century</italic> (Salford 1999) 13-14; Ido de Haan, &#x2018;Een nieuwe staat&#x2019;, in: Ido de Haan, Paul den Hoed en Henk te Velde (reds.), <italic>Een nieuwe staat. Het begin van het Koninkrijk der Nederlanden</italic> (Amsterdam 2013) 9-33; Koch, <italic>Oranje in revolutie &#x0026; oorlog,</italic> 153-158.</p></fn>
<fn id="fn27"><p>Herman Colenbrander, <italic>Ontstaan der Grondwet, 1814-1815. Bronnenverzameling.</italic> Deel 1, 1814 (Den Haag 1908) 292.</p></fn>
<fn id="fn28"><p><italic>De Nederlandse Grondwet,</italic> Derde Hoofdstuk. Van de Staten der Provinci&#x00EB;n of Landschappen. Montesquieu Instituut, zie: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.denederlandsegrondwet.nl/id/vi6cojqtq0yg/derde_hoofdstuk_van_de_staten_der">https://www.denederlandsegrondwet.nl/id/vi6cojqtq0yg/derde_hoofdstuk_van_de_staten_der</ext-link></p></fn>
<fn id="fn29"><p>Christoph ten Houte de Lange, <italic>Heerlijkheden in Nederland</italic> (Hilversum 2008) 13-21.</p></fn>
<fn id="fn30"><p>Ketelaar, <italic>Oude zakelijke rechten</italic>, 56-59.</p></fn>
<fn id="fn31"><p>&#x2018;Wet, houdende bepalingen op het Stuk der jagt en visscherij, gearresteerd den 11 julij 1814 no. 29&#x2019;, <italic>Staatsblad der Ver&#x00EB;enigde Nederlanden</italic> 1814, nr. 79. Nationaal Archief Den Haag (verder <sc>na</sc>), Dienst der Opperhoutvesterij (verder <sc>ddo</sc>), inv. nr. 1749, Aanmerkingen bij de jachtwet van 11 juli 1814, 1814-1815. Volgende verwijzing: <sc>na</sc>, <sc>ddo</sc>, inv. nr. 1750, Briefwisseling tussen de Noorderlijke en Zuidelijke Opperhoutvester naar aanleiding van het debat over het voorstel Kemper in de Tweede Kamer, februari 1819.</p></fn>
<fn id="fn32"><p><italic>Staatsblad der Ver&#x00EB;enigde Nederlanden</italic> 1814, nr. 79.</p></fn>
<fn id="fn33"><p>Ketelaar, <italic>Oude zakelijke rechten,</italic> 69.</p></fn>
<fn id="fn34"><p>Die pachtcontracten liepen over drie jaar, ingaand vanaf september 1814 en aflopend in september 1817. Eigendommen van meer dan 50 hectaren werden uitgesloten van de publieke verpachting. Het jachtrecht op die gronden werd gedeeld door de eigenaar en de gebruikers (pachters) van de grond.</p></fn>
<fn id="fn35"><p>Algemeen Rijksarchief Brussel (hierna <sc>ara</sc>), Archief van de Geheime Raad 1814-1815, 11, zittingsdossier 27 augustus 1814.</p></fn>
<fn id="fn36"><p><sc>ara</sc>, Archief van het Staatssecretarie voor Belgi&#x00EB; (3 augustus 1814 &#x2013; 10 april 1816), 6772, omslag 4-597/55-6772. Ondertekenaars waren de Gentse edellieden Jean-Baptiste d&#x2019;Hane de Steenhuyse, Chr&#x00E9;tien Emmanuel Ghislain van Pottelsberghe de la Potterie, Charles de Rodes, Helias D&#x2019;Huddeghem en Joseph S&#x00E9;bastien della Faille d&#x2019;Assenede.</p></fn>
<fn id="fn37"><p>Jeroen Koch, <italic>Koning Willem <sc>i</sc>, 1772-1843</italic> (Amsterdam 2013) 304-309; Els Witte, &#x2018;De Belgische orangistische adel <sc>i</sc>. De zuidelijke adel in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830)&#x2019;, <italic>Virtus: Journal of Nobility Studies</italic> 25 (2018) 79-101 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.21827/5c07c4a31ceae">https://doi.org/10.21827/5c07c4a31ceae</ext-link></p></fn>
