<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD with OASIS Tables v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing-oasis-article1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0615-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name> Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>The Hague, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.10106</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.18352/bmgn-lchr.10106</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Het oorlogsschip als varend bedrijf. Schrijvers, administratie en logistiek aan boord van Nederlandse marineschepen in de 17e en 18e eeuw</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Daalder</surname>
<given-names>Remmelt</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"><sup>1</sup></xref>
</contrib>
<aff id="aff1"><sup>1</sup>Amsterdam</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>8</month>
<year>2015</year>
</pub-date>
<volume>130</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>1</fpage>
<lpage>3</lpage>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name>
<surname>van Alphen</surname>
<given-names>Marc</given-names>
</name>
</person-group>
<source>Het oorlogsschip als varend bedrijf. Schrijvers, administratie en logistiek aan boord van Nederlandse marineschepen in de 17e en 18e eeuw</source> Dissertatie Nederlandse Defensie Academie 2014;
<publisher-loc>Franeker</publisher-loc>
<publisher-name>Van Wijnen</publisher-name>
<year>2014</year>
<page-range>460 pp.</page-range>
<isbn>ISBN 978 90 5194 488 4</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2015 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2015</copyright-year>
<license license-type="open-access" xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/3.0/">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 3.0 Unported License.</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.18352/bmgn-lchr.10106"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Onder beoefenaren van de Nederlandse maritieme geschiedenis is al een tijdlang een verschuiving gaande van de beschrijving van zeeslagen en expedities naar verre streken naar een benadering die recht doet aan de sociale en menselijke kant van het zeewezen. Jaap Bruijn, die van 1980 tot 2003 in Leiden de leerstoel maritieme geschiedenis bekleedde, was een van de pioniers op dit terrein, bijvoorbeeld in publicaties over kapiteins en andere zeevarenden bij de <sc>voc</sc> en de marine; tal van maritieme historici volgden zijn voorbeeld met publicaties over onderwerpen als buitenlanders bij de <sc>voc</sc> (Roelof van Gelder), over het leven aan boord en muiterij (Herman Ketting) en natuurlijk over slaven en slavenschepen (Henk den Heijer en vele anderen). E&#x00E9;n opvarende is tot nu toe aan de aandacht van historici ontsnapt: de scheepsschrijver, een officier die een cruciale rol speelde bij het dagelijks functioneren van een oorlogsschip in de vroegmoderne tijd. Deze schrijver hield het scheepsjournaal bij, maar ook de monsterrol &#x2013; de personeelsadministratie &#x2013; en hij trad op als notaris op zee, als griffier bij rechtszaken buitengaats, en hij was veilingmeester bij het verkopen van de nalatenschap van een gestorven bemanningslid. Het is maar een greep, want de schrijver deed nog veel meer: hij beheerde ook nog het kledingmagazijn aan boord en fungeerde als voorschotbank voor de bemanning, ging voor in kerkdiensten en hield tussendoor ook nog bij hoeveel kruit er werd verschoten bij saluutschoten.</p>
<p>We kennen de oorlogsvloot in de eerste plaats als een zwaargewapende gevechtsmachine, maar dit boek is geheel gewijd aan het systeem dat het varen en vechten mogelijk maakte, het web waarbinnen de schrijver de centrale figuur was. Door een nauwgezette analyse van de vele taken van deze officier biedt Marc van Alphen een beeld van de manier waarop de Nederlandse oorlogsvloot in de dagelijkse routine functioneerde op zee of op de binnenwateren. De auteur is al jaren werkzaam bij het Instituut voor Militaire Historie van het ministerie van Defensie en promoveerde in 2014 in Leiden op dit onderzoek.</p>
