<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="forum" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.18607</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.18607</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Forum</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Geschiedenis zonder bewegend beeld &#x2013; en toch op televisie</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Prak</surname>
<given-names>Maarten</given-names>
</name>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>03</month>
<year>2024</year>
</pub-date>
<volume>139</volume>
<issue>1</issue>
<fpage>105</fpage>
<lpage>116</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2024 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2024</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.18607"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>In 2003 publiceerde ik een boek over de Gouden Eeuw &#x2013; een term die bijna iedereen toen nog onbekommerd gebruikte. Niet veel later belde ik op een avond aan bij een buurman een paar deuren verderop, die redacteur was (en nog steeds is) bij de afdeling die voor de <sc>ntr</sc> geschiedenisprogramma&#x2019;s maakt. Ik vroeg hem of het denkbaar was dat er rondom mijn boek een televisieserie over de Gouden Eeuw gemaakt zou worden. Ik hoefde niet te gaan zitten of mijn jas uit te doen: &#x2018;Maarten, voor televisie hebben we bewegend beeld nodig. Dat is er niet uit de zeventiende eeuw, dus jouw idee is kansloos&#x2019;. Binnen een paar minuten was ik weer thuis.</p>
<p>Die serie is er desondanks gekomen en ik zal er dadelijk meer over vertellen. Sterker, het succes van de serie <italic>De Gouden Eeuw</italic> maakte de geesten in Hilversum rijp voor meer van zulke series, bij voorbeeld over de Tachtigjarige Oorlog, en met als voorlopig hoogtepunt <italic>Het verhaal van Nederland</italic>. Intussen heeft de <sc>npo</sc> wanneer u dit leest alweer een vervolg vertoond: <italic>Het verhaal van Oranje</italic>, dat de familie volgt vanaf Willem van Oranje tot in de twintigste eeuw. Bij drie van deze series was ik als adviseur betrokken &#x2013; maar nu net niet bij <italic>Het verhaal van Nederland</italic>. Daarin speelde ik slechts een klein rolletje als een van de talrijke deskundigen die het verhaal moesten verdiepen. Daarom beperkt wat volgt zich niet tot <italic>Het verhaal van Nederland</italic>, maar ga ik vanuit voorgaande ervaringen breder in op wat het betekent om geschiedenis op televisie te presenteren. Daarbij komt uiteraard <italic>Het verhaal van Nederland</italic> ook aan de orde.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup></p>
<sec id="s1">
<title>Geschiedenis op televisie</title>
<p>U, als lezer van de <sc>bmgn</sc>, bent hoogstwaarschijnlijk iemand die zich beroepshalve met geschiedenis bezighoudt en dat doet op het solide fundament van een jarenlange opleiding in het vak, aan hogeschool of universiteit. Misschien bent u, net als ik, een beetje argwanend over historische films of romans, waarin immers feit en fictie onontwarbaar door elkaar lopen. U bent door de opleiding daarentegen, net als ik, gesocialiseerd in het lezen van wetenschappelijke literatuur over het verleden. Dat zijn teksten die een wetenschappelijk probleem aansnijden, vaak zeer gedetailleerd zijn en opgetuigd met een uitvoerig notenapparaat. Zulke teksten kan een normaal mens, dat wil zeggen iemand zonder die historische opleiding, alleen met de nodige moeite begrijpen. Waarderen doen ze het zelden, want zulke teksten worden door niet-historici als saai ervaren.</p>