<fn id="fn38"><p>&#x2018;een per definitie verdorven opvatting&#x2019;, Herman Colenbrander, <italic>Ontstaan der Grondwet, 1814-1815. Bronnenverzameling.</italic> Deel 2, 1815 (Den Haag 1909) 378.</p></fn>
<fn id="fn39"><p><italic>Ibidem,</italic> 380.</p></fn>
<fn id="fn40"><p><italic>Ibidem,</italic> 386.</p></fn>
<fn id="fn41"><p>&#x2018;Hollandse rekenkunde&#x2019;, Bart van Poelgeest, &#x2018;Tussen oud en nieuw: het ontwerpen van de grondwet als een rechtshistorische moza&#x00EF;ek&#x2019;, in: De Haan, Den Hoed en Te Velde, <italic>Een nieuwe staat,</italic> 67-75.</p></fn>
<fn id="fn42"><p>John Bartier, &#x2018;Partis politiques et classes sociales en Belgique&#x2019;, in: John Bartier, <italic>Lib&#x00E9;ralisme et socialisme au <sc>xix</sc>e si&#x00E8;cle</italic> (Brussel 1981) 212.</p></fn>
<fn id="fn43"><p>Herman Colenbrander, <italic>Gedenkstukken der Algemeene Geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840</italic>, Deel 8, band 3, <sc>gs</sc> 30 (Den Haag 1916) 53-55.</p></fn>
<fn id="fn44"><p>Charles Poplimont, <italic>La Belgique h&#x00E9;raldique,</italic> Deel 8 (Parijs 1866) 376-377.</p></fn>
<fn id="fn45"><p>Handelingen van de Tweede Kamer (hierna <sc>htk</sc>), 1815-1816, 27/06/1816, 139.</p></fn>
<fn id="fn46"><p><sc>htk</sc>, 1815-1816, 27/06/1816, 139.</p></fn>
<fn id="fn47"><p>&#x2018;de heilige rechten van de eigenaar&#x2019;, <italic>La Feuille des annonces,</italic> 15/08/1815; <italic>L&#x2019;Observateur,</italic> 1815, d.5, 61-62.</p></fn>
<fn id="fn48"><p><italic>L&#x2019;Observateur,</italic> 1815, d.8, 41, 43, 45.</p></fn>
<fn id="fn49"><p>Th&#x00E9;odore Dotrenge, <italic>Opinion sur la r&#x00E9;daction de trois articles de la loi fondamentale que les provinces septentrionales du royaume des Pays-Bas avaient accept&#x00E9; en 1814; &#x00E9;mise en 1815; et publi&#x00E9;e en 1817</italic> (Brussel 1817).</p></fn>
<fn id="fn50"><p>Jean-Joseph Raepsaet, <italic>R&#x00E9;ponse &#x00E0; l&#x2019;opinion de Th&#x00E9;odore Dotrenge, &#x00E9;mise en 1815 et imprim&#x00E9;e en 1817 &#x00E0; l&#x2019;occasion des remontrances de la noblesse de la Flandre Orientale au Roi, aux fins d&#x2019;&#x00EA;tre envoy&#x00E9;e en jouissance, en ex&#x00E9;cution de la constitution, des droits seigneuriaux l&#x00E9;galement acquis</italic> (Brussel 1818).</p></fn>
<fn id="fn51"><p><sc>na</sc>, Tweede Kamer der Staten-Generaal, 1815-1945, inv. nrs. 976 (petitie nr. 74, 2 januari 1818) en 1352 (rapport op petitie nr. 74, 24 februari 1818).</p></fn>
<fn id="fn52"><p>Reyphins stelde voor om binnen de Tweede Kamer een commissie in te richten die zich daarop zou toeleggen; het voorstel werd tijdens de zitting van 20 januari 1818 echter met een overgrote meerderheid weggestemd (20 stemmen voor, 54 tegen).</p></fn>
<fn id="fn53"><p><sc>htk</sc>, 1817-1818, Kamerstuk 25, 360-4.</p></fn>
<fn id="fn54"><p>Frederiks, <italic>Jachtrecht</italic>, 181-182.</p></fn>
<fn id="fn55"><p><italic>P&#x00E9;tition de plusieurs propri&#x00E9;taires du Brabant M&#x00E9;ridional, arrondissement de Louvain, aux Etats-Generaux,</italic> Koninklijke Bibliotheek van Belgi&#x00EB;, Boeknummer <sc>ii</sc> 97.944 <sc>a</sc>.</p></fn>
