<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="research-article" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.6916</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.6916</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Meten van verzuilde politiek in media</article-title>
<subtitle>Een digitale benadering van katholieke en sociaaldemocratische dagbladen, 1918-1967</subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Wijfjes</surname>
<given-names>Huub</given-names>
</name>
</contrib>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Voerman</surname>
<given-names>Gerrit</given-names>
</name>
</contrib>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Bos</surname>
<given-names>Patrick</given-names>
</name>
<xref ref-type="fn" rid="fn1"><sup>1</sup></xref>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>09</month>
<year>2021</year>
</pub-date>
<volume>136</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>61</fpage>
<lpage>91</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2021 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2021</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.6916"/>
<abstract>
<p>Sinds het einde van de vorige eeuw houden mediahistorici zich meer bezig met de manier waarop media-inhoud tot stand is gekomen en welke betekenis dat heeft gehad voor publieksgroepen en maatschappelijk-politieke realiteiten. In dit artikel wordt gepoogd deze benadering te combineren met <italic>digital history</italic>, aan de hand van het verzuilingsdebat en gebruik makend van de digitale krantencollectie van de Koninklijke Bibliotheek van Nederland. Enerzijds wordt onderzocht in hoeverre de veronderstelde ideologische gebondenheid van dagbladen in de jaren 1918-1967 zichtbaar wordt in de hoeveelheid kopij waarmee katholieke en sociaaldemocratische kranten over politiek hebben bericht en hoe verschillen daarin te verklaren zijn. Anderzijds wordt door het testen van kwantitatieve methoden uit de <italic>digital humanities</italic> geprobeerd een bijdrage te leveren aan digitale bronnenkritiek voor historisch onderzoek.</p>
<p>Since the end of the last century media historians have taken an interest in researching the origins and development of media content and its significance for audiences and socio-political realities. This article seeks to combine this approach with digital history. It does so by focusing on the pillarisation debate and by utilising the digital newspaper collection of the National Library of the Netherlands. On the one hand, this article investigates to what extent the ideological background of the Catholic and Social Democratic press is actually reflected in the number of newspaper articles reporting on politics written between 1918-1967, and how any differences can be explained. On the other hand, by testing quantitative methods from the digital humanities, the article attempts to contribute to digital source criticism for historical research.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Ongeveer sinds de eeuwwisseling hebben <italic>digital humanities</italic> geleidelijk een plaats gekregen binnen de geesteswetenschappen &#x2013; ook in de geschiedwetenschap.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup> <italic>Digital history</italic> bleek historici echter te verdelen tussen &#x2018;stalwart believers and underwhelmed agnostics&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn3">3</xref></sup> Waar sommigen door de <italic>digital turn</italic> een compleet nieuwe en zelfs revolutionaire benadering van de geschiedenis voorzagen, waren anderen sceptisch over de spectaculair ogende digitale techniek die een einde zou maken aan de zorgvuldige omgang met bronnen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn4">4</xref></sup> De meest defensief ingestelde historici zagen in <italic>digital humanities</italic> een poging van de sociale wetenschappen om de geesteswetenschap te verdelen in digitale (en dus kwantitatief-controleerbare) soorten aan de ene kant, en analoge (en dus kwalitatief-interpretatieve) vormen aan de andere. Deze ontwikkeling zou uiteindelijk tot niets anders kunnen leiden dan &#x2018;onderdrukking van culturele kritiek&#x2019; vanuit de &#x2018;algoritmische cultuur&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn5">5</xref></sup></p>
<p>Het zo op scherp zetten van nogal karikaturale tegenstellingen heeft niet verhinderd dat historici concreet op zoek zijn gegaan naar de meer praktische mogelijkheden van digitale methoden en technieken. De enorme toename van historische informatie op het internet en de wellicht nog belangrijkere groei van gedigitaliseerde historische bronnen hebben daartoe ongetwijfeld veel bijgedragen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn6">6</xref></sup> De digitalisering van historische bronnen roept vele vragen op over de manier waarop de analyse van digitale bronnen de geschiedwetenschap kan bevorderen. Een belangrijke stap daarbij is om de technieken en methoden waarmee <italic>big data</italic> kunnen worden geanalyseerd effectief in te zetten voor de beantwoording van wezenlijke historische kwesties<sup><xref ref-type="fn" rid="fn7">7</xref></sup>, zoals vragen over de langetermijnontwikkeling van kranteninhoud.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn8">8</xref></sup></p>
<p>Voor dergelijke studies is de digitalisering van bronnen een verrijking. Historici lijken eindelijk te zijn verlost van het eindeloos bladeren in historische kranten om iets te weten te kunnen komen over, bijvoorbeeld, publieke debatten in het verleden. Dat bladeren leidde soms tot indrukwekkende studies, maar die onderscheidden zich eerder in een zeer uitvoerige contextualisering van het debat dan in de presentatie van empirische kranteninhoud.</p>
<p>De aandacht voor de rol van media in de geschiedenis is sinds de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw sterk toegenomen. Een van de redenen hiervoor is de substantieel verbeterde toegang tot gedigitaliseerde mediahistorische bronnen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn9">9</xref></sup> Maar de grote betekenis van media in de moderne samenleving speelt ook een rol in de groeiende belangstelling voor de historische context van media. Het specialisme &#x2018;mediageschiedenis&#x2019; is dan ook behoorlijk in ontwikkeling. Sinds er in de jaren tachtig en negentig een <italic>cultural turn</italic> in de mediahistorische wetenschap heeft plaatsgevonden, is de aandacht van mediahistorici verlegd van de institutionele mediaomgeving naar de manier waarop media-inhoud tot stand is gekomen en welke betekenis dat heeft gehad voor publieksgroepen en maatschappelijk-politieke realiteiten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn10">10</xref></sup></p>
<p>Dit artikel probeert deze benadering en <italic>digital history</italic> te combineren. We haken daarvoor aan bij een van de langstlopende en nooit afgesloten historische debatten in Nederland: het verzuilingsdebat, in het bijzonder de interactie tussen politiek en kranten. De centrale vraag hierbij is in hoeverre de veronderstelde ideologische gebondenheid van dagbladen in het klassieke verzuilde tijdvak 1918-1967 terug te vinden is in de hoeveelheid kopij waarmee kranten over politiek hebben bericht. Het hoofddoel van dit onderzoek is om kwantitatieve methoden uit de <italic>digital humanities</italic> te testen in een van de meest uitvoerige historische debatten in Nederland met relatie tot politieke cultuur. Het artikel beoogt daarmee bij te dragen aan digitale bronnenkritiek voor historisch onderzoek. We richten ons op dagbladen vanwege de digitale beschikbaarheid ervan, maar ook omdat de politieke manifestatie van andere mediavormen zoals radio en televisie pas na de jaren 1960 serieus tot ontwikkeling komt.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn11">11</xref></sup></p>
<p>In de eerste paragraaf zal kort worden ingegaan op het verzuilingsdebat en de rol en functie van de media binnen de zuilen. Omdat de beschikbare bronnen dwingen tot beperking (nog lang niet alle relevante kranten zijn gedigitaliseerd), zullen we ons voornamelijk richten op de (gespannen) verhouding tussen de katholieke en socialistische zuilgemeenschappen, die in de tweede paragraaf aan bod komen. Vervolgens worden in de derde paragraaf de opzet en methode van het onderzoek toegelicht. In de vierde paragraaf worden tegen de achtergrond van de eerdere contextuele en historiografische beschrijvingen de uitkomsten geplaatst van de kwantitatieve analyse van de redactionele aandacht die socialistische en katholieke kranten aan vooral elkaars politiek hebben besteed. Tot slot presenteren we onze belangrijkste conclusies, waarbij we naast een historisch-inhoudelijke evaluatie ook het gebruik van digitale krantenbronnen voor historisch onderzoek alsmede de data-analysemethoden tegen het licht zullen houden.</p>
<sec id="s1">
<title>Verzuiling, pacificatie en media</title>
<p>Historici hebben altijd moeite gehad met het begrip verzuiling. In een besprekingsartikel uit 1995 over meer dan dertig jaar aan zeer uitvoerige verzuilingsgeschiedschrijving, constateerde Piet de Rooy dat de begripsonduidelijkheid zo groot was geworden dat het beter zou zijn om de term verzuiling gewoon maar te vergeten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn12">12</xref></sup> Kort daarop pleitten Hans Blom en Jaap Talsma ervoor &#x2018;verzuiling&#x2019; alleen nog pragmatisch als een associatief begrip te hanteren, ter aanduiding van een vierdeling in de Nederlandse samenleving (katholieken, protestanten, socialisten en liberalen) die ergens tussen 1900 en 1970 bestond.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn13">13</xref></sup></p>
<p>Een nieuwe generatie historici kon daar niet in berusten. In 2011 stelde Peter van Dam voor om het nogal statische begrip &#x2018;zuil&#x2019; te vervangen door het in meer variaties hanteerbare (lichte of zware) &#x2018;gemeenschap&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn14">14</xref></sup> Hij beschouwde verzuiling als een breed sociaal-maatschappelijk proces rond enkele zware gemeenschappen, opgevat als &#x2018;organisatieclusters tussen staat, markt en priv&#x00E9;leven&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn15">15</xref></sup> De functie daarvan was niet alleen om de eigen, achtergestelde groep te emanciperen en een stem te geven, maar ook om het gevoel van culturele en politieke eigenheid in het publieke domein naar voren te brengen. Zo ontstond een ge&#x00EF;ntegreerde nationale politiek met het parlement als centrum en werd de politiek verbreed naar het maatschappelijke middenveld.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn16">16</xref></sup></p>
<p>Zonder hier verder op het verzuilingsdebat in te gaan, zullen we in het navolgende spreken van &#x2018;zuilgemeenschappen&#x2019;, waarmee we organisatieclusters aanduiden met elk een uitgesproken identiteit, die deel uitmaakten van de Nederlandse &#x2018;civil society&#x2019;. Dit maatschappelijke middenveld kreeg vooral in drie dimensies vorm. Wellicht de belangrijkste was de politieke dimensie, waarin de landelijke politieke partij en haar politieke activiteit centraal stonden. Daaraan gekoppeld was de maatschappelijke dimensie, die zichtbaar werd in concrete organisatievorming op een aantal terreinen, zoals de sociaaleconomische organisaties (vakbonden en vak- en professiegerichte organisaties) en het onderwijs. De derde dimensie was de cultuur, die gestalte kreeg in ideologisch geprofileerde organisaties op het gebied van jeugd, vorming, media, gender, sport, muziek en kunst.</p>
