<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="research-article" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.24448</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.24448</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Reply</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Kanttekeningen bij het <sc>bmgn</sc>-forum over het Indonesi&#x00EB;-onderzoek (<sc>odgoi</sc>)</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Oostindie</surname>
<given-names>Gert</given-names>
</name>
</contrib>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Schoenmaker</surname>
<given-names>Ben</given-names>
</name>
</contrib>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>van Vree</surname>
<given-names>Frank</given-names>
</name>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>09</month>
<year>2025</year>
</pub-date>
<volume>140</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>81</fpage>
<lpage>93</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2025 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2025</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.24448"/>
<abstract>
<p>In deze repliek op het <sc>bmgn</sc>-forum over het onderzoeksprogramma over Nederlands geweld tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (<sc>odgoi</sc>) willen wij ingaan op vier punten waarop de kritiek van de auteurs zich voornamelijk richt, namelijk: de vraagstelling en de opzet van het programma; de samenwerking met Indonesi&#x00EB; en ruimte voor Indonesische perspectieven; de dynamiek binnen de Nederlandse onderzoeksgroep; en ten slotte de gebruikte terminologie. Wij besluiten deze bijdrage met een blik op de toekomst.</p>
<p>In response to the <sc>bmgn</sc> forum dedicated to the research programme on Dutch violence during the Indonesian War of Independence (<sc>odgoi</sc>), we would like to address the four points on which the authors&#x2019; criticism focuses: the research question and programme design; cooperation with Indonesia and the inclusion of Indonesian perspectives; dynamics within the Dutch research group; and the terminology used. We conclude this contribution by looking to the future.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<sec id="s1">
<title>Ter inleiding<xref ref-type="fn" rid="fn1"><sup>1</sup></xref></title>
<p>Wetenschap floreert bij open debat en alleen om die reden al zijn wij de redactie van <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> erkentelijk voor haar initiatief een discussie te organiseren over de opzet, het proces en de uitkomsten van het onderzoek naar Nederlands geweld tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog.<xref ref-type="fn" rid="fn2"><sup>2</sup></xref> Wij schrijven deze repliek op verzoek van <italic><sc>bmgn</sc></italic> in onze rol als toenmalige onderzoeksleiders, waarbij we ook enkele andere onderzoekers uit het programma hebben betrokken.</p>
<p>Wij stellen met vreugde vast dat de <italic><sc>bmgn</sc></italic>-redactie en de meeste auteurs van de forumbijdragen waardering tonen voor de uitkomsten van het onderzoek, met inbegrip van de politieke en maatschappelijke betekenis ervan voor Nederland. Dat gezegd hebbende, willen we ons in deze reactie vooral richten op de kritische kanttekeningen, die we overigens in het algemeen als constructief ervaren. Wel stellen we vast dat de bijdragen in <italic><sc>bmgn</sc></italic> zich overwegend beperken tot het samenvattende boek <italic>Over de grens</italic>/<italic>Beyond the Pale</italic>/<italic>Melewati batas</italic> en enkele deelstudies. Dat kon misschien ook niet anders, maar daarmee wordt niet alleen onvoldoende recht gedaan aan het grootste deel van het dozijn boeken die in het kader van het programma in 2022 en 2023 zijn verschenen, maar blijven ook belangrijke thema&#x2019;s die in deze reeks zijn onderzocht onderbelicht (<xref ref-type="fig" rid="fg001">Figuur 1</xref>).<xref ref-type="fn" rid="fn3"><sup>3</sup></xref> Dat laatste punt wreekt zich in een deel van de kritiek in het <italic><sc>bmgn</sc></italic>-forum, onder meer ten aanzien van het delicate thema van de zogenoemde bersiap.</p>
<fig id="fg001">
<label>Figuur 1.</label>
<caption><p>Een impressie van de in totaal twaalf deelstudies die als resultaat van het onderzoeksprogramma zijn verschenen. Omslag van de brochure voor boekverkopers en pers, januari 2022. &#x00A9; Ontwerp Bart van de Tooren. Uitgave Amsterdam University Press.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.24448_fig1.jpg"/>
</fig>