<p>Desalniettemin is er een enorme belangstelling voor het verleden buiten de academische wereld.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup> Die is zichtbaar in de omvang van de lokale historische verenigingen. E&#x00E9;n voorbeeld: in 2022 had de Historische Vereniging Oud-Leiden 2.650 leden, terwijl het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap er 1.062 had.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn3">3</xref></sup> Die ene plaatselijke vereniging is dus al twee&#x00EB;nhalf keer zo groot als de nationale beroepsvereniging. Maar even goed blijkt die belangstelling uit de ruime aandacht in de dagbladen voor nieuwe historische boeken. Hoewel ik het niet met cijfers kan aantonen, betwijfel ik of er een ander onderdeel is van de markt voor non-fictie boeken dat zoveel aandacht krijgt als juist de geschiedenis. En denk ook eens aan de gretige aftrek die het oeuvre van Maarten van Rossem vindt, die zich uitdrukkelijk profileert als publiekshistoricus en zich geregeld afzet tegen de academische geschiedschrijving &#x2013; waarvan hij natuurlijk wel veelvuldig gebruik maakt om zijn eigen boeken te schrijven. Maar wat ik dus wil zeggen: er is naast het beperkte publiek voor academische geschiedschrijving een aanzienlijk groter publiek voor andersoortige geschiedenis. Die markt wordt vaak bediend door journalisten, of door historici die niet als zodanig aan een universiteit of hogeschool werken en zich daarom ook niet hoeven te houden aan de conventies van de wetenschap.</p>
<p>Het is deze bredere markt die ook bediend wordt door de televisie.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn4">4</xref></sup> Uit het voorgaande volgt vrijwel automatisch dat hier andere regels gelden. De eerste daarvan betreft het bereik, beter bekend als de kijkcijfers. Die worden steevast gepresenteerd als een commercieel instrument (&#x2018;wordt er, via de advertenties, genoeg verdiend aan het programma?&#x2019;), maar dat is toch slechts de helft van het verhaal. Zeker voor de drie publieke kanalen gelden ook andere regels: de aard van het programma, de diversiteit van het aanbod, het bedienen van verschillende niche-publieken. Ook dan geldt dat als er weinig mensen kijken, de kosten van zulke programma&#x2019;s al gauw te hoog worden geacht. Historische programma&#x2019;s moeten daarom aantonen dat ze erin slagen om mensen te bereiken; qua aantallen gaat het om een veelvoud (honderdduizenden) van het bereik van academische boeken (meestal honderden). Op dit vlak heeft <italic>Het verhaal van Nederland</italic> zich zonder meer bewezen. Met circa twee miljoen kijkers per aflevering mogen we vaststellen dat een op elke tien Nederlanders, van jong tot oud, theoretisch of praktisch opgeleid, geboren binnen of buiten Nederland, door het programma geboeid was. Dat is een unieke prestatie.</p>
<p>Maar wat voor <italic>Het verhaal van Nederland</italic> geldt, gaat net zo goed op voor de andere series die ik hier zal bespreken: ze bereiken een publiek dat honderden of zelfs duizenden malen groter is dan dat van de meeste academische geschiedenisboeken, laat staan tijdschriftartikelen. Bovendien weten we van die kijkcijfers dat dit mensen zijn die werkelijk gekeken hebben; het aantal abonnees van de <sc>bmgn</sc> is daarentegen geen garantie dat de inhoud door die abonnees ook gelezen is. Dat heeft twee implicaties. In de eerste plaats worden bij geschiedenis op televisie vorm en inhoud veel meer dan bij academische publicaties bepaald door verwachtingen van het publiek. Niet helemaal, want er is bij mijn weten nooit daadwerkelijk aan kijkers gevraagd wat ze willen zien, terwijl omgekeerd ook de academische auteur wel een &#x2018;ge&#x00EF;ntendeerd publiek&#x2019; in het hoofd heeft. Het televisiepubliek stemt met zijn ogen: als er veel gekeken wordt, is dat een teken dat het programma in een behoefte voorziet; als de kijkcijfers tegenvallen is er kennelijk weinig vraag en is de kans op herhaling klein. De tweede implicatie hangt hiermee direct samen: de inhoud wordt mede bepaald door wat de kijkers vasthoudt. Het mag dus niet te moeilijk worden en, vooral, niet saai.</p>