<p>Wat is de verhouding van politiek en media in dat geheel&#x003F; In zijn invloedrijke studie uit 1968 zag politicoloog Arend Lijphart de &#x2018;verzuiling&#x2019; als een maatschappelijke institutionalisering van ideologie en religie, die grofweg tussen de onderwijspacificatie van 1917 en het ontstaan van nieuwe politieke partijen in de jaren zestig ingrijpende invloed kreeg. Voor Lijphart stond verzuiling vooral voor een star beleven van identiteiten in eigen kring van wieg tot graf en voor het pragmatisch accepteren van andere gemeenschappen. De stabiliteit van het scherp verdeelde politieke speelveld kon alleen maar worden gegarandeerd door het schikken en plooien van samenwerkende elites met een diep verlangen naar &#x2018;consensus&#x2019; en door duidelijke spelregels die door alle grote partijen zouden zijn gehanteerd.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn17">17</xref></sup> Politicoloog Hans Daalder voegde daar als verklarende factor de &#x2018;lijdelijkheid van de achterban&#x2019; aan toe, het verlangen om de eigen elites te volgen in een sterk gevoelde onderlinge loyaliteit.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn18">18</xref></sup></p>
<fig id="fg009">
<caption><p>De eerste redactie van het dagblad <italic>Het Volk</italic> bestond uit loyale en actieve partijleden van de <sc>sdap</sc>. Hoofdredacteur Pieter Jelles Troelstra was tevens fractievoorzitter in de Tweede Kamer. Van links naar rechts: Jan de Roode, Johan Ankersmit, Pieter Jelles Troelstra, Maurits Mendels en Kees van Bruggen. Foto Cornelis Leenheer sr., 1902. Collectie <sc>iisg</sc>, Amsterdam.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fig9.jpg"/></fig>
<p>Een belangrijke regel van deze &#x2018;consensuspolitiek&#x2019; was dat de politiek gericht moest zijn op een acceptatie van bestaande verschillen. In dat verband zagen Lijphart en Daalder de rol van de media vooral in relatie tot &#x2018;pacificatie&#x2019;, een concept dat associaties wekt met het onderdrukken van tegenspraak of verdeeldheid. In de pacificatiepolitiek dient de pers de geheimhouding in het topoverleg van elites niet te verstoren. Alleen de neutrale pers was soms storend &#x2013; vooral dagblad <italic>De Telegraaf</italic> wordt in dit verband genoemd. De meeste neutrale bladen, die vooral op regionaal en stedelijk niveau te vinden waren, vertoonden echter weinig uitgesproken en zeker geen polariserend gedrag.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn19">19</xref></sup> Een autonome en kritische journalistieke functie, met een sterk assertieve opstelling met weinig respect voor autoriteit en gericht op het doorbreken van geheimhouding, zou pas in de jaren zeventig ontstaan. In de periode daarvoor kenmerkten zelfcontrole en verantwoordelijkheidsbesef de journalistiek.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn20">20</xref></sup></p>
<p>Lijphart en de politicologen en historici die zijn begrippenapparaat hebben toegepast, zijn in hun mediabeschouwing denkers in eendimensionale media-effecten. In hun visie werden media vanuit de politiek aangestuurd om de politiek gepacificeerd te houden, of juist gepolariseerd als de politieke situatie daar om vroeg. Volgens hen is er eerder sprake van &#x2018;politisering van media&#x2019; dan van &#x2018;mediatisering van politiek&#x2019;, het veelbesproken proces vanaf de jaren zeventig waarin politiek-onafhankelijke mediavormen en -inhouden meer en meer de politiek gaan bepalen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn21">21</xref></sup> In de politicologische interpretatie van krantengeschiedenis krijgt het begrip &#x2018;pacificatie&#x2019; wel erg veel accent. Naast het pacificeren van mogelijke conflicten in eigen kring en in contacten met andersdenkenden waren kranten er immers ook om de achterban te mobiliseren voor, en te bevestigen in, de eigen voortreffelijkheid. In belangrijke kwesties kon dat juist betekenen dat het tegendeel van pacificering werd nagestreefd: het polariseren van andersdenkenden in felle bewoordingen en door scherpe veroordeling. Mobilisering van de achterban verdroeg zich uitstekend met polarisatie van andersdenkenden. Sterker nog, polarisatie was het middel bij uitstek om consensus in eigen kring te organiseren.</p>
<p>Vanuit de mediageschiedenis is deze complexe interactie van politiek en media uitvoerig belicht, met name voor wat betreft het interbellum. Toen kende Nederland een &#x2018;gesegregeerd politiek-mediaal complex&#x2019;, waarin de dag- en weekbladen binnen een bepaalde zuilgemeenschap een eigen positie innamen en afzonderlijk nauwe banden onderhielden met de politieke of religieuze elite van die gemeenschap.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn22">22</xref></sup> Die onderlinge relaties waren bepaald niet gelijkwaardig en eenvormig. Politieke partijen, religieuze instellingen en andere maatschappelijke organisaties konden op het redactionele beleid van de bladen invloed uitoefenen op basis van formele regelingen (zoals een officieel vastgelegde verdeling van bevoegdheden en statutaire bepalingen), materi&#x00EB;le verhoudingen (bijvoorbeeld door het verstrekken van financi&#x00EB;le steun of het in eigendom hebben van een dagblad), en/of via personele dubbelfuncties ofwel &#x2018;personele unies&#x2019; (constructies waarbij dezelfde personen leidinggevende functies vervulden in de politiek en in de dagbladen).<sup><xref ref-type="fn" rid="fn23">23</xref></sup></p>
<p>In sommige gevallen was regelrechte censuur mogelijk. De bisschoppen benoemden bij katholieke kranten zogeheten &#x2018;censors&#x2019; die toezicht hielden op de inhoud van de kolommen. Zij hadden niet veel te doen, aangezien voor velen binnen de katholieke zuilgemeenschap &#x2013; onder wie ook journalisten &#x2013; &#x2018;de verstrengeling van politiek, godsdienst en maatschappelijk leven (...) een vanzelfsprekendheid was&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn24">24</xref></sup> Ook binnen andere zuilgemeenschappen is sprake geweest van zelfcensuur of controle. Positiever geformuleerd: er bestond een welwillende en meegaande opstelling als gevolg van de internalisering van de waarden en beginselen waarop de zuilgemeenschap rustte.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Media en de roomse en rode zuilgemeenschappen</title>
<p>De hierboven beschreven nadruk op consensus en pacificatie heeft het beeld van de media in relatie tot verzuiling in sterke mate gekleurd. Meer dan op de polariserende elementen in de media is het accent komen te liggen op de pacificerende functies en op de institutionele arrangementen die controle vanuit de politiek regelden, vooral als het ging om de &#x2018;grote&#x2019; kwesties zoals de financiering van het onderwijs, de sociale kwestie en de dekolonisatie. Maar over de polariserende functie en de manieren waarop kranten dagelijks over de politiek als zodanig schreven is veel minder bekend. Kan kwantitatief onderzoek in digitale krantencollecties ons helpen met de vraag hoe de pacificerende &#x00E9;n polariserende functie van de media zich manifesteerden in kranten&#x003F;</p>
<p>Om die vraag goed te kunnen beantwoorden is het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen de verschillende mediafuncties. Ten eerste is er &#x2018;intraverzuildheid&#x2019;, waarbij de mediafunctie vooral ligt in het uitdragen van de onfeilbaar geachte eigen ideologie en het groepsgevoel. Dit betekent in politieke zin dat het medium zich loyaal en positief opstelt ten aanzien van de eigen partij, de leiders daarvan, de eigen maatschappelijke organisaties, en de identiteitsbepalende ideologische kaders.</p>
<p>Een tweede functie is &#x2018;interverzuildheid&#x2019;, waarbij de mediafunctie ligt in het profileren van de eigen zuilgemeenschap ten opzichte van andere groepen. Deze kan tot uiting komen in het cre&#x00EB;ren van negatieve beoordelingen van politieke partijen, leiders, organisaties of ideologische begrippen die bij die andere zuilgemeenschappen behoren. Om de eigen superieure kwaliteiten te beklemtonen, heeft de politiek grote behoefte aan een tegenstander of vijand, in het bijzonder in tijden van crisis of bij verkiezingen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn25">25</xref></sup></p>
<p>De intern respectievelijk extern gerichte mediafuncties zullen niet zelden aan elkaar gekoppeld zijn. Dat wil zeggen dat het benadrukken door media van de voortreffelijkheid van het eigene gepaard gaat met het afgeven op, of het aanvallen van, het andere. In dat verband is de historische dynamiek in de relatie tussen katholieken en socialisten het meest interessant. Beiden vormden vanaf het einde van de negentiende eeuw &#x2018;zuilgemeenschappen&#x2019;, die ieder een geheel eigen configuratie van de partijpolitieke, maatschappelijke en culturele dimensies vormden. De socialistische arbeidersbeweging richtte haar acties vooral op politieke en sociaaleconomische machtsvorming. De daarbij behorende culturele uitingen (zang, vorming, jeugdbeweging, media) dienden vooral ter versterking van de onderlinge band, en de vastbeslotenheid om de (klassen)strijd te winnen en een rechtvaardige samenleving te verwezenlijken.</p>
<p>De katholieke zuilgemeenschap had na het herstel van de bisschoppelijke hi&#x00EB;rarchie in 1853 de mogelijkheid gekregen zich steeds meer in het publieke domein te vertonen met een samenhangende levenswijze, waarbij het geloof en de daaraan verbonden politieke, sociale en culturele activiteiten het leven van katholieken in toenemende mate reguleerden en betekenis gaven. De nadruk lag daarbij op de regio&#x2019;s waar katholieken traditioneel een meerderheid vormden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn26">26</xref></sup> De katholieke zuilgemeenschap in Nederland werd aldus gekenmerkt door een wijdvertakt netwerk van katholieke verbanden op allerlei maatschappelijke terreinen, met een dragende en hi&#x00EB;rarchische kerkelijke infrastructuur.</p>
<p>De socialistische &#x2018;rode familie&#x2019; was in organisatorisch opzicht minder uitgebreid; de voor de katholieke zuilgemeenschap cruciale onderwijs- en gezondheidszorgorganisaties ontbraken bijvoorbeeld. De socialistische zuilgemeenschap was vooral gecentreerd rond politiek en vakbeweging.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn27">27</xref></sup> De plaats die de politieke partij in beide zuilgemeenschappen innam liep daardoor sterk uiteen. Na de oprichting van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (<sc>sdap</sc>) in 1894 koesterden de sociaaldemocraten hun &#x2018;Partij&#x2019; als instrument om grootse politieke doelen te verwezenlijken en de gemeenschap van gelijkgestemden vorm en organisatie te geven.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn28">28</xref></sup> In katholieke kring daarentegen was nationale partijvorming lange tijd omstreden. Pas in 1926 kwam met de Roomsch-Katholieke Staatspartij (<sc>rksp</sc>) een enigszins moderne en gecentraliseerde landelijke partijorganisatie tot stand. Niet de politieke partij of vakbeweging, maar de kerk fungeerde in de katholieke zuilgemeenschap primair als ontmoetingsplaats. Dat werd mede veroorzaakt door de centrale positie van het episcopaat, dat al dan niet openlijk zijn politieke invloed liet gelden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn29">29</xref></sup></p>
<fig id="fg010">
<caption><p>De katholieke dagbladpers kende een grote verscheidenheid aan kranten. <italic>De Volkskrant</italic> was in 1919 opgericht voor katholieke arbeiders, onderhield nauwe banden met de katholieke vakbeweging, maar richtte zich op alle arbeiders met een katholieke achtergrond. Affiche door Adrianus van der Plas, 1923. Collectie Persmuseum, Hilversum. Toestemming namens <italic>de Volkskrant</italic> is verleend door Nora de Lange, <email>copyright@volkskrant.nl</email>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fig10.jpg"/></fig>