<p>In deze korte repliek gaan wij in op de hoofdpunten van de kritiek, zonder onszelf bij voorbaat in alle opzichten vrij te willen pleiten. Vanaf de start van het programma zijn we ons ervan bewust geweest dat bepaalde zaken beter hadden gekund of anders opgezet hadden kunnen worden. Soms was er een mogelijkheid bij te sturen, in andere gevallen was het moeilijker om terug te keren op een eenmaal ingeslagen weg. Tegelijk bevat het <italic><sc>bmgn</sc></italic>-forum punten van kritiek die om nuancering, toelichting of besliste tegenspraak vragen. Wij spitsen onze reactie toe op een viertal hoofdpunten: (1) de vraagstelling en de opzet van het programma; (2) de samenwerking met Indonesi&#x00EB; en de ruimte voor Indonesische perspectieven; (3) de dynamiek binnen de Nederlandse onderzoeksgroep; en (4) de gebruikte terminologie. Wij sluiten af met een blik op de toekomst.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>De vraagstelling en onderzoeksopzet</title>
<p>In verschillende forumbijdragen wordt opgemerkt dat het onderzoeksprogramma zich vrijwel uitsluitend richt op zuiver Nederlandse kwesties en zijn belang dan ook in de eerste plaats ontleent aan de Nederlandse maatschappelijke en politieke context. Dat klopt inderdaad grotendeels, maar is tegelijk geen verrassende vaststelling. De primaire ori&#x00EB;ntatie op Nederlandse kwesties heeft alles te maken met de ontstaansgeschiedenis van het programma, die overigens in het inleidende deel van <italic>Over de grens</italic> uitvoerig wordt toegelicht. Die geschiedenis begon met de oproep, in 2012, van de gezamenlijke instituten <sc>kitlv, nimh</sc> en <sc>niod</sc> een diepgaand onderzoek in te stellen naar het Nederlandse militaire optreden in Indonesi&#x00EB; in de jaren 1945-1949. Die oproep was gericht aan regering en parlement, met als belangrijkste argument dat recentelijk gepubliceerd journalistiek en wetenschappelijk onderzoek, maar ook de gerechtelijke uitspraak over het bloedbad van Rawagede, wezen op de onhoudbaarheid van het sinds 1969 gehuldigde regeringsstandpunt dat er tijdens de oorlog in Indonesi&#x00EB; wat de Nederlandse strijdkrachten betreft slechts sprake zou zijn geweest van incidentele geweldsexcessen.</p>
<p>Toen de Nederlandse regering na veel aarzelen, en mede naar aanleiding van R&#x00E9;my Limpachs boek <italic>De brandende kampongs van Generaal Spoor</italic>, eind 2016 besloot financi&#x00EB;le middelen voor zo&#x2019;n onderzoek vrij te maken, was het derhalve logisch dat de vraag naar het geweld van de Nederlands krijgsmacht daarin centraal zou staan. Hoewel de reikwijdte van het programma daarmee werd ingeperkt, zoals in enkele kritische beschouwingen wordt gesignaleerd, werd de centrale vraag aangaande de aard van het Nederlandse militaire optreden op grond van discussie en groeiend inzicht verruimd met onderzoek naar de context van waaruit dat optreden kon worden verklaard, in het bijzonder de historische context van het kolonialisme, de internationale politieke context en de toenmalige contemporaine politieke, juridische en militaire context in Nederland en Indonesi&#x00EB;. Daarnaast werd ervoor gekozen het Nederlandse optreden ook in een internationaal vergelijkend perspectief te bezien.</p>
<p>Vooral de kwestie van de bredere koloniale context is vanaf de start van het onderzoek, en nu ook weer in enkele forumbijdragen in <italic><sc>bmgn</sc></italic>, een punt van serieuze kritiek gebleken. Door de focus op de jaren 1945-1949 zou het programma onvoldoende oog hebben voor de diepe impact van drie eeuwen kolonialisme en het militaire optreden in 1945-1949 te zeer bestuderen als een op zichzelf staand &#x2013; om niet te zeggen: ge&#x00EF;soleerd &#x2013; fenomeen. Het is moeilijk zich daartegen te verweren, gelet op het grote verschil in verwachtingen dat spreekt uit een deel van deze kritiek. Thematische en chronologische beperkingen zijn nu eenmaal inherent aan wetenschappelijk onderzoek, zo ook aan dit programma. Anderzijds is de impact van de koloniale context en tradities waar mogelijk wel degelijk uitvoerig belicht, door het gehele onderzoek heen, te beginnen in het inleidende deel van <italic>Over de grens</italic>, maar ook, bijvoorbeeld, in <italic>Talen van geweld</italic> van Remco Raben en Peter Romijn (2023). Zowel in het slotwerk als in de verschillende deelstudies wordt met kracht van argumenten betoogd dat het hardnekkig blijven denken in koloniale kaders een verklaringsgrond is voor het Nederlandse politieke, militaire en juridische optreden in 1945-1949.</p>
<p>Na het besluit van de regering om middelen vrij te maken voor nieuw historisch onderzoek is de oorspronkelijke onderzoekopzet uit 2012 door de leiding van de drie instituten &#x2013; voor het <sc>nimh</sc> was dat toen nog de voorganger van Ben Schoenmaker, Piet Kamphuis &#x2013; verder uitgewerkt en besproken met ambtenaren van betrokken ministeries. Dat daarbij bepaalde programmaonderdelen zijn opgelegd, is een hardnekkig misverstand. Het enige nieuwe onderdeel dat in deze besprekingen werd ingebracht &#x2013; en waarvoor extra financiering werd verschaft &#x2013; was het deelprogramma &#x2018;Getuigen en Tijdgenoten&#x2019;, waarover later meer.</p>