<p>Hiermee staat geschiedenis op televisie haaks op wat wij als academische historici gewend zijn. Het woord &#x2018;saai&#x2019; ben ik nog nooit tegengekomen in een referentenrapport; dat is geen wetenschappelijk kwaliteitscriterium; het is hooguit meegenomen als een academisch artikel of boek levendig is geschreven. En &#x2018;moeilijk&#x2019; is bijna aan pre: heel veel wetenschappelijke geschiedschrijving eindigt met de verzekering dat de behandelde kwestie &#x2018;complex&#x2019; is en dat &#x2018;heel veel factoren&#x2019; van invloed zijn geweest op het verloop van de beschreven gebeurtenissen. Met zulke beweringen doe je televisiekijkers geen plezier; die willen weten hoe het zat.</p>
<p>Wie geschiedenis op televisie beoordeelt met de maatstaven van wetenschappelijke geschiedschrijving, heeft het dus niet goed begrepen. Dit betekent niet, zoals wel eens wordt gesuggereerd, dat geschiedenis op televisie daarom alleen maar amusement is, zonder serieuze inhoud. De makers van deze programma&#x2019;s zijn veelal zelf historici en zij willen, kon ik zelf veelvuldig vaststellen, hun kijkers &#x2018;goede&#x2019; geschiedenis bieden. Er wordt veel werk gemaakt van de voorbereiding, deskundigen worden geraadpleegd en mogen hun verhaal vertellen in alle genoemde programma&#x2019;s. Als adviseur van deze programma&#x2019;s durf ik te beweren dat de inhoud ervan &#x2018;wetenschappelijk verantwoord&#x2019; is, dat wil zeggen spoort met de feiten zoals wij die kennen en rekening houdt met de recente inzichten. Toch kan ook zulke geschiedenis zich niet onttrekken aan de wetmatigheden van het medium. Wat op televisie wordt getoond, is de uitkomst van twee krachten, namelijk inhoud en aantrekkelijkheid.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title><italic>De Gouden Eeuw</italic>, 2012</title>
<p>Op 27 januari 2011 ontving ik een mailtje van Marja Ros, die ik nog kende uit mijn studietijd: &#x2018;Ha Maarten, sinds een maand ben ik werkzaam als eindredacteur bij het project Gouden Eeuw van de <sc>vpro</sc> en <sc>ntr</sc>. Wij gaan een dappere poging doen de tv kijker in 13 afleveringen de Gouden Eeuw uit de doeken te doen&#x2019;. Of we eens konden afspreken. Twee weken later legden wij in een Utrechts caf&#x00E9; de basis voor mijn betrokkenheid als &#x2018;wetenschappelijk adviseur&#x2019; bij deze serie, waarvan het idee afkomstig was van Hans Goedkoop.</p>
<p>Die naam doet ertoe. Hans Goedkoop is een gepromoveerd historicus, maar was in 2011 ook een Bekende Nederlander geworden, als presentator van het programma <italic>Andere Tijden</italic>. Dat programma was in 2000 van start gegaan, won in 2001 meteen een Nipkowschijf, gevolgd door andere prijzen, en had een trouw publiek gevonden. Goedkoop was het zeer herkenbare gezicht van <italic>Andere Tijden</italic>. De buurman aan wie ik mijn idee voor een serie over de Gouden Eeuw had proberen te slijten, maakte deel uit van de redactie van dat programma en zijn reactie onderstreepte de formule: alleen historische gebeurtenissen waarvan bewegend beeld voorhanden was, kwamen in aanmerking. Maar Hans Goedkoop wilde wel eens iets anders proberen &#x2013; en dat kon hij onder andere doen omdat hij al een publiek had. Op dezelfde manier kan Nederlands bekendste historicus, Maarten van Rossem, in uiteenlopende programma&#x2019;s verschijnen die altijd kunnen rekenen op een basispubliek in de vorm van trouwe volgers. Voor de presentator van <italic>Het verhaal van Nederland</italic> en <italic>Het verhaal van Oranje</italic>, Daan Schuurmans, geldt, op een weer iets andere manier, precies hetzelfde.</p>
