<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.23458</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.23458</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Review</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Duizend jaar doorgegeven. Verkenningen van het gregoriaans in Nederland</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Hellemans</surname>
<given-names>Babette</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Rijksuniversiteit Groningen</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>05</month>
<year>2025</year>
</pub-date>
<volume>140</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20250029</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Tienstra</surname><given-names>Rens</given-names></name>
</person-group>
<source>Duizend jaar doorgegeven. Verkenningen van het gregoriaans in Nederland</source>
<publisher-loc>Hilversum</publisher-loc>
<publisher-name>Verloren</publisher-name>
<page-range>255 pp.</page-range>
<isbn>9789464550900</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2025 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2025</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.23458"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Het gregoriaans is een verzamelnaam voor eenstemmige liederen die gebruikt worden tijdens de katholieke misviering. Onder Karel de Grote ontstond uit de talloze psalmen en liederen die in omloop waren &#x00E9;&#x00E9;n standaardliturgie. Het gregoriaans behoort daarmee tot de alleroudste muziektraditie van West-Europa. Muziektheoreticus Guido van Arezzo (ca. 990-1050), opgeleid als Benedictijner monnik in het illustere klooster van Pomposa aan de Adriatische kust, was de eerste die een systeem ontwikkelde met lijnen en stafnotatie dat de verhoudingen tussen klanken kon weergeven. Hij beschreef zijn methode, vermoedelijk ge&#x00EF;nspireerd door andere reeds bestaande methoden, in een theoretische handleiding over de regels van de muzikale kunst getiteld <italic>Micrologus de disciplina artis musicae</italic>. Deze vormt de basis van het gregoriaans, en daarmee voor de muziekannotatie die wij nu nog gebruiken. Het gregoriaans is bij uitstek een uitvinding met een interregionaal repertoire dat kon ontstaan doordat monniken door heel Europa manuscripten met muziekcomposities uitwisselden.</p>
<p>In een schitterend uitgegeven studie vol kleurrijke afbeeldingen biedt Rens Tienstra de lezer een chronologisch muziekhistorisch overzicht van het gregoriaans in Nederland in zestien hoofdstukken, inclusief zes bijlagen met indices en een selectie teksten van gezangen. Tienstra is naast auteur ook dirigent, componist en artistiek leider van het Nederlands Gregoriaans Festival. Na een studie muziekwetenschap, orkestdirectie, en kerkmuziek aan het Conservatorium van Amsterdam en de Universiteit van Birmingham promoveerde hij aan de universiteit van Essen op het laaglands gregoriaans. Na een inleiding begint zijn boek met een bespreking van het vroegste Nederlandse voorbeeld van muzieknotatie op notenbalk uit circa 1100-1120, afkomstig uit de voormalige Utrechtse Paulusabdij. Vervolgens wordt in een aantal hoofdstukken de invloed van muziekcomposities voor heiligen en apostelen (en hun feestdagen) op de Europese cultuur duidelijk gemaakt. Voorts bespreekt de auteur de muziektraditie van de Moderne Devotie, de ontwikkeling van de liturgie met de daarbij horende zangpraktijken in de bisdommen van Haarlem en Den Bosch, en de opkomst van de stadsscholen in steden als Delft, Utrecht, en Leiden. Het boek eindigt met een beschrijving van het werk van de directeur van het Bisschoppelijk Museum in Haarlem, monseigneur Jacobus Johannes Graaf (1839-1924), die de &#x2018;oude vaderlandsche handschriften&#x2019; uit zijn collectie inventariseerde (194).</p>
<p>Voor de ontwikkeling van het gregoriaans in Europa is de negentiende eeuw doorslaggevend geweest. Het loont daarom vanuit cultuurhistorisch perspectief de moeite om wat uitvoeriger stil te staan bij de achterliggende motieven van monseigneur Graaf. Onder de inventaris van het Bisschoppelijk Museum (de collectie is uiteindelijk opgegaan in Museum Catharijneconvent) bevonden zich middeleeuwse muziekhandschriften zoals het Hellums missaal, een graduale van Enkhuizen, de Cisterci&#x00EB;nzer antifonale uit Edam, en andere belangrijke bronnen voor de Nederlandse muziekgeschiedenis.</p>
