<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.19617</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.19617</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Review</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Universiteit Utrecht en koloniale kennis. Bestuderen, bemeten en beleren sinds 1636</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Nordholt</surname>
<given-names>Larissa Schulte</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Wageningen University &#x0026; Research</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>09</month>
<year>2024</year>
</pub-date>
<volume>139</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20240053</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>van Rinsum</surname><given-names>Henk J.</given-names></name>
</person-group>
<source>Universiteit Utrecht en koloniale kennis. Bestuderen, bemeten en beleren sinds 1636</source>
<publisher-loc>Zutphen</publisher-loc>
<publisher-name>Walburg Pers</publisher-name>
<year>2023</year>
<page-range>352 pp</page-range>
<isbn>9789464562002</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2024 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2024</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.19617"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Henk van Rinsum begint zijn studie over de koloniale geschiedenis van de Universiteit Utrecht met een persoonlijke noot. Hij was van 1976 tot 2000 werkzaam bij het bureau buitenland van de universiteit en hield zich bezig met &#x2018;universitaire ontwikkelingssamenwerking&#x2019; (13). Zijn carri&#x00E8;re is daarmee verbonden met de geschiedenis die hij beschrijft. In feite is het boek de culminatie van een carri&#x00E8;re lang nadenken over &#x2018;ontwikkeling&#x2019;, met steeds groter groeiend ongemak over de rol van westerse universiteiten daarin. In dit boek staat de vraag centraal op welke manier de wetenschapsontwikkeling aan de Universiteit Utrecht verknoopt is geweest met de Nederlandse koloniale geschiedenis. Daarbij problematiseert Van Rinsum voortdurend de aanname dat de westerse wetenschap superieur zou zijn in vergelijking met andere kennissystemen, een idee dat is voortgekomen uit de Verlichting.</p>
<p>Het boek is opgedeeld in vier tijdsperiodes, van de oprichting van de Universiteit Utrecht in 1636 tot aan de jaren 1990, waarbij de auteur telkens andere wetenschapsgebieden op de voorgrond laat treden, die elk corresponderen met een of twee hoofdstukken. De hoofdstukken richten zich op de activiteiten van personen in de koloni&#x00EB;n, met name Nederlands-Indi&#x00EB; en in Nederland aan de universiteit zelf, en in mindere mate op de institutionele structuren. De vroegmoderne periode typeert Van Rinsum als een tijdvak van &#x2018;Beleren &#x0026; Bekeren&#x2019; en &#x2018;Exploreren &#x0026; Classificeren&#x2019;. In de zeventiende eeuw was de theologische opleiding de belangrijkste, waaruit een bekeringsoffensief volgde, want het geloof moest worden verspreid. Tegelijkertijd gingen onder andere Utrechtse botanisten in de zeventiende eeuw aan de slag met het verzamelen, ordenen en classificeren van een, vanuit Utrecht bekeken, vreemde wereld.</p>
<p>Vanaf de negentiende eeuw spreekt Van Rinsum over een periode van &#x2018;Experimenteren &#x0026; Exploiteren&#x2019; en betoogt hij dat vooral de exacte wetenschappen profijt hadden van de connecties met de koloni&#x00EB;n. Wetenschap wordt in deze periode empirischer, de tropische natuur fungeerde als laboratorium. De twintigste eeuw, ten slotte, karakteriseert hij als een periode van &#x2018;Opleiden &#x0026; Controleren&#x2019;. Daarmee raakten de doelen van de universiteit verstrengeld met die van het koloniale regime, al doelt de auteur hier vooral op de Utrechtse Indologie-opleiding die in 1925 tot stand kwam. Van Rinsums onderzoekt steunt vooral op bestaande literatuur en gepubliceerd wetenschappelijk werk van Utrechtse wetenschappers door de eeuwen heen. De bijdrage van zijn werk zit vooral in de manier waarop hij deze bronnen bijeenbrengt en bevraagt over de kolonialiteit die daarmee verbonden is.</p>