<p>De wens ruim baan te geven aan samenwerking met Indonesische historici was uitdrukkelijk afkomstig van de instituten zelf, terwijl het thema van de bersiap van meet af aan als vanzelfsprekend onderdeel van het programma werd beschouwd &#x2013; niet alleen omdat deze episode zo&#x2019;n belangrijke rol vervulde in de toenmalige debatten en in de latere herinneringscultuur in Nederland, maar ook omdat zij is ingezet als argument ter rechtvaardiging van de Nederlandse heroveringspolitiek en het daarmee gepaard gaande geweld. In het licht van de suggestie dat het bersiap-onderzoek een weerspiegeling zou zijn van een al te Nederlands perspectief, vormt de uitkomst ervan een bewijs van het tegengestelde, want <italic>Het geluid van geweld. Bersiap en de dynamiek van geweld tijdens de eerste fase van de Indonesische revolutie, 1945-1946</italic> (2023) van Esther Captain en Onno Sinke rekent op overtuigende wijze af met de gangbare Nederlandse voorstellingen van deze episode. Het innovatieve karakter van deze studie is door veel critici in Nederland niet herkend, in tegenstelling tot in Indonesi&#x00EB;, waar historici zich juist verrast toonden over de reikwijdte van dit vergelijkende onderzoek van geweld in de eerste fase van de Onafhankelijkheidsoorlog. Veelzeggend in dit verband was de reactie van de vooraanstaande historicus Hilmar Farid, die juist dit onderzoek van groot belang achtte voor het debat in Indonesi&#x00EB; over het geweld tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog.<xref ref-type="fn" rid="fn4"><sup>4</sup></xref></p>
<p>Toen de subsidie eenmaal was verleend en de onderzoeksgroep was gevormd, is het ontwerp van het onderzoeksprogramma binnen de Nederlandse groep en met de Indonesische collega&#x2019;s besproken en op een aantal onderdelen aangepast. Veruit de belangrijkste verandering was dat de Indonesische collega&#x2019;s aangaven een eigen agenda te willen volgen, waarin de nadruk niet zou liggen op het Nederlandse militaire geweld, maar veeleer op het nog betrekkelijk onontgonnen, en vanuit het perspectief van de Indonesische historici veel belangwekkender terrein van de sociaal-culturele geschiedenis van de Indonesische Revolutie, inclusief gendervraagstukken. Het deelprogramma &#x2018;Regionale Studies&#x2019; kreeg daarmee een tweeledig karakter, met aan de ene kant sociaal-culturele en politieke onderzoeksprojecten van Indonesische historici en aan de andere kant casestudies, uitgevoerd door Nederlandse historici, naar de kenmerken en dynamiek van gewelddadig optreden in enkele regio&#x2019;s. Uiteindelijk werden deze samengebracht in de bundel <italic>Revolutionary Worlds</italic>/<italic>Dunia Revolusi</italic> (2023).</p>
<p>Een andere belangrijke wijziging betrof de titel van het onderzoeksprogramma. Oorspronkelijk luidde deze &#x2018;Dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesi&#x00EB;, 1945-1949&#x2019;, maar na overleg met de betrokken Indonesische onderzoekers werd de titel veranderd in &#x2018;Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesi&#x00EB;, 1945-1949&#x2019;, afgekort tot <sc>odgoi</sc>. Met de toevoeging van het eerste woord werd recht gedaan aan het Indonesische perspectief dat de onafhankelijkheid al op 17 augustus 1945 een feit was en in de volgende vier jaren moest worden verdedigd tegen de Nederlandse pogingen tot &#x2018;rekolonisatie&#x2019;. Daarmee veranderde evenwel niet de centrale vraagstelling van het Nederlandse programma: die bleef gericht op het vaststellen van de aard van het Nederlandse militaire optreden &#x2013; in het bijzonder het extreme geweld &#x2013; en het zoeken naar verklaringen daarvoor.</p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>Samenwerking met Indonesi&#x00EB;, het Indonesische perspectief en bronnengebruik</title>
<p>Over de samenwerking tussen de Indonesische en Nederlandse historici in en rond het onderzoeksprogramma is ook in de beschouwingen in <italic><sc>bmgn</sc></italic> veel behartigenswaardigs naar voren gebracht. Zeker is dat die samenwerking anders is verlopen dan wij ons hadden voorgesteld. De oorzaken daarvan zijn complex, maar we moeten toegeven dat we in een aantal opzichten na&#x00EF;ef zijn geweest en de mogelijke hindernissen, zowel politiek als praktisch, hebben onderschat. Met dat inzicht en met die ervaring zouden we de zaken nu beslist anders hebben aangepakt, te beginnen met een ruimere voorbereidingstijd en uitvoeriger overleg.</p>
<p>Een belangrijke factor in de samenwerking was de uitdrukkelijke wens van de Indonesische historici hun eigen onderzoekslijn te volgen. Die wens was ook ingegeven door de omstandigheden, want het Nederlandse onderzoek werd in sommige Indonesische overheidskringen met argwaan bekeken, als een mogelijke poging om het Nederlandse blazoen wit te wassen. Diezelfde argwaan leidde er ook toe dat verschillende Nederlandse onderzoekers geen toegang kregen tot de archieven.</p>