<p>De relatie tussen de rode en de katholieke zuilgemeenschappen was lange tijd uitgesproken antagonistisch.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn30">30</xref></sup> Waar de katholieken zich sterk maakten voor de instandhouding van de door God gegeven sociale orde, hielden de socialisten tot de aanvaarding van een nieuw beginselprogramma in 1937 in ieder geval formeel vast aan de klassenstrijd, die tot een klasseloze samenleving moest leiden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn31">31</xref></sup> Met een offensieve electorale strategie poogde de <sc>sdap</sc> de stem van de katholieke arbeiders te winnen en zo de <sc>rksp</sc> en haar voorgangers te splijten, en tegelijkertijd de mogelijkheid voor regeringsdeelname open te houden, wat alleen door een coalitie met de verguisde <sc>rksp</sc> verwezenlijkt kon worden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn32">32</xref></sup> De <sc>rksp</sc> stelde zich defensief op tegen zowel de aanvallen als de avances van de socialisten. Tegen de pogingen om de katholieke arbeiders te verleiden, benadrukten episcopaat en partij het belang van de katholieke &#x2018;staatkundige eenheid&#x2019;. Een paar jaar na de mislukte poging tot een staatsgreep van <sc>sdap</sc>-leider Pieter Jelles Troelstra in november 1918, legde de Nolens-doctrine vast dat de <sc>sdap</sc> &#x2018;niet dan in uiterste noodzaak&#x2019; als regeringspartij zou worden aanvaard. Hierdoor kwam de landelijke <sc>sdap</sc> in een politiek isolement terecht, dat pas in 1939 werd opgeheven. De samenwerking op lokaal niveau en de groeiende toenadering op sociaaleconomisch terrein na het uitbreken van een economische crisis in 1929 konden niet verbloemen dat de katholieken en de socialisten een felle strijd voerden om de gunst van de katholieke arbeider.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn33">33</xref></sup> De katholieke en socialistische kranten zouden zich in deze strijd hevig manifesteren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn34">34</xref></sup></p>
<p>Ook ten tijde van de naoorlogse regeringssamenwerking van de Katholieke Volkspartij (<sc>kvp</sc>) en de Partij van de Arbeid (PvdA) &#x2013; die respectievelijk grotendeels kunnen worden beschouwd als de voortzettingen van de <sc>rksp</sc> en de <sc>sdap</sc> &#x2013; bleef de onderlinge spanning bestaan, vooral tijdens campagnes voor de Tweede Kamerverkiezingen. De PvdA streefde in de eerste naoorlogse jaren naar een &#x2018;doorbraak&#x2019; van de verzuilde verhoudingen in de richting van een politiek bestel bestaande uit partijen op progressieve of conservatieve grondslag. Die doorbraak zou het voor katholieke arbeiders eenvoudiger maken om rood te stemmen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn35">35</xref></sup> De <sc>kvp</sc> bleef echter hameren op de politieke eenheid van de katholieken, gesteund in 1954 door het bisschoppelijk mandement dat katholieken ontraadde op de PvdA te stemmen, naar de <sc>vara</sc> te luisteren of socialistische kranten te lezen. Deze poging om de basis onder de katholieke zuilgemeenschap te verstevigen zou uiteindelijk niet veel helpen. Het voorkwam ook niet een meer dan tienjarige pragmatische samenwerking van rooms en rood in de kabinetten van Louis Beel (<sc>kvp</sc>) en Willem Drees (PvdA).<sup><xref ref-type="fn" rid="fn36">36</xref></sup> Hoe dit krachtenveld van katholieke en socialistische zuilgemeenschappen tussen 1918 en 1967 vanuit digitale krantenbronnen in beeld kan worden gebracht, is &#x00E9;&#x00E9;n van de centrale thema&#x2019;s in dit onderzoek.</p>
<fig id="fg011">
<caption><p>Affiche ter werving van abonnees voor <italic>Het Volk</italic>. Ontwerp door Funke K&#x00FC;pper, 1929. Collectie <sc>dnpp</sc>, Groningen. <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://facsimile.ub.rug.nl/digital/collection/">https://facsimile.ub.rug.nl/digital/collection/<sc>dnpp</sc>affiches/id/2000/rec/3.</ext-link></p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fig11.jpg"/></fig>
</sec>
<sec id="s3">
<title>Opzet en methode</title>
<p>Het meten van de inter- en intraverzuilde mediafuncties van kranten wordt hier pragmatisch beperkt tot een periode die uit de literatuur naar voren komt als het hoogtij van verzuiling, namelijk de periode tussen de beide verkiezingsjaren 1918-1967.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn37">37</xref></sup> Gezien de grote veranderingen in de naamgeving van partijen, de samenstelling van de partijleiding, en de inhoud van de partijprogramma&#x2019;s, is ervoor gekozen het onderzoekstijdvak te verdelen in twee analyseperiodes: het interbellum (1918-1940) en de wederopbouw (1946-1967).<sup><xref ref-type="fn" rid="fn38">38</xref></sup> Als zuilgemeenschappen bepaalden we in eerste instantie katholieken, protestanten, socialisten en liberalen, waarbij we ons in het bijzonder richtten op de katholieke en socialistische groepen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn39">39</xref></sup> De in de literatuur duidelijk aanwijsbare ideologische differentiatie binnen de vier grote zuilgemeenschappen was minder relevant gezien de aard van het onderzoek naar de <italic>totale</italic> redactionele aandacht van de <italic>gehele</italic> pers (voor zover digitaal beschikbaar in de periode waarin het onderzoek werd uitgevoerd).</p>
<p>Een voorbereidende stap naar een operationalisering van de onderzoeksvraag was het samenstellen van een corpus van relevante dagbladen en de daarin gepubliceerde politieke inhoud.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn40">40</xref></sup> Een hoofdonderscheid is gemaakt tussen dagbladen die zichzelf op enigerlei wijze bekenden tot een van de vier zuilgemeenschappen en dagbladen die zichzelf neutraal opstelden of noemden. Vanzelfsprekend gaan we er niet van uit dat de inhoud van deze zelfverklaarde neutrale bladen, waaronder ook vele grootstedelijke en regionale dagbladen vallen, daadwerkelijk als neutraal gekwalificeerd kan worden; absolute neutraliteit in de journalistieke betekenis bestaat nu eenmaal niet. Er is hooguit sprake van onpartijdigheid of het volgen van journalistieke routines rond objectiviteit, balans, hoor en wederhoor en <italic>fairness</italic>, die beogen de bevoordeling van &#x00E9;&#x00E9;n partij of groep zo gering mogelijk te laten zijn.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn41">41</xref></sup> Maar op grond van de zelfgeformuleerde uitgangspunten van neutrale kranten mag men wel veronderstellen dat hun selectie, presentatie, en duiding van het nieuws tot andere resultaten hebben geleid dan kranten die zich statutair, in uitgangspunten, in rekrutering van personeel, of in eigendomsverhoudingen tot een zuilgemeenschap bekenden.</p>
<p>Op basis van de eerdergenoemde pershistorische literatuur van met name Frank van Vree was het mogelijk de in 2016 beschikbare digitale dagbladen in de collectie van de Koninklijke Bibliotheek (verder <sc>kb</sc>) in te delen in clusters met een bepaalde (verzuilde of neutrale) signatuur. Deze informatie werd toegevoegd aan de dataset. Daarbij deed zich een probleem voor dat dit soort onderzoek vaker met zich meebrengt: de incompleetheid van de collectie. Digitalisering van een omvangrijke verzameling historische bronnen kost nu eenmaal veel geld en tijd, waardoor prioriteiten moeten worden gesteld en keuzes moeten worden gemaakt. Ditzelfde gold voor het digitaliseren van dagbladen door de <sc>kb</sc>. Daarbij komt de bescherming van auteursrechten, wat het soms onmogelijk maakt om een digitale kopie aan te maken en/of te openbaren.</p>
<p>Het gevolg hiervan was dat bepaalde kranten die wezenlijk waren voor het beantwoorden van onze onderzoekvragen niet of niet compleet beschikbaar waren. Zo ontbrak bijvoorbeeld voor de katholieke pers geheel een digitale versie van <italic>de Volkskrant</italic> en waren jaargangen van <italic>de Gelderlander</italic>, <italic>De Maasbode</italic> en <italic>Brabants Dagblad</italic> slechts voor beperkte periodes beschikbaar. Uit de protestantse pers was voor de onderzoeksperiode zelfs geen enkele grote krant compleet digitaal beschikbaar: <italic>De Standaard</italic> was slechts tot 1900 gedigitaliseerd en <italic>Trouw</italic> miste door problemen met auteursrechten. Belangrijke liberale kranten zoals <italic>Algemeen Handelsblad</italic> en <italic><sc>nrc</sc></italic> waren voor grote periodes, waaronder alle jaren na 1945, niet beschikbaar. Een merkwaardige lacune was verder het ontbreken van de socialistische <italic>Het Volk</italic> voor de jaren 1935-1937.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn42">42</xref></sup></p>
<p>In <xref ref-type="fig" rid="fg001">figuur 1</xref> is te zien hoeveel kopij van welke zuilgemeenschap voor het onderzoek beschikbaar was per jaar. Voor de neutrale pers gaat het om de volgende titels: <italic>Leeuwarder Courant</italic>, <italic>De Telegraaf</italic>, <italic>Nieuwsblad van het Noorden</italic>, <italic>De Gooi- en Eemlander</italic>, <italic>Nieuwe Tilburgsche Courant</italic>, <italic>Rotterdamsch Nieuwsblad</italic>, <italic>Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant</italic>, <italic>Middelburgsche Courant</italic>, <italic>Provinciale Drentsche en Asser Courant</italic>. De socialistische kranten: <italic>Het (Vrije) Volk</italic>, <italic>Voorwaarts</italic>, <italic>Utrechts Volksblad</italic>. De liberale kranten: <italic>Algemeen Handelsblad</italic>, <italic>Het Vaderland</italic>, <italic>Nieuwe Rotterdamsche Courant</italic>, <italic>Arnhemsche Courant</italic>. De katholieke pers: <italic>De Tijd</italic>, <italic>Limburgsch Dagblad</italic>, <italic>Limburger Koerier</italic>, <italic>Het Centrum</italic>, <italic>Tilburgsche Courant</italic>.</p>
<fig id="fg001">
<label>Figuur 1.</label>
<caption><p>Het corpus van beschikbare krantenartikelen in de digitale <sc>kb</sc>-collectie (1918-1967), onderverdeeld in ideologische signatuur, op basis van de beschikbare collectie in januari 2016.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fig1.jpg"/></fig>
<p>Uit <xref ref-type="fig" rid="fg001">figuur 1</xref> blijkt zonneklaar dat voor de hele onderzoeksperiode 1918-1967 eigenlijk alleen de socialistische, katholieke, en neutrale pers bruikbaar waren. De presentatie van onderzoeksresultaten zal zich om de hierboven uiteengezette inhoudelijke redenen beperken tot de beide eerstgenoemde groepen. <xref ref-type="fig" rid="fg001">Figuur 1</xref> laat wel zien welke enorme omvang het onderzoekscorpus heeft, ondanks de genoemde hiaten. We zijn in staat geweest miljoenen artikelen te analyseren; een klus die in klassiek interpretatief historisch onderzoek onmogelijk had kunnen worden uitgevoerd.</p>
<p>Een belangrijke stap in de operationalisering van de hierboven geformuleerde onderzoeksvraag was het bepalen van indicatoren voor verzuilde of niet-verzuilde loyaliteiten. We verwachtten dat die op vier niveaus vast te stellen zouden moeten zijn:</p>
<list list-type="alpha-lower">
<list-item><p>Verzuilde kranten verwijzen frequenter naar hun eigen <italic>politieke partij(en)</italic> dan naar partijen die niet tot de eigen zuilgemeenschap behoren.</p>
<p>Om dit patroon te belichten werd mede op basis van documentatiemateriaal van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (<sc>dnpp</sc>) van de Rijksuniversiteit Groningen een database gevormd van alle partijnamen, inclusief mogelijke varianten zoals afkortingen en schrijfwijzen. Om aan te geven hoe wezenlijk de differentiatie van partijnamen is: tot 1940 komen de katholieke politieke partijen &#x2013; Algemeene Bond van Rooms-Katholieke Kiesvereenigingen in Nederland (<sc>abrkkn</sc>), Algemeene Bond van Roomsch-Katholieke Rijkskieskringorganisaties in Nederland (<sc>abrkrn</sc>) en Roomsch-Katholieke Staatspartij (<sc>rksp</sc>) &#x2013; alleen al in meer dan tien schrijfvarianten voor.</p></list-item>
<list-item><p>Verzuilde kranten verwijzen frequenter naar hun eigen <italic>lijsttrekkers</italic> bij de Tweede Kamerverkiezingen.</p>
<p>Om dit patroon te belichten werd op basis van gegevens van het Parlementair Documentatie Centrum een database gevormd van alle achternamen van de lijsttrekkers, inclusief varianten zoals afkortingen, met voornaam of voorletters.</p></list-item>
<list-item><p>Verzuilde kranten verwijzen frequenter naar maatschappelijke <italic>organisaties</italic> die verbonden zijn met de eigen zuilgemeenschap.</p>
