<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD with MathML3 v1.4 20241031//EN" "JATS-journalpublishing1-4-mathml3.dtd">
<article article-type="book-review" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xml:lang="en" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.25305</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.25305</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject></subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Zo veel leven voor de deur. Een geschiedenis van alledaags Amsterdam in de zeventiende en achttiende eeuw</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Spliet</surname>
<given-names>Bas</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universiteit Utrecht</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>12</month>
<year>2025</year>
</pub-date>
<volume>140</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20250075</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Pierik</surname><given-names>Bob</given-names></name>
</person-group>
<source>Zo veel leven voor de deur. Een geschiedenis van alledaags Amsterdam in de zeventiende en achttiende eeuw</source>
<publisher-loc>Amsterdam</publisher-loc>
<publisher-name>Meulenhoff</publisher-name>
<year>2024</year>
<page-range>256 pp.</page-range>
<isbn>9789029098281</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2025 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2025</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.25305"/>
<counts>
<page-count count="3"/>
</counts>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>In de zomer van 1742 getuigde Elisabeth Croen bij een Amsterdamse notaris over het fysiek en emotioneel leed dat ze de weken daarvoor had moeten ondergaan. Begin augustus was ze met ene Jan de Wilde in het huwelijk getreden, een man die ze op 31 juli had ontmoet op het (nu voormalige) stadseiland Marken en die zich had ge&#x00EF;ntroduceerd als een bakker die zeven huizen zou bezitten. Niet zozeer het feit dat hij Elisabeth tot seks dwong op de avond van hun verloving tijdens een stadsparkwandeling in de Plantage, maar vooral zijn valse beloftes gaven aanleiding tot Croens getuigenis. Jan had een valse achternaam gegeven en hij was helemaal geen bakker, maar een bezitloze crimineel die als klap op de vuurpijl ook nog eens rooms-katholiek bleek te zijn. Verschillende andere vrouwen getuigden eveneens over de kortstondige verloving en de verslagen daarvan geven zo inzage in de gegenderde solidariteitsnetwerken van de stedelijke samenleving.</p>
<p>Daarnaast doorprikt de notari&#x00EB;le attestatie het door vroegmoderne mannen beschreven ideaalbeeld van de Nederlandse huisvrouw, die het publieke (straat)leven moest overlaten aan het mannelijke geslacht. Bob Pierik laat in zijn analyse van Amsterdamse getuigenisverklaringen zien dat &#x2018;vrouwen allesbehalve aan huis gekluisterd waren&#x2019; (35), zelfs als mannen in de notari&#x00EB;le akten gemiddeld gezien vaker en verder van huis werden aangetroffen. Met zijn in 2022 verdedigde proefschrift sneed Pierik een genderdimensie aan in het diverse onderzoek naar getuigenisverklaringen, een brontype dat sterk in opmars is bij historici van de Lage Landen. Nu heeft de Nederlandse historicus zijn Engelstalig proefschrift verwerkt tot een uiterst vlot leesbaar publieksboek, op en top met bijgevoegde stadswandelinginstructies. Met zijn verhalend talent is Pierik zonder twijfel geslaagd in zijn zelfverklaarde doel. Lezers van <italic>Zo veel leven voor de deur</italic> zullen zich bij hun volgende bezoek aan Amsterdam kunnen &#x2018;voorstellen [hoe] de mensen van vroeger [&#x2026;] de ruimte gebruikten en opeisten&#x2019; (17).</p>
<p>Maar kunnen wetenschappers ook iets leren uit dit publieksboek? Er is bijvoorbeeld al geruime tijd een consensus onder historici over het feit dat vroegmoderne Nederlandse vrouwen zich wel degelijk in het publieke leven mengden en in groten getale actief waren op de arbeidsmarkt. Pierik verwijst dan ook regelmatig naar de reeds omvangrijke genderhistoriografie van de pre-industri&#x00EB;le Lage Landen, bijvoorbeeld in het vierde hoofdstuk over seks en het vijfde hoofdstuk over werk. Het belang van <italic>Zo veel leven voor de deur</italic> zit dan ook minder in de vooropstelling van nieuwe verklaringsmodellen en meer in zijn ideografische opzet. Wat voor de notarissen en getuigen louter contextinformatie was, geeft historici een zeldzaam houvast om tot het leven van alledaagse Amsterdammers door te dringen. Net daarom vormt een databank van notari&#x00EB;le getuigenisverklaringen, die de laatste jaren vooral kwantitatief zijn benaderd om bijvoorbeeld patronen in vrouwenarbeid en tijdsbesteding bloot te leggen, een uitgelezen aanknopingspunt om meetbare trends te integreren met <italic>close reading</italic>.</p>