<p>De auteur legt in het laatste deel van zijn studie uit hoe ook in Nederland de negentiende-eeuwse Europese heropleving van de middeleeuwen zijn weerslag had. In dit katholiek geori&#x00EB;nteerde reveil werd de wereld wakker uit &#x2018;de slaap waarin de christelijke wereld ten opzigte van de kerkmuziek verzonken was&#x2019;, aldus de Keulse kardinaal Paul Melchers in het eerste <italic>Sint Gregoriusblad</italic> uit 1876 (189). Behalve het terugbrengen van kerken naar een neogotische bouwstijl door architecten als Pierre Cuypers (1827-1921) kreeg ook het gregoriaans in Nederland nieuw leven ingeblazen. Voor het Nederlandse gregoriaans kan binnen dit katholieke restauratieproces het belang van de Noord-Franse abdij Saint-Pierre de Solesmes niet worden onderschat. De wetenschappelijke benadering die in deze abdij werd ontwikkeld zorgde er in ons land voor dat er een benadering van het gregoriaans zou ontstaan die was gebaseerd op studie van authentieke middeleeuwse bronnen, waarbij de vraag werd opgeworpen wat de meest &#x2018;zuivere&#x2019; gregoriaanse vorm zou zijn: de musicologisch-wetenschappelijke, of de aanbevelingen vanuit Rome. Moest Nederland kiezen voor een eigen editie van een &#x2018;juist&#x2019; gregoriaans zangboek, en net als het neogotische Rijksmuseum eigen nationale middeleeuwse voorbeelden als Willibrord, de abdij van Aduard, of Jan van Schaffelaar omarmen? Wat het gregoriaans betreft zou Rome, onder de beslissende invloed van de abdij Saint-Pierre de Solesmes met een duidelijk internationaal geori&#x00EB;nteerde compositiestijl, uiteindelijk aan het langste eind trekken.</p>
<p>Tussen die negentiende-eeuwse heropleving van de middeleeuwen met de inventaris van monseigneur Graaf en de snippers muzieknotatie uit de Utrechtse Paulusabdij zit inderdaad bijna duizend jaar van een uitzonderlijke muzikale erfenis van annotatiepraktijken die soms bewust, soms door toeval is doorgegeven. Hoewel de voorbeelden per hoofdstuk elk voor zich fascinerend zijn, en vooral ook vanuit musicologisch perspectief inzichtelijk worden besproken, is <italic>Duizend jaar doorgegeven</italic> niet altijd even systematisch in het uiteenzetten van de cultuurhistorische thema&#x2019;s rondom de besproken muziekhandschriften. Neem het voorbeeld van de pestmis in hoofdstuk 8, getiteld <italic>Noodzangen</italic>. Een pestmis is zo&#x2019;n &#x2018;noodzang&#x2019;: een overgebleven getuige van die afschuwelijke episode uit de geschiedenis waarin de bevolking in Europa werd gedecimeerd door de pest. De ontwikkeling met betrekking tot de inhoud en liturgische vormgeving van deze mis had wel wat meer cultuurhistorische context mogen krijgen, zeker in relatie tot de bredere dodencultuur, met een eeuwenoude traditie aan dodenrituelen, de dodenmis (het requiem), en voor musicologen vooral ook het Dodenofficie (een getijdengebed gebruikt bij de dodenwake voor een begrafenis). Weliswaar legt Tienstra in het hoofdstuk aan de hand van een zestiende-eeuws gezangboek voor de vespers uit hoe Jezus, Maria, en beroemde pestheiligen als Sebastiaan, Antonius en Rochus worden aangeroepen. Hij geeft, behalve de algemene opmerking dat &#x2018;nood leert bidden&#x2019; &#x2013; dus ook <italic>zingend</italic> bidden &#x2013; echter geen verdere toelichting op de mentale cultuurhistorische achtergrond van deze gebeden, of hoe deze liederen een sociale functie hadden binnen een samenleving met &#x00FC;berhaupt weinig bestaanszekerheid.</p>
<p>Het voorbeeld van de pestmis is illustratief voor een algemenere tekortkoming in dit boek, namelijk het ontbreken van ook maar enige verwijzing naar bredere historisch-culturele literatuur. Het werk put vooral uit behoorlijk specifieke studies over de verschillende cases. Hierdoor ontbreekt er een bredere en historisch gerichte dimensie die vooral een niet-wetenschappelijk publiek meer inzicht had kunnen geven in de mentaliteit van de middeleeuwse mensen, en vooral <italic>waarom</italic> zij deze liederen zongen, optekenden, en uiteindelijk zorgvuldig bewaarden. Hierbij mag overigens niet vergeten worden dat uiteindelijk het lot bepaalt welke manuscripten over zijn gebleven: talloze manuscripten, we zullen het aantal nooit weten, zouden de tand des tijds niet doorstaan door brand, waterschade, diefstal, plunderingen, oorlogsbuit, en ander onheil. Wat verder opvalt, is dat het boek enkele slordigheden in de biografische gegevens van historische figuren toont. Ook geeft het geen achtergrondinformatie van Nederlandse medi&#x00EB;visten-musicologen, zoals Ike de Loos (1955-2010), die bijzonder veel heeft bijgedragen aan de ontsluiting van Nederlandse gregoriaanse manuscripten.</p>
<p>Blijft staan dat dit fraai uitgegeven boek boeiend inzicht geeft in verschillende soorten gregoriaanse manuscripten van Nederlandse bodem, dat de diversiteit aan getoond materiaal en de grondigheid van archiefonderzoek grote waardering verdient, en ook dat de uitgebreide woordenlijst met musicologische terminologie niet onvermeld mag blijven. Tienstra beschrijft met heldere pen en op pakkende wijze hoe het gregoriaans, ontstaan in een vergane wereld zonder duidelijk gemarkeerde landsgrenzen, zich in Nederland verder zou ontwikkelen, met daarbij zijn eigen kenmerken en tradities.</p>
</body>
</article>