<p>De Indonesische historici waarmee wij samenwerkten hadden er dus ook om die reden belang bij hun onderzoekslijnen zelfstandig uit te zetten en te tonen dat zij niet aan een Nederlandse leiband liepen. Dat neemt niet weg dat er een hechte samenwerking ontstond, met gemeenschappelijke workshops, discussiebijeenkomsten en publicaties, die uiteindelijk het hele onderzoek aanzienlijk hebben verrijkt &#x2013; wat juist in de twee Indonesische bijdragen aan het <italic><sc>bmgn</sc></italic>-forum van Grace Leksana en Farabi Fakih wordt benadrukt.<xref ref-type="fn" rid="fn5"><sup>5</sup></xref></p>
<p>Die samenwerking had nog aanzienlijk intensiever kunnen zijn, ware het niet dat de <sc>covid</sc>-19-epidemie reizen en bijeenkomsten bijna twee jaar ernstig belemmerde &#x2013; een omstandigheid die veel critici van het programma lijkt te zijn ontgaan maar een flinke impact heeft gehad op de uiteindelijke uitvoering. Het gevolg van de epidemie was onder meer dat veel veldwerk, zowel in de Indonesische archieven als op locatie, in de vorm van <italic>oral history</italic>, ernstig werd gehinderd. Niettemin slaagden verschillende onderzoekers erin om in samenwerking met Indonesische collega&#x2019;s via <italic>oral history</italic> en door het gebruik van Indonesische literatuur en archieven Indonesische perspectieven voor het voetlicht te brengen, zoals in <italic>Grof geschut</italic> (2023), de studie van Azarja Harmanny, waarvan de bibliografie tachtig Indonesischtalige titels bevat. En in <italic>Tasten in het duister</italic> (2023) reconstrueert R&#x00E9;my Limpach, mede op basis van Indonesische bronnen, de nagenoeg onbeschreven werking van de Indonesische inlichtingendiensten. In dat licht wijzen wij ook op de &#x2013; in de forumbijdragen door Katharine McGregor en Grace Leksana besproken &#x2013; fascinerende bundel <italic>Sporen vol betekenis/Meniti Arti</italic> (2022) onder redactie van Eveline Buchheim, Satrio (Ody) Dwicahyo, Fridus Steijlen en Stephanie Welvaart.<xref ref-type="fn" rid="fn6"><sup>6</sup></xref></p>
<p>De samenwerking tussen Nederlandse en Indonesische onderzoekers strekte zich ook uit tot meer fundamentele kwesties. Zo zijn er halverwege het programma uitgebreide discussies georganiseerd over terminologie, multiperspectiviteit en meerstemmigheid, die niet alleen de onderlinge samenwerking versterkten, maar het onderzoek ook een gemeenschappelijke historiografische basis verschaften. Het is voor de buitenwereld misschien niet altijd even zichtbaar geweest, maar uiteindelijk is er dus, ondanks alle hindernissen en beperkingen, meer en intensiever samengewerkt tussen onderzoekers in Nederland en Indonesi&#x00EB; dan sommige critici suggereren.</p>
<p>Dat neemt niet weg dat het &#x2013; nog afgezien van belemmeringen als <sc>covid</sc>-19 &#x2013; aanzienlijk beter had gekund. Het was, om te beginnen, verstandiger geweest wanneer de onderzoeksopzet vanaf het eerste begin gezamenlijk zou zijn bepaald. Daar was nu geen sprake van en eigenlijk ook nauwelijks ruimte voor in de politieke hectiek rond een <italic>Nederlandse</italic> lobby voor financi&#x00EB;le steun voor een <italic>Nederlands</italic> onderzoeksproject. Daar kwam bij dat er van de kant van de Indonesische overheid om allerlei redenen met een zekere scepsis en soms zelfs met tegenzin over dit initiatief werd gesproken.</p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>De dynamiek van het proces</title>
<p>Als het gaat om de organisatie en de dynamiek van het onderzoeksproces, verdienen vooral een aantal punten in de forumbijdrage van Anne-Lot Hoek repliek.<xref ref-type="fn" rid="fn7"><sup>7</sup></xref> In de betreffende passages geeft zij een nogal deprimerend beeld van de verhoudingen binnen <sc>odgoi</sc>. Hier en daar is het beeld zelfs sterk vertekend, zoals in haar bewering dat de onderzoekers weinig steun en ondersteuning kregen. Dit is een ongegronde en zelfs confronterende bewering, want de organisatie heeft alles in het werk gesteld om de betrokken onderzoekers te beschermen en te verdedigen tegen het frequente, veelal verbale geweld van buiten en, bijvoorbeeld, weerbaarheidstrainingen voor onderzoekers georganiseerd.</p>
<p>Het zou te ver voeren uitvoerig in te gaan op alle opmerkingen rond de interne dynamiek binnen het programma en de onderzoeksgroep, waarvan Hoek, zoals zij ook aangeeft, zelf geruime tijd deel uitmaakte. Van belang zijn vooral de kwesties die rechtstreeks raken aan het proces en een impact hebben gehad op de uitkomsten.</p>
<p>Om te beginnen kunnen we vaststellen dat de Nederlandse onderzoeksgroep een &#x2018;dubbel&#x2019; karakter had: aan de ene kant was de diversiteit ervan, zoals Hoek benadrukt, inderdaad betrekkelijk beperkt, vooral als we kijken naar samenstelling op het vlak van gender en etnisch-culturele achtergrond, anderzijds vormden de 28 onderzoekers juist een zeer diverse groep waar het gaat om leeftijd, ervaring en wetenschappelijke benaderingen en specialisaties. Het is daarom niet verwonderlijk dat er uiteenlopende visies in het programma samenkwamen. In de eerste fase van het onderzoek leidden deze verschillen tot interne spanningen, die zich uitkristalliseerden rond de oorspronkelijke intentie om tot een <italic>single-authored</italic> concluderende synthese te komen. Inderdaad liepen die spanningen, zoals Hoek beschrijft, ergens halverwege het programma hoog op.</p>