<p>Het boek begint met twee hoofdstukken over de vroegmoderne periode, maar het zwaartepunt ligt bij de periode na 1800. Het bevat daarnaast een aantal thematische hoofdstukken over de universiteit en slavernij, de zogenaamde &#x2018;oliefaculteit&#x2019; en het onderwijs in de koloni&#x00EB;n. Het laatste hoofdstuk bevat een reflectie op de wisselwerking tussen macht, kennis en het door Van Rinsum gehekelde superioriteitsdenken. Daarin keert de auteur terug naar de kern van zijn betoog: het superioriteitsdenken heeft de westerse wetenschapper in het beste geval blind gemaakt voor de eigen positionering, en in het slechtste geval gezorgd voor een minachting richting de &#x2018;ander&#x2019;, waardoor onderdrukking en economische exploitatie mogelijk werden gemaakt. Hierbij houdt Van Rinsum zichzelf niet buiten schot en bekritiseert hij zijn rol als &#x2018;seculiere zendingswerker&#x2019; die het westerse wetenschappelijke evangelie in de tweede helft van de twintigste eeuw kwam verspreiden. Dat is bewonderingswaardig.</p>
<p>De twee hoofdstukken over de Indologische faculteit bevatten de meest doorwrochte analyse. Hier wordt duidelijk hoezeer bedrijfsleven en wetenschap, met betrekking tot de opleiding van Indische ambtenaren, met elkaar verwikkeld raakten. Bovendien nuanceert Van Rinsum het bestaande historiografische beeld dat het &#x2018;ethische&#x2019; Leiden en het &#x2018;conservatieve&#x2019; Utrecht daarbij wezenlijk anders opereerden, al maakt hij ook duidelijk hoe nauw de Utrechtse faculteit verknoopt raakte met het in de jaren 1920 opkomende Europese fascisme. Meerdere hoogleraren waren overtuigd fascist (Pierson), <sc>nsb</sc>&#x2019;er (Westra) of vanuit de Groot-Nederlandse beweging verdediger van de koloniale oorlog in Indonesi&#x00EB; tussen 1945-1949 (Gerretson). Dat is an sich geen nieuwe informatie &#x2013; Van Rinsum baseert zijn tekst op secundaire literatuur &#x2013; maar het is nog niet eerder zo duidelijk in verband gebracht met enerzijds de koloniale geschiedenis en anderzijds de geschiedenis van de Universiteit Utrecht. De Indologische faculteit was een plek waar deze denkbeelden verder ontwikkeld konden worden omdat kolonialisme, fascisme en kapitalisme hier als intellectuele stromingen samenkwamen. Toch houdt de auteur het grotendeels bij het bijeenbrengen van deze informatie zonder er zelf expliciet conclusies uit te trekken.</p>
<p>Maar, juist vanwege deze overduidelijke link tussen het koloniale bedrijfsleven, de universiteit en conservatieve raciale politieke overtuigingen is het jammer dat een doorgedreven analyse van de raciale hi&#x00EB;rarchie, die het wetenschappelijke superioriteitsdenken mogelijk maakte en maakt, afwezig blijft. Het hoofdstuk over de universiteit en slavernij bevat weliswaar een scherpe analyse van de manier waarop in Voetius&#x2019; denken de exclusiviteit van de protestantse mens steeds meer gelijk werd gesteld aan die van de witte mens, de implicaties van dit raciaal epistemologisch regime blijven onderbelicht. Van Rinsum laat grotendeels na te benoemen dat het hier om onversneden koloniaal racisme ging dat &#x2018;de ander&#x2019; minderwaardig maakte. Ook aan de hedendaagse universiteit heeft dit koloniale racisme diepe sporen nagelaten. Onderzoek naar de koloniale geschiedenissen van universiteiten is laat op gang gekomen, deels omdat deze nog altijd grotendeels bastions van witte wetenschappers zijn. Van Rinsum wijst ook op dit gebrek aan wat hij &#x2018;culturele diversiteit&#x2019; noemt. Daarnaast neemt hij hier en daar de ruimte om de rol van Indonesische en Surinaamse studenten in Utrecht te beschrijven. Dat is een belangrijke bijdrage, maar hier ligt ook een duidelijke opdracht voor nieuw historisch werk, met name wat betreft het dagelijks leven van deze studenten. Van Rinsum behandelt hen voornamelijk in de context van hun eigen bijdragen en carri&#x00E8;res en onder losse kopjes, maar laat een analyse over de (afwezige) rol van de Universiteit Utrecht in het bijeenbrengen van deze studenten of van hoe zij zich verhielden tot de universiteit en de koloniale machtsverhoudingen grotendeels achterwege.</p>
