<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.19614</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.19614</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Review</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Pieter Geyl and Britain: Encounters, Controversies, Impact</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Huistra</surname>
<given-names>Pieter</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universiteit Utrecht</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>09</month>
<year>2024</year>
</pub-date>
<volume>139</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20240050</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="editor">
<name><surname>van Rossem</surname><given-names>Stijn</given-names></name>
<name><surname>Tiedau</surname><given-names>Ulrich</given-names></name>
</person-group>
<source>Pieter Geyl and Britain: Encounters, Controversies, Impact</source>
<publisher-loc>Londen</publisher-loc>
<publisher-name>University of London Press</publisher-name>
<year>2022</year>
<page-range>286 pp</page-range>
<isbn>9781915249005</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2024 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2024</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.19614"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>In de loopbaan van Pieter Geyl (1887-1966) nemen zijn jaren als journalist (1913-1919) en als hoogleraar (1919-1935) in Londen een belangrijke plaats in. Hij ontwikkelde daar zijn specifieke mengvorm van geschiedenis en politiek. Hij deed dat als eerste bekleder van een leerstoel die met Nederlands geld was ingesteld aan de University of London om de Britse publieke opinie te be&#x00EF;nvloeden ten gunste van Nederlandse belangen &#x2013; met name tegen de Belgische aanspraken op Nederlands grondgebied als compensatie voor de tijdens de Eerste Wereldoorlog geleden verliezen. Geyl schreef er vele artikelen in Britse kranten. Ook bouwde hij een netwerk op in de Angelsaksische historische wereld dat hij ook na zijn benoeming als hoogleraar in Utrecht in 1935 zou behouden, en verwierf hij zich een wetenschappelijke reputatie door de publicatie van artikelen, recensies en de eerste delen van zijn <italic>Geschiedenis van de Nederlandsche stam</italic> &#x2013; zijn historiografische uitwerking van de Groot-Nederlandse gedachte. Deze Britse connectie vormt het uitgangspunt van deze nieuwe verzameling van tien opstellen over Geyl, geredigeerd door Stijn van Rossem en Ulrich Tiedau. Geyl wordt in <italic>Pieter Geyl and Britain</italic> met historische distantie benaderd, maar tegelijk is hij nooit meer dan <italic>one handshake away</italic>. De bundel is immers opgedragen aan Pieter van Hees, die zijn academische carri&#x00E8;re in 1961 begon als assistent van de Utrechtse emeritus en daarna zijn reputatie opbouwde als bezorger van Geyls correspondentie en autobiografie. Van Hees tekende ook, postuum, voor het eerste artikel in deze bundel, over een vertrouwd onderwerp: Geyl en de Groot-Nederlandse gedachte.</p>
<p>Van Hees is echter niet alleen subject, maar ook object van Geyl-onderzoek. In het laatste artikel, geschreven door Fons Meijer, is Van Hees een van de protagonisten. Meijer analyseerde het debat uit de jaren 1970 en 1980 over de duiding van de verhouding van Geyl tot de Vlaamse beweging. In dit debat stonden Utrechtse historici, zoals Van Hees, en Leuvenaars, zoals Lode Wils, tegenover elkaar. Dat een debat over de betekenis van Geyl inmiddels ook onderwerp van onderzoek is geworden, markeert de afstand tot de hoofdpersoon van de bundel: naast de Geyl-studies bestaan er nu ook studies over Geyl-studies. Die afstand blijkt ook uit de leeftijd van de auteur: Meijer representeert samen met Alisa van Kleef een nieuwe, derde generatie van Geyl-onderzoekers in de inhoudsopgave van <italic>Pieter Geyl and Britain</italic>.</p>
<p>De eerste generatie, van onderzoekers die Geyl nog hebben gekend, wordt vertegenwoordigd door de al genoemde Van Hees. De meeste auteurs in deze bundel zijn te rekenen tot een brede tweede generatie, in wier onderzoek Geyl om de ene of de andere reden is opgedoken. Zo hebben de redacteuren, Van Rossem en Tiedau, een institutionele link met het Londense Institute for Historical Research, waaraan ook Geyl als hoogleraar in de jaren 1920 en 1930 verbonden is geweest. Deze voortdurende interesse roept de vraag op wat het is aan Pieter Geyl dat steeds weer nieuwe generaties historici weet te boeien.</p>
<p>Bij de bijdragers aan deze bundel komt die geboeidheid dikwijls voort uit bewondering. Zo noemt Van Rossem Geyl zonder reserve &#x2018;one of the most important historians of the twentieth century&#x2019; (103) en vergelijkt Reinier Salverda Geyl met Huizinga, ten voordele van de eerste (182). Dat wil overigens niet zeggen dat de onhebbelijkheden, zoals Geyls &#x2018;well-known vanity&#x2019; (121), onbenoemd blijven, maar ze nemen niet de overhand. Dit over het algemeen welwillende oordeel over Geyl valt ook te verklaren uit de selectie van auteurs. Zo zijn kritische stemmen, bijvoorbeeld van de Belgen uit het door Meijer beschreven debat, afwezig en is Van Kleef de enige vrouw die bijdraagt. Die laatste constatering verwondert wellicht niet met een hoofdpersoon die zich in zijn autobiografie als een misogyne opschepper heeft laten kennen.</p>