<p>Wat in Hoeks bijdrage echter onvoldoende uit de verf komt, is dat het programma deze crisis organisatorisch en inhoudelijk wel degelijk heeft opgelost, met als resultaat dat er in februari 2022 een gemeenschappelijke conclusie kon worden gepresenteerd en dat zich gedurende het hele traject slechts &#x00E9;&#x00E9;n onderzoeker uit het programma als zodanig heeft teruggetrokken &#x2013; Hoek zelf, die haar rol terugbracht tot onderzoeker in het deelproject &#x2018;Regionale Studies&#x2019;. Dat het programma de interne crisis te boven kwam, was in belangrijke mate te danken aan de open, pittige en uiteindelijk vruchtbare discussies en de gemeenschappelijke besluitvorming die daaruit voortvloeide. In dat proces zijn twee beslissende momenten aan te wijzen: ten eerste het besluit om de conclusies niet te presenteren in de vorm van een <italic>single-authored</italic> werk maar in een gemeenschappelijke bundel, ten tweede de eerder genoemde inhoudelijke discussies over termen en perspectieven, tezamen met de Indonesische historici, die een gemeenschappelijke basis cre&#x00EB;erden voor de laatste fase van het onderzoeksprogramma. Het zijn vooral deze discussies waarnaar in verschillende publicaties wordt verwezen, als het gaat om het streven naar meerstemmigheid en multiperspectiviteit.</p>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Extreem geweld, oorlogsmisdrijven en straffeloosheid</title>
<p>In de afsluitende forumbijdrage richten Susie Protschky en Pepijn Brandon zich vooral op de termen &#x2018;extreme violence&#x2019; en &#x2018;impunity&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn8"><sup>8</sup></xref> De eerste term is volgens hen onvoldoende geconceptualiseerd. Helaas geven zij echter niet aan wat er nu precies ontbreekt aan het conceptuele raamwerk van het onderzoek, terwijl de term in kwestie wel degelijk duidelijk wordt gedefinieerd en geoperationaliseerd. Daarbij geven we aan dat we voor deze term &#x2013; die afkomstig is van het internationale vakgebied van geweldstudies &#x2013; vooral schatplichtig zijn aan Christian Gerlachs concept van &#x2018;extremely violent societies&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn9"><sup>9</sup></xref> Zoals Protschky en Brandon zelf ook schrijven, gebruiken de onderzoekers binnen <sc>odgoi</sc> &#x2018;extreme violence&#x2019; als een containerbegrip waaronder velerlei vormen van geweld kunnen worden geschaard die naar de toenmalige morele en juridische maatstaven als grensoverschrijdend kunnen worden beschouwd. Dat deze grens niet altijd duidelijk valt te trekken en dat het begrip &#x2018;extreme violence&#x2019; zich daarmee kenmerkt door een zekere vaagheid, is op zich juist, maar dit de onderzoekers aanrekenen is hetzelfde als de empiricus verwijten dat de praktijk van de geweldsuitoefening veelvormig, diffuus en complex was, dat deze zich moeilijk laat categoriseren en zich vaak ook moeilijk volledig laat reconstrueren, mede gelet op de problematiek van bronnen die onvolledig zijn of elkaar tegenspreken. Een overkoepelende term moet, wil hij toepasbaar zijn, dus &#x2018;sufficiently vague&#x2019; zijn.</p>
<p>Protschky en Brandon werpen ook de vraag op &#x2018;whether or not &#x201C;war crimes&#x201D; would have been a more appropriate designation for at least some of the actions by Dutch political and military authorities and Dutch armed forces&#x2019; (91). Ook andere critici hebben dit punt naar voren gebracht, vaak in de vorm van het verwijt dat het programma, door deze term grotendeels te vermijden, zich aan verhullend taalgebruik bezondigd zou hebben. Hier en daar werd zelfs een politieke motivatie vermoed. Een bizar verwijt, gelet op het feit dat in <italic>Over de grens</italic> en de deelstudies zeer expliciet over moord, marteling, verkrachting, brandstichting, excessieve bombardementen en andere ernstige vergrijpen wordt geschreven. Wat ons betreft is het goed er geen misverstand over te laten bestaan dat een deel van het tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog aangewende Nederlandse geweld &#x2013; zeker naar de huidige juridische maatstaven &#x2013; de kwalificatie oorlogsmisdrijven verdient. Maar binnen het begrip extreem geweld vallen ook handelingen waarvoor dat minder duidelijk is, maar die op zijn minst wel problematisch zijn te noemen. Juist omdat dit begrip, als gezegd, &#x2018;sufficiently vague&#x2019; is, biedt het &#x2018;onderdak&#x2019; aan een breed scala aan geweldsdaden met verschillende patronen en motivaties, en gepleegd onder uiteenlopende omstandigheden, kenmerkend voor de complexiteit van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog.</p>
