<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD with MathML3 v1.4 20241031//EN" "JATS-journalpublishing1-4-mathml3.dtd">
<article article-type="book-review" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xml:lang="en" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.26713</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.26713</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject></subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Towards a Reformed Enlightenment. Salomon van Til (1643-1713) and the Cartesio-Cocceian Debates in the Early Modern Dutch Republic</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>van Bunge</surname>
<given-names>Wiep</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Erasmus Universiteit Rotterdam</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>03</month>
<year>2026</year>
</pub-date>
<volume>141</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20260018</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Mangold</surname><given-names>Matthias</given-names></name>
</person-group>
<source>Towards a Reformed Enlightenment. Salomon van Til (1643-1713) and the Cartesio-Cocceian Debates in the Early Modern Dutch Republic</source>
<comment>Brill&#x2019;s Studies in Intellectual History 352</comment>
<publisher-loc>Leiden</publisher-loc>
<publisher-name>Brill</publisher-name>
<year>2024</year>
<page-range>548 pp.</page-range>
<isbn>9789004697249</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2026 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2026</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.26713"/>
<counts>
<page-count count="3"/>
</counts>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Het debat over de Nederlandse Verlichting, zoals dat van start is gegaan in de jaren tachtig van de vorige eeuw, woedt onverminderd voort. Daarbij is de afgelopen jaren ook de gereformeerde, of liever, de hervormde Verlichting niet buiten schot gebleven. De voorstelling als zou de Verlichting wezenlijk in strijd zijn geweest met alle geopenbaarde godsdienst vindt nog maar weinig aanhang. Vanaf het moment dat achttiende-eeuwers zelf over de oorsprong van de Verlichting begonnen na te denken, was de Reformatie nooit ver weg. Een mijlpaal in het recente onderzoek werd in 2025 gezet door Joke Spaans&#x2019; <italic>Modernising Protestantism</italic>, dat een breed panorama biedt van de verschillende manieren waarop calvinistische godgeleerden in de Nederlandse Republiek tussen 1650 en 1750 in het reine kwamen met &#x2018;nieuwigheden&#x2019; als het socinianisme, cartesianisme, coccejanisme en spinozisme. Een van de misschien wat minder bekende figuren in deze geschiedenis is Salomon van Til (1643-1713). Matthias Mangold is in 2021 in Leuven aan de Evangelische Theologische Faculteit gepromoveerd op zijn onderzoek naar Van Tils rol in de vroege, hervormde Verlichting, en de handelseditie van Mangolds dikke maar voortreffelijke proefschrift is nu uitgegeven door Brill.</p>
<p>Salomon van Til was zowel cartesiaan als coccejaan, wat onmiddellijk de vraag oproept wat dat ook alweer betekent. Cartesianen waren uiteraard bewonderaars van Ren&#x00E9; Descartes, maar Pierre Bayle schreef al in 1693 in een brief aan David Constant dat niemand hem kon uitleggen waar het debat tussen coccejanen en voetianen precies om draaide. Voor Bayle was het een lokaal conflict van weinig belang. Nu hielp het niet dat Bayle geen Nederlands las, en de meeste hedendaagse historici zullen die voetianen nog wel kunnen plaatsen, maar waar stonden die volgelingen van de Leidse hoogleraar Johannes Cocceius (1603-1669) dan voor?</p>
<p>De a fgelopen jaren hebben met name Ernestine van der Wall en Willem van Asselt hen aan de vergetelheid ontrukt, en Mangold treedt nadrukkelijk in hun voetsporen. In de eerste plaats wil hij de aard van Van Tils cartesianisme doorgronden, in de tweede plaats die van zijn coccejanisme, en tenslotte wil hij het specifieke karakter blootleggen van de manier waarop Van Til zijn sympathie voor deze filosofische en theologische tradities combineerde. Daarbij zegt hij een contextuele benadering voor te staan die zicht moet geven op de betekenis van Van Tils optreden. In dit boek wordt deze context echter niet zozeer geleverd door de politieke en culturele ontwikkelingen ten tijde van de vroege Verlichting in de Nederlandse Republiek, als wel door de manier waarop de Nederduits gereformeerde kerk eerst reageerde op de doorbraak van Descartes&#x2019; filosofie rond het midden van de zeventiende eeuw en vervolgens op het ontstaan van een radicale variant van deze <italic>philosophia nova</italic> in het werk van Spinoza en de leden van zijn &#x2018;kring&#x2019;.</p>