<p>In tegenstelling tot de eerste twee indicatoren is deze niet direct aan de partijpolitiek gerelateerd. In de eerdergenoemde historiografie rond verzuiling wordt immers ook sterk de nadruk gelegd op de organisatorische verbanden tussen politiek en samenleving. Deze verbanden zijn logisch vanuit de gedachte dat verzuilde idee&#x00EB;n voortkomen uit een behoefte van groepen om zich maatschappelijk te manifesteren of te emanciperen. Onder meer via organisatorische verbanden bouwen zuilgemeenschappen samenbindende identiteiten op of geven daaraan uitdrukking, maar vormen daarmee tegelijkertijd macht om de politiek te be&#x00EF;nvloeden.</p>
<p>De verwijzing vanuit media naar organisaties is derhalve een goede indicatie voor de verzuilde loyaliteit van in dit geval de dagbladen. Maar de organisaties zijn nogal verschillend van aard. Er zijn er die zozeer de identiteit en het emancipatiestreven raken dat ze tot de kern van de zuilgemeenschap behoren. Dat is vanzelfsprekend op de eerste plaats de politieke partij. Lijphart onderscheidt daarnaast in volgorde van belang: vakbonden, media, onderwijsorganisaties en overige organisaties, zoals woningbouw, ziekenzorg, cultuur, jeugd, sport. De media, specifiek de omroepen en kranten, zijn uiteindelijk niet in de analyse betrokken omdat was gebleken dat zij de andere organisaties overvleugelden.</p>
<p>Op basis van deze indeling hebben we een keuze gemaakt voor landelijk opererende organisaties uit drie hoofdcategorie&#x00EB;n: vakbeweging en andere sociaaleconomische verbanden (werkgevers, middenstand, boeren, tuinders en dergelijke); onderwijsorganisaties (koepels, universiteiten, bonden); en cultureel-maatschappelijke organisaties, zoals woningbouw, kerkelijke organisaties, ziekenzorg, alsmede organisaties rond jeugd, kunst, cultuur, sport en charitas. Daartoe werd een database gevormd van alle namen van organisaties, inclusief zoveel mogelijk varianten, zoals afkortingen en schrijfwijzen.</p></list-item>
<list-item><p>Verzuilde kranten vermelden frequenter <italic>termen</italic>, <italic>begrippen of concepten</italic> die tot de kern van de eigen politieke ideologie behoren.</p>
<p>Om dit patroon te belichten werd een database gevormd op basis van de complete digitale set beginselprogramma&#x2019;s uit de collectie van het <sc>dnpp</sc>. Hierbij was het uitgangspunt dat deze programma&#x2019;s de ideologie van de partij in woorden en begrippen uitdrukken.</p>
<p>Ideologisch geladen begrippen kunnen in de loop der tijd echter sterk veranderen. Dat gegeven leidt automatisch tot de keuze voor tijdgebonden bronnen om de begrippen aan te ontlenen. Gekozen is voor de beginselprogramma&#x2019;s uit de twee onderzoeksperioden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn43">43</xref></sup> Per partij en per periode zijn <italic>wordclouds</italic> gevormd van die verzamelingen programma&#x2019;s. Hierbij is een methode gehanteerd die per zuilgemeenschap de woorden uit de beginselprogramma&#x2019;s vergelijkt met de woordfrequentie in een &#x2018;neutrale&#x2019; politieke tekst uit hetzelfde jaar: de digitale <italic>Handelingen van de Staten Generaal</italic>.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn44">44</xref></sup> Het doel was om de termen te filteren die relatief meer in de beginselprogramma&#x2019;s voorkomen dan in het dagelijks politiek woordgebruik door alle partijen in de Tweede Kamer. De methode filtert bovendien automatisch op ruis, zoals lidwoorden. De resulterende woordenlijsten zijn ten slotte handmatig gecontroleerd om de meest relevante begrippen te selecteren. Dit alles resulteerde in lijsten met kernbegrippen per partij per periode, waarmee analyses in de kranten konden worden uitgevoerd. Voor de socialistische gemeenschap draaide het in het interbellum vooral om (varianten op) de begrippen &#x2018;socialisme&#x2019; of &#x2018;kapitalisme&#x2019;, maar ook om &#x2018;ordening&#x2019; (van de productie) en &#x2018;bestaans(on)zekerheid&#x2019;. Voor de katholieken waren in dezelfde periode (varianten op) &#x2018;christelijke beginselen&#x2019;, &#x2018;paus&#x2019; en &#x2018;bijzonder onderwijs&#x2019; belangrijk, maar ook de term &#x2018;ordening&#x2019; (van de samenleving).</p></list-item>
</list>
<p>De vier indicatoren van verzuildheid zijn in de dataset geanalyseerd met behulp van het programma <italic>Elasticsearch</italic>. Daarbij zijn drie methoden gehanteerd, die aan de hand van de tellingen voor de partijnaam <sc>sdap</sc> voor de jaren 1918-1940 in <xref ref-type="fig" rid="fg002">figuur 2</xref> worden toegelicht.</p>
<p>De linker figuur toont de absolute aantallen artikelen waarin de <sc>sdap</sc> minstens &#x00E9;&#x00E9;n keer wordt genoemd. De verschillende lijnen hebben betrekking op de hierboven onderscheiden krantenclusters in de dataset. Het volgende kleurschema is &#x2013; ook in alle andere, nog volgende figuren &#x2013; gebruikt ter onderscheiding van de verschillende zuilgemeenschappen in elk figuur: geel is de katholieke pers, rood de socialistische, blauw de liberale, en grijs de neutrale. Zoals gemeld gaat de analyse vooral in op verschillen en overeenkomsten tussen de socialistische en katholieke gemeenschappen.</p>
<p><xref ref-type="fig" rid="fg002">Figuur 2</xref> laat zien dat de aandacht voor de <sc>sdap</sc> tot 1933 in absolute zin toeneemt, niet alleen in de eigen pers, maar vooral ook in de neutrale pers. In de periode na de voor de <sc>sdap</sc> teleurstellend verlopen Tweede Kamerverkiezingen in april 1933 loopt de aandacht terug om later, rond het toetreden van de <sc>sdap</sc> tot de regering in 1939, weer toe te nemen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn45">45</xref></sup> Deze absolute aantallen geven een indicatie van de mate van aandacht, maar houden geen rekening met het feit dat het aantal artikelen in de dataset ongelijk over de clusters is verdeeld. Zoals <xref ref-type="fig" rid="fg001">figuur 1</xref> toont, zijn van de socialistische pers veel minder artikelen afkomstig dan van de katholieke of liberale kranten. Die onevenwichtigheid kan worden opgeheven door ook te kijken naar de relatieve frequentie van de naamverwijzingen. Dan moet gekeken worden naar het aandeel artikelen per indicator (in dit verband: de partijnaam <sc>sdap</sc>) in het totaal van het cluster. De middelste <xref ref-type="fig" rid="fg002">figuur 2</xref> geeft met een rode lijn het percentage weer van het totaal aantal artikelen in de socialistische pers waarin de <sc>sdap</sc> werd genoemd. Dat percentage ligt aanzienlijk hoger dan de relatieve aandacht voor deze partij in de overige dagbladen en in zoverre is deze maat dus een betere indicatie voor de gerichtheid op de eigen groep dan alleen het absolute aantal artikelen.</p>
<p>In statistische zin is de Kullback-Leibler-divergentie (<sc>kl</sc>) een nog betere indicatie (<xref ref-type="fig" rid="fg002">figuur 2</xref>: rechts). Het betreft hier een maat die de afwijking van de frequentie van een indicator in een cluster <italic>f(c, p)</italic> weergeeft ten opzichte van de frequentie van die indicator in het totaal van alle clusters <italic>f(d, p)</italic>:</p>
<p>&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fx1.jpg"/>&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;&#x2003;</p>
<p>Als deze maat bijvoorbeeld voor de katholieke pers nul is, dan is er geen afwijking van het gebruik van de term &#x2018;<sc>sdap&#x2019;</sc> door de katholieke kranten ten opzichte van de totale pers. Ligt de waarde ergens tussen nul en &#x00E9;&#x00E9;n, dan gebruikt dat specifieke cluster de term vaker dan statistisch verwacht kan worden; tussen nul en min &#x00E9;&#x00E9;n minder vaak. In <xref ref-type="fig" rid="fg002">figuur 2</xref> rechts is dat te zien bij de socialistische pers.</p>
<fig id="fg002">
<label>Figuur 2.</label>
<caption><p>Verwijzingen naar de partijnaam <sc>sdap</sc> in de dagbladpers onderscheiden naar ideologische signatuur, 1918-1940. Links: het absoluut aantal artikelen per cluster (en totaal); midden: het relatieve aandeel binnen de eigen pers; rechts: de <sc>kl</sc>-divergentie.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fig2.jpg"/></fig>
<p>De <sc>kl</sc>-divergentie is dus een adequate maatstaf om de relatieve over- of ondervertegenwoordiging te kunnen bepalen: ze geeft feitelijk het beste aan hoe afwijkend het voorkomen van bepaalde indicatoren in krantenclusters is ten opzichte van het totaal. De presentatie van de resultaten van onze analyse in de volgende paragraaf zal dan ook op die <sc>kl</sc>-maatstaf zijn gericht.</p>
<p>We merken hierbij alvast op dat de schalen bij de verschillende figuren soms sterk uiteenlopen. Een exacte numerieke interpretatie hiervan is in haar algemeenheid niet te maken, omdat de <sc>kl</sc>-divergentie bestaat uit een gecombineerde maat die twee frequenties logaritmisch vergelijkt. De exacte waardes hangen daardoor af van zowel (en met name) de frequentie van de indicator binnen de zuilgemeenschap, als van de indicatorfrequentie in het gehele corpus. Als men de ruwe frequenties (of zelfs de absolute aantallen artikelen) in meer detail wil bestuderen, zit er niets anders op dan deze twee frequenties weer uit elkaar te trekken en los van elkaar te beschouwen. Onder dit voorbehoud zou men echter ruwweg kunnen stellen dat een hogere <sc>kl</sc>-divergentie vaak samenhangt met een hogere intrazuil-indicatorfrequentie, met name ten opzichte van de indicatorfrequentie van het gehele corpus.</p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>Resultaten</title>
<sec id="s4a">
<title>Partijnamen</title>
<p><xref ref-type="fig" rid="fg003">Figuren 3a</xref> en <xref ref-type="fig" rid="fg003">3b</xref> laten zien dat de verwijzing naar de eigen partij in de socialistische dagbladen (<xref ref-type="fig" rid="fg003">3a</xref>, rode lijn) gedurende de gehele onderzoeksperiode relatief gesproken veel hoger is dan in de katholieke pers (<xref ref-type="fig" rid="fg003">3b</xref>, gele lijn). Tegelijk valt het op dat de katholieke kranten in verhouding veel minder frequent de socialistische partijen noemen dan de socialistische pers de namen van de katholieke partijen. Dit aandachtspatroon lijkt het karakter van beide groeperingen te reflecteren: de socialisten als een bij uitstek politieke beweging waarin de partij een prominente positie inneemt en het veel minder politiek geprofileerde katholieke milieu waarin de politieke partij een minder centrale rol speelt. Ongeacht of de in verhouding grote aandacht van de socialistische pers voor de katholieke partijen nu antagonistisch van karakter was (gericht op het losweken van de katholieke arbeider van de katholieke gemeenschap) of concili&#x00EB;rend (bedoeld om in het interbellum tot regeringssamenwerking te komen), van zowel de offensieve als de apaiserende strategie lijken de katholieken niet gediend te zijn geweest. De relatief geringe aandacht voor de <sc>sdap</sc> en de PvdA in de katholieke dagbladen kan vanuit dit perspectief worden bezien als de uitdrukking van een defensieve tegenstrategie van betrekkelijk negeren en ontwijken, alhoewel de katholieke pers zeker ook van zich kon afbijten wanneer de katholieke elite dit in tijden van grote politieke spanningen opportuun achtte.</p>
<fig id="fg003">
<label>Figuur 3a en 3b.</label>
<caption><p>Verwijzingen naar socialistische respectievelijk katholieke partijnamen in dagbladen, geclusterd naar verzuilde en neutrale signatuur. De <sc>kl</sc>-divergentie is op basis van tellingen per jaar. <xref ref-type="fig" rid="fg003">Figuur 3a</xref>, links: (varianten op) socialistische partijnamen (<sc>sdap</sc>, PvdA); <xref ref-type="fig" rid="fg003">figuur 3b</xref>, rechts: (varianten op) katholieke partijnamen (<sc>abrkkn</sc>, <sc>abrkrn</sc>, <sc>rksp</sc>, <sc>kvp</sc>).</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fig3.jpg"/></fig>
