<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.23079</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.23079</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Review</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>De Rapaillepartijen. Antipolitieke sentimenten, 1918-1931</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Vossen</surname>
<given-names>Koen</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Radboud Universiteit Nijmegen</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>04</month>
<year>2025</year>
</pub-date>
<volume>140</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20250019</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>te Slaa</surname><given-names>Robin</given-names></name>
</person-group>
<source>De Rapaillepartijen. Antipolitieke sentimenten, 1918-1931</source>
<publisher-loc>Amsterdam</publisher-loc>
<publisher-name>Boom</publisher-name>
<year>2024</year>
<page-range>448 pp.</page-range>
<isbn>9789024464227</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2025 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2025</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.23079"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>&#x2018;Gij dwingt ons te kiezen. Goed! Maar nu zult ge ook weten dat wij kiezen&#x2026; Gij zult er plezier van hebben!&#x2019; Aldus kondigde de anarchist Gerhard Rijnders de kandidatuur van de dakloze straatartiest Cornelis de Gelder, alias Had-je-me-maar, voor de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen van 1921 aan (325). Deze opmerkelijke actie was zowel een protest tegen wat men zag als stemdwang &#x2013; feitelijk slechts een opkomstplicht &#x2013; als, meer indirect, tegen de parlementaire democratie als geheel. De lotgevallen van Had-je-me-maar en de Rapaillepartij behoren ongetwijfeld tot de meest vertelde anekdotes uit de politieke geschiedenis van Nederland in het interbellum. Als komische noot in een geschiedenisles of historisch boek valt het verhaal over de zwerver die met absurde eisen als &#x2018;jajem voor vijf cent&#x2019; en &#x2018;vrij vissen in het Vondelpark&#x2019; in de Amsterdamse gemeenteraad werd gekozen moeilijk te versmaden. De anekdote vormt bovendien een uitstekende opmaat voor een betoog over de grote kritiek die er in deze jaren ook in Nederland over de democratie werd uitgestort. Wat in de kop nog grappig begon, eindigde in de staart bijzonder grimmig, zo is daarbij het dominante verhaal.</p>
<p>Ondanks deze iconische status van de Had-je-me-maar-anekdote is de Rapaillepartij misschien niet het meest voor de hand liggende thema voor historisch onderzoek. Er is in verschillende boeken al vrij uitvoerig over geschreven, bijvoorbeeld door Wim Zaal in <italic>De Nederlandse fascisten</italic> (1973), door Frans van Burkom en Erich Wichman in <italic>Ironische kunst, tragisch leven</italic> (2019) en door Koen Vossen, in <italic>Vrij vissen in het Vondelpark. Kleine politieke partijen in Nederland 1918-1940</italic> (2003). Wat valt er nog meer te weten over dit al met al tamelijk kortstondige intermezzo in de marge van ons politieke bestel? Toch nog behoorlijk wat, zo laat Robin te Slaa zien in zijn boek <italic>De Rapaillepartijen. Antipolitieke sentimenten, 1918-1931</italic>, dat in 2024 bij uitgeverij Boom verscheen. In een slordige 400 pagina&#x2019;s behandelt journalist en zelfstandig onderzoeker Te Slaa niet alleen de Amsterdamse Rapaillepartij van Had-je-me-maar, maar ook enkele verwante partijen in het land, zoals de Rotterdamse variant onder leiding van Leen Coremans en een Haarlemse versie rondom George Oversteegen. Ook staat hij stil bij de mislukte poging van de Rapaillepartij om met de zingende lijsttrekker Klaas Driehuis in 1922 een zetel in de Tweede Kamer te verwerven. Onder meer dankzij nauwkeurig onderzoek in krantenbank Delpher en in diverse archieven en obscure periodieken heeft Te Slaa een enorme hoeveelheid nieuwe informatie boven water gekregen en enkele mythes en misverstanden weten te ontkrachten. Het blijkt dat veel onderdelen van deze <italic>petit histoire</italic> ten onrechte steeds herhaald werden omdat niemand de moeite had genomen te controleren of ze wel klopten. Zo heeft Bertus Zuurbier tijdens zijn termijn als afgevaardigde van de Rapaillepartij in de Amsterdamse gemeenteraad heus meer gezegd dan slechts &#x2018;mag het raam dicht?&#x2019;, zoals dikwijls is herhaald.</p>
