<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.24803</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.24803</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject></subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Swiss Mercenaries in the Dutch East Indies: A Transimperial History of Military Labour, 1848-1914</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Harmanny</surname>
<given-names>Azarja</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Nederlands Instituut voor Militaire Historie</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>10</month>
<year>2025</year>
</pub-date>
<volume>140</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20250056</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Krauer</surname><given-names>Philipp</given-names></name>
</person-group>
<source>Swiss Mercenaries in the Dutch East Indies: A Transimperial History of Military Labour, 1848-1914</source>
<publisher-loc>Leiden</publisher-loc>
<publisher-name>Leiden University Press</publisher-name>
<year>2024</year>
<page-range>236 pp.</page-range>
<isbn>9789087284145</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2025 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2025</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.24803"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Geen geld, geen Zwitsers. Het verhaal van Zwitserse huurlingen in Europese legers &#x2013; een praktijk die in de middeleeuwen begon en geleidelijk werd afgeschaft in de negentiende eeuw &#x2013; is algemeen bekend, getuige dit nog altijd courante gezegde. Minder bekend is dat Zwitsers ook in koloniale legers dienst namen, zelfs na de offici&#x00EB;le afschaffing van de Zwitserse huurlingenregimenten in 1859. Hoewel de opkomende natiestaat het in toenemende mate als onwenselijk beschouwde dat onderdanen in buitenlandse krijgsdienst traden, dienden tot begin twintigste eeuw nog enkele duizenden Zwitsers in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, het <sc>knil</sc>.</p>
<p>De Zwitserse historicus Philipp Krauer heeft met een analyse van de levens van deze mannen in <italic>Swiss Mercenaries in the Dutch East Indies</italic> een belangrijke lacune gevuld in de historiografie van Zwitserse huurlingen, waarbinnen de koloniale krijgsdienst een onderbelicht fenomeen is. Krauer geeft twee redenen voor die onderbelichte status in de historiografie. Ten eerste is daar de historische focus op de Zwitserse regimenten, die traditioneel uit de gegoede lagen van de samenleving werden gerekruteerd. De meer gemarginaliseerde geschiedenissen van de veelal uit lagere sociale klassen afkomstige huursoldaten die op individuele titel dienst namen in het <sc>knil</sc> of het Franse Vreemdelingenlegioen zijn nooit goed doorgedrongen in het collectieve geheugen. Dit brengt ons bij de tweede verklaring die Krauer voor de lacune aandraagt, namelijk dat de verhalen van koloniale verovering en geweld niet pasten binnen het Zwitserse zelfbeeld van een niet-koloniale natie &#x2013; volgens hem een vorm van &#x2018;colonial amnesia&#x2019; (154).</p>
<p>Het boek, gebaseerd op Krauers dissertatie, bouwt voort op Martin Bossenbroeks proefschrift <italic>Volk voor Indi&#x00EB;</italic> uit 1992, dat de werving van Europese militairen voor het <sc>knil</sc> analyseerde. Bossenbroek (en in zijn kielzog Krauer) beschrijft die militairen als de <italic>living tools of empire</italic>, een uitbreiding van de bekende these van Daniel Headrick dat technologische middelen het moderne imperialisme voor een belangrijk deel faciliteerden. Nederland, als klein land met omvangrijke koloni&#x00EB;n, leunde meer dan Frankrijk en Groot-Brittanni&#x00EB; op deze menselijke middelen. Het mag in dat licht dan ook geen verbazing wekken dat Nederland de meest consistente afnemer van de <italic>Swiss tools of empire</italic> was. De studie laat daarmee zien dat het overzeese koloniale project in wezen een Europees project was en, meer toegespitst, dat het <sc>knil</sc> nooit werkelijk &#x2018;Nederlands&#x2019; was &#x2013; zeker gezien het feit dat meer dan de helft van het koloniale leger uit Javaanse, Molukse en andere Indonesische militairen bestond.</p>
<p>In de inleiding verklaart Krauer de idee&#x00EB;n uit de school van de <italic>new military history</italic> te willen samenvoegen met die uit de <italic>new imperial history</italic>. In de conclusie stelt hij vervolgens dat dit een vruchtbaar huwelijk heeft opgeleverd. Inderdaad verweeft de auteur soepel de meest relevante inzichten uit het historische, postkoloniale en sociaal-wetenschappelijke domein in zijn analyse. Daar zitten bekende (en al lang niet meer nieuwe) idee&#x00EB;n bij, zoals Marie Louise Pratts concept van de &#x2018;contact zone&#x2019;, Ann Laura Stolers inzichten over ras, gender en intimiteit, Homi Bhabha&#x2019;s theorie over &#x2018;colonial mimicry&#x2019; en Gloria Wekkers &#x2018;culturele archief&#x2019;. Maar Krauer gebruikt ook een aantal andere, voornamelijk uit het Duitse taalgebied afkomstige concepten, zoals Aleida en Jan Assmans analyse van de werking van het collectieve geheugen.</p>