<p>Nu lijkt het bezwaar van Protschky en Brandon tegen de term &#x2018;extreme violence&#x2019; uiteindelijk niet zozeer de conceptuele vaagheid te betreffen maar meer de suggestie die het gebruik van deze term lijkt op te roepen, namelijk dat er ook zoiets is als gewoon, normaal of geaccepteerd geweld. Daarmee zouden de onderzoekers een deel van het koloniale geweld dus (impliciet) legitimeren. Volgens Protschky en Brandon is het meest zinvolle &#x2013; moreel aanvaardbare &#x2013; onderscheid dat men kan maken, het onderscheid tussen het geweld dat door de kolonisator wordt toegepast en het geweld dat de gekoloniseerde aanwendt om aan die onderdrukking een einde te maken. Het is een (moreel) begrijpelijk onderscheid, maar helaas werken Protschky en Brandon dit niet verder uit en geven ze niet aan waar deze stellingname concreet toe leidt. Zij roept immers ook veel vragen op. Betekent dit bijvoorbeeld dat marteling, het willekeurig doden van gevangenen, of andere gepleegde wandaden van de Indonesische strijdkrachten in de periode 1945-1950 &#x2013; die vaak tegen de &#x2018;eigen&#x2019; Indonesische burgers waren gericht &#x2013; als moreel aanvaardbaar moeten worden beschouwd, want gepleegd door de partij die een legitiem doel nastreefde? En betekent dit dat al het Nederlandse geweld, van een schotenwisseling als reactie op een hinderlaag tot een doelbewuste artilleriebeschieting op burgerdoelen, over dezelfde morele kam moet worden geschoren, omdat het geweld afkomstig is van de partij die vocht &#x2018;aan de verkeerde kant van de geschiedenis&#x2019;?</p>
<p>Het is ons inziens niet mogelijk over geweld en de toepassing daarvan &#x2013; in welke setting dan ook &#x2013; te schrijven zonder een ethisch-juridisch kompas. Het beschrijven en het duiden van geweld in neutrale bewoordingen is eenvoudigweg niet mogelijk. Een belangrijk richtsnoer voor het onderzoeksprogramma waren de normen, waarden en uitgangspunten, zoals vastgelegd in het toenmalige &#x2013; nota bene door Westerse, koloniale machten z&#x00E9;lf gecodificeerde &#x2013; humanitaire oorlogsrecht, waaronder het bekende onderscheid tussen <italic>jus ad bellum</italic> en <italic>jus in bello</italic>. Als het gaat om het vraagstuk van het <italic>jus ad bellum</italic> hebben de onderzoekers vooral willen laten uitkomen hoe het Indonesische en het Nederlandse perspectief van elkaar verschilden, met als belangrijkste twistpunt de vraag welke betekenis aan de onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945 moet worden gehecht. Een twistpunt dat, ondanks de (late) Nederlandse erkenning een &#x2018;foute&#x2019; oorlog te hebben gevoerd, per definitie niet met terugwerkende kracht kan worden opgelost.</p>
<p>Het <sc>odgoi</sc>-onderzoek, met zijn focus op extreem geweld, begeeft zich vooral op het domein van het <italic>jus in bello</italic>. Voor ons was en is de vraag zeer wezenlijk <italic>hoe</italic> Nederland deze &#x2018;foute&#x2019; oorlog in en tegen Indonesi&#x00EB; heeft gevoerd. Met welke middelen, met welke methoden en met welke vormen van geweld? Onze belangrijkste conclusie, namelijk dat de Nederlandse krijgsmacht op structurele wijze extreem geweld toepaste, staat los van de vaststelling dat Nederland een oorlog voerde met het doel een voormalige kolonie te heroveren en te herbezetten, zoals in de conclusies van <italic>Over de grens</italic> ook expliciet wordt aangegeven. Deze klinische vaststelling laat onverlet dat bij de duiding van het geweld &#x2013; zoals Protschky en Brandon terecht stellen &#x2013; de koloniale context niet buiten beschouwing kan blijven, al was het maar omdat de koloniale geweldstraditie en het daarmee verbonden racisme in <italic>Over de Grens</italic> als een belangrijke verklaringsgrond worden beschouwd. In dat opzicht worden Protschky en Brandon dus op hun wenken bediend en is hun kritiek moeilijk te begrijpen.</p>
<p>De tweede term die in de bespreking van Protschky en Brandon uitvoerig aan de orde wordt gesteld is &#x2018;impunity&#x2019;. Hun bewering dat straffeloosheid door de onderzoekers wordt aangevoerd als de enige of belangrijkste verklaring voor het op structurele wijze toegepast extreme geweld, is simpelweg onjuist. In <italic>Over de grens</italic> wordt er juist op gewezen dat dit geweld verklaard dient te worden uit een complex van factoren; Raben en Romijn noemen er in hun studie niet minder dan negen. In dezelfde geest stellen Thijs Brocades Zaalberg en Bart Luttikhuis in de bundel <italic>Empire&#x2019;s Violent End: Comparing Dutch, British, and French Wars of Decolonization, 1945-1962</italic> (2022) dat &#x2013; als het om de oorzaken van het extreme geweld gaat &#x2013; straffeloosheid &#x2018;emerged as a spider in the causal web&#x2019; (16), een