<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.24872</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.24872</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject></subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Literair vermaak in de zeventiende eeuw</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Salman</surname>
<given-names>Jeroen</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universiteit Utrecht</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>10</month>
<year>2025</year>
</pub-date>
<volume>140</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20250061</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Jansen</surname><given-names>Jeroen</given-names></name>
</person-group>
<source>Literair vermaak in de zeventiende eeuw</source>
<publisher-loc>Amsterdam</publisher-loc>
<publisher-name>Amsterdam University Press</publisher-name>
<year>2024</year>
<page-range>544 pp.</page-range>
<isbn>9789048563876</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2025 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2025</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.24872"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Dit boek is een zeer gedetailleerd po&#x00EB;ticaal-retorisch onderzoek naar de vermaaksfuncties van zeventiende-eeuwse literatuur. Het onderwerp en de aanpak zijn Jeroen Jansen zeker toevertrouwd. Zo publiceerde hij eerder drie indrukwekkende boeken over centrale concepten uit de renaissancepo&#x00EB;tica die een richtsnoer vormden voor Nederlandse dichters en schrijvers. Jansen vulde hiermee een belangrijke lacune in onze kennis over literatuuropvattingen in de zestiende en zeventiende eeuw, temeer omdat expliciet po&#x00EB;ticale Nederlandse geschriften schaars zijn. In <italic>Brevitas</italic> (1995) keek Jansen naar de stilistische en retorische technieken die auteurs in deze periode hanteerden of navolgden om bondig en effectief te schrijven. In <italic>Decorum</italic> (2001) analyseerde hij de manier waarop de klassieke literaire principes van &#x2018;gepastheid&#x2019; en &#x2018;waarschijnlijkheid&#x2019; werden toegepast door Nederlandse auteurs. In <italic>Imitatio</italic> (2008) probeerde Jansen vast te stellen hoe het &#x2018;navolgen&#x2019; van (voornamelijk) klassieke auteurs door Nederlandse renaissance-auteurs werd ge&#x00EF;nterpreteerd, aangeleerd en toegepast. Deze studies hebben vanwege de vele verwijzingen, voorbeelden en citaten niet alleen een belangrijke bijdrage geleverd aan het literair-theoretisch onderzoek in Nederland, maar zijn ook nuttige handboeken voor het (academisch) letterkundig onderwijs. Met deze nieuwe studie paart Jansen opnieuw een po&#x00EB;ticale onderzoekstraditie aan een eigentijdse, functionalistische benadering van historische letterkunde. Maar het boek is meer dan dat: het is tegelijkertijd een literair-theoretische, cultuurhistorische en genrestudie.</p>
<p>De titel van deze monografie zet ons, of in ieder geval mij, enigszins op het verkeerde been. Ik verwachtte een boek over &#x2018;vermaaksliteratuur&#x2019;, oftewel populaire genres. Dat is het niet. Jansen onderzoekt namelijk hoe allerlei soorten literatuur, van canoniek tot niet-canoniek en van eenvoudig tot complex, de zeventiende-eeuwse lezer konden vermaken. In onderzoek naar het po&#x00EB;ticale tweetal <italic>utile dulci</italic>, of lering en vermaak, is met name het vermaak volgens Jansen stiefmoederlijk behandeld. Met dit boek wil hij daar verandering in brengen. De auteur erkent tegelijkertijd dat lering en vermaak lastig van elkaar te scheiden zijn. Dat komt bijvoorbeeld sterk tot uitdrukking in het eerste hoofdstuk over spreuken en spreekwoorden, als Franciscus Heermans <italic>Guldene annotatien</italic> (1631) wordt besproken. Het betreft hier een omvangrijk werk boordevol spreuken en levenswijsheden dat duidelijk een moreel doel diende, maar tegelijkertijd bedoeld was voor verstrooiing en tijdverdrijf.</p>
<p>Een bijkomend probleem waar Jansen voor stond is dat vermaak veel lastiger te defini&#x00EB;ren is dan lering. Hij volstaat dan ook met een meer algemene beschrijving van wat het begrip vermaak volgens hem inhoudt, met verwijzingen naar zeventiende-eeuwse denkers en auteurs als Jacob Cats en Dirck Pietersz. Pers, evenals latere wetenschappelijke autoriteiten op dit terrein als Michail Bakhtin, Peter Burke en Johan Verberckmoes (15-18). In feite vormen de hoofdstukken en analyses tezamen een brede inkadering van het begrip vermaak, waarbij Jansen zowel cultuurhistorische als cognitieve, psychofysiologische en sociologische benaderingen exploreert.</p>
