<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.23464</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.23464</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Review</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Luxemburg und das Reichskammergericht: Die L&#x00F6;sung des Herzogtums aus dem Heiligen R&#x00F6;mischen Reich und ihre Folgen f&#x00FC;r die Gerichtszust&#x00E4;ndigkeit bei grenz&#x00FC;berschreitenden Konflikten</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Huybrechts</surname>
<given-names>Yves</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universit&#x00E4;t Paderborn</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>05</month>
<year>2025</year>
</pub-date>
<volume>140</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20250032</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Baums</surname><given-names>Theodor</given-names></name>
</person-group>
<source>Luxemburg und das Reichskammergericht: Die L&#x00F6;sung des Herzogtums aus dem Heiligen R&#x00F6;mischen Reich und ihre Folgen f&#x00FC;r die Gerichtszust&#x00E4;ndigkeit bei grenz&#x00FC;berschreitenden Konflikten</source>
<comment>Quellen und Forschungen zur H&#x00F6;chsten Gerichtsbarkeit im Alten Reich 81</comment>
<publisher-loc>Wenen en Keulen</publisher-loc>
<publisher-name>B&#x00F6;hlau</publisher-name>
<year>2024</year>
<page-range>143 pp.</page-range>
<isbn>9783412530525</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2025 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2025</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.23464"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>In handboeken zoals Putzgers <italic>Historischer Weltatlas</italic> wordt het Habsburgse deel der Lage Landen in de nieuwe tijd steevast als een kreits van het Heilige Roomse Rijk afgebeeld. Die kreitsen groepeerden sinds de vroege zestiende eeuw bijna alle standen van het Rijk om een regionale verdeling van militaire, juridische en financi&#x00EB;le opgaven in het Rijk mogelijk te maken. De Lage Landen vormden de Bourgondische Kreits, maar wat was deze constructie eigenlijk? Een lege &#x2018;fiction juridique&#x2019; (zoals betoogd door Monique Weis in een door Max Engammare geredigeerde bundel uit 2014), een verbond van twee aparte staten, of bestond er tot 1795 toch een institutionele connectie tussen de Nederlanden (voor zover ze Habsburgs bleven) en het Rijk? Deze fundamentele vraag wacht nog op een antwoord. Emile de Borchgraves stijlvolle <italic>Histoire des rapports de droit public</italic> [&#x2026;] <italic>entre les provinces belges et l&#x2019;empire d&#x2019;Allemagne</italic> van 1870 is nog nuttig, maar erg patriottisch en te weinig op de rijksinstellingen gericht. Jongere studies zoals die van Johannes Arndt en Monique Weis concentreren zich op de Noordelijke Nederlanden of op diplomatieke relaties. Paul N&#x00E8;ve&#x2019;s imposante studie uit 1972 over de bevoegdheid van het Rijkskamergerecht als opperste gerechtshof van het Rijk, die vooral de oostrand van de Lage Landen belicht, vond geen navolger. Een hoofdoorzaak is de idee-fixe dat het Verdrag van Augsburg van 1548, dat de relaties tussen het Rijk en de Nederlanden regelde, de scheiding tussen beide inzette of de scheiding zelf was. Na 1548 valt er dus maar weinig te bestuderen. Of toch wel?</p>
<p>Theodor Baums legt nu een studie over de gerechtelijke betrekkingen met het Rijk voor waarin de Bourgondische Kreits prominent voorkomt. In dit beknopte, maar van degelijke bronnenanalyse voorziene werk stelt de auteur twee vragen: of het hertogdom Luxemburg tot het verdrag van 1548 feitelijk of juridisch al van de rechtbanken van en in het Rijk gescheiden was en hoe de gerechtelijke verhoudingen tussen Luxemburg en het Rijk zich na 1548 ontwikkelden. De eerste vraag gaat vooral ten dienste van de tweede na of er voor de &#x2018;scheiding&#x2019; van 1548 precedenten bestonden. Baums is als emeritus hoogleraar economisch en burgerlijk recht met een specialisatie in internationaal recht duidelijk in meer ge&#x00EF;nteresseerd dan alleen het begin van een &#x2018;unbeschr&#x00E4;nkte Justizhoheit&#x2019; (14) in Luxemburg. Hij wil aantonen hoe rechtbanken in de vroegmoderne tijd geijkte Romeins-gewoonterechtelijke procedures verder ontwikkelden voor processen met partijen uit meerdere staten, voor &#x2018;internationale&#x2019; procedures dus. Hiervoor gebruikt hij procesdossiers uit Luxemburg en Trier, edities van rijksdagaktes, archiefstukken van het Rijkskamergerecht en de (nog vaak vergeten) <italic>Urkunden- und Aktenst&#x00FC;cke des Reichsarchivs Wien zur reichsrechtlichen Stellung des Burgundischen Kreises</italic> van 1944-1945. Het resultaat biedt inzicht in verrassende grensoverschrijdende processen die vaak van een opvallend pragmatisme getuigen.</p>