<p>De vraag die zich wel meteen aandient, is of 400 pagina&#x2019;s vol nauwkeurig gereconstrueerde lotgevallen van deze marginale partijtjes niet wat al te veel van het goede is. Had dit onderwerp zich niet beter geleend voor een uitgebreid artikel van dertig pagina&#x2019;s in een historisch tijdschrift? Is dit boek niet een voorbeeld van een met al te groot enthousiasme omgestoten kast vol archiefdozen?</p>
<p>Zo&#x2019;n oordeel zou niet terecht zijn. Hoewel het boek wat aan de forse kant blijft, is Te Slaa er in geslaagd om niet alleen een boeiende, maar ook belangrijke monografie te schrijven die niet voor niets is genomineerd voor de Libris Geschiedenisprijs. Voor een deel komt dat door de stilistische kwaliteiten van de auteur. Te Slaa beschrijft beeldend het Amsterdamse stadsrumoer van de vroege jaren twintig, reconstrueert fraai een onvervalste mediahype anno 1921 en zet enkele hoofdrolspelers goed neer, zoals het artistieke <italic>enfant terrible</italic> Erich Wichmann, de zelfverklaarde dada&#x00EF;st Anton Bakels, de charlataneske anarchist Gerhard Rijnders, de beroepscolporteur Bertus Zuurbier en natuurlijk Cornelis de Gelder alias Had-je-me-maar zelf. In Te Slaa&#x2019;s boek verschijnt deze als een tragische, door tegenslag getekende alcoholist die tamelijk gewetenloos werd misbruikt. Behalve over een bij dit thema goed passend onderkoeld soort humor beschikt Te Slaa over een goed oog voor treffende citaten en details. Als een microgeschiedenis van Nederland en Amsterdam in de vroege jaren twintig is het boek daardoor uitermate geslaagd.</p>
<p>Ook als analyse van de democratische malaise in het Nederland van die tijd biedt het boek enkele belangrijke inzichten over de randen van het politieke spectrum. Men kan stellen dat de Rapaillepartij opereerde in het grijze gebied tussen de beide uiteinden van het politieke hoefijzer, een gebied dat door socioloog Dick Pels ooit is geduid als de politieke boh&#x00E8;me. Het artistieke, politieke, filosofische en psychopathologische was hier soms lastig van elkaar te onderscheiden, zoals Te Slaa mooi laat zien. Van een duidelijke scheiding der geesten tussen extreemlinks en extreemrechts was nog geen sprake. Tegelijk maakt hij goed duidelijk dat iemand als Erich Wichmann meer was dan alleen een aartsprovocateur: de aristocratische revolutie die deze Nietzsche-adept al tijdens de Eerste Wereldoorlog met zijn Orthodoxe Liberale Partij bepleitte, paste in een bredere Europese intellectuele stroming waarin Te Slaa als kenner van het fascisme goed thuis is.</p>
<p>Jammer genoeg ontbreekt die analytische diepgang als het over de anarchistische wortels van de Rapaillepartijen gaat. Ietwat gemakzuchtig beperkt Te Slaa zich in zijn behandeling van het individueel-anarchisme tot het adagium van Max Stirner: &#x2018;Mij gaat niets boven mij&#x2019;. Voor het overige heeft het anarchisme volgens Te Slaa weinig meer te bieden gehad dan terroristisch anarchisme van de daad, amateuristische stakingslust, organisatorisch onvermogen en onderling gekrakeel tussen figuren die uit zijn analyse als niet bijzonder snugger of sympathiek naar voren komen. Zowel de kleingeestige en opportunistische Ferdinand Domela Nieuwenhuis als zijn frauduleuze schildknaap Gerhard Rijnders komen er bij Te Slaa niet al te best vanaf. Wellicht is daar alle reden toe, maar het is nog geen aanleiding om het anarchisme als politieke stroming in het geheel niet meer serieus te nemen. Wellicht had Te Slaa er hier goed aan gedaan om het Nederlandse perspectief los te laten en zich meer op internationale voorbeelden te richten. Het volgens de bibliografie niet geraadpleegde standaardwerk van Peter Marshall, <italic>Demanding the Impossible: A History of Anarchism</italic> had hier soelaas kunnen bieden. Zo is het fenomeen van de schertspartij met absurde eisen in anarchistische kring vaker beproefd. Misschien wel het bekendste voorbeeld is de in 1911 door de Tsjechische schrijver Jaroslav Hasek opgerichte Partij voor gematigde vooruitgang binnen de grenzen van de wet. Met deze partij wilde de anti-autoritaire anarchistische Hasek, later beroemd geworden door de roman <italic>De lotgevallen van de brave soldaat &#x0160;vejk</italic>, het politieke leven in Oostenrijk-Hongarije op de hak nemen. Een dergelijke verbreding had de analyse in dit voor het overige fraaie boek iets evenwichtiger gemaakt.</p>
</body>
</article>