<p>Na de Tweede Wereldoorlog verandert er niet zoveel in de aandacht van de katholieke pers voor de eigen en de socialistische partij: iets meer voor de <sc>kvp</sc> dan voor de <sc>rksp</sc> en voorlopers, wat minder voor de in 1946 gevormde PvdA dan eerder voor de <sc>sdap</sc>. Veel minder stabiel is het naoorlogse beeld in de rode kranten. Na de oprichting van de PvdA, wat met veel aandacht in de socialistische pers gepaard ging, daalde de frequentie van de verwijzingen naar de eigen partij snel en sterk. Die afname heeft mogelijk te maken met de ingroei van de socialistische beweging in het politieke bestel op nationaal niveau: tot 1939 verkeerde de <sc>sdap</sc> in de oppositie en vanaf 1946 tot 1958 maakte de PvdA onafgebroken deel uit van het landsbestuur, waarbij zij samenwerkte met de <sc>kvp</sc>. De PvdA hield nog wel haar begerig oog op de katholieke arbeiders (de &#x2018;doorbraak&#x2019; moest hun komst vergemakkelijken), maar de doelstelling van regeringsdeelname was verwezenlijkt. De van oorsprong op fundamentele maatschappelijke verandering gerichte emancipatiebeweging verloor haar radicale trekken. Deze normalisering kan gepaard zijn gegaan met verminderde aandacht in de eigen pers voor de eigen partij.</p>
<p>Opmerkelijk is dat in de eerste helft van de jaren zestig de aandacht in de rode kranten voor de eigen PvdA weer behoorlijk toeneemt. De onwennige oppositierol van de partij in combinatie met een leiderschapscrisis en een zeer teleurstellend resultaat bij de Tweede Kamerverkiezingen van mei 1963 kunnen daarvoor medeverantwoordelijk zijn geweest.</p>
</sec>
<sec id="s4b">
<title>Lijsttrekkers</title>
<fig id="fg004">
<label>Figuur 4a en 4b.</label>
<caption><p>Verwijzingen naar de lijsttrekkers in dagbladen, geclusterd naar verzuilde en neutrale signatuur. De <sc>kl</sc>-divergentie is op basis van tellingen per jaar. <xref ref-type="fig" rid="fg004">Figuur 4a</xref>, links: socialistische lijsttrekkers (<sc>sdap</sc>, PvdA); <xref ref-type="fig" rid="fg004">figuur 4b</xref>, rechts: katholieke lijsttrekkers (<sc>abrkkn</sc>, <sc>abrkrn</sc>, <sc>rksp</sc>, <sc>kvp</sc>).</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fig4.jpg"/></fig>
<p>Het meervoudig lijsttrekkerschap bij de Tweede Kamerverkiezingen komt al lang niet meer voor, maar tot 1967 &#x2013; en vooral in het interbellum &#x2013; wezen de politieke partijen in de achttien kieskringen vaak verschillende lijstaanvoerders aan in de hoop electoraal van hun regionale bekendheid te profiteren. Zo had de <sc>sdap</sc> bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1933 twaalf lijsttrekkers en de <sc>rksp</sc> negen. In totaal hadden de socialistische en katholieke partijen gedurende de onderzoeksperiode 1918-1967 35 respectievelijk 43 verschillende lijsttrekkers (een aantal van hen was lijsttrekker bij meerdere Tweede Kamerverkiezingen), per partij min of meer gelijkwaardig door de tijd heen gespreid. In de kranten is voor beide periodes geteld hoe vaak hun namen voorkwamen &#x2013; dus ook in de tijd v&#x00F3;&#x00F3;r of (ver) na de Tweede Kamerverkiezingen waarbij zij als lijsttrekker fungeerden.</p>
<p>Het patroon dat bij de vermelding in de kranten van de lijsttrekkersnamen zichtbaar wordt, lijkt sterk op dat van de partijnamen (zie <xref ref-type="fig" rid="fg004">figuur 4a</xref> en <xref ref-type="fig" rid="fg004">4b</xref>). De socialistische dagbladen noemen de namen van de eigen lijstaanvoerders in verhouding frequenter dan de katholieke kranten de hunne. Dit is opvallend omdat er in het krantencorpus, anders dan bij de sociaaldemocratische pers, meerdere regionale katholieke bladen zijn opgenomen die waarschijnlijk uitvoeriger dan de landelijke dagbladen aandacht aan de regionale lijsttrekkers zullen hebben besteed. Verder publiceren de rode kranten vaker over de katholieke lijsttrekkers dan de katholieke dagbladen over de socialistische lijstaanvoerders. In de naoorlogse periode schrijven zij zelfs relatief vaker over de katholieke lijstaanvoerders dan de katholieke pers zelf. In deze aandachtsverdeling lijken het hierboven geconstateerde gematigde karakter van de socialistische politiek en de veel minder politieke aard van het katholicisme tot uitdrukking te komen.</p>
<p>Dit patroon wordt duidelijker als we inzoomen op de twee dominante naoorlogse politici Willem Drees (<xref ref-type="fig" rid="fg005">figuur 5</xref>) en Carl Romme (<xref ref-type="fig" rid="fg006">figuur 6</xref>), respectievelijk leider van de PvdA en van de <sc>kvp</sc>. Waar de socialistische pers relatief vaak over Drees schrijft (<xref ref-type="fig" rid="fg005">figuur 5</xref>, rode lijn), doen de katholieke kranten dat naar verhouding veel minder (gele lijn), ondanks het feit dat Drees tussen 1946 en 1958 deel uitmaakte van kabinetten (vanaf 1948 als premier) met daarin als drijvende krachten de PvdA en de <sc>kvp</sc>. Opvallend is dat de katholieke pers bij tijden zelfs minder aandacht voor Drees heeft dan de neutrale pers. Pas nadat het vierde kabinet-Drees in 1957 onder vuur was komen te liggen, om een jaar later gedwongen te worden af te treden, komt Drees vaker in de kolommen van de katholieke pers voor.</p>
<fig id="fg005">
<label>Figuur 5.</label>
<caption><p>Verwijzingen naar Willem Drees (PvdA) in dagbladen, geclusterd naar verzuilde en neutrale signatuur. <sc>kl</sc>-divergentie op basis van tellingen per maand, 17 mei 1946-15 februari 1967.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fig5.jpg"/></fig>
<p>Over de eigen politieke leider Romme (<xref ref-type="fig" rid="fg006">figuur 6</xref>) bericht de katholieke pers uitgesproken meer, maar dat geldt ook voor de socialistische pers, die sowieso veel interesse toont voor de belangrijkste politieke leiders van de andere partijen. Beide figuren geven overigens ook goed weer dat de aandacht voor de lijsttrekkers in de aanloop naar de Kamerverkiezingen (in de figuren gemarkeerd met de verticale lijn) sterk toeneemt, zoals te verwachten viel.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn46">46</xref></sup></p>
<fig id="fg006">
<label>Figuur 6.</label>
<caption><p>Verwijzingen naar Carl Romme (<sc>kvp</sc>) in dagbladen, geclusterd naar verzuilde en neutrale signatuur. De <sc>kl</sc>-divergentie is op basis van tellingen per maand, 17 mei 1946-15 februari 1967.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fig6.jpg"/></fig>
</sec>
<sec id="s4c">
<title>Organisaties</title>
<p>Zoals <xref ref-type="fig" rid="fg007">figuren 7a</xref> en <xref ref-type="fig" rid="fg007">7b</xref> tonen, refereert de katholieke pers veel vaker dan de rode kranten aan de eigen maatschappelijke organisaties (exclusief de omroepen en kranten, zoals hierboven is aangegeven). De voornaamste verklaring voor dit verschil is dat de katholieken over meer van dergelijke, in karakter sterk uiteenlopende verbanden beschikten dan de socialisten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn47">47</xref></sup> In combinatie met de hierboven geconstateerde, in vergelijking met de socialisten veel geringere aandacht voor de eigen partij en haar lijsttrekkers in de katholieke kranten, lijkt dit onderscheid ook te kunnen wijzen op het minder politieke karakter van de katholieke zuilgemeenschap. Dit betekent overigens niet dat politieke overwegingen geen rol speelden bij het ontstaan van die veelheid van niet-politieke organisaties. Hans Bornewasser wijst erop dat de katholieke verzuiling mede werd bevorderd door de wens tot &#x2018;afscherming van vooral de arbeidende klasse tegen het socialisme&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn48">48</xref></sup> Gert van Klinken spreekt van een immunisering van het katholieke volksdeel om het te vrijwaren van socialistische en liberale invloeden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn49">49</xref></sup> Ook op dit terrein lijken de katholieken bij voorkeur de socialisten te willen negeren: hun kranten schreven relatief weinig over rode maatschappelijke organisaties, zeker in het interbellum (zie <xref ref-type="fig" rid="fg007">figuur 7a</xref>). De socialistische kranten daarentegen maken relatief vaker gewag van de katholieke equivalenten.</p>
<p>Deze constellatie van de redactionele aandacht binnen de katholieke en socialistische pers vormt een aanwijzing dat er binnen die zuilgemeenschappen verschillende strategie&#x00EB;n bestonden. &#x2018;Organiserend principe was voor de christenen het geloof, voor de socialisten de politiek&#x2019;, aldus Van Klinken.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn50">50</xref></sup> De katholieken lijken <italic>community builders</italic>, gericht op de versterking van eigen organisaties, die met name niet-politiek van karakter zijn. Verzuiling is voor hen primair het opbouwen van een katholiek georganiseerd maatschappelijk en cultureel netwerk waarin de kerk het primaat had, met als doel de negatieve effecten van de moderniteit (zoals het socialisme, maar ook het liberalisme) buiten de deur te houden. Bij de socialisten lag dat geheel anders; voor hen gold &#x2018;dat politiek, in samenhang met het vakbondswerk, een vrijwel heel de werkelijkheid regulerend principe was&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn51">51</xref></sup> Tussen hen en de katholieke arbeiders stonden godsdienstige en kerkelijke dogma&#x2019;s; gerichte socialistische propaganda moest leiden tot politieke bewustwording van katholieke arbeiders en hun stem voor de <sc>sdap</sc> en PvdA.</p>
<fig id="fg007">
<label>Figuur 7a en 7b.</label>
<caption><p>Verwijzingen naar maatschappelijke organisaties verbonden aan zuilen in dagbladen, geclusterd naar verzuilde en neutrale signatuur. <sc>kl</sc>-divergentie op basis van tellingen per jaar. <xref ref-type="fig" rid="fg007">Figuur 7a</xref>, links: socialistische organisaties; <xref ref-type="fig" rid="fg007">figuur 7b</xref>, rechts: katholieke organisaties.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fig7.jpg"/></fig>
</sec>
<sec id="s4d">
<title>Ideologisch gebonden begrippen</title>
<p>Zoals <xref ref-type="fig" rid="fg008">figuur 8a</xref> toont is de verwijzing in de socialistische dagbladen naar de eigen ideologisch geladen termen de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog relatief hoog. In de loop van de jaren twintig daalde de frequentie, maar deze steeg weer in het erop volgende decennium. Deze toename zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met het debat in de <sc>sdap</sc> over haar ideologische uitgangspunten, dat enerzijds ontstond als gevolg van de economische en politieke crisis, en anderzijds omdat de partij tegen haar electorale plafond aanzat. In die principi&#x00EB;le herbezinning gingen klassiek-socialistische beginselen als de klassenstrijd overboord.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn52">52</xref></sup> De katholieke pers heeft, gezien de wat verhoogde aandacht voor de socialistische concepten, mogelijk dit debat gevolgd, wellicht omdat zij de uitkomsten ervan &#x2013; een ideologisch gematigde <sc>sdap</sc> &#x2013; van belang achtte voor mogelijke regeringssamenwerking van katholieken en socialisten, die er in 1939 daadwerkelijk zou komen. De katholieke kranten hadden eerder ook al betrekkelijk veel aandacht geschonken aan de ideologische concepten van de <sc>sdap</sc>, vooral na Troelstra&#x2019;s mislukte revolutiepoging in 1918 en het Socialisatierapport uit 1920.</p>
<p>Opvallend is dat in de naoorlogse periode de rode pers in verhouding veel minder aan de eigen ideologische begrippen refereert. De mogelijke verklaringen hiervoor zijn de transitie van de <sc>sdap</sc> van een sterk geprofileerde beginselpartij naar een bredere volkspartij (een proces dat culmineerde in de PvdA), de parallel daaraan min of meer voltooide &#x2018;ingroei&#x2019; van de socialistische beweging in het nationale politieke bestel, en de deelname van de PvdA aan de regering in de periode 1946-1958. Het met de bestuurspraktijk gepaard gaande pragmatisme van een regeringspartij laat zich immers niet altijd makkelijk verenigen met principi&#x00EB;le debatten. De discussies in de PvdA over het herziene beginselprogramma van 1959 leidden tot enige, maar in de figuur nauwelijks zichtbare, verhoogde aandacht in de eigen pers, hetzij veel minder dan in 1947 met het toen vastgestelde beginselprogramma.</p>