<p>Mijn rol was om het team te helpen met het bepalen van de interessante thema&#x2019;s, de literatuur te vinden die het script van elke aflevering kon vormgeven, suggesties voor locaties te leveren, deskundigen te identificeren die verdieping konden aanbrengen en, vanzelfsprekend, om vanuit wetenschappelijk oogpunt commentaar te leveren bij de scripts die werden geschreven door de redactie.</p>
<p>Deskundigen vormen een vaste waarde in alle programma&#x2019;s die hier ter sprake komen. Ze krijgen allemaal dezelfde opdracht: hun overvloedige kennis in zo weinig mogelijk en vooral heldere bewoordingen uit de doeken doen. Geen tijd voor allerlei ingewikkeldheden, want televisie is een medium dat haast heeft en tegelijk de kijkers niet voor het hoofd wil stoten met jargon. Als beroepshistoricus moet je je dus niet als onderzoeker gedragen, maar als docent. Om nogmaals het voorbeeld Maarten van Rossem aan te halen: die slaagt er telkens weer in om dat te doen, en zijn kennis dan ook nog eens te kruiden met een ongezouten mening of snedige terzijde. Dat gaat er helemaal goed in.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn5">5</xref></sup></p>
<p>Maar om de aandacht van de kijkers te trekken is er meer nodig dan wat &#x2018;sprekende hoofden&#x2019;. We moesten de interesse van de kijker voor de Gouden Eeuw opwekken en vasthouden. Daarvoor werden twee methoden gebruikt. Ten eerste die van de ontdekking. De serie nam je als kijker mee naar plekken waar iets was ontdekt, of soms nog niet ontdekt. Lag Johan van Oldenbarnevelt nu wel of niet begraven onder het Binnenhof? Er werden voortdurend &#x2018;originele documenten&#x2019; getoond, waarin historische gebeurtenissen waren vastgelegd. Zo kon je de zeventiende eeuw als het ware aanraken.</p>
<p>Ten tweede die van de actualiteit. Dat is een bekende methode waarmee historici hun belangstelling voor lang vervlogen tijden rechtvaardigen en hun lezers proberen te paaien. Deze serie gebruikte een variant daarvan. Soms werd gesuggereerd dat iets van toen nog steeds voortleefde. Zo kwam in aflevering 7 de jeugdcultuur aan de orde, en mocht Benjamin Roberts uitleggen dat die van zeventiende-eeuws Amsterdam veel gelijkenis vertoonde met de hedendaagse.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn6">6</xref></sup> Deze methode werd echter het meest op een net iets andere manier toegepast, namelijk door personen aan het woord te laten die een directe band met de zeventiende eeuw hadden. In aflevering 4 kwamen bijvoorbeeld leden aan het woord van de Zweedse familie de Geer, adellijke nazaten van de bekende ondernemer, Louis de Geer, die in Zweden tijdens de zeventiende eeuw een grote wapenindustrie had opgezet. Een van hen, Lars-Eric de Geer, vertelde dat hij als kernfysicus adviezen had uitgebracht over nucleaire ontwapening en hoe hij dat als een vorm van boetedoening beschouwde voor het leed dat zijn voorvaderen hadden aangericht. Evenzeer gedenkwaardig was het optreden in de eerste aflevering van graaf John de Marnix de Sainte Aldegonde, verre nazaat van Philips Marnix van St. Aldegonde van wie toen nog werd aangenomen dat hij de componist was van het Wilhelmus, en van zijn echtgenote gravin Am&#x00E9;lie. Hans Goedkoop, voor de