<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD with MathML3 v1.4 20241031//EN" "JATS-journalpublishing1-4-mathml3.dtd">
<article article-type="book-review" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xml:lang="en" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.25302</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.25302</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject></subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Betrokken burgers. Stedelijk burgerschap van republiek naar koninkrijk</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Rutjes</surname>
<given-names>Mart</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universiteit van Amsterdam</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>12</month>
<year>2025</year>
</pub-date>
<volume>140</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20250077</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Boender</surname><given-names>Carolien</given-names></name>
</person-group>
<source>Betrokken burgers. Stedelijk burgerschap van republiek naar koninkrijk</source>
<publisher-loc>Amsterdam</publisher-loc>
<publisher-name>Prometheus</publisher-name>
<year>2024</year>
<page-range>368 pp.</page-range>
<isbn>9789044654349</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2025 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2025</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.25302"/>
<counts>
<page-count count="3"/>
</counts>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>De periode 1750-1850 staat in de Nederlandse geschiedschrijving flink in de belangstelling. Met name de interne staatkundige en nationale politieke ontwikkelingen zijn onderwerp van onderzoek. Hoe verliep de overgang van republiek naar koninkrijk? Met welke wettelijke veranderingen ging deze gepaard? Wat was de invloed van revolutie (1780-1800) en restauratie (1813-1830) op deze veranderingen? In al dit recente onderzoek raakte de impact die deze ontwikkelingen hadden op het functioneren van lokale gemeenschappen enigszins ondergesneeuwd. Hoe pasten gemeenschappen zich aan de nieuwe omstandigheden aan, en in hoeverre waren veranderingen die rond 1750 werden ingezet een eeuw later zichtbaar in de samenleving? In het Leidse <sc>nwo</sc>-project <italic>The Persistence of Civic Identities in the Netherlands, 1747-1848</italic> heeft een groep onderzoekers zich de afgelopen jaren gericht op het beantwoorden van deze vragen.</p>
<p>Carolien Boender, de auteur van het proefschrift waarvan <italic>Betrokken burgers</italic> de handelseditie is, onderzocht de ontwikkeling van het stedelijk burgerschap in de periode 1747-1848. De onderzoeksvraag luidt daarbij hoe inwoners van steden het voor elkaar kregen de samenleving te laten functioneren in dikwijls zeer onzekere tijden. Ze koos Haarlem en Groningen als casussen vanwege hun elkaar aanvullende karakteristieken. Haarlem was, net als veel andere Hollandse steden, in verval geraakt aan het eind van de achttiende eeuw, terwijl dat in Groningen minder het geval was. Daarnaast verschilden beide steden in hun interne machtsdynamieken en relaties met de regio. Er waren ook overeenkomsten: net als Haarlem kende Groningen een sterke patriottenbeweging en aanvankelijke steun voor de Bataafse Revolutie van 1795.</p>
<p>De (dis)continu&#x00EF;teit van lokaal burgerschap wordt op verschillende niveaus onder de loep genomen. In het eerste deel van het werk staan praktijken centraal die verband hielden met de stedelijke eer en identiteit. Deze worden onderzocht aan de hand van hoofdstukken over gewelddadigheden rondom de Pachtersoproeren van 1747 en 1748 en de lokale Costerverering in Haarlem gedurende de hele periode 1750-1850. In het tweede deel gaat de aandacht uit naar de organisatie van het maatschappelijk leven in de steden. Een hoofdstuk over buurtorganisaties benadrukt vooral de continu&#x00EF;teit, door te laten zien dat lokale voorzieningen als begrafenissen en watervoorzieningen tot in ieder geval het midden van de negentiende eeuw overgelaten werden aan ingezetenen op buurtniveau. Het vierde hoofdstuk onderzoekt de interessante (uiteindelijke) opheffing van de gilden in de vroege negentiende eeuw en de vraag in hoeverre vakverenigingen de rol van de gilden wisten over te nemen. Het laatste deel gaat in op een andere traditionele rol van burgers: het verdedigen van de stad en het bewaken van de openbare orde. Hoofdstuk 5 richt zich op de rol en ontwikkeling van de schutterij en haar opvolgers, en analyseert de rol van stedelijke milities in 1813, 1830 en 1848. Hoofdstuk 6 bespreekt de herinneringscultuur van een eerder historisch moment van succesvolle burgerwapening, het Gronings ontzet van 1672. De koppeling van de herdenking aan idealen van burgerschap leidde tot een politisering van het beeld van de strijdbare burger. Dat ideaalbeeld was namelijk afhankelijk van welke politieke groep op bepaalde momenten aan de macht was en kon bepalen welke andere burgers daarbij als vijand golden: patriotten, Orangisten of Belgen.</p>