<p>Net als bij partijen en de lijsttrekkers geldt ook bij de ideologisch gebonden concepten dat de socialistische pers er relatief veel vaker over schrijft dan de katholieke kranten, die in de naoorlogse periode in verhouding eigenlijk nauwelijks vaker dan de overige kranten aan hun eigen ideologische begrippen refereren. Opvallend is verder dat de socialistische kranten gedurende de gehele onderzoeksperiode relatief gezien nauwelijks aandacht schenken aan de katholieke concepten. Kennelijk heeft de benadering door de socialisten van de katholieken niet zozeer een abstract-ideologisch maar meer een concreet politiek karakter, zoals ook de betrekkelijk grote aandacht voor de namen van de partijen en lijsttrekkers lijkt te suggereren.</p>
<fig id="fg008">
<label>Figuur 8a en 8b.</label>
<caption><p>Verwijzingen naar ideologisch gebonden begrippen in dagbladen geclusterd naar verzuilde en neutrale signatuur. <sc>kl</sc>-divergentie is op basis van tellingen per jaar. <xref ref-type="fig" rid="fg008">Figuur 8a</xref>, links: socialistische begrippen; <xref ref-type="fig" rid="fg008">figuur 8b</xref>, rechts: katholieke begrippen.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.6916_fig8.jpg"/></fig>
</sec>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Verzuilde politiek in digitale kranten, een evaluatie</title>
<p>Ons kwantitatieve onderzoek leidt niet tot een fundamenteel andere visie op de mediafunctie bij verzuiling, maar geeft wel een meer gedifferentieerd beeld van verzuilde media. Dit blijkt uit de ontwikkeling in de tijd, waarbij een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt tussen het interbellum en de wederopbouwperiode. Maar ook in de vergelijking van de socialistische en katholieke zuilgemeenschappen zijn soms substanti&#x00EB;le verschillen waarneembaar. Het is simpelweg onjuist om te veronderstellen dat &#x2018;media&#x2019;, &#x2018;politiek&#x2019; en &#x2018;zuil&#x2019; steeds dezelfde onderlinge dynamiek kennen in het tijdvak dat als hoogtij van de verzuiling wordt aangewezen. Katholieke en socialistische kranten die onderdeel waren van een identiteitsgebonden zuilgemeenschap vermelden doorgaans inderdaad de primaire politieke representanten, namelijk de partijen en hun lijsttrekkers, van de eigen groep vaker dan kranten uit een andere hoek. De socialisten zijn daarin duidelijk meer uitgesproken.</p>
<p>Zowel socialisten als katholieken vertoonden een sterke intraverzuilde dispositie (gerichtheid op de eigen groep en identiteit), waarbij de eersten &#x2013; uitgaande van de hier gekozen indicatoren &#x2013; meer concreet-politiek geori&#x00EB;nteerd waren en de katholieken zich meer op niet-politieke organisaties richtten. Afgaande op de bestaande literatuur zal deze intraverzuildheid doorgaans een positief karakter hebben gehad en als zelfpromotie hebben bijgedragen aan de versterking van de identiteit en cohesie van de zuilgemeenschap.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn53">53</xref></sup> Tegelijkertijd zal het gebruik van de onderzochte aanduidingen in de geestverwante dagbladen lang niet altijd nadrukkelijk <italic>community building</italic> als oogmerk hebben gehad.</p>
<p>Naast deze interne ori&#x00EB;ntatie, die ook wel als &#x2018;preken voor de eigen parochie&#x2019; kan worden gekenschetst, onderscheidden we in het onderzoek de &#x2018;interverzuildheid&#x2019;: de gerichtheid van zuilgebonden dagbladen op andere zuilgemeenschappen. Of deze interverzuildheid een antagonistische dan wel concili&#x00EB;rende inslag heeft kan op basis van de hier gehanteerde kwantitatieve analyse niet worden vastgesteld. Om deze vraag te kunnen beantwoorden is kwalitatief onderzoek nodig, dat wellicht ook kan worden uitgevoerd via digitale technieken zoals <italic>sentiment analysis</italic>, dat inzicht biedt in de positieve en negatieve teneur van teksten.</p>
<p>Tegelijk zijn er ook enkele opmerkelijke verschillen in intraverzuildheid. Het niveau van de indicatoren partij, leiders (lijsttrekkers), en beginselen ligt in de socialistische pers in verhouding aanzienlijk hoger dan in de katholieke. Bij de geestverwante maatschappelijke organisaties zijn de verhoudingen omgekeerd: deze worden door de katholieke kranten aanmerkelijk vaker genoemd &#x2013; niet alleen in vergelijking met de &#x2018;rode&#x2019; dagbladen, maar ook in vergelijking met de katholieke pers in de andere indicatoren. In de relatief grotere aandacht in de socialistische kranten voor de eigen partij, haar leiders, en beginselen, lijkt het primair politieke karakter van de socialistische beweging en haar organisaties, ideologie, en identiteit te worden weerspiegeld. Daarentegen komt de sterk maatschappelijk-culturele inslag van de katholieke zuilgemeenschap tot uitdrukking in de bovengemiddelde aandacht van de katholieke pers voor de eigen, niet partijpolitieke organisaties, in combinatie met de relatief geringe aandacht voor de eigen partij en haar leiders.</p>
<p>Dit patroon wordt ook zichtbaar in de interverzuildheid van de socialistische en katholieke kranten. De &#x2018;rode&#x2019; dagbladen noemen de <sc>rksp</sc> en haar voorlopers en de leiders van deze partijen door de bank genomen in verhouding bijna net zo vaak als de katholieke pers, terwijl deze laatste substantieel minder vaak refereert aan de <sc>sdap</sc> en haar leiders. In de katholieke maatschappelijke organisaties zijn de socialistische kranten niet ge&#x00EF;nteresseerd, behalve dan in de vakbonden en werkgeversorganisaties.</p>
<p>Kortom, de gerichtheid van de socialistische kranten op de katholieke zuilgemeenschap is veel groter dan andersom en heeft een duidelijk politiek karakter. Dat patroon kan verklaard worden uit het hierboven reeds aangehaalde &#x2018;organiserend principe&#x2019; van de twee zuilgemeenschappen (politiek versus religie) en de daaraan gekoppelde handelingsstrategie, zoals in de derde paragraaf werd geschetst. Gedurende het interbellum volgde de <sc>sdap</sc> naast een concili&#x00EB;rende benadering van de katholieken met het oog op regeringssamenwerking een offensieve electorale strategie, die was gericht op de stem van de katholieke arbeider. Deze maakte weliswaar door zijn religieuze overtuiging deel uit van de katholieke zuilgemeenschap, maar de socialisten poogden hem daarvan los te weken door de sociaaleconomische belangentegenstelling tussen arbeiders en de bezittende klasse te benadrukken en in te zetten op concrete lotsverbetering van de arbeidersklasse, zoals met het Plan van de Arbeid van 1935.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn54">54</xref></sup> De in het defensief gedrongen katholieke zuilgemeenschap heeft mogelijk getracht de door de <sc>sdap</sc> gekozen arena van de klassentegenstellingen te ontwijken. Het verweer van de katholieken vond plaats onder de leuze van &#x2018;katholieke eenheid&#x2019;, dat een veel meer religieus, maatschappelijk, en cultureel dan politiek karakter had.</p>
<p>Vergelijken we de wederopbouwperiode met de trends in het interbellum, dan valt op hoezeer de gerichtheid van socialistische kranten op de eigen partij en leiders afvlakt. Na een korte periode van herpositionering van de PvdA en polarisatie met andere stromingen in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, nemen in het daaropvolgende decennium de verwijzingen naar de PvdA en haar leiders in intensiteit af &#x2013; ook in verkiezingstijd, zoals <xref ref-type="fig" rid="fg005">figuur 5</xref> laat zien. Bij de katholieke kranten is juist een iets hogere verwijzing naar de <sc>kvp</sc> en haar leiders bespeurbaar, maar dat geldt ook voor de socialistische kranten die in die <sc>kvp</sc> blijkbaar een belangrijk richtpunt vinden. De in deze jaren dominante rooms-rode samenwerking zal aan deze trend hebben bijgedragen.</p>
<p>Wat onveranderd blijft is de relatief zeer sterke gerichtheid van katholieke kranten op de eigen maatschappelijke en culturele organisaties en van de socialistische kranten op de eigen politieke partij en leiders. Dit aspect van verzuilde gedragingen is bij de socialisten goed zichtbaar in het grootste deel van het interbellum, een periode waarin de rode familie inderdaad op allerlei terreinen tot grote organisatorische ontplooiing en bloei komt.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn55">55</xref></sup></p>
<p>De misschien grootste verandering is te zien bij de ideologische begrippen. Terwijl de socialistische kranten in het interbellum geprononceerd waren in de verwijzing naar de eigen begrippen, verdwijnt dat patroon in de wederopbouwperiode. Deze ideologische afvlakking geldt eigenlijk voor het gehele spectrum aan kranten en lijkt de depolitisering te weerspiegelen die in deze periode in veel Westerse democratie&#x00EB;n aan de dag treedt als gevolg van secularisering en groeiende welvaart.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn56">56</xref></sup></p>
<p>Wat leert dit onderzoek ons over de omgang met digitale kranten als historische bron&#x003F; De digitalisering van die kranten lijkt de vroegere problemen rond schaarste aan, en geringe toegankelijkheid van, bronnen in een klap weg te nemen. Dat wil echter niet zeggen dat onderzoekers alle historische vragen voortaan simpel met een computer op kunnen lossen, want er komen vele andere problemen voor in de plaats.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn57">57</xref></sup> Een digitale bronnenomgeving zoals Delpher van de <sc>kb</sc> is een geweldige stap vooruit, maar desondanks is de dataset nog verre van compleet. Dat kan ook moeilijk anders bij een geschatte omvang van 100 miljoen pagina&#x2019;s van alle Nederlandse kranten vanaf 1618 bij elkaar. Begin 2021 was daarvan ongeveer twintig procent in Delpher beschikbaar. Bovendien bevatten de bestanden technische fouten die in de vertaalslag van papier naar digitaal zijn gemaakt door de software van Optical Character Recognition (<sc>ocr</sc>).<sup><xref ref-type="fn" rid="fn58">58</xref></sup> Zo levert het zoeken op het woord &#x2018;verzuiling&#x2019; in Delpher ook treffers op als &#x2018;vervuiling&#x2019;, &#x2018;verzoening&#x2019; en nog minimaal acht woorden die erop lijken. Oplossingen hiervoor zijn ingewikkeld vanwege technische, financi&#x00EB;le, logistieke, en zelfs ideologische aspecten, bijvoorbeeld als de databeheerder via <italic>crowd sourcing</italic> de fouten laat corrigeren door niet-experts. Ook de nieuwste <italic>machine learning software</italic> moet zijn waarde op dit vlak nog bewijzen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn59">59</xref></sup></p>
<p>Het belangrijkste probleem voor historici zijn de praktische consequenties voor onderzoek. Digitale analyse van kranten is een vorm van <italic>distant reading</italic> die in vergelijking met de aloude <italic>close reading</italic> een aparte vorm van bronnenkritiek vergt. Die begint al met de constatering dat analyse van veel trefwoorden in zeer omvangrijke datasets niet kan worden uitgevoerd zonder toegang te krijgen tot de metadata. De zoekmachine Delpher bijvoorbeeld, is voorlopig alleen geschikt voor eenvoudige zoektochten naar een kleine selectie van <italic>close</italic> te lezen artikelen, niet voor statistische berekeningen over het corpus als geheel zoals in dit verzuilingsonderzoek is gedaan. Wat ook ondubbelzinnig bleek is dat de meer inhoudelijke onderzoekskant, zoals het formuleren van de te gebruiken trefwoorden, persoonsnamen, indelingen van kranten en het relateren aan contextuele gegevens, alleen goed uit te voeren is vanuit degelijke historische kennis. Voert men dat alles verantwoord uit, dan zal het nog noodzakelijk zijn om voor de beantwoording van bepaalde vragen in te zoomen op afzonderlijke kopij binnen specifieke kranten. Digitale kwantitatieve patroonherkenning in historische kranten neemt de noodzaak van kwalitatieve analyses niet weg, maar maakt die juist groter.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn60">60</xref></sup></p>
</sec>
<sec id="s6">
<title>Dankwoord</title>
