<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD with MathML3 v1.4 20241031//EN" "JATS-journalpublishing1-4-mathml3.dtd">
<article article-type="book-review" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xml:lang="en" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.26580</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.26580</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject></subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Voor het hogere bestemd. De vorming van een katholieke elite aan drie Nijmeegse jongensinternaten, 1920-1970</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Van Ruyskensvelde</surname>
<given-names>Sarah</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1"><sc>ku</sc> Leuven</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>03</month>
<year>2026</year>
</pub-date>
<volume>141</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20260005</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Smulders</surname><given-names>Marieke</given-names></name>
</person-group>
<source>Voor het hogere bestemd. De vorming van een katholieke elite aan drie Nijmeegse jongensinternaten, 1920-1970</source>
<publisher-loc>Amsterdam</publisher-loc>
<publisher-name>Amsterdam University Press</publisher-name>
<year>2023</year>
<page-range>376 pp.</page-range>
<isbn>9789048559077</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2026 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2026</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.26580"/>
<counts>
<page-count count="3"/>
</counts>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Binnen de pedagogische historiografie &#x2013; het vakgebied dat zich richt op de studie van het opvoedings- en onderwijsverleden &#x2013; nemen de &#x2018;collegegeschiedenissen&#x2019; een bijzondere plaats in. Veel van deze geschiedenissen werden immers ge&#x00EF;nitieerd en opgetekend door de betrokken instellingen zelf, doorgaans naar aanleiding van een jubileum. Het gevolg daarvan is dat het genre veelal een sterke <italic>institutional gaze</italic> vertoont. In heel wat werken die het schoolse leven van &#x00E9;&#x00E9;n of meerdere colleges beschreven, is de aandacht uitgegaan naar de &#x2018;grote ijkpunten&#x2019; en &#x2018;grote figuren&#x2019; in de levensloop van een onderwijsinstelling. Leerlingen, ouders en leerkrachten verschenen dan ook vaak slechts als figuranten in een historisch narratief dat vooral de instelling beoogde te bejubelen.</p>
<p>Marieke Smulders&#x2019; comparatieve studie van drie Nijmeegse katholieke jongensinternaten breekt met deze traditie. <italic>Voor het hogere bestemd</italic> biedt een zuivere lofzang noch eenzijdige kritiek op het pedagogische project van katholieke elitevorming van deze onderwijsinstellingen, maar is een historisch erg gelaagde verkenning van het schoolse leven aan het Dominicus College van de Nijmeegse dominicanen, het door redemptoristen geleide Nebo, en het Canisius College, dat door jezu&#x00EF;eten werd ingericht, in de periode tussen 1920 en 1970. Smulders&#x2019; centrale onderzoeksvraag is of, en hoe, deze drie onderwijsinstellingen hebben bijgedragen aan de transformatie van de katholieke cultuur in Nederland. Het boek beantwoordt deze vraag met een analyse van de manieren waarop de pedagogische actoren &#x2018;aan de basis&#x2019; &#x2013; opvoeders, leraren, leerlingen en hun ouders, die in heel wat collegegeschiedenissen afwezig blijven &#x2013; invulling en betekenis gaven aan het vormingsideaal van een toekomstige katholieke &#x2018;voorhoede&#x2019;.</p>
<p>Het resultaat van deze analyse is een vlot geschreven en daardoor ook bijzonder leesbare studie, die zich op heel wat vlakken laat opmerken. Een eerste belangrijk kenmerk is de gekozen temporele lens. Smulders&#x2019; studie bestrijkt ruim een halve eeuw; een relatief lange historische periode die de auteur in twee chronologisch onderscheiden delen bespreekt: het eerste deel bestrijkt de periode tussen 1920 en 1950, het tweede de naoorlogse periode van 1950 tot 1970. Deze opzet van de studie maakt het mogelijk om de historische evoluties in het katholieke vormingsproject van drie Nijmeegse internaatsinstellingen voor jongens uit te lichten, en deze verschuivingen te contextualiseren binnen bredere maatschappelijke ontwikkelingen en pedagogische tendensen.</p>