<p>Jansen maakt vanaf het begin af aan duidelijk dat het hier geen leesonderzoek betreft. Hij doelt dan op het gebruik van egodocumenten als dagboeken of brieven om leeservaringen te analyseren. In zijn visie gaat het daarbij vaak om ge&#x00EF;soleerde uitspraken die niet zoveel zeggen over meer generieke functies van literatuur. Dit lijkt me een onderschatting van dit type bronnen en een aansporing om grondiger onderzoek te doen naar meer alledaagse leeservaringen in bijvoorbeeld almanakken en ander populair drukwerk. Het recente werk van Arianne Baggerman, <italic>De storm die wij vooruitgang noemen</italic> (2025) laat zien hoe een omvattend onderzoek naar egodocumenten ons beeld van het verleden kan verrijken.</p>
<p>Jansen kiest dus nadrukkelijk voor de teksten zelf als bron van literair vermaak, en die zijn er in ruime mate. Hij stelt dat intensieve tekstanalyse, bijvoorbeeld gericht op expliciete en impliciete leesstrategie&#x00EB;n, ons iets kan leren over hoe zeventiende-eeuwse literatuur gelezen en genoten moest en kon worden. Hij gaat ervan uit dat een tekst in deze periode per definitie een dialoog impliceert tussen auteur en lezer. Hij richt zijn blik daarbij op alle tekstuele, paratekstuele en visuele aspecten (bijvoorbeeld emblemata) van de teksten, om zich een beeld te vormen van hoe literatuur gelezen, ge&#x00EF;nterpreteerd en genoten kan zijn. Dat neemt niet weg dat hij wel degelijk zo nu en dan externe factoren als verkoopprijzen, koopgedrag en oplagen in ogenschouw neemt.</p>
<p>Jansen besteedt bovendien aandacht aan divergerend leesgedrag dat voortkomt uit leeftijd, koopkracht, geletterdheid en sekse. Dat kan tot uiting komen in verschillende typen teksten, vari&#x00EB;rend van de tragedies van Vondel tot kluchtspelen, maar ook in &#x00E9;&#x00E9;n tekst, zoals de <italic>Spaanse Brabander</italic> van Bredero, die door de literaire gelaagdheid verschillende typen publiek kon bedienen. Overigens beperkt Jansen zich terecht niet tot fictie, maar betrekt hij bij zijn onderzoek ook non-fictie, zoals geschiedschrijving, reisverhalen en wetenschappelijke teksten. Verfrissend is ook dat hij zeker niet alleen canonieke werken bespreekt, zoals die van Hooft, Vondel en Cats, maar ook niet-canonieke zoals doolhofboekjes, kluchtboeken en bruiloftsgedichten. Zonder zich om de re&#x00EB;le lezer te bekommeren, probeert Jansen toch zo dicht mogelijk bij de beleving door de zeventiende-eeuwse lezer te komen. Een illustratieve observatie in dat verband is dat auteurs hun lezers met hun literaire creativiteit de mogelijkheid bieden zichzelf te feliciteren met hun intelligentie als ze in staat blijken een geraffineerde tekst te doorgronden. De beloning wordt door de literaire auteur aangereikt: een diepe leeswijze levert een vorm van genot op.</p>
<p>De negen hoofdstukken van het boek behandelen verschillende genres die op hun beurt vier verschillende dimensies van vermaak representeren: intellectueel, zintuiglijk, emotioneel en sociaal. Zo gaat hoofdstuk 4, &#x2018;Gevoel, verstand, zintuiglijkheid&#x2019;, bijvoorbeeld over epigrammen en lyriek die door hun vernuft verwondering en bewondering genereren en hoofdstuk 8, &#x2018;In de groep&#x2019;, over raadsels, liederen, lyriek en verhalen die bedoeld zijn voor sociaal vermaak. Elk hoofdstuk kent een inzichtelijk slot, waarin de belangrijkste bevindingen nog eens worden opgesomd. In de conclusie komt Jansen tot de zeven centrale functies van zeventiende-eeuwse literair vermaak die de revue zijn gepasseerd: &#x2018;scherpzinnigheid, ontraadseling, zintuiglijkheid, verwondering, spanning, emotionaliteit en ontspanning&#x2019; (33).</p>
<p>Net als zijn andere drie genoemde studies biedt ook dit boek van Jansen de lezer een buitengewoon doorwrochte en gedetailleerde analyse. Hij toont aan alle relevante, nationale en internationale literatuur te kennen en past die zinvol in zijn argumentatie in. De omvangrijke bibliografie getuigt van zijn grote kennis van het veld. Jansen biedt in feite een literairwetenschappelijke synthese, die in de wereld van de historische letterkunde schaars is. Net als veel zeventiende-eeuwse literatuur kan deze studie op verschillende niveaus gelezen worden. Het is een geslaagde poging om diep door te dringen in wat literatuur in de zeventiende eeuw aantrekkelijk maakte. Maar het is ook een literair-theoretische reflectie op functionalistisch onderzoek, en een cultuurhistorisch werk dat ons veel leert over de zeventiende-eeuwse beleving van de natuur, de honger naar kennis en avontuur, de toenmalige betekenis van humor, en de waarde van sociale verbondenheid.</p>
<p>Jansen stelt in een slotwoord dat zijn verkenning van zeventiende-eeuwse literatuur zelfs relevantie heeft voor de actualiteit &#x2013; met name voor de bestrijding van de laaggeletterdheid onder onze middelbare schooljeugd: &#x2018;Scherpzinnige fictie, wonderbaarlijke avontuurlijkheid en zintuiglijke emotionaliteit scherpen niet alleen het verstand, maar zetten jongeren ook aan tot fantasie en creativiteit&#x2019; (457). Zoveel geloof in de moderne functie van oude literatuur lijkt wellicht wat hoog gegrepen, maar als er iemand is die het kan en mag beweren dan is het deze auteur wel.</p>
</body>
</article>