<fn id="fn56"><p><sc>htk</sc>, 1817-1818, 3/03/1818, 280.</p></fn>
<fn id="fn57"><p>Over de relatie tussen de restauratieve grondwetten en het eigendomsrecht, zie: Olivier Beaud, &#x2018;Constitution, ownership, and human rights&#x2019;, in: Grotke en Prutsch, <italic>Constitutionalism, legitimacy, and power</italic>, 127-142.</p></fn>
<fn id="fn58"><p>De Haan, &#x2018;Een nieuwe staat&#x2019;, 24-25; Van Zanten, <italic>Schielijk,</italic> 104-105.</p></fn>
<fn id="fn59"><p>Bert van den Braak, <italic>De Eerste Kamer. Geschiedenis, samenstelling en betekenis, 1815-1995</italic> (Den Haag 1998) 41.</p></fn>
<fn id="fn60"><p>Tijdens de hele periode 1815-1830 was 79 procent van de Zuidelijke Tweede Kamerleden niet-adellijk, en 62 procent vertegenwoordigde de steden. Ook voor het Noorden was ruim 50 procent van de Tweede Kamerleden niet-adellijk en konden de Hollandse steden 22 van de 55 plaatsen invullen. Voor de Eerste Kamer was 98 procent van de Zuidelijke leden adellijk, in vergelijking met 84 procent in het Noorden. In het Noorden werd het plattelandse karakter van de Eerste Kamerleden enigszins afgezwakt door een aanzienlijke vertegenwoordiging van Holland onder de door de koning benoemde leden. Bart van den Braak, <italic>De Eerste Kamer</italic>, 67, 69 en 71; Paul Meerts, &#x2018;Kamerleden 1815-1830, een verkenning&#x2019;, <italic><sc>btng</sc>-<sc>rbhc</sc></italic>16:3-4 (1985) 437.</p></fn>
<fn id="fn61"><p><sc>htk</sc>, 1818-1819, Kamerstuk 17, 555-556.</p></fn>
<fn id="fn62"><p><sc>na</sc>, <sc>ddo</sc>, inv. nr. 1750, Briefwisseling tussen de Noorderlijke en Zuidelijke Opperhoutvester naar aanleiding van het debat over het voorstel Kemper in de Tweede Kamer, februari 1819.</p></fn>
<fn id="fn63"><p>&#x2018;[de jacht] is geen partijkwestie, geen passie die ons bezighoudt, het is een kwestie van eigendom en bijbehorende rechten; deze kwestie vereist een diepgaand onderzoek, een kalme, onpartijdige beraadslaging&#x2019;, <sc>htk</sc>, 1818-1819, 26/02/1819, 166-167.</p></fn>
<fn id="fn64"><p><italic>Ibidem,</italic> 162.</p></fn>
<fn id="fn65"><p>F.C.W Koker, &#x2018;De bescherming van het jagtveld&#x2019;, <italic>De Economist</italic>, 1864, 181-188 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1007/bf02180845">https://doi.org/10.1007/<sc>bf</sc>02180845</ext-link>; Lamoraal de Sitter, &#x2018;De afschaffing der jachtwet&#x2019;, <italic>De Economist</italic>, 1871, 671-683 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1007/BF02203785">https://doi.org/10.1007/<sc>bf</sc>02203785</ext-link>; F.C.W. Koker, &#x2018;Nog eens het wetsvoorstel tot afschaffing der jagtwet&#x2019;, <italic>De Economist,</italic> 1874, 170-173 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1007/BF02203790">https://doi.org/10.1007/<sc>bf</sc>02203790</ext-link>; Lamoraal de Sitter, &#x2018;Het wetsvoorstel tot afschaffing der jachtwet&#x2019;, <italic>De Economist</italic>, 1874, 33-68 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1007/bf02203785">https://doi.org/10.1007/<sc>bf</sc>02203785</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn66"><p>Paul Janssens, &#x2018;De politiek invloed in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden&#x2019;, in: Coen