<p>De keuze voor het steeds beschrijven van losse figuren en episoden zorgt ervoor dat het boek in staat is erg veel informatie bijeen te brengen, maar gaat hier en daar ten koste van het aanwijzen van de samenhang tussen personen en gebeurtenissen. De vraag naar koloniale machtsverhoudingen, een van de speerpunten van onderzoek naar koloniale geschiedenis van de laatste decennia, verdwijnt soms geheel. De focus op personen heeft er ten dele mee te maken dat de universiteit, zeker in de vroegmoderne periode, vele malen kleiner was dan in de twintigste eeuw en dat individuen dus een grotere invloed uitoefenden op de institutionele geschiedenis. Juist daarom is het jammer dat de institutionele structuren en koloniale machtsverhoudingen, op reflecties over superioriteitsdenken na, onderbelicht blijven en dat ook de rol van de Universiteit Utrecht als koloniaal instituut soms wat op de achtergrond raakt. Kolonialisme en koloniale wetenschap houden immers meer in dan alleen superioriteitsdenken, het gaat ook over de onderdrukking van mens, dier en plant. Deze twee zaken zijn natuurlijk nauw aan elkaar verwant, maar ook wanneer wetenschappers niet expliciet een filosofie van onderdrukking aanhingen, deden ze daar vaak wel aan mee en kleurde deze hun bevindingen &#x2013; bijvoorbeeld wanneer zij, zoals Christiaan Eijkman, onderzoek deden naar de oorzaken van beriberi bij de inheemse bevolking in Nederlands-Indi&#x00EB;. De inheemse mensen waarover het onderzoek ging worden in het boek buiten beschouwing gelaten (170-173).</p>
<p>Dat universiteiten relatief laat zijn met dergelijk onderzoek, al zijn er inmiddels in Leiden, Amsterdam en Wageningen onderzoeken gaande, heeft deels te maken met deze complexe geschiedenissen van verschillende wetenschappelijke disciplines, personen en institutionele structuren. In tegenstelling tot directe financi&#x00EB;le stromen uit de koloni&#x00EB;n, koloniale straatnamen of gebouwen, die er in de universitaire wereld ook volop zijn, is de geschiedenis van kennis vaak indirecter. Van Rinsum slaagt er echter in te tonen hoezeer de geschiedenis van specifieke disciplines verwikkeld raakte met de koloniale overheersing. Met name de exacte wetenschappen hebben in hoge mate geprofiteerd van connecties met de koloni&#x00EB;n, omdat natuurwetenschappers zo toegang hadden tot de tropische natuur. Dankzij expedities, botanische tuinen en onderzoeksstations in de tropen kon de natuurwetenschap zich in Europa verder ontwikkelen terwijl de gekoloniseerden werden buitengesloten. Zo laat van Rinsum zien hoe belangrijk tropische ervaring was voor een carri&#x00E8;re in de natuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht. Een voorbeeld daarvan is het onderzoek naar de kinacultuur. De hoogleraren G.J. Mulder en F.A.W. Miquel, respectievelijk chemicus en medicus, adviseerden het gouvernement hierover, schoven hun eigen leerlingen naar voren als werknemers en voerden zelf, in opdracht van het gouvernement, onderzoek uit naar de economische opbrengsten. De leerlingen van Mulder vervulden ook in het koloniale bedrijfsleven, als technici en chemici, allerlei rollen en van Rinsum concludeert dan ook dat Utrecht zijn stempel heeft gedrukt op de koloniale chemie. Al deze wetenschappers maakten gebruik van inheems personeel dat nauwelijks erkenning kreeg voor diens wetenschappelijke bijdragen en doorgaans veel minder verdiende dan Nederlanders, maar dit element van de koloniale wetenschap komt bij van Rinsum weinig aan bod. Desalniettemin volgt uit zijn analyse dat de dekolonisatie van de universiteit zich niet kan beperken tot de geestes- en sociale wetenschappen.</p>
<p><italic>Universiteit Utrecht en koloniale kennis</italic> is de eerste uitgebreide historische beschouwing over de koloniale geschiedenis van een Nederlandse universiteit en vormt daarmee een belangwekkend startpunt voor nieuw onderzoek. Van Rinsum heeft op nauwkeurige wijze een grote hoeveelheid materiaal samengebracht om de Utrechtse universitaire geschiedenis te herschrijven, met de nadruk op de vraag in hoeverre deze koloniaal is. Na meerdere onderzoeken naar de koloniale geschiedenis van provincies, steden en banken is het goed dat er nu ook onderzoek verschijnt naar de koloniale geschiedenis van kennis- en onderwijsinstellingen. Maatschappij en academie maken een collectief verwerkingsproces door en daarvoor is deze studie van waarde.</p>
</body>
</article>