<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.23660</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.23660</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject></subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>How a Ledger Became a Central Bank: A Monetary History of the Bank of Amsterdam</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Feenstra</surname>
<given-names>Alberto</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universiteit Utrecht</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>07</month>
<year>2025</year>
</pub-date>
<volume>140</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20250037</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Quinn</surname><given-names>Stephen</given-names></name>
<name><surname>Roberds</surname><given-names>William</given-names></name>
</person-group>
<source>How a Ledger Became a Central Bank: A Monetary History of the Bank of Amsterdam</source>
<publisher-loc>Cambridge</publisher-loc>
<publisher-name>Cambridge University Press</publisher-name>
<year>2023</year>
<page-range>400 pp.</page-range>
<isbn>9781108706155</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2025 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2025</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.23660"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Dit boek is mijns inziens het nieuwe standaardwerk over de Amsterdamse Wisselbank en de vroege ontwikkeling van centraal bankieren. Het is de synthese van ruim twintig jaar onderzoek dat de economen Stephen Quinn en William Roberds al in diverse artikelen publiceerden. Zij verrijken het historisch begrip van de financi&#x00EB;le ontwikkeling en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden door met hun economische gereedschapskist het functioneren van de Amsterdamse Wisselbank te analyseren. Al in de zeventiende en achttiende eeuw sprak deze tot de verbeelding, en had ze voor haar tijdgenoten ook iets mysterieus. Quinn en Roberds verklaren de complexiteit van dit instituut door de Wisselbank te presenteren als de eerste moderne centrale bank in de geschiedenis.</p>
<p>Met deze claim moeten de auteurs zich op tenminste drie vlakken tot de literatuur verhouden, wat zij dan ook uitgebreid doen in hoofdstuk 1. Ze bespreken daarin zowel eerder onderzoek naar de Wisselbank zelf als de literatuur over centraal bankieren en die over andere instituties die eveneens in aanmerking komen voor de kwalificatie de eerste moderne centrale bank te zijn geweest &#x2013; iets dat onlangs ook geclaimd is ten aanzien van de Zweedse Rijksbank in een bundel geredigeerd door Rodney Edvinsson, Tor Jacobson en Daniel Waldenstr&#x00F6;m (2018).</p>
<p>Na een eerder artikel van Quinn en Roberds uit 2005 namen anderen als Lucien Gillard en Pit Dehing die claim van de Amsterdamse Wisselbank als vroege centrale bank over. Gerarda Westerhuis en Jan Luiten van Zanden (2018) volgen de interpretatie gedeeltelijk door te spreken van &#x2018;proto-centraal bankieren&#x2019;. Op hun beurt maken Quinn en Roberds veel gebruik van Dehings werk en Johannes Gerard van Dillens <italic>Bronnen tot de geschiedenis der wisselbanken</italic> uit 1925. Aan Gillards bevindingen uit 2004 refereren zij minder, terwijl hij eveneens de cruciale veranderingen in het beleid van de Wisselbank benadrukte in de laatste veertig jaar van de zeventiende eeuw, in het bijzonder de introductie van recepissen (kwitanties) in 1683.</p>
<p>Quinn en Roberds&#x2019; analyses van het omvangrijke Wisselbankarchief beperken zich voornamelijk tot de centrale rekening, de &#x2018;Sommatie&#x00EB;n van de Speciekamer&#x2019;. Daarbij reflecteren zij expliciet op de valkuil van een anachronistische benadering. Hun historische kennis schiet hooguit sporadisch en minimaal tekort en dat heeft weinig invloed op hun grote verhaal.</p>
<p>Dat verhaal is de moeite waard. Het boek bestaat uit negen hoofstukken die deels thematisch en deels chronologisch geordend zijn. De eerste drie hoofdstukken geven de lezer een raamwerk van waaruit het functioneren van de wisselbank rond 1750 begrepen kan worden. Die uitgebreide schets is noodzakelijk wegens de complexiteit van de activiteiten van de bank. Het schema, of de kaart van de wereld van de Wisselbank (27), vormt de kern van dit raamwerk en daarmee van het boek. De hoofdstukken 4 tot en met 7 volgen de ontwikkeling van de Wisselbank vanaf de oprichting om diens vorm omstreeks 1750 te verklaren. Telkens reageerden de Wisselbankbestuurders pragmatisch op veranderende omstandigheden, waardoor ook haar vorm en functies veranderden. Hoofdstuk 8 analyseert de rol van de Wisselbank in de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) en de daaruit voorvloeiende financi&#x00EB;le crisis. Het afsluitende hoofdstuk 9 is een reflectieve onderbouwing van de centrale stelling dat de Wisselbank de eerste moderne centrale bank was.</p>