Tamse en Els Witte (reds.), <italic>Staats- en natievorming in Willems <sc>i</sc>&#x2019;s koninkrijk, 1815-1830</italic> (Brussel 1992) 112-113. Janssens&#x2019; artikel bevat enkele feitelijke onjuistheden. Zo schreef hij dat &#x2018;in 1818 in het Noorden [was] bepaald dat het jachtrecht van de heerlijkheid deel uitmaakte&#x2019;, terwijl die bepaling teruggaat tot 1814. Janssens gaat ook niet in op de stemming over het jachtwetvoorstel van Willem <sc>i</sc>of de uiteindelijke verwerping van Kempers voorstel door de Eerste Kamer. Beide gebeurtenissen zijn van groot belang om een oordeel te vormen over de politieke verdeeldheid inzake het jachtrecht.</p></fn>
<fn id="fn67"><p>Van de 45 Noordelijke stemmers behoorden er 31 tot de adel. Op vier na, stemden alle Noordelijke edelen tegen het voorstel. Zie tabel weergegeven in: Janssens, &#x2018;De politiek invloed&#x2019;, 113.</p></fn>
<fn id="fn68"><p>Slechts 14 van de 45 Noordelijke stemmen werden uitgebracht door niet-adellijke leden, terwijl zij meer dan vijftig procent van de Noordelijke Tweede Kamerleden vormden in de periode 1815-1830. Janssens, &#x2018;De politieke invloed&#x2019;, 113; Meerts, &#x2018;Kamerleden 1815-1830&#x2019;, 437.</p></fn>
<fn id="fn69"><p><sc>htk</sc>, 1818-1819, 27/03/1819, 210-211.</p></fn>
<fn id="fn70"><p>Naast Van der Brugh en Van Nes richtten vanuit Utrecht ook L. Bols, J.A. Faets van Auwerogen, Van Beusichem, Van Hardenbroek van Lockhorst, Van Lynden van Lunenburg, De Geer van Oudegein, J.G.G. Taets van Amerongen en Van Tuyll van Serooskerken van Vleuten een protestbrief aan de Eerste Kamer. Vanuit Dordrecht kwamen eveneens twee brieven, onder meer ondertekend door Jacob Noels van Serooskerke.</p></fn>
<fn id="fn71"><p>Over het tiendrecht: Maarten Duijvendak, &#x2018;Boeren en collectieve actie. Tienden en groepsvorming in Noord-Brabant in de negentiende eeuw&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis</italic> 16 (1990) 364-386.</p></fn>
<fn id="fn72"><p><sc>na</sc>, Eerste Kamer der Staten-Generaal, 1814-1945, inv. nr. 376, reactie aan Eerste Kamer naar aanleiding van de aanneming van het voorstel Kemper in de Tweede Kamer, 10 maart 1819; <sc>htk</sc>, 1818-1819, 27/03/1819, 210-212.</p></fn>
<fn id="fn73"><p>Zie passage over deze &#x2018;onaangename zaak&#x2019; in Utrecht: Van Zanten, <italic>Schielijk,</italic> 137-141.</p></fn>
<fn id="fn74"><p><italic>De Weegschaal</italic> 2:1 (1819) 99-116. Op basis van een manuscript in het archief Cras-Kemper (<sc>na</sc>, Tweede Afdeling, Collectie 15, inv. nr. 49) kan het artikel aan Cras toegeschreven worden.</p></fn>
<fn id="fn75"><p><sc>htk</sc>, 1818-1819, 19/05/1819, 439-441.</p></fn>
<fn id="fn76"><p><italic>Ibidem,</italic> 441.</p></fn>
<fn id="fn77"><p>Eke Poortinga, <italic>De scheiding tussen publiek- en privaatrecht bij Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872). Theorie en toepassing</italic> (Nijmegen 1989).</p></fn>
<fn id="fn78"><p>De heerlijke jachtrechten werden uiteindelijk pas bij de jachtwet van 1923 volledig afgeschaft, nadat de tiendrechten reeds in 1907 op de schop gingen.</p></fn>