<p>Voor twee voorbeelden van het nut van deze ideografische insteek verwijs ik naar het tweede hoofdstuk, waar Pierik conflict over de schaarse stadsruimte voor het voetlicht plaatst. Uit kwantitatief onderzoek naar boedelinventarissen weten we dat hoofddeksels een belangrijke plaats innamen in de vroegmoderne kledingkast, maar daarmee zou je nog niet verwachten dat hoeden, mutsen en pruiken in de notari&#x00EB;le attestaties vaker voorkwamen dan andere kledij. Pierik laat zien dat getuigen van conflictsituaties de ontbloting van het hoofd vaak vermeldden om de ernst van de zaak te onderstrepen (96-98). Hiermee geeft hij inzage in de sociale waarde die de stedelijke gemeenschap hechtte aan hoofddeksels en onthult hij zo een nieuw inzicht over de vroegmoderne materi&#x00EB;le cultuur. Dit geldt ook voor de woonomstandigheden van onvermogende Amsterdammers. Uit de geschriften van eigentijdse ooggetuigen is duidelijk dat arme gezinnen vaak samengepropt waren in achterhuizen, kelders en kamers. Toch blijven dergelijke appartementen avant la lettre verduisterd in kwantitatieve en ruimtelijke studies over (woon)ongelijkheid. Deze baseren zich doorgaans op huurbelastingen, die werden geheven op gebouwen en hierdoor meestal ongedocumenteerd lieten wanneer er zich verschillende wooneenheden onder &#x00E9;&#x00E9;n dak bevonden. De regelmaat waarmee donkere gangen, kleine kamerwoningen en dunne binnenmuren tot verstikkende conflictsituaties leidden en zo in de getuigenisverklaringen opduiken, vormt een sprekende waarschuwing voor een al te blinde focus op kwantificeerbaar bronmateriaal. Pierik heeft dus gelijk dat een kwalitatieve lezing in dit geval de &#x2018;details van woonomstandigheden [laat] zien die anders simpelweg onzichtbaar zouden blijven&#x2019; (114).</p>
<p>Het derde hoofdstuk beschrijft hoe Amsterdamse straten steeds meer &#x2018;de functie van doorgangsruimte&#x2019; (121) kregen tijdens de fenomenale groei van de stad. Opzichtige koetsen rijmden noch met de logistieke prioriteiten van de handelsmetropool, noch met de befaamde morele ingetogenheid van de zeventiende eeuw. Ze werden daarom verboden in 1634. Voor het straatvervoer van zowel handelswaar als rijke Amsterdammers werd in deze periode doorgaans gebruikgemaakt van (koets)sledes, waarbij een sleper het aangekoppelde paard overigens al wandelend moest leiden om de verkeersveiligheid te bewaren. Het feit dat koetsen in de loop van de achttiende eeuw alsnog werden toegelaten in met name de luxueuze grachtengordel past in de bestaande historiografie over toenemende sociale ongelijkheid en opzichtige consumptie, maar toch bieden de getuigenisverklaringen ook hier een vernieuwend perspectief. Een gevolg van de beleidsaanpassing was bijvoorbeeld een mentaliteitsverandering die voetgangers steeds meer verantwoordelijk hield voor hun eigen veiligheid, wat uitmondde in (soms fatale) ongelukken.</p>
<p>Het laatste hoofdstuk van <italic>Zo veel leven voor de deur</italic> gaat over werk. Wederom stelt de auteur de genderbreuklijn voorop. Eerder onderzoek toonde reeds dat &#x2018;voor vrouwen niet-werken uitzonderlijker was dan wel werken&#x2019; (193), maar Pierik vernieuwt door de structurele afwezigheid van vrouwelijke beroepstitels in vroegmoderne bronnen te omzeilen met behulp van de contextschetsen uit de Amsterdamse getuigenisverklaringen. Deze onthullen vrouwen die vooral binnenshuis aan de slag waren, maar niet noodzakelijk zonder betaling of in hun eigen huis. Pierik vond geen chronologische trend in de ruimtelijkheid van vrouwenarbeid, terwijl het aandeel mannen dat buitenshuis werkte net duidelijk toenam in de achttiende eeuw. Vele &#x2018;thuiswerkers&#x2019; woonden bovendien in werkelijkheid als knechten in bij hun baas en waren zo onderdeel van zogenaamde &#x2018;fabriekshuishoudens&#x2019; (220). Daarbij benadrukt Pierik vooral de sociale dimensie, zo getuigt een bierhuisgevecht tussen samenwonende brouwers- en suikerraffinaderijknechten uit 1750. Hier mist Pierik een kans om zijn sociale geschiedenis van het vroegmoderne Amsterdam te koppelen aan de bredere (economische) historiografie. Het verband met het krimpen van de onafhankelijke ambachtsmiddengroepen en de toenemende proletarisering in de achttiende eeuw lijkt hier voor de hand te liggen, maar daar wordt verder niet op ingegaan.</p>
<p>Dit laatste toont dat Pierik soms misschien net iets te bezorgd is dat de tekst goed te volgen is voor het bredere publiek. Nochtans hoeven leesbaarheid en analytisch inzicht elkaar niet uit te sluiten. Zo zou wat mij betreft het narratief net versterkt worden door de overname van een aantal toonaangevende afbeeldingen uit de doctoraatsverhandeling, bijvoorbeeld de <sc>gis</sc>-kaart die koetsbezit in 1742 concentreert in de grachtengordel. Anderzijds kunnen geprikkelde lezers die aan het einde van het boek op hun honger blijven zitten voor een diepgaandere analyse via een <sc>qr</sc>-code alsnog het academische proefschrift raadplegen (230). Bovendien weten maar weinig historici hun specialistisch doctoraatsonderzoek te vertalen naar een spraakmakend publieksboek en zo een bredere kring lezers aan te trekken &#x2013; ook binnen de wetenschappelijke sector. In dat opzicht is Pierik meer dan geslaagd in zijn doel.</p>
</body>
</article>