<p>De &#x2018;onafhankelijkheid&#x2019; van het hertogdom Luxemburg krijgt als voorwaarde voor het bestaan van &#x2018;internationale&#x2019; processen uiteraard veel aandacht. Hoofdstukken 2 en 3 tonen dat geen enkel privilege Luxemburg v&#x00F3;&#x00F3;r 1548 van vreemde gerechtsinstanties vrijstelde. In de context van ontkiemende Bourgondisch-Habsburgse instellingen in de Lage Landen en parallelle institutionalisering in het Rijk waren bevoegdheidsconflicten onvermijdelijk. Het verzet van Karel V en diens landvoogden tegen rijksinmenging in de Nederlanden was volgens Baums dan ook de aanleiding tot het verdrag van 1548. In een korte analyse onderstreept hij een vaak genegeerd innovatief aspect van de regeling rond de rijksbevoegdheden. Het verdrag was geen privilege met vrijstellingen, maar een regeling die alle Nederlandse gewesten tot &#x00E9;&#x00E9;n rijkskreits maakte en hun betrekkingen met het Rijk globaal vormgaf. Omdat de meeste andere rijksstanden op basis van hun kwaliteit als bezitter van een specifiek rijksleen aan de rijksinstellingen onderworpen waren en niet omwille van hun groepering in een kreits, was dit toch iets ongewoons. Baums wijst ook op clausules voor toekomstige grensoverschrijdende processen die onderdanen uit het Rijk en de kreits gelijke rechtsbescherming beloofden. Deze aspecten onderlijnen de noodzaak om de aard van de institutionele incorporatie van de Lage Landen in het Rijk zoals die met het verdrag gebeurde en die het midden hield tussen een associatie en een federatie nader te onderzoeken. Na de analyse van de juridische gevolgen (vooral van de passus rond de algemene vredehandhaving, oftewel <italic>Landfrieden</italic>, die niets voorzag voor het geval de Bourgondische Kreits zelf <italic>Landfriedensbruch</italic> beging &#x2013; zoals tijdens de Tachtigjarige Oorlog zou gebeuren) herhaalt de auteur wel enkele oude misverstanden zoals dat geen enkel rijksdagbesluit meer voor &#x2018;Burgund&#x2019; zou gelden, hoewel het verdrag de kreits tot financi&#x00EB;le en militaire bijdrages tot het Rijk en dus ook bijbehorende besluiten verplichtte (33). Dat het voortbestaan van feodale banden met het Rijk na 1548 geen praktische betekenis meer zou hebben gehad, is ook uiterst twijfelachtig (36).</p>
<p>Vanaf hoofdstuk 4 staan de grensoverschrijdende processen na 1548 (over erfverdragen, schulden, procesplaatsen en dergelijke) centraal. Op basis van hun inmenging in processen over Luxemburgse aangelegenheden wil Baums aantonen dat de Habsburgse landsheren hun Nederlandse bezittingen doelbewust van rechtbanken in of van het Rijk scheidden. Hij spreekt van een &#x2018;Sezessionsprozess&#x2019; (66), maar zulk een absolute weerstand tegen het Rijk is in de aangehaalde gevallen niet helemaal zichtbaar. Of de Habsburgers in processen ingegrepen, hing van de partijen en hun belang voor de landsheer af. In meerdere processen ging het bijvoorbeeld om de familie Von Kriechingen die in het hertogdom Luxemburg belangrijke functies voor de landsheer uitoefende, wat de processen politiek relevant maakte. Feodale banden en de nabijheid van het Rijk, vooral van het keurvorstendom Trier, zorgden ervoor dat de Habsburgers in dit deel van de Bourgondisch-Nederlandse territoria wantrouwig met de rijksinstellingen omgingen. Niettemin legden zij vele andere &#x2018;internationale&#x2019; processen wegens politieke irrelevantie geen strobreed in de weg: zelfs processen over leengoederen bleven opvallend vaak onbetwist. Het is duidelijk dat een rechtshistorisch ge&#x00EF;nspireerde gevalstudie over de vroegmoderne tijd op grenzen botst wanneer er niet ook naar de bredere politieke en persoonlijke context wordt gekeken. De principieel politieke aard van rijkskamergerechtsprocessen komt te weinig aan bod, net als de motieven van de keizers in hun rol als opperste leenheer of het politiek begunstigen van bepaalde rijksstanden. Dat Baums talrijke processen opnoemt die om onbekende redenen stil vielen, onderstreept het belang van een brede bronnenbasis om hun verloop genuanceerd te kunnen verklaren.</p>
<p>Het zijn vooral de accurate analyses van de grensoverschrijdende rechtszaakprocedures, en dus van onbekende &#x2018;Duits-Belgische&#x2019; geschiedenissen, die Baums&#x2019; werk waardevol maken. De premisse voor de studie, het bestaan van een staatsgrens of zelfs een Habsburgs-Nederlandse staat, wordt echter niet genoeg vervuld om van internationale processen te kunnen spreken. Maakte het etiket &#x2018;extra imperium&#x2019; in enkele processen de kreits echt tot een buitenland wanneer andere banden behouden bleven (73)? In dat opzicht verdienen de processen rond rijksbelastingen (waartoe de Habsburgse Nederlanden tenslotte verplicht waren) meer aandacht, net zoals de invloed van eventuele wijzigingen in de algemene houding ten aanzien van het Rijk &#x2013; bijvoorbeeld tijdens de geregelde Franse invasies in de late zeventiende eeuw. De stelling dat het Verdrag van 1548 een uiting van het &#x2018;Zerfall der Einheit des Reichs&#x2019; zou zijn geweest (66), toont dat de studie iets te weinig door recent onderzoek over de rijkspolitiek wordt geschraagd om verregaande conclusies te trekken over tweehonderdvijftig jaar rijkslidmaatschap. Als ervaren jurist identificeert Baums wel het cruciale gegeven dat de bevoorrechte positie van de Bourgondische Kreits rechtbanken aan beide kanten van de grens dwong oplossingen voor grensoverschrijdende processen te vinden. De gewaagde claim dat op die manier een vroegmodern &#x2018;System von Zust&#x00E4;ndigkeitsnormen&#x2019; als voorloper van huidige procedures in de <sc>eu</sc> zou zijn ontstaan (108) zij dus gegund om tot verder onderzoek over de kreits aan te sporen.</p>
</body>
</article>