<p>Maar voor wie minder met Geyl op heeft, zoals deze recensent, blijft er genoeg om door geboeid te blijven. Integer op het persoonlijk vlak was Geyl niet, en in het wetenschappelijke ook niet altijd, zoals blijkt uit de beschrijving die Tiedau geeft van zijn opportunistische demarches als propagandist voor de Nederlandse zaak in Londen. Maar tegelijk beschikte Geyl over een scherp oordeelsvermogen, bijvoorbeeld in de ontdekking van het plagiaat van de Leidse hoogleraar Herman Colenbrander in 1933, of het zich terugtrekken uit de Groot-Nederlandse beweging toen die steeds fascistischer werd. Een querulant, denk je soms ook bij lezing van deze bundel, maar daarvoor is hij toch te veel opgenomen geweest in de gemeenschap der historici, verkerend met de groten der aarde, zoals blijkt uit de radiodebatten die hij in de late jaren 1940 voerde met Arnold Toynbee (in deze bundel geanalyseerd door Remco Ensel) of de vriendschap die hij onderhield met Robert Palmer (beschreven door Mark Edward Hay). Geyl blijft, zoals hij dat zelf omschreef, &#x2018;een figuur&#x2019; (134, voetnoot 5) &#x2013; een exempel voor de een, een historiografische belhamel voor een ander, <italic>the guy you love to hate</italic> voor een derde.</p>
<p>Die figuur krijgt de lezer ook in deze bundel vanuit vele hoeken te zien. Hoe breed titel en ondertitel ook genomen zijn, ze kunnen niet alle bijdragen omvatten. Er zijn artikelen waarbij de link tussen <italic>Geyl and Britain</italic> zeer sterk is, omdat ze zich in Groot-Brittanni&#x00EB; afspelen. Van Rossems artikel over Geyls werkzaamheid aan het Institute for Historical Research is een voorbeeld. Het absolute pronkstuk in deze collectie eveneens: Tiedau&#x2019;s 75 bladzijden lange dubbelportret van Pieter Geyl en &#x00C9;mile Cammaerts, twee agitprop-hoogleraren in Londen met tegengestelde agenda&#x2019;s, de ene Nederlands, de ander Belgisch. In andere artikelen &#x2013; Ensel over Geyl en Toynbee, Leen Dorsman over Geyl en federalisme &#x2013; is <italic>Britain</italic> eerder op de achtergrond aanwezig. Maar in de artikelen van bijvoorbeeld Meijer en Salverda over Geyls werk over de achttiende eeuw, of Wim Berkelaars bijdrage over Geyls po&#x00EB;zie is er nauwelijks tot geen Britse connectie te vinden.</p>
<p>De bundel heeft als geheel dan ook geen grote urgentie. De samenstellers rechtvaardigen de keuze voor Geyl en Groot-Brittanni&#x00EB; vanuit de constatering dat, van de bestaande biografische schetsen over Geyl, &#x2018;few provide much detail on his time in London and those that do cover the period view it largely from a Dutch or Belgian lens&#x2019; (3). Los van het feit dat niet alle artikelen helpen om deze leegte in het Geyl-onderzoek te vullen, schiet de rechtvaardiging vanuit een lacune ook principieel tekort. Dat we iets van Pieter Geyl nog niet kennen, betekent niet per se dat we het zouden moeten kennen, zijn po&#x00EB;zie bijvoorbeeld.</p>
<p>Het is jammer dat de samenstellers in hun rechtvaardiging geheel voorbij zijn gegaan aan recente ontwikkelingen in de geschiedenis van de geschiedschrijving, terwijl die &#x2013; onbenoemd &#x2013; wel aan de orde komen. De aandacht voor historiografische praktijken ten eerste. De artikelen van Tiedau en Van Rossem geven een prachtig inkijkje in de dagelijkse praktijk van Geyl als Londense hoogleraar: vergaderen, instituutspolitiek bedrijven, bibliotheken opzetten, proteg&#x00E9;s naar voren schuiven &#x2013; Geyl leerde het <italic>on the job</italic>. De recent scherp toegenomen aandacht voor publieksgeschiedenis, ten tweede, komt in de bijdrage van Ensel wel naar voren, maar is geen duidelijk thema in de bundel. Een derde kans was aandacht voor de <italic>persona</italic> van de historicus, die ook door Ensel zeer kort wordt benoemd (147, voetnoot 3). Juist Geyl, een historicus die zozeer aanwezig was en wilde zijn in zijn werk, smeekt om een analyse vanuit het perspectief van zelfpresentatie.</p>
<p>Een gerichte aandacht op een, of enkele, van deze benaderingen had de &#x2018;figuur&#x2019; Geyl inzichtelijker gemaakt dan de nu gekozen paden. De constatering dat Geyls werk in Londen een vermenging van wetenschap en politiek betekende, bijvoorbeeld, ligt wel erg voor de hand. Het afmeten van de relevantie van het werk van Geyl aan de mate waarin diens historiografische opvattingen vandaag nog worden aangehangen, zoals Hay en Salverda doen in hun respectievelijke bijdragen over Geyl en de Napoleonstudies en Geyl en de achttiende eeuw, is tamelijk redundant. Het telkens terugkeren naar de gemeenplaats die je wist dat zou komen &#x2013; de geschiedenis als discussie zonder eind (152, 171, 204, 221) &#x2013; voelt sleets. Daarmee bevat deze bundel nog steeds frisse en relevante historiografie, maar tien opstellen Geyl is toch een grote portie gebleken.</p>
</body>
</article>