<p>Het startpunt van de studie, de jaren twintig, is in dat opzicht bijzonder relevant en goed gekozen. Zoals de internationale pedagogische historiografie immers uitgebreid heeft gedocumenteerd, werden de jeugd en het onderwijs tijdens het interbellum, mede vanuit een groeiende bezorgdheid over de &#x2018;uitwassen&#x2019; van de moderniteit, een cruciale arena van katholieke pedagogische actie en massamobilisatie. Ook het eerste deel van Smulders&#x2019; studie toont hoe de drie onderwijsinstituten in deze periode hun pedagogische opdracht overwegend vormgaven vanuit een klerikaal geori&#x00EB;nteerde traditie. Tegelijkertijd laat de auteur zien hoe de paters in deze periode &#x2013; hoe voorzichtig ook &#x2013; een openheid tot modernisering en onderwijshervorming vertoonden. De analyse wijst er immers op dat de katholieke elitevorming niet louter werd aangedreven door traditioneel-religieuze opvoedingsidealen en -principes, maar evenzeer door de verwachtingen die de bredere maatschappij stelde, bijvoorbeeld bij monde van ouders en leerlingen, en door de praktische realiteit van het schoolhouden. Concreet ging het daarbij onder meer over de veranderende positie van de zogeheten b&#x00E8;tavakken en de modernisering van de infrastructuur en gebouwen, die waren &#x2018;afgestemd op de wensen van de twintigste-eeuwse mens&#x2019; (105). Precies op dat punt laat het werk de <italic>agency</italic> van de pedagogische actoren aan de basis zien, en daarmee ook het belang van een cultuurhistorisch perspectief op deze geschiedenis.</p>
<p>In de naoorlogse periode (dus tussen 1950 en 1970), zo toont Smulders, maakte die overwegend &#x2018;traditioneel-klerikale invulling&#x2019; plaats voor inzichten uit de psychologie. Het collectieve karakter van de godsdienstige en intellectuele elitevorming werd steeds meer vervangen door een toenemende aandacht voor de individuele leerling, zijn gewetensvorming en persoonlijke (geloofs-)beleving. Daarmee illustreert deze studie zeer concreet hoe de psychologie in de naoorlogse periode inderdaad van een &#x2018;hulpwetenschap&#x2019; van de pedagogiek naar &#x00E9;&#x00E9;n van de belangrijke legitimerende gronden voor de pedagogische praxis evolueerde.</p>
<p>Hoewel het boek dit relatief beperkt uitdiept, wijst het ook op de zeer ambigue gevolgen die deze verruiming van het katholieke identiteitsbegrip en dito vormingsproject had. Enerzijds bood ze leerlingen meer bewegingsvrijheid, wat zich onder meer uitte in hun grotere <italic>agency</italic> in het zelf vormgeven van de schoolse activiteiten. Tegelijkertijd lijkt de door Smulders treffend beschreven &#x2018;transformatie van een klerikaal-intellectuele cultuur naar een gymnasiumcultuur met katholieke toets&#x2019; ook twijfels over de eigenheid en identiteit van het katholieke vormingsproject te hebben veroorzaakt (355). Die spanning wordt zeer zichtbaar in het slothoofdstuk, waarin de neergang en uiteindelijke sluiting van de internaatsopleidingen aan de drie instellingen worden beschreven. De dalende populariteit en veranderende realiteit van de internaatsopleiding, een tekort aan docenten, en de toename van &#x2018;profane&#x2019; lekenleraren deden de vanzelfsprekendheid en betekenis van het vormingswerk als apostolaatswerk duidelijk ook verschuiven.</p>
<p>Interessant is dat dit boek laat zien dat &#x2013; hoewel de besproken tendensen aan alle drie de bestudeerde onderwijsinstellingen een uitwerking hadden &#x2013; er toch ook grote onderlinge verschillen bestonden; meer zelfs, Smulders documenteert uitgebreid de dynamieken van interne spanning <italic>binnen</italic> eenzelfde instelling. Een tweede zeer sterke component van dit boek is dus het comparatieve aspect ervan. Zo wijst Smulders erop dat dominicanen en redemptoristen veelal een binnenkerkelijke finaliteit van hun opvoedingsproject vooropstelden. De kleinseminarieopleidingen van het Dominicus College en de Nebo golden immers vooral als een voorbereiding op het priesterschap. De jezu&#x00EF;eten, daarentegen, profileerden hun vormingswerk hoofdzakelijk als een brede (katholieke) gymnasiumopleiding die voorbereidde op universitaire studies en de opleiding van een toekomstige maatschappelijke elite. Door deze comparatieve lens zet <italic>Voor het hogere bestemd</italic> een genuanceerd en uiterst gelaagd historisch narratief neer dat het vaak veronderstelde beeld van consensus en onveranderlijkheid van de Rooms-Katholieke Kerk en haar instellingen grondig bijstelt.</p>
<p>Niettemin is het enigszins jammer dat Smulders de relevantie van haar studie vrijwel uitsluitend aan de <italic>histoire religieuse</italic> lijkt te willen koppelen. Hoewel deze disciplinaire inbedding uiteraard relevant en dus legitiem is, rijst de vraag of die eenduidige paradigmatische positionering voldoende recht doet aan de rijkheid van de empirische analyse en de reikwijdte van de conclusies ervan. De studie werpt immers niet enkel een licht op processen van betekenisgeving in relatie tot de katholieke identiteitsvorming in Nederland, maar evenzeer op de vaak moeizame weg van de onderwijsvernieuwing. Het explicieter in dialoog brengen van verschillende studiedomeinen waaraan dit werk raakt, had de analyse mogelijk extra reli&#x00EB;f kunnen geven. Dat doet evenwel niets af aan het belang van een boek dat, precies door zijn aandacht voor de <italic>agency</italic> van leerlingen, ouders en opvoeders-docenten, een zeer belangrijke bijdrage levert aan de geschiedenis van het katholieke onderwijs- en opvoedingsproject.</p>
</body>
</article>