<p>In haar conclusie benadrukt Boender dat de uiteenlopende lokale praktijken van burgerschap, inclusief de (zelf)identificatie van stadsbewoners als &#x2018;burgers&#x2019;, in de periode na het einde van de achttiende eeuw een proces van langzame verandering aan nieuwe omstandigheden laat zien. De zwaartekracht van de ingeslepen lokale praktijken had een dempend effect op de revolutionaire en centraliserende idealen van de Bataafs-Franse periode, terwijl het Restauratietijdvak vanuit dit perspectief een meer dynamisch karakter krijgt. Ondanks de depolitisering op nationaal niveau bleef politiek engagement immers wel bestaan aangaande lokale en regionale kwesties.</p>
<p>Om de volle breedte van lokale praktijken te kunnen vatten gebruikt Boender in dit onderzoek het begrip &#x2018;betrokken burgerschap&#x2019;. Dat definieert zij als &#x2018;betrokkenheid bij de lokale gemeenschap door verantwoordelijkheid daarover te dragen, bijvoorbeeld via praktische taken binnen de stad. Ook gaat het over het uitoefenen van invloed op het lokale beleid via deze praktijken&#x2019; (21). Tegelijkertijd omvat het de &#x2018;loyaliteit voor de lokale gemeenschap, op basis van idealen over goed bestuur en burgerschap, ook buiten (formele) representatie om&#x2019; (273). Deze brede definitie van burgerschap, waarin sociaal-maatschappelijke en politiek-culturele aspecten van het begrip samenkomen, heeft overduidelijke voordelen. Praktijken die vanuit een juridische of politieke opvatting van burgerschap buiten beeld blijven, zoals de taken van buurtorganisaties, komen op deze manier op de radar van de burgerschapsonderzoeker. Het lokale perspectief biedt bovendien de mogelijkheid om de strijd tussen nationale machthebbers en vertegenwoordigers van lokale belangen, die zich paradoxaal vaak verenigden in bovenlokale samenwerkingsverbanden, te bestuderen. Dit gebeurt in de mooie passage over het debat over de opheffing van de gilden tijdens de Bataafse Republiek en de reacties van de Hollandse gilden daarop in hoofdstuk 4. Deze studie laat overtuigend en op creatieve wijze de rijkheid zien van de publieke praktijken die de lokale samenleving reguleerden, van het economisch leven via vakverenigingen, het organiseren van begrafenissen en watervoorziening in buurtorganisaties tot de verdediging van de stad in schutterijen en milities. Daarbij toont het onderzoek ook hoe deze praktijken aangepast werden aan de nieuwe omstandigheden.</p>
<p>De brede (culturele) definitie van burgerschap waarin de nadruk ligt op gemeenschapsgevoel en loyaliteit heeft ook een keerzijde. Zo blijft geregeld onduidelijk voor <italic>wie</italic> dit betrokken burgerschap precies gold. In de inleiding wordt wel aangekaart dat burgerschap verbonden is met processen van in- en uitsluiting, en dat de bronnen die voor dit onderzoek zijn gebruikt vooral de betrokkenheid van welgestelde mannelijke stedelingen reflecteren; &#x2018;vrouwen, armen en joden horen we [er] weinig in terug&#x2019; (27). Maar in de hoofdstukken krijgen deze in- en uitsluitingsmechanismen geen centrale rol in de analyse, waardoor de vraag welke (groepen) stadsinwoners in de onderzochte periode toegang tot bepaalde praktijken behielden dan wel verloren of verkregen niet consequent beantwoord wordt.</p>
<p>Het onderzoek geeft hier wel aanknopingspunten voor. Het hoofdstuk over de schutterijen, bijvoorbeeld, laat zien dat de verdediging van de stad na de afschaffing van het formele stadsburgerschap nog altijd als een burgertaak (in dit geval exclusief voor mannen) gezien werd. In 1813 hadden in Haarlem ruim vijfhonderd mannen deelgenomen aan de vrijwillige militie, maar bij de herziening ervan in 1816 gingen er stemmen op om degenen te ontslaan die de middelen niet hadden om een uniform aan te schaffen. Hoe verliep de overgang van een formele plicht binnen het stadsburgerschap naar een klassengebonden recht op deelname aan de burgerwapening precies? Waren de leden van de schutterij die in 1848 optraden afkomstig uit dezelfde groepen van de stedelijke samenleving als in 1747-1748, of was daar toch iets in veranderd? Diezelfde vraag zou men kunnen stellen over de vakverenigingen die veelal de functies van de gildes overnamen in de eerste helft van de negentiende eeuw. Deze organisaties maakten rond 1800 een proces van interne democratisering door. Werden de vakverenigingen daarmee ook opener van aard dan hun voorgangers, of juist meer gesloten?</p>
<p>Het boek eindigt met de oproep om de in- en uitsluitingsmechanismen van het vroegmoderne burgerschap en het nieuwe staatsburgerschap in elkaars verlengde te bestuderen. Dit werk laat zien hoe relevant deze oproep is, en ook waar onderzoekers antwoorden kunnen vinden op deze vragen: op het lokale niveau.</p>
</body>
</article>
