<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD with MathML3 v1.4 20241031//EN" "JATS-journalpublishing1-4-mathml3.dtd">
<article article-type="book-review" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xml:lang="en" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.26711</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.26711</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject></subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Defending French in Flanders, 1873-1974: Between Liberty and Identity</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>D&#x2019;hulst</surname>
<given-names>Lieven</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1"><sc>ku</sc> Leuven</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>03</month>
<year>2026</year>
</pub-date>
<volume>141</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20260016</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Hensley</surname><given-names>David J.</given-names></name>
</person-group>
<source>Defending French in Flanders, 1873-1974: Between Liberty and Identity</source>
<publisher-loc>Cham</publisher-loc>
<publisher-name>Palgrave Macmillan</publisher-name>
<year>2023</year>
<page-range>360 pp.</page-range>
<isbn>9783031109164</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2026 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2026</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.26711"/>
<counts>
<page-count count="3"/>
</counts>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Dit werk is gebaseerd op doctoraatsonderzoek dat de Amerikaanse auteur tussen 2010 en 2013 heeft uitgevoerd aan Penn State University. Het schetst een historisch narratief van de sociale, institutionele en culturele evolutie van de positie van het Frans in Vlaanderen tijdens de periode 1873-1974 en laat daarbij vooral de stem horen van Franstalige getuigen en actoren &#x2013; schrijvers, academici, journalisten &#x2013; uit de toenmalige sociale en politieke burgerij. Namen als Maurice Maeterlinck, Suzanne Lilar, Henri Pirenne, Maurice Wilmotte, Maurice de Smet de Naeyer en Franz Foulon keren vaak terug. In zijn narratief neemt de auteur inzichten op uit de sociologie en vooral de historische taalsociologie. Maar de focus ligt op hoe de groepsidentiteit van Franstaligen in Vlaanderen ontstaan en ge&#x00EB;volueerd is tijdens de periode 1873-1974. Hensley maakt een onderscheid tussen twee soorten groepsidentiteit. Tot na de Eerste Wereldoorlog domineerde een voornamelijk civiele identiteit, ingebed in een Belgisch kader dat zich afzette tegen het Vlaamse natiestreven ge&#x00EF;nspireerd door Herderiaanse denkbeelden. Vanaf de jaren 1920, en opnieuw in de periode 1960-1970, profileerden Franstaligen zich als een soort etnische minderheid. Daarbij zochten zij aansluiting bij de bredere beweging van de &#x2018;francofonie&#x2019;, die wereldwijd landen en regio&#x2019;s verbindt waar het Frans wordt gesproken, zoals Canada, Zwitserland en uiteraard ook Belgi&#x00EB;.</p>
<p>Hoofdstuk 1 fungeert als inleiding en presenteert de bronnen. Deze bestaan uit kranten- en tijdschriftartikels, monografie&#x00EB;n, pamfletten, verkiezingsmateriaal, parlementaire debatten, maar ook archieven van organisaties en personen die de zaak van het Frans in Vlaanderen behartigden, inclusief de memoires van sprekende figuren zoals Suzanne Lilar en Henry Carton de Wiart. Samen leveren die documenten de visies, stellingen, en argumenten voor en tegen het Frans in Vlaanderen waarmee Hensley aan de slag gaat. Uiteraard bouwt de auteur voort op een lange onderzoekstraditie: zo heeft C&#x00E9;line Pr&#x00E9;aux uitvoerig geschreven over de positie van het Frans in Vlaanderen (2011, 2013) en is de Belgische taalkwestie door tientallen historici onder de loep genomen. De auteur vermeldt een aantal onder hen, hoewel hij zijn specifieke inbreng minder duidelijk profileert, ook ten aanzien van Pr&#x00E9;aux (die zich voornamelijk op Antwerpen richt, terwijl Hensleys voorkeur naar Gent gaat, maar zonder Leuven en Brugge uit het oog te verliezen). Ook verwijst hij naar theoretisch werk over rechten voor taalminderheden, nationale onverschilligheid en francofonie, waarvan hij enkele concepten inzet bij de analyse van de attitudes en stellingen van een aantal actoren.</p>