<fn id="fn79"><p>Gedeeltelijk naar Frans voorbeeld, zie: Christian Est&#x00E8;ve, &#x2018;Les tentatives de limitation et de r&#x00E9;gulation de la chasse en France dans la premi&#x00E8;re moiti&#x00E9; du <sc>xix</sc>e si&#x00E8;cle&#x2019;, <italic>Revue historique</italic> 297:1 (1997) 125-164; Dieter Bruneel, &#x2018;&#x201C;Een menschenleven voor een konijntje&#x201D;. De Belgische Werkliedenpartij en de politiek van de jacht, 1894-1936&#x2019;,<italic> Journal of Belgian History</italic> 47:2-3 (2017) 15-17.</p></fn>
<fn id="fn80"><p>Van Sas, <italic>Metamorfose,</italic> 127-128; Van Zanten, <italic>Schielijk,</italic> 48-49 en 74-75; Van Zanten, &#x2018;Die Niederlande&#x2019;, 433-483.</p></fn>
<fn id="fn81"><p>Jeroen van Nieuwenhove en Wim Voermans, &#x2018;De grondwetsherzieningsprocedure in 1815 en de latere ontwikkelingen in Belgi&#x00EB; en Nederland &#x2013; Op het spanningsveld tussen rigiditeit en soepelheid&#x2019;, in: Alen et al. (reds.), <italic>De Grondwet,</italic> 57-102.</p></fn>
<fn id="fn82"><p>&#x2018;om zonder passie over hun afgod [&#x003D; de jacht] te praten&#x2019;, Luc Fran&#x00E7;ois, <italic>Les m&#x00E9;moires d&#x2019;un orangiste:</italic> <italic>L.A. Reyphins, ex-pr&#x00E9;sident de la Seconde Chambre des &#x00C9;tats g&#x00E9;n&#x00E9;raux, 1835</italic> (Brussel 1989) 221.</p></fn>
<fn id="fn83"><p>Zie onder meer: Aerts, &#x2018;Het ingesleten pad&#x2019;, 52.</p></fn>
</fn-group>
<sec>
<title/>
<p><bold>Dieter Bruneel</bold> was als sociaal historicus werkzaam aan de vakgroep geschiedenis en de onderzoeksgroepen &#x2018;Sociale Geschiedenis sinds 1750&#x2019; en &#x2018;<italic>Economies, Connections, Comparisons</italic>&#x2019; (<sc>ecc</sc>) van de Universiteit Gent. Sinds oktober 2016 was hij er actief als onderzoeksassistent. In oktober 2018 ging hij aan de slag als aspirant bij het Fonds voor Wetenschappelijke Onderzoek Vlaanderen (<sc>fwo</sc>). Hij bereidde een proefschrift voor onder de titel &#x2018;Een machtsbundel in transformatie: landeigendom, gecontesteerde autoriteit en strafrecht in de 19de-eeuwse Zuidelijke Nederlanden (Belgi&#x00EB;)&#x2019;, promotoren: Antoon Vrints en Thijs Lambrecht (beiden UGent). Over de historische betekenis van de jacht publiceerde hij in <italic>Journal of Belgian History 47</italic> (2017) het artikel &#x2018;&#x201C;Een menschenleven voor een konijntje&#x201D;. De Belgische Werkliedenpartij en de politiek van de jacht, 1894-1936&#x2019;.</p>
<p><bold>Leon Wessels</bold> studeerde geschiedenis (onderzoeksmaster) aan de Vrije Universiteit Amsterdam en is als promovendus verbonden aan de vakgroep Cultuurgeschiedenis van de Universiteit Utrecht. Hij is met name ge&#x00EF;nteresseerd in de geschiedenis van elites en idee&#x00EB;n en de digitale geesteswetenschappen. Zijn promotieonderzoek is toegespitst op de conceptuele geschiedenis van elites in Nederland en wordt gefinancierd door het Europese Onderzoeksinfrastructuur Consortium <sc>clarin eric</sc>. Over de historische betekenis van de jacht publiceerde hij eerder in <italic>Virtus: Journal of Nobility Studies 22</italic> (2015) het artikel &#x2018;Jagen naar macht. Jachtrechten en verschuivende machtsverhoudingen in Twente, 1747-1815&#x2019;. E-mail: <email>l.c.wessels@uu.nl</email>.</p>
</sec>
</back>
</article>