<p>De auteurs willen graag hen bedanken die bij dit onderzoek hebben geholpen: Jisk Attema (eScience Center), Steven Claeyssens (Koninklijke Bibliotheek), Maarten Marx (Universiteit van Amsterdam), Maaike Piscaer, Egon Rijpkema (Rijksuniversiteit Groningen), Jeroen Schot (<sc>surf</sc>) en Janneke van der Zwaan (eScience Center).</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Het onderzoek voor dit artikel werd mede mogelijk gemaakt door een subsidie van het Netherlands eScience Center (projectnummer 027.013.805) en een door de Koninklijke Bibliotheek gefinancierd fellowship bij het <sc>nias</sc>.</p></fn>
<fn id="fn2"><label>2</label><p>Fr&#x00E9;d&#x00E9;ric Clavert en Serge Noiret, &#x2018;Digital Humanities and History. A New Field for Historians in the Digital Age&#x2019;, in: Fr&#x00E9;d&#x00E9;ric Clavert en Serge Noiret (reds.), <italic>L&#x2019;histoire contemporaine &#x00E0; l&#x2019;&#x00E8;re num&#x00E9;rique. Contemporary History in the Digital Age</italic> (Brussel 2009) 15-26. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.3726/978-3-0352-6340-4">https://doi.org/10.3726/978-3-0352-6340-4</ext-link>. Zie ook uitvoerig: Huub Wijfjes, &#x2018;Digital Humanities and Media History. A Challenge for Historical Newspaper Research&#x2019;, <italic><sc>tmg</sc> &#x2013; Journal for Media History</italic> 20:1 (2017) 4-24. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://doi.org/10.18146/2213-7653.2017.277">http://doi.org/10.18146/2213-7653.2017.277</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn3"><label>3</label><p>Joris van Eijnatten, Toine Pieters, en Jaap Verheul, &#x2018;Big Data for Global History. The Transformative Promise of Digital Humanities&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 128:4 (2013) 55-77, aldaar 57. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.9350">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.9350</ext-link>; Patrik Svensson en David Theo Goldberg (reds.), <italic>Between Humanities and the Digital</italic> (Cambridge <sc>ma</sc> 2015) met name 17-33. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.7551/mitpress/9465.001.0001">https://doi.org/10.7551/mitpress/9465.001.0001</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn4"><label>4</label><p>De revolutionaire verwachtingseuforie in: Jo Guldi en David Armitage, <italic>The History Manifesto</italic> (Cambridge <sc>uk</sc> 2014). De scepsis in: Alan Liu, &#x2018;Where is Cultural Criticism in the Digital Humanities&#x003F;&#x2019;, in: Matthew K. Gold (red.), <italic>Debates in the Digital Humanities</italic> (Minneapolis 2012) 490-509. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.5749/minnesota/9780816677948.003.0049">https://doi.org/10.5749/minnesota/9780816677948.003.0049</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn5"><label>5</label><p>Liu, &#x2018;Where is Cultural Criticism&#x003F;&#x2019;; Andreas Fickers, &#x2018;Towards a New Digital Historicism&#x003F; Doing History in the Age of Abundance&#x2019;, <italic>View. Journal of European Television History and Culture</italic> 1:1 (2012) 19-26. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18146/2213-0969.2012.jethc004">https://doi.org/10.18146/2213-0969.2012.jethc004</ext-link>; Ted Striphas, &#x2018;Algorithmic culture&#x2019;, <italic>European Journal of Cultural Studies</italic> 18:4/5 (2015) 395-412. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1177/1367549415577392">https://doi.org/10.1177/1367549415577392</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn6"><label>6</label><p>Daniel J. Cohen en Roy Rosenzweig, <italic>Digital History. A Guide to Gathering, Preserving, and Presenting the Past on the Web</italic> (Philadelphia 2006); Bob Nicholson, &#x2018;The Digital Turn. Exploring the methodological possibilities of digital newspaper archives&#x2019;, <italic>Media History</italic> 19:1 (2013) 59-73. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1080/13688804.2012.752963">https://doi.org/10.1080/13688804.2012.752963</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn7"><label>7</label><p>Een verkenning van dit probleem biedt: Shawn Graham, Ian Milligan en Scott Weingart, <italic>Exploring Big Historical Data. The Historian&#x2019;s Macroscope</italic> (Londen 2016). <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1142/p981">https://doi.org/10.1142/p981</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn8"><label>8</label><p>Nederlandse voorbeelden zijn: Rutger de Graaf, <italic>Journalistiek in beweging. Veranderende berichtgeving in kranten en pamfletten (Groningen en &#x2019;s-Hertogenbosch 1813-1899)</italic> (Amsterdam 2010); Frank Harbers, <italic>Between personal experience and detached information. The development of reporting and the reportage in Great Britain, the Netherlands and France, 1880-2005</italic> (dissertatie; Rijksuniversiteit Groningen 2014); Jesper Verhoef, <italic>Opzien tegen modernisering. Denkbeelden over Amerika en Nederlandse identiteit in het publieke debat over media, 1919-1989</italic> (Delft 2017); Erik Jacobs, <italic>Hartslag van een revolutie. Pers en politiek in de Bataafse Republiek (1795-1802)</italic> (dissertatie; Universiteit van Amsterdam 2020).</p></fn>
<fn id="fn9"><label>9</label><p>Paul Gooding, <italic>Historic Newspapers in the Digital Age. &#x2018;Search all about it!&#x2019;</italic> (Londen 2017). <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.4324/9781315586830">https://doi.org/10.4324/9781315586830</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn10"><label>10</label><p>Huub Wijfjes, &#x2018;Perspectief in persgeschiedenis&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 114:2 (1999) 223-235. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.4949">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.4949</ext-link>; Huub Wijfjes en Frank Harbers (reds.), <italic>De krant. Een cultuurgeschiedenis</italic> (Amsterdam 2019) 11-19.</p></fn>
<fn id="fn11"><label>11</label><p>Huub Wijfjes, &#x2018;Koningin der aarde in het parlement. Twee eeuwen journalistiek rond de Tweede Kamer&#x2019;, in: Remieg Aerts et al. (reds.), <italic>In dit Huis. Twee eeuwen Tweede Kamer</italic> (Amsterdam 2015) 223-250.</p></fn>
<fn id="fn12"><label>12</label><p>Piet de Rooy, &#x2018;Zes studies over verzuiling&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 110:3 (1995) 380-39. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.4059">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.4059</ext-link>; vgl. Hans Daalder, &#x2018;Politicologen, sociologen, historici en de verzuiling&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 100:1 (1985) 52-64. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.2538">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.2538</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn13"><label>13</label><p>Hans Blom, &#x2018;Vernietigende kracht en nieuwe vergezichten. Het onderzoeksproject verzuiling op lokaal niveau ge&#x00EB;valueerd&#x2019;, in: Hans Blom en Jaap Talsma (reds.), <italic>De verzuiling voorbij. Godsdienst, stand en natie in de lange negentiende eeuw</italic> (Amsterdam 2000) 203-236.</p></fn>
<fn id="fn14"><label>14</label><p>Peter van Dam, <italic>Staat van verzuiling. Over een Nederlandse mythe</italic> (Amsterdam 2011).</p></fn>
<fn id="fn15"><label>15</label><p>Van Dam, <italic>Staat van verzuiling</italic>, 23 e.v.</p></fn>
<fn id="fn16"><label>16</label><p>Ido de Haan en Henk te Velde, &#x2018;Vormen van politiek. Veranderingen van de openbaarheid in Nederland 1848-1900&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 111:2 (1996) 167-200. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.4225">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.4225</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn17"><label>17</label><p>Arend Lijphart, <italic>The Politics of Accommodation. Pluralism and Democracy in the Netherlands</italic> (Berkeley 1968) 122-138. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1525/9780520317680">https://doi.org/10.1525/9780520317680</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn18"><label>18</label><p>Hans Daalder, <italic>Van oude en nieuwe regenten. Politiek in Nederland</italic> (Amsterdam 1995) 11-39.</p></fn>
<fn id="fn19"><label>19</label><p>Frank van Vree, <italic>De Nederlandse pers en Duitsland 1930-1939. Een studie over de vorming van de publieke opinie</italic> (Groningen 1989).</p></fn>
<fn id="fn20"><label>20</label><p>Huub Wijfjes, <italic>Journalistiek in Nederland 1850-2000. Beroep, cultuur en organisatie</italic> (Amsterdam 2004).</p></fn>
<fn id="fn21"><label>21</label><p>Daarover uitvoerig: Kees Brants (red.), <italic>Journalistiek en politiek in onzekere tijden</italic> (Den Haag 2012). De historische dimensie van deze processen in: Klaas Arnold et al. (reds.), <italic>Von der Politisierung der Medien zur Medialisierung des Politischen&#x003F; Zum Verh&#x00E4;ltnis von Medien, &#x00D6;ffentlichkeiten und Politik im 20. Jahrhundert</italic> (Leipzig 2010); Huub Wijfjes en Gerrit Voerman (reds.), <italic>Mediatization of Politics in History</italic> (Leuven 2009); Wijfjes, &#x2018;Koningin der aarde in het parlement&#x2019;, 223-250.</p></fn>
<fn id="fn22"><label>22</label><p>Van Vree, <italic>De Nederlandse pers en Duitsland</italic>; Huub Wijfjes, &#x2018;Veelkleurige radiogemeenschappen 1930-1960&#x2019;, in: Sonja de Leeuw, Bert Hogenkamp en Huub Wijfjes (reds.), <italic>Een eeuw van beeld en geluid. Cultuurgeschiedenis van radio en televisie in Nederland</italic> (Hilversum 2012) 58-99.</p></fn>
<fn id="fn23"><label>23</label><p>Van Vree, <italic>De Nederlandse pers en Duitsland</italic>, 178 e.v.</p></fn>
<fn id="fn24"><label>24</label><p>Frank van Vree, <italic>De metamorfose van een dagblad. Een journalistieke geschiedenis van de Volkskrant</italic> (Amsterdam 1996) 10.</p></fn>
<fn id="fn25"><label>25</label><p>Kees Brants, &#x2018;Van medialogica naar publiekslogica&#x003F; Verschuivende verhoudingen tussen journalistiek, politiek en publiek&#x2019; in: Jo Bardoel en Huub Wijfjes (reds.), <italic>Journalistieke cultuur in Nederland</italic> (Amsterdam 2015) 237-254; Stephen Cushion en Richard Thomas, <italic>Reporting Elections. Rethinking the Logic of Campaign Coverage</italic> (Cambridge <sc>uk</sc> 2018). Zie bijvoorbeeld Linda Colley, &#x2018;Britishness and Otherness. An Argument&#x2019;, <italic>Journal of British Studies</italic> 31:4 (1992) 309-329.</p></fn>
<fn id="fn26"><label>26</label><p>Hans Righart, <italic>De katholieke zuil in Europa. Een vergelijkend onderzoek naar het ontstaan van verzuiling onder katholieken in Oostenrijk, Zwitserland, Belgi&#x00EB; en Nederland</italic> (Meppel 1986).</p></fn>
<fn id="fn27"><label>27</label><p>Henk van Hulst, Arie Pleysier en Age Scheffer, <italic>Het roode vaandel volgen wij. Geschiedenis van de S.D.A.P. van 1880-1940</italic> (Den Haag 1969); Piet de Rooy et al., <italic>De rode droom. Een eeuw sociaal-democratie in Nederland. Een essay en een beeldverhaal</italic> (Nijmegen 1995); Jos Perry et al., <italic>Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894-1994</italic> (Amsterdam 1994).</p></fn>
<fn id="fn28"><label>28</label><p>Adriaan van Veldhuizen, <italic>De Partij. Over het politieke leven in de vroege S.D.A.P.</italic> (Amsterdam 2014); Bernard Rulof, <italic>Een leger van priesters voor een heilige zaak. <sc>sdap</sc>, politieke manifestaties en massapolitiek 1918-1940</italic>. De Natiestaat. Politiek in Nederland sinds 1815 (Amsterdam 2007).</p></fn>
<fn id="fn29"><label>29</label><p>Hans Bornewasser, <italic>Katholieke Volkspartij 1945-1980. Band <sc>i</sc>. Herkomst en groei (tot 1963)</italic> (Nijmegen 1995) 7-106.</p></fn>
<fn id="fn30"><label>30</label><p>Gert van Klinken, <italic>Actieve burgers. Nederlanders en hun politieke partijen 1870-1918</italic>. De Natiestaat. Politiek in Nederland sinds 1815 (Amsterdam 2003).</p></fn>