<p>De volgende hoofdstukken zijn chronologisch opgebouwd. De auteur zoekt daarbij telkens naar markante plaatsen, gebeurtenissen en figuren, die hij samenweeft tot een gedocumenteerd narratief. Zo opent hij met een hoofdstuk over de periode 1873-1914, bespreekt er de rol van de opkomende Vlaamse Beweging die de Franse hegemonie contesteerde, de weerstand van de Franstaligen (onder meer in Gent, via een Association flamande pour la vulgarisation de la langue fran&#x00E7;aise), en de nieuwe taalwetten: de wet van 1873 die het taalgebruik in rechterlijke zaken regelde en uiteraard de gelijkheidswet van 1898, die het Nederlands naast het Frans tot offici&#x00EB;le taal verhief. Ook de rol van Kerk en onderwijs en de vernederlandsing van de Gentse universiteit komen aan bod.</p>
<p>Het derde hoofdstuk focust op de oorlogsjaren, die cruciaal zijn voor de positie van het Frans in Vlaanderen. Centrale thema&#x2019;s zijn de taalkwestie aan het front, de Duitse <italic>Flamenpolitik</italic>, de Gentse universiteit, de Raad van Vlaanderen, en de groeiende spanningen tussen &#x2018;flaminganten&#x2019; en &#x2018;fransquillons&#x2019;. Hoofdstuk 4 behandelt een deel van het interbellum, tot 1932. In die periode werd Nederlands de taal van het onderwijs en het bestuur &#x2013; later, in 1935, volgden ook de rechtbanken. In het economische, culturele en sociale leven bleef het Frans evenwel prominent aanwezig. In hoofdstuk 5 stelt Hensley dat de Tweede Wereldoorlog geen fundamentele breuk met het bestaande taalbeleid teweegbracht. Zoals blijkt uit hoofdstuk 6 deden de belangrijkste verschuivingen zich pas in de jaren 1960 voor: de beperkingen op de Franstalige scholen in Vlaanderen, de vastlegging van de taalgrens, de splitsing van de Leuvense universiteit, de hervorming van Franstalige verenigingen, en het verdwijnen van de Franstalige pers in Vlaanderen. In een afsluitend zevende hoofdstuk wijst Hensley op de &#x2018;continuing echoes&#x2019; van de Franstalige Vlamingen in hedendaagse debatten rond identiteit, vrijheid en minderheden.</p>
<p>Voor lezers die vertrouwd zijn met de Belgische taalgeschiedenis roept dit boek geregeld een gevoel van d&#x00E9;j&#x00E0; vu op. Wie daarentegen vertrekt vanuit een taalkundige, sociologische of vertaalwetenschappelijke invalshoek, blijft achter met een reeks onbeantwoorde vragen. Hoe representatief kan men een narratief noemen dat zich baseert op een al bij al beperkt aantal uitspraken over het statuut van het Frans in enkele grote en middelgrote Vlaamse steden? Over de positie van het Frans in kleinere Vlaamse steden en gemeenten vernemen we nauwelijks iets, evenmin als over het taalgebruik binnen gemeentelijke administraties en lokale politieke instellingen. Voorts blijft het taalbewustzijn van Franstaligen in Vlaanderen grotendeels buiten beeld. Nochtans gaat het om een cruciale kwestie: sociolingu&#x00EF;sten hebben uitgebreid onderzoek verricht naar de taalattitudes van Franstaligen: onder meer Michel Francard wijst op een uitgesproken gevoel van taalonzekerheid bij Franstalige Belgen. De vraag rijst of dat gevoel zich ook in Vlaanderen manifesteerde.</p>
<p>Bovendien dekt de noemer &#x2018;Frans in Vlaanderen&#x2019; een bijzonder complexe realiteit, aangezien begrippen als <italic>fran&#x00E7;ais de Flandre</italic>, <italic>fran&#x00E7;ais de Belgique</italic> en <italic>fran&#x00E7;ais de France</italic> geenszins samenvielen. Dat onderscheid zal Vlamingen niet zijn ontgaan, maar om dit te onderbouwen is verder onderzoek noodzakelijk. Hetzelfde geldt, en misschien nog meer, voor het effectieve taalgebruik en in het bijzonder voor de interactie tussen Vlaams en Frans. Hoe gaven Franstaligen in Vlaanderen betekenis aan vertalen en meertaligheid binnen een diglossie-context van voortdurende interactie tussen Frans en Nederlands? In dat verband is de studie van Eline Vanhecke uit 2004 over het samengaan van gemeentelijke kanselarijtalen in het negentiende-eeuwse Vlaanderen bijzonder verhelderend.</p>
<p>Toegegeven: dergelijke vragen staan vandaag vooral op de agenda van Belgische taal- en vertaalwetenschappers, die er in de toekomst trouwens baat bij hebben nauw samen te werken met historici. Het hier besproken boek stelt zich een ander doel: het beoogt een actueel overzicht te bieden van de stand van zaken voor een Engelstalig publiek. In die ambitie slaagt de auteur: de lezer krijgt een uitvoerig, genuanceerd en helder gestructureerd historisch overzicht aangereikt van de evolutie van het Frans in Vlaanderen.</p>
</body>
</article>