web dat de vele factoren die gezamenlijk het extreme geweld helpen verklaren samenbond. Juist de internationale vergelijking van dekolonisatieoorlogen, het hoofddoel van dit deelproject, liet zien dat straffeloosheid &#x2013; dat wil zeggen een op alle militaire, politieke en justiti&#x00EB;le niveaus uitgevoerd samenspel van toelaten, verhullen, wegkijken, gedogen, niet benoemen en niet bestraffen &#x2013; een cruciale voorwaarde was voor het ontstaan en in stand blijven van een cultuur waarin extreem geweld kon gedijen. Dat is iets anders dan het aanwijzen van &#x2018;impunity&#x2019; als enige of belangrijkste verklaring van het extreme geweld, zoals Protschky en Brandon beweren. Tot slot zien we niet in hoe de nadruk op de rol van &#x2018;impunity&#x2019; vervolgens individuele militairen zou ontslaan van hun verantwoordelijkheid voor wandaden die zij hebben begaan, zoals Protschky en Brandon stellen. Dat alles neemt uiteraard niet weg dat wie het structurele karakter van het extreme geweld wil verklaren, ook de rol en verantwoordelijkheden van de leidende militairen, politici en justiti&#x00EB;le autoriteiten in ogenschouw moet nemen. Dat is dan ook precies wat wij deden.</p>
</sec>
<sec id="s6">
<title>De toekomst</title>
<p>Ter gelegenheid van de verschijning van de Indonesische vertalingen van de bundels <italic>Over de grens</italic> en <italic>Revolutionary Worlds</italic> &#x2013; de bundel <italic>Sporen vol betekenis/Meniti arti</italic> was al eerder als tweetalig werk verschenen &#x2013; maakte een gezelschap van Indonesische en Nederlandse onderzoekers in september 2023 een lezingentournee langs een groot aantal Indonesische universiteiten. Steeds weer benadrukten de Nederlandse onderzoekers hoezeer het programma dat ten grondslag lag aan <italic>Over de grens</italic> toegesneden was op Nederlandse vragen &#x2013; vragen die in de Indonesische context in veel gevallen minder relevant waren. <italic>Over de grens</italic> moest vanuit dit perspectief toch vooral worden beschouwd als een late, maar noodzakelijke afsluiting van een tijdperk waarin de Nederlandse samenleving en politiek, maar ook veel historici, hadden vastgehouden aan koloniale denkbeelden.</p>
<p>In dat opzicht stond <italic>Revolutionary Worlds</italic> voor iets anders, zo klonk het tijdens een symposium op de Universitas Gadjah Mada in Yogyakarta. Die bundel werd veeleer gezien als een mogelijke richtingaanwijzer voor toekomstig onderzoek, rond nieuwe thema&#x2019;s en andere, veelvormige bronnen, voorbij koloniale kaders, bronnen en perspectieven, als het resultaat van een gezamenlijke inspanning in een gelijkwaardige samenwerking tussen Indonesische en Nederlandse onderzoekers die te lang op zich heeft laten wachten.</p>
<p>Als wij hen goed begrijpen bepleitten zowel de Nederlandse als de Indonesische auteurs in het forum van <italic><sc>bmgn</sc></italic> iets vergelijkbaars. Dat kunnen wij dus alleen maar beamen. Vanuit dit perspectief is het <sc>odgoi</sc>-programma niet meer dan een eerste stap, als een poging tot &#x2018;righting past wrongs&#x2019; (492), in de woorden van Hilmar Farid in zijn epiloog in <italic>Over de grens.</italic> Farid trok daarbij een parallel met de teruggave van museumcollecties die zijn verkregen onder koloniale verhoudingen. Maar ook dat was niet meer dan een eerste stap, zo betoogde hij tijdens een symposium over dat thema: het gaat niet alleen om de teruggave van voorwerpen, maar ook om kennisproductie, om het kritisch blijven bezien en zo nodig herzien van de geschiedenis en het verwerken van onrecht uit het verleden &#x2013; en dat herzien is een gezamenlijke opgave.</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Een Engelse vertaling van deze repliek is te lezen op de website van <italic><sc>bmgn</sc></italic> / The English translation of this reply can be read on the <italic><sc>bmgn</sc></italic> website: <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.51769/bmgn-lchr.24550">https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.24550</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn2"><label>2</label><p>&#x2018;Forum on Decolonisation and Violence in Indonesia: Examining the <sc>odgoi</sc> Project (&#x201C;Onafhankelijkheid, Dekolonisatie, Geweld en Oorlog in Indonesi&#x00EB;&#x201D;/&#x201C;Independence, Decolonization, Violence and War in Indonesia, 1945-1950&#x201D;)&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 140:2 (2025) 32-101. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.51769/bmgn-lchr.19564">https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.19564</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn3"><label>3</label><p>Alle Nederlandstalige publicaties zijn beschikbaar in open access, zie <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.aup.nl/en/series/onafhankelijkheid-dekolonisatie-geweld-enoorlog-in-indonesie-1945-1950">https://www.aup.nl/en/series/onafhankelijkheid-dekolonisatie-geweld-enoorlog-in-indonesie-1945-1950</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn4"><label>4</label><p>Hilmar Farid, &#x2018;Epiloog. Omgaan met erfenissen van een gewelddadig verleden&#x2019;, in: <italic>Over de grens. Nederlands extreem geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, 1945-1949</italic> (Amsterdam University Press 2022) 473-485. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1515/9789048557172-006">https://doi.org/10.1515/9789048557172-006</ext-link>. Zie ook in interviews, onder andere met <sc>anp op</sc> 17 februari 2022. De bijdragen van Grace Leksana en Farabi Fakih aan het bmgn-forum wijzen ook in die richting. Grace T. Leksana, &#x2018;Reconsidering Revolutionary &#x201C;Heroes&#x201D; and Histories of Violence in Indonesia&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc>&#x2013;<sc>lchr</sc></italic> 140:2 (2025) 69-79. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.51769/bmgn-lchr.19565">https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.19565</ext-link>; Farabi Fakih, &#x2018;Decolonial Dialogue and the Intricacies of Revolutionary Violence&#x2018;, <italic><sc>bmgn</sc>&#x2013;<sc>lchr</sc></italic> 140:2 (2025) 59-68. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.51769/bmgn-lchr.19568">https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.19568</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn5"><label>5</label><p>Zie noot 4.</p></fn>
<fn id="fn6"><label>6</label><p>Katharine McGregor, &#x2018;Silences and Memories of the Indonesian Revolution and Dutch Colonialism&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc>&#x2013;<sc>lchr</sc></italic> 140:2 (2025) 80-88. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.51769/bmgn-lchr.19569">https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.19569</ext-link>; Leksana, &#x2018;Reconsidering Revolutionary &#x201C;Heroes&#x201D;&#x2019;.</p></fn>
<fn id="fn7"><label>7</label><p>Anne-Lot Hoek, &#x2018;Power and the Production of History: Reflections on the Process and Outcomes of the odgoi Project&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc>&#x2013;<sc>lchr</sc></italic> 140:2 (2025) 43-58. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.51769/bmgn-lchr.19566">https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.19566</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn8"><label>8</label><p>Susie Protschky and Pepijn Brandon, &#x2018;On &#x201C;Extreme Violence&#x201D; and &#x201C;Impunity&#x201D;&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc>&#x2013;<sc>lchr</sc></italic> 140:2 (2025) 89-101. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.51769/bmgn-lchr.19567">https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.19567</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn9"><label>9</label><p>Christian Gerlach, <italic>Extremely Violent Societies: Mass Violence in the Twentieth-Century World</italic> (Cambridge University Press 2010).</p></fn>
</fn-group>
<sec id="s7">
<title/>
<p><bold>Gert Oostindie</bold> is emeritus hoogleraar koloniale en postkoloniale geschiedenis aan de Universiteit Leiden en voormalig directeur van het <sc>kitlv</sc> / Koninklijk Nederlands Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Hij publiceerde uitgebreid over koloniale en postkoloniale geschiedenis. Op verzoek van Z.M. Koning Willem-Alexander geeft hij op dit moment leiding aan een grootschalig onderzoeksproject (2023-2026) over de rol van het Huis Oranje-Nassau in de Nederlandse koloniale geschiedenis. E-mail: <email>Oostindie@kitlv.nl</email>.</p>
<p><bold>Ben Schoenmaker</bold> is directeur van het Nederlandse Instituut voor Militaire Historie in Den Haag. Vanaf 2012 tot 2024 was hij als bijzonder hoogleraar militaire geschiedenis verbonden aan de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek richt zich op de relatie tussen de samenleving en de krijgsmacht in Nederland tijdens de negentiende en twintigste eeuw. Over dit onderwerp handelde ook zijn proefschrift <italic>Burgerzin en soldatengeest. De relatie tussen volk, leger en vloot 1832-1914</italic> (2009). E-mail: <email>b.schoenmaker@hum.leidenuniv.nl</email>.</p>
<p><bold>Frank van Vree</bold> is emeritus hoogleraar geschiedenis van oorlog, conflict en herinnering aan de Universiteit van Amsterdam en geaffilieerd onderzoeker aan het <sc>niod</sc> Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Eerder was hij directeur van het <sc>niod</sc> en decaan van de Faculteit Geesteswetenschappen aan de UvA. Zijn huidig onderzoek is gericht op de geschiedenis van Europa in de periode 1914-1945, alsook op de studie van herinneringscultuur. Zijn meest recente monografie is getiteld <italic>Nederland en de herinnering aan de Jodenvervolging 1945-2024</italic> (2024). E-mail: <email>frank@vanvree.nl</email>.</p>
</sec>
</back>
</article>