<fn id="fn31"><label>31</label><p>Peter Jan Knegtmans, <italic>Socialisme en democratie. De <sc>sdap</sc> tussen klasse en natie (1929-1939)</italic>. <sc>iisg</sc> Studies &amp; essays 12 (Amsterdam 1989) 21, 40, 143-144, 254.</p></fn>
<fn id="fn32"><label>32</label><p>Ruud Koole en Philip van Praag jr., &#x2018;Electoral competition in a segmented society. Campaign strategies and the importance of elite perceptions&#x2019;, <italic>European Journal of Political Research</italic> 18:1 (1990) 51-69. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1111/j.1475-6765.1990.tb00221.x">https://doi.org/10.1111/j.1475-6765.1990.tb00221.x</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn33"><label>33</label><p>Ed Janssen, &#x2018;De Rooms Katholieke Staatspartij en de krisis, 1930-1940&#x2019;, <italic>Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland</italic> 18:2 (1976) 39-79; Jos van Meeuwen, <italic>Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929)</italic> (Hilversum 1998); Marcel Boogers, Ron de Jong en Gerrit Voerman, &#x2018;Politieke partijen. Van zakelijk notabelenbestuur naar politieke profilering&#x2019;, in: Hans Vollaard et al. (reds.), <italic>De gemeenteraad. Ontstaan en ontwikkeling van de lokale democratie</italic> (Amsterdam 2018) 151-171.</p></fn>
<fn id="fn34"><label>34</label><p>Van Vree, <italic>Nederlandse pers en Duitsland</italic>, 192 e.v.</p></fn>
<fn id="fn35"><label>35</label><p>Bram Mellink, &#x2018;Tweedracht maakt macht. De PvdA, de doorbraak en de ontluikende polarisatiestrategie (1946-1966)&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 126:2 (2011) 30-53, aldaar 40-41. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.7309">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.7309</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn36"><label>36</label><p>Anneke Visser, <italic>Alleen bij uiterste noodzaak&#x003F; De rooms-rode samenwerking en het einde van de brede basis 1948-1958</italic> (Amsterdam 1986).</p></fn>
<fn id="fn37"><label>37</label><p>Blom en Talsma (reds.), <italic>De verzuiling voorbij</italic>; Lijphart, <italic>The Politics of Accommodation</italic>.</p></fn>
<fn id="fn38"><label>38</label><p>Preciezer: van de Tweede Kamerverkiezingen van 3 juli 1918 tot de Duitse inval op 10 mei 1940 en van de Tweede Kamerverkiezingen van 17 mei 1946 tot 15 februari 1967.</p></fn>
<fn id="fn39"><label>39</label><p>Er is altijd veel discussie geweest over de vraag of de liberalen een eigen zuilgemeenschap hebben gevormd, maar die kwestie blijft hier geheel terzijde.</p></fn>
<fn id="fn40"><label>40</label><p>De complete datasets en alle lijsten met de hierna nog nader toe te lichten indicatoren en termen zijn, inclusief een verantwoording, gedeponeerd en open access controleerbaar: Huub Wijfjes, Gerrit Voerman, Patrick Bos, en Maaike Piscaer, <italic><sc>pidimehs</sc>: Pillarization and depillarization tested in digitized media historical sources</italic>. <sc>dans. doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.17026/dans-xzj-vhgd">https://doi.org/10.17026/dans-xzj-vhgd</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn41"><label>41</label><p>Marcel Broersma, &#x2018;Objectiviteit als professionele strategie. Nut en functie van een omstreden begrip&#x2019;, in: Bardoel en Wijfjes (reds.), <italic>Journalistieke cultuur in Nederland</italic>, 163-182.</p></fn>
<fn id="fn42"><label>42</label><p>Dit onderzoek werd in 2017 afgesloten. Inmiddels zijn sommige van de problematische lacunes verdwenen in het voortschrijdende digitaliseringproces.</p></fn>
<fn id="fn43"><label>43</label><p>De katholieke partijen in het interbellum beschikten niet over beginselprogramma&#x2019;s. Voor de katholieke ideologische begrippen is naast het in 1936 vastgestelde &#x2018;Algemeen Staatkundig Program&#x2019; (met daarin een deel &#x2018;Beginselen&#x2019;) gebruik gemaakt van de verkiezingsprogramma&#x2019;s uit deze periode, met name die van de <sc>rksp</sc> van 1933 en 1937. Voor de <sc>kvp</sc> is het in 1945 vastgestelde &#x2018;Algemeen Staatkundig Program&#x2019; gebruikt.</p></fn>
<fn id="fn44"><label>44</label><p>Zie <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="www.statengeneraaldigitaal.nl">www.statengeneraaldigitaal.nl</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn45"><label>45</label><p>Of na de presentatie van het Plan van de Arbeid in de herfst van 1935 de totale aandacht in de pers toeneemt is moeilijk vast te stellen, aangezien voor de jaren 1935-1937 gegevens betreffende <italic>Het Volk</italic> ontbreken. Over 1935 neemt het absolute aantal artikelen in de neutrale kranten wel duidelijk toe.</p></fn>
<fn id="fn46"><label>46</label><p>Drees was bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1946 en 1948 een van de respectievelijk negen en acht PvdA-lijsttrekkers; in 1952 en 1956 was hij de enige. Romme was in 1946, 1948 en 1952 een van de respectievelijk zes, zes en acht <sc>kvp</sc>-lijsttrekkers; in 1956 en 1959 was hij de enige.</p></fn>
<fn id="fn47"><label>47</label><p>Over de aard van de katholieke zuilgemeenschap zie: Righart, <italic>De katholieke zuil in Europa.</italic></p></fn>
<fn id="fn48"><label>48</label><p>Bornewasser, <italic>Katholieke Volkspartij 1945-1980. Band 1: herkomst en groei</italic>, 47.</p></fn>
<fn id="fn49"><label>49</label><p>Van Klinken, <italic>Actieve burgers</italic>, 318.</p></fn>
<fn id="fn50"><label>50</label><p>Van Klinken, <italic>Actieve burgers</italic>, 448; vgl. Rulof, <italic>Een leger van priesters voor een heilige zaak</italic>, 18 e.v.</p></fn>
<fn id="fn51"><label>51</label><p>Van Klinken, <italic>Actieve burgers</italic>, 451.</p></fn>
<fn id="fn52"><label>52</label><p>Knegtmans, <italic>Socialisme en democratie.</italic></p></fn>
<fn id="fn53"><label>53</label><p>Huub Wijfjes, <italic><sc>vara</sc>, biografie van een omroep</italic> (Amsterdam 2009); Van Vree, <italic>Nederlandse pers en Duitsland</italic>; Righart, <italic>De katholieke zuil in Europa</italic>.</p></fn>
<fn id="fn54"><label>54</label><p>Knegtmans, <italic>Socialisme en democratie</italic>.</p></fn>
<fn id="fn55"><label>55</label><p>Rulof, <italic>Een leger van priesters voor een heilige zaak</italic>; Wijfjes, <italic><sc>vara</sc></italic>, 70-118.</p></fn>
<fn id="fn56"><label>56</label><p>Daniel Bell, <italic>The End of Ideology</italic>. <italic>On the Exhaustion of Political Ideas in the Fifties</italic> (Cambridge 2000).</p></fn>
<fn id="fn57"><label>57</label><p>David Deacon, &#x2018;Yesterday&#x2019;s Papers and Today&#x2019;s Technology. Digital Newspaper Archives and &#x201C;Push Button&#x201D; Content Analysis&#x2019;, <italic>European Journal of Communication</italic> 22:1 (2007) 5-25. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1177/0267323107073743">https://doi.org/10.1177/0267323107073743</ext-link>; Adrian Bingham, &#x2018;The Digitization of Newspaper Archives. Opportunities and Challenges for Historians&#x2019;, in: <italic>Twentieth Century British History</italic> 21:2 (2010) 225-231. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1093/tcbh/hwq007">https://doi.org/10.1093/tcbh/hwq007</ext-link>; Marcel Broersma, &#x2018;Nooit meer bladeren&#x003F; Digitale krantenarchieven als bron&#x2019;, in: <italic>Tijdschrift voor Mediageschiedenis</italic> 14:2 (2011) 29-55. <sc>doi:</sc> <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://doi.org/10.18146/tmg.135">http://doi.org/10.18146/tmg.135</ext-link>; Wijfjes, &#x2018;Digital Humanities and Media History&#x2019;.</p></fn>
<fn id="fn58"><label>58</label><p>Een zeer uitvoerige beschouwing over de problematiek van digitale kranten vanuit bibliotheekperspectief biedt: Gooding, <italic>Historic Newspapers in the Digital Age.</italic> Vgl. Thomas Smits, &#x2018;<sc>ts</sc> Tools. Problems and possibilities of digital newspaper and periodical archives&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Tijdschriftstudies</italic> 36 (2014) 139-146. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://doi.org/10.18352/ts.317">http://doi.org/10.18352/ts.317</ext-link>; Carolyn Strange et al., &#x2018;Mining for the Meanings of a Murder. The Impact of <sc>ocr</sc> Quality on the Use of Digitized Historical Newspapers&#x2019;, <italic>Digital Humanities Quarterly</italic> 8:1 (2014).</p></fn>
<fn id="fn59"><label>59</label><p>Mia Ridge (red.), <italic>Crowdsourcing our Cultural Heritage</italic>. Digital Research in the Arts and Humanities (Abingdon/New York 2016). Over de technische aspecten van de <sc>ocr</sc>-problematiek: Myriam C. Traub,&#x2009;<italic>Measuring Tool Bias &amp; Improving Data Quality for Digital Humanities Research</italic>. <sc>siks</sc> Dissertation Series (Utrecht 2020).</p></fn>
<fn id="fn60"><label>60</label><p>Uitvoerig hierover is: Wijfjes, &#x2018;Digital Humanities and Media History&#x2019;. Vgl. soortgelijke conclusies in: Sarah Roddy, &#x2018;The news and numbers. A guide to using digitised newspapers&#x2019;, in: Georg Christ en Philipp R. R&#x00F6;ssner (reds.), <italic>History and Economic Life. A Student&#x2019;s Guide to Approaching Economic and Social History Sources</italic> (Londen 2020) 219-234. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.4324/9780429506819-10">https://doi.org/10.4324/9780429506819-10</ext-link>.</p></fn>
</fn-group>
<sec>
<title/>
<p><bold>Huub Wijfjes</bold> is universitair hoofddocent Journalistiek en Media aan de Rijksuniversiteit Groningen en sinds 2010 bijzonder hoogleraar Geschiedenis van Radio en Televisie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceert met regelmaat over historische onderwerpen waarin de verhouding van pers, radio en televisie in relatie tot maatschappij, politiek en cultuur centraal staat. Hij schreef standaardwerken over de geschiedenis van de Nederlandse omroep (<italic>Omroep in Nederland. Vijfenzeventig jaar medium en maatschappij, 1919-1994</italic>, 1995) en de Nederlandse journalistiek (<italic>Journalistiek in Nederland, 1850-2000. Beroep, cultuur en organisatie</italic>, 2004). Momenteel werkt hij aan de voltooiing van een serie boeken over de cultuurgeschiedenis van mediaplatforms. In 2019 verschenen bij Boom Uitgevers Amsterdam delen over de krant en de radio. Het derde deel over de televisie wordt in september 2021 uitgebracht. E-mail: <email>h.b.m.wijfjes@rug.nl</email>.</p>
<p><bold>Gerrit Voerman</bold> is directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (<sc>dnpp</sc>) en hoogleraar Ontwikkeling en functioneren van het Nederlandse en Europese partijstelsel aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij doet onderzoek naar en publiceert over (aspecten van) politieke partijen, zoals hun geschiedenis, organisatie en cultuur, kandidaatstelling, de interne toepassing van informatie- en communicatietechnologie, en partijfinanciering. Hij is redacteur van een reeks over de Nederlandse politieke partijen die door het <sc>dnpp</sc> en Boom Uitgevers Amsterdam wordt uitgegeven. Hierin zijn onder meer bundels verschenen over de <sc>vvd</sc>, GroenLinks, de ChristenUnie, het <sc>cda</sc>, de PvdA en Geert Wilders. Een bundel over D66 verschijnt in oktober. Met Paul Lucardie schreef hij <italic>Populisten in de polder</italic> (Amsterdam 2012). Momenteel werkt hij aan een monografie over de <sc>sp</sc> en met anderen aan een monografie over verkiezingscampagnes in Nederland sinds 1918. E-mail: <email>g.voerman@rug.nl</email>.</p>
<p><bold>Patrick Bos</bold> is Research Software Engineer bij het Netherlands eScience Center te Amsterdam, een instituut dat digitale methoden en software ontwikkelt en toepast samen met wetenschappers in alle wetenschapsgebieden aan de Nederlandse universiteiten en onderzoeksinstellingen. Hij heeft vanuit die functie gewerkt met (kunst)historici, taalkundigen, archeologen, deeltjesfysici en vele anderen. Hij is gepromoveerd in de sterrenkunde met een onderzoek naar de grote-schaalstructuur van het heelal en de kosmologie, oftewel de natuurkundige wetten die het heelal als geheel beheersen. E-mail: <email>p.bos@esciencecenter.nl</email>.</p>
</sec>
</back>
</article>