<p>Hoofdstuk 5 vormt het centrale hoofdstuk. Het behandelt de hervorming van 1683, die van de &#x2018;oude&#x2019; een &#x2018;nieuwe&#x2019; bank maakte (141). Door die omslag begon de Wisselbank centrale bankfuncties uit te voeren. De belangrijkste was het opschorten van de convertibiliteit: de mogelijkheid de bankgulden naar fysieke munten om te wisselen. Dat was opmerkelijk genoeg een stilzwijgende wijziging, zonder duidelijke aanleiding (111). Die definitieve vestiging van zuiver fiduciair geld leidde vervolgens tot een scheiding tussen twee delen binnen de bank met &#x00E9;&#x00E9;n gezamenlijke valuta, de bankgulden. Het eerste deel leende zogenaamde bankguldens uit, op onderpand van gestandaardiseerde zakken met ducatons. Dat bankgeld was vergelijkbaar met hedendaagse Amerikaanse dollars als internationaal betaalmiddel en de transactie met een moderne <italic>repo</italic> (van <italic>repurchase</italic>). Het andere deel werd een geldscheppende fractionele centrale bank, op basis van datzelfde fiduciaire bankgeld. Dit gebeurde met gewone leningen aan de <sc>voc</sc> en de stad Amsterdam zonder volledig onderpand &#x2013; en was dus een vorm van fractioneel centraal bankieren. Door openmarktoperaties van het tweede bankdeel poogde de Wisselbank de koers van de bankgulden te beheersen. Daarmee be&#x00EF;nvloedde ze de meerwaarde van de bankgulden ten opzichte van de fysieke courantgulden, buiten de Wisselbank: het zogeheten &#x2018;agio&#x2019;.</p>
<p>Bij de centrale claim van het boek kunnen toch enige kanttekeningen worden geplaatst. Dat komt doordat de auteurs niet expliciteren wat zij precies onder een centrale bank verstaan en welke functies een instelling voor die kwalificatie moet vervullen. De analogie&#x00EB;n die zij zien, blijven vooral descriptief (3-7). Enerzijds tonen zij overtuigend aan dat de Wisselbank op ingenieuze wijze centrale bankfuncties vervulde. Anderzijds ontbreken ook aspecten die we nu met centraal bankbeleid associ&#x00EB;ren. Vooral de maatschappelijke doelstelling en positie van de Wisselbank waren anders dan die van hedendaagse centrale banken. Dit had kunnen helpen om de Zweeds claim te weerleggen, maar de auteurs negeren de Zweedse Rijksbank, afgezien van een voetnoot op pagina 127.</p>
<p>Op de eerste plaats had de Wisselbank geen monopolie op het monetaire beleid. De gulden was de nationale munt, waarvan de kwaliteit door het College van Muntmeesters, dus door een Generaliteitsinstelling, werd gecontroleerd. Voorts waren er ook andere Wisselbanken in de Republiek, en zelfs in het gewest Holland. Middelburg, Delft en Rotterdam hadden hun eigen wisselbanken, die afgezien van Delft tot de Frans-Bataafse tijd bleven bestaan. Het gebrek aan co&#x00F6;rdinatie is het enige dat de auteurs over de relatie met deze wisselbanken noemen (91). Welke invloed deze wisselbanken lokaal, gewestelijk of nationaal uitoefenden, komt niet aan bod. Dat is begrijpelijk uit afbakeningsoogpunt, maar minder sterk in de onderbouwing van de claim over de Amsterdamse Wisselbank als centrale bank.</p>
<p>Op de tweede plaats ontbrak de controlefunctie op andere banken, waarschijnlijk mede omdat deze in de vorm zoals we die nu kennen niet bestonden. De circa tien grote handelshuizen met een bankiersfunctie waren geen consumentenbanken, en oefenden dus geen indirecte invloed uit. Daardoor was de invloed van de Wisselbank op het dagelijks leven in de Republiek beperkt, in tegenstelling tot hedendaagse centrale banken.</p>
<p>Op de derde plaats voerde de bank geen macro-economisch beleid, zoals inflatiebeheersing, wat moderne centrale banken nu wel doen. Dat beschouwen de auteurs als een betrekkelijk nieuw verschijnsel en daarmee niet essentieel voor hun centrale claim (243). Meer dergelijke explicitering van de criteria voor de definitie van een centrale bank had het boek en de lezer geholpen. Zoals Joost Jonker in 2014 al beargumenteerde, gebruikte de Wisselbank de rentevoet ook niet als instrument om de geldhoeveelheid te managen &#x2013; iets waarmee hedendaagse centrale banken het dagelijkse leven van gewone burgers wel be&#x00EF;nvloeden. Na de splitsing van de Wisselbank bleef de interne doelstelling leidend: stabilisering van de bankgulden en de Wisselbank zelf. Dat had geen maatschappelijk doel. Dergelijke verschillen met hedendaagse centrale banken ondergraven de centrale claim van de auteurs.</p>
<p>Het boek is weliswaar goed geschreven, maar niet voor iedereen toegankelijk. Dat komt doordat een financieel-technische analyse voor een argument als dat van Quinn en Roberds onontkoombaar en het bijbehorende jargon (met termen als <italic>Bagehotian</italic> en <italic>Taylor rule</italic>) even onvermijdelijk is. Dit maakt het voor de niet economisch onderlegde lezer lastiger te volgen. Blijft staan dat Quinn en Roberds overtuigend diverse centrale bankfuncties van de Amsterdamse Wisselbank hebben aangetoond. Of dat voldoende is om van de eerste moderne centrale bank te spreken, zal nog onderwerp van debat blijven met de Zweden.</p>
</body>
</article>