<p>Wie gewend is aan de moderne gecentraliseerde overheidsadministratie maakt in dit boek kennis met een samenleving waarin publiek en private taken en belangen door elkaar lopen. De scheepsschrijver moest bijvoorbeeld zijn activiteiten zelf financieren. Pas na afloop van de reis en een uitvoerige controle van de boeken vond de uitbetaling plaats op het admiraliteitskantoor en kon het loon van de bemanning worden uitbetaald. Intussen had de schrijver tijdens het verblijf op zee al aan veel opvarenden een voorschot op dat loon uitbetaald. Ook had hij andere kosten gemaakt, zoals voor de inkoop van plunje. Natuurlijk verdiende de schrijver aan al zijn bezigheden, zoals het schrijven van brieven, de verkoop van kleding, of aan een hoge rente (40&#x0025;) op de voorschotten op de gage. Op elke tien gulden voorschot aan bemanningsleden verdiende de schrijver er dus uiteindelijk vier. Maar pas lang na afloop van een reis kon hij die voorschotten, de rente en andere onkosten terugvorderen bij het betaalkantoor van de admiraliteit. Een schrijver had daarom particuliere geldschieters aan de wal nodig, die hem voorzagen van het benodigde werkkapitaal. Dat voorfinancieren en uitbesteden van taken beperkte zich overigens niet tot de activiteiten van de schrijver. Ook de kapiteins hadden bijvoorbeeld een eigen &#x2018;winkeltje&#x2019;: zij waren belast met de levering van de voedselvoorraad voor hun eigen schip. Met een vast bedrag per man per dag kon hij daarop flinke winsten maken. Van Alphen heeft in de loop der jaren intensief bronnenonderzoek verricht. Veel historici deinzen terug voor het bestuderen van de oorlogsvloot in de vroegmoderne tijd, omdat er &#x2013; in tegenstelling tot de <sc>voc</sc> en andere handelsondernemingen, veel archiefmateriaal ontbreekt, als gevolg van de brand die het ministerie van Marine teisterde in 1844. Van Alphen liet zich daardoor niet weerhouden en vond in de resterende archiefstukken van de admiraliteiten, maar ook in notari&#x00EB;le archieven een enorme hoeveelheid materiaal dat een licht werpt op de schrijvers, hun achtergronden en taken. Daardoor kon hij onder meer aantonen dat de rol van de scheepsschrijver als administratief middelpunt van de varende marine in de loop van de twee besproken eeuwen nog toenam, parallel aan de verdere bureaucratisering van de zeemacht. Zeker in de achttiende eeuw, toen de oorlogsvloot vooral routinetaken vervulde en nauwelijks meer deelnam aan zeeslagen, steeg het werk van de schrijver in aanzien en belang. Een zeer uitgebreid notenapparaat (107 pagina&#x2019;s in een kleine letter op een totale omvang van 460 bladzijden) geeft aan hoeveel meer de auteur nog boven water heeft gekregen. De noten laten zich lezen als een serie aanvullende artikelen, bijna als een tweede boek. Wel is het jammer dat die noten niet zijn ontsloten door het register. Een lijst van schrijvers bij de admiraliteiten van Amsterdam en Rotterdam met details van hun carri&#x00E8;re en hun onderlinge verwantschap is als bijlage toegevoegd.</p>
<p>Van Alphen beschrijft een organisatie met een aantal typische kenmerken, zoals de vermenging van publieke en private belangen. Het was wenselijk geweest als hij zijn onderwerp iets meer had ingebed in de samenleving waarin die vloot functioneerde. Was dat publiek-private karakter van de marine niet een algemener verschijnsel? Had bijvoorbeeld het Staatse leger een vergelijkbare organisatievorm en was het uitbesteden van taken en de financiering daarvan bij de marine anders geregeld bij andere (semi-)overheidsdiensten en -organisaties, zoals bij het postverkeer of bij grote organisaties als de <sc>voc</sc> en de <sc>wic</sc>? En afgezien van een enkele verwijzing naar de Britse marine in dezelfde periode, ontbreekt een vergelijking met de situatie in andere zeevarende landen van Europa. Misschien komt het door het onderwerp, administratie aan boord, dat Van Alphens betoog een wat ambtelijke toon en stijl heeft gekregen. Veel mededelingen zijn bijvoorbeeld vanwege de beoogde volledigheid tussen haakjes aangevuld of gepreciseerd, zoals in deze passage: &#x2018;Goede (vitaminerijke aanvulling op de) voeding leidde uiteindelijk ook tot een gezondere bemanning [&#x2026;]&#x2019; (112). Hoe zou de auteur zo&#x2019;n zin voorlezen, vraag je je af. Diezelfde hang naar volledigheid leidt er ook toe dat het boek wel eens in herhalingen vervalt. Bespreking van de voorschriften met betrekking tot de taken van de scheepsschrijver (hoofdstuk 2) verschilt op veel punten niet van de behandeling van de werkzaamheden in de praktijk in latere hoofdstukken. Daar staan weer tal van winstpunten tegenover. Tot de belangrijkste daarvan behoort wel het inzicht dat de oorlogsvloot in de vroegmoderne tijd in sterke mate draaiende werd gehouden door een groep officieren die zowel hun eigen belangen als die van de overheid moesten dienen. Voorlopig zal dit boek het standaardwerk zijn voor een ieder die de Nederlandse oorlogsvloot in de vroegmoderne tijd tot in de haarvaten van de organisatie wil doorgronden.</p>
</body>
</article>