<p>Geboren in Weesp en opgeleid tot medicus en theoloog in Utrecht en Leiden begon Van Til zijn loopbaan in 1666 als predikant in Huisduinen en Den Helder. Tien jaar later ontving hij een beroep uit De Rijp, van waaruit hij begon te publiceren. Langzaam maar zeker vestigde hij een reputatie, waarbij van pas kwam dat hij ook sociaal getalenteerd was. Toen hij in 1683 naar Dordrecht verhuisde, stond hij daar spoedig op goede voet met het lokale patriciaat. Al een jaar later werd hij als hoogleraar benoemd aan de Illustre School van de stad. Zijn werkkracht en veelzijdigheid moeten indruk hebben gemaakt. Behalve een gestadig groeiende stapel Bijbelse studies verzorgde hij uitgaves van Descartes&#x2019; <italic>Meditaties</italic> met de aantekeningen van Christopher Wittichius in 1688 en van Arnold Geulincx&#x2019; notities bij Descartes&#x2019; <italic>Principia</italic> in 1690. Van Til lijkt in Dordrecht de meeste tijd te hebben gestoken in zijn vierdelige commentaar op de Psalmen. Zo kon het niet uitblijven dat een van de Nederlandse universiteiten hem een aanbod zou doen, wat inderdaad gebeurde, zodat hij van 1702 tot aan zijn dood in 1713 een leerstoel bekleedde in Leiden. Weliswaar was hij nooit gepromoveerd, maar daar werd door zijn nieuwe werkgever een mouw aan gepast door hem een eredoctoraat te verlenen. Hoewel hij in Leiden zijn handen vol had aan het geven van colleges en privatissima, het voorzitten van disputaties en het houden van preken, was hij door zijn ijver in Dordrecht in staat ook als hoogleraar in Leiden veel te publiceren.</p>
<p>Mangold had dus niet te klagen over een gebrek aan bronnen. Na in het eerste deel de context van Van Tils leven en werk te hebben geschetst, volgen een tweede en een derde deel waarin hij achtereenvolgens diens cartesianisme en zijn coccejanisme analyseert. Van Til blijkt vooral een voorzichtig bewonderaar van Descartes te zijn geweest, die in de lijn van zijn eigen oude hoogleraar Abraham Heidanus filosofie streng scheidde van theologie en niets moest hebben van het radicale cartesianisme van Spinoza en zijn volgelingen. Van Til ontleende integendeel aan Descartes&#x2019; metafysica juist de munitie om die van Spinoza onder vuur te nemen en waarschuwde voor al te gretig gebruik van het accommodatiebeginsel in de studie van de Bijbel, volgens hetwelk de Bijbel diende te worden opgevat als een document waarin God zich had &#x2018;aangepast&#x2019; aan het bevattingsvermogen van de mens. Mangolds zorgvuldige analyse van Van Tils <italic>Compendium theologiae naturalis</italic> uit 1704 en diens <italic>Voor-hof der heydenen</italic> uit 1694 laten vervolgens overtuigend zien hoe diep de impact van Spinoza was op de Nederlandse theologie rond 1700 en waarom juist coccejaanse godgeleerden zich uitgedaagd voelden door deze &#x2018;ongodist&#x2019;. Dat Spinoza weigerde in te zien dat Mozes de eerste vijf boeken van het Oude Testament had geschreven, was volgens Van Til te wijten aan zijn miskenning van hun profetisch gehalte. Van Til deelde de overtuiging van Cocceius dat de sleutel tot een goed begrip van de Bijbel als openbaring in de erkenning lag dat zij het verhaal vertelde van het verbond tussen God en Zijn schepsels. In de sterk &#x2018;christocentrische&#x2019; reconstructie van deze geschiedenis speelden de profeten een sleutelrol. Maar terwijl het onderzoek naar de talloze wijzen waarop hun profetie&#x00EB;n waren vervuld theologen als Van Til diep liet doordringen in de geschiedenis van de Oude Wereld, bleef de ambitie van coccejanen als hij wezenlijk apologetisch. Geschiedenis was voor hen heilsgeschiedenis en hoe academisch Van Tils werk dikwijls ook lijkt te zijn, zijn oogmerk was volgens Mangold praktisch: christelijke theologen moesten in de eerste plaats laten zien dat het christendom waar was en tot eensgezindheid verplichtte. Vandaar Van Tils beleden afkeer van de strijd met voetianen vanaf zijn debuut <italic>Salems vrede</italic> uit 1678, hoewel die afkeer geleidelijk inderdaad veel van haar aanvankelijke heftigheid verloor.</p>
<p>De weloverwogen, ge&#x00EF;nformeerde en precieze manier waarop Mangold Van Til situeert binnen de gecompliceerde positie waarin de hervormde kerk zich rond 1700 bevond dwingt respect af, niet in de laatste plaats vanwege de omvang van Van Tils nalatenschap. De driedelige opzet van deze studie leidt hier en daar tot een zekere wijdlopigheid en Mangold schuwt de herhaling niet. Daar staat tegenover dat zijn boek er weinig twijfel over laat bestaan dat Bayle zich vergiste toen hij zijn schouders ophaalde over de theologische debatten tijdens de vroege Nederlandse Verlichting.</p>
</body>
</article>