<p>Na de conceptuele inbedding in het eerste hoofdstuk biedt het tweede een gedegen uiteenzetting van de ontwikkelingen van de koloniale arbeidsmarkt die wordt onderbouwd met cijfermateriaal en is gebaseerd op een database waar Krauer en zijn team meer dan vijfduizend Zwitsers in beschreven. Het is te hopen dat deze database, gevuld met data uit de stamboeken van het <sc>knil</sc> in het Nationaal Archief, ook voor andere onderzoekers toegankelijk gemaakt zal worden. Op basis van dit statistische fundament volgt de auteur in hoofdstuk drie de huurlingen naar Harderwijk, waar tot het begin van de twintigste eeuw het Koloniaal Werfdepot gevestigd was. De royale premies die de soldaten naar de voormalige Hanzestad moesten lokken, werden veelal subiet verbrast in de lokale kroegen en bordelen, die tezamen Harderwijk de bijnaam &#x2018;gootgat van Europa&#x2019; (66) bezorgden. Een van de Zwitserse huursoldaten, Christian Jost, kreeg tijdens het wachten op inscheping zo&#x2019;n spijt van zijn aanmelding dat hij zijn moeder aanschreef voor hulp. Ondanks zijn noodgedwongen bekentenis haar toestemmingsbrief (die benodigd was geweest voor aanmelding) te hebben vervalst, sprong zijn moeder in de bres en kreeg hem vrij.</p>
<p>De beschrijvingen van het soldatenbestaan overzee laten nog maar eens zien hoe hard het leven was voor de koloniale, en dus ook de Zwitserse <sc>knil</sc>-militair. Niets toont dat beter aan dan een blik op de cijfers: van alle Zwitsers die tussen 1848 en 1885 dienden in het <sc>knil</sc>, kwam 46 procent niet levend terug. Hoewel zij door hun Europeaan-zijn een raciaal voordeel genoten ten opzichte van Afrikaanse, Molukse of Javaanse militairen, lagen naast harde gevechten ziektes op de loer en was het strafregime onverbiddelijk. Velen kregen dan ook spijt van hun beslissing om zich als huurling aan te melden. Naast zelfmoorden signaleert de auteur ook meerdere pogingen tot desertie en muiterij, evenwel met groot risico: na een mislukte rebellie in Fort Willem <sc>i</sc> in 1860 werden negen samenzweerders voor het oog van hun kameraden opgehangen.</p>
<p>Het vierde hoofdstuk handelt over koloniale geldstromen. Had een huursoldaat na vele jaren dienst het geluk levend in Zwitserland terug te keren, dan moest hij in veel gevallen jaarlijks een ingewikkelde bureaucratische molen doorlopen om een pensioen of invalidenuitkering te verkrijgen, als hij daar al voor in aanmerking kwam. Niettemin merkt Krauer op dat deze transimperiale financi&#x00EB;le netwerken &#x2018;connected the Dutch colonial empire with the remotest Alpine valleys in the European hinterland&#x2019; (119). In het vijfde hoofdstuk, tot slot, traceert Krauer de herinneringen van Zwitserse huurlingen aan hun Nederlands-Indische diensttijd, voornamelijk op basis van egodocumenten.</p>
<p>Hoewel het boek te prijzen is om zijn bondigheid, waren enkele uitgebreidere beschrijvingen van de lotgevallen van Zwitserse huursoldaten welkom geweest om diepte te geven aan de overkoepelende analyse. Zo is daar het geval Hans Christoffel, een man die sowieso een biografie verdient wegens zijn rol in de onderwerping van Atjeh en andere buitengewesten. Krauer stelt dat de casus van Christoffel &#x2018;needs to be adressed in depth&#x2019; (82) wegens zijn beruchte reputatie op het gebied van extreem geweld, maar besteedt er vervolgens slechts &#x00E9;&#x00E9;n alinea aan. Dat kan met de beste wil van de wereld geen dieptebespreking worden genoemd. Ook Arnold Egloff, een verdienstelijk tekenaar van wie meerdere werken in het boek zijn opgenomen, is een intrigerend figuur. Een ander, Heinrich Brandenberger, bracht zijn Indonesische vrouw en kinderen mee naar Zwitserland toen hij repatrieerde &#x2013; een zeldzaamheid, want de meesten kwamen platzak terug en lieten hun vaak buitenechtelijke gezin achter. Doordat hun ervaringen versnipperd zijn weergegeven in de diverse hoofdstukken, krijgen deze nooit werkelijk gestalte. Het best werkt de gekozen thematische opzet in het vijfde hoofdstuk. De getuigenissen zijn hier langer en de mannen zelf komen vaker aan het woord.</p>
<p>Krauers boek is zonder meer een waardevolle bijdrage aan de historiografie. Eerder droegen vooral Nederlandse militair historici bij aan de wetenschappelijke kennis over de organisatie en personele invulling van het koloniale leger. Dat Krauer ook uitgebreid naar die veelal Nederlandstalige publicaties refereert is een verdienste, al wijzen de spelfouten in Nederlandse citaten, zoals &#x2018;voolk voor Indi&#x00EB;&#x2019; (39), &#x2018;rust en ordre&#x2019; (46) en &#x2018;pupilen school&#x2019; (86) op de mogelijke worsteling die hiermee gepaard is gegaan. Krauer pleit zelf voor een vervolgstudie waarin ook andere leveranciers van de transimperiale arbeidsmarkt (Duitsland, Belgi&#x00EB;, Frankrijk, Tsjechi&#x00EB;, Denemarken en Polen) worden betrokken. Dergelijke studies kunnen helpen het nationale zelfbeeld van Zwitserland &#x2013; en de rest van Europa &#x2013; nauwkeuriger in te kleuren, en daarmee dienen als een medicijn tegen koloniale amnesie.</p>
</body>
</article>