gelegenheid in een keurig jasje, belt aan bij het kasteel, de deur zwaait open en daar staat het echtpaar: hij met een oranje vest onder zijn colbert, zij in een oranje jasje en met oranje oorbellen in. &#x2018;Welkom aan de Nederlandse televisiekijkers hier op het kasteel van Bornem&#x2019;, spreekt de graaf met een zware Franse tongval, waarna hij het stokje meteen doorgeeft aan zijn echtgenote, die de rondleiding zal verzorgen. &#x2018;Ik ben getrouwd niet alleen met de graaf maar ook met het kasteel van de familie van mijn echtgenoot&#x2019;, verklaart zij. Onvergetelijke televisie!</p>
<p>Voor wat betreft deze serie valt er zelfs iets te zeggen over de manier waarop het publiek de uitzendingen beleefde. Ren&#x00E9; Arendsen, journalist bij Omroep Gelderland, heeft in 2014 in het kader van zijn masterscriptie onderzoek gedaan naar de reacties op Twitter en gesprekken gevoerd met twintig kijkers, die voorafgaand een of twee uitzendingen bekeken. Uit de beide typen reacties bleek dat kijkers sterk, en meestal positief, reageerden op de getoonde locaties en op de actualisering. Beide aspecten werden ervaren als identificatiemomenten, waardoor ook de interesse in de historische inhoud werd gewekt. Herkenbare hoofdpersonen leidden ook tot meer waardering. Het tonen van originele documenten leverde daarentegen weinig respons op. Ook bestond bij het panel en in de sociale media geen bijzondere interesse in &#x2018;dramatisering&#x2019;. Dat laatste is wel opmerkelijk, want precies dat lijkt de sleutel tot het succes van <italic>Het verhaal van Nederland</italic> een paar jaar later.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn7">7</xref></sup></p>
</sec>
<sec id="s3">
<title><italic>80 Jaar Oorlog</italic>, 2018</title>
<p>Bij de opzet van <italic>80 Jaar Oorlog</italic> moest het allemaal een beetje anders worden. In plaats van een overzicht van de gehele oorlog zouden vooral concrete ervaringen in beeld gebracht worden, waarbij veel aandacht moest uitgaan naar de regio&#x2019;s die in <italic>De Gouden Eeuw</italic> minder aan bod waren gekomen. Meteen al in de eerste aflevering was dat het Limburgse Weert, waar de graaf van Horne zijn hoofdzetel had gehad en begraven ligt. In latere afleveringen werd de kijker meegenomen naar Breda en Groningen (aflevering 5), naar Groenlo en Den Bosch (aflevering 6) en naar Hulst in Zeeuws-Vlaanderen (aflevering 7). Tegelijk werd de aandacht gevestigd op het feit dat de oorlog geen louter Nederlandse aangelegenheid was en werden beelden getoond van het stamslot van de Nassaus in Dillenburg in Duitsland, van Horebeke, Gent en Nieuwpoort in Vlaanderen, van het Escorial in Spanje en van de zaal waar in 1648 de Vrede van M&#x00FC;nster werd getekend.</p>
<p>Voor de meer beschouwende gedeelten werd de serie verankerd aan een tafel in de bibliotheek van het Rijksmuseum. Daar lagen kaarten waarop geregeld &#x2013; ook een nieuw verlevendigend element &#x2013; animaties vertoond werden (zie <xref ref-type="fig" rid="fg001">Figuur 1</xref>). Achter die tafel sprak Hans Goedkoop vaak uitvoerig met deskundigen over het verloop van de oorlog, maar ook over hoe het anders had kunnen verlopen, om duidelijk te maken dat de uitkomst allesbehalve vanzelfsprekend was.</p>
<fig id="fg001">
<label>Figuur 1.</label>
<caption><p>In <italic>80 Jaar Oorlog</italic> werden animaties toegevoegd aan de opnames die in de bibliotheek van het Rijksmuseum waren gemaakt. Hier staat presentator Hans Goedkoop voor een geanimeerd doek met daarop Filips ii. (c) Beeld &#x0026; Geluid, <sc>ntr</sc>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.18607_fig1.jpg"/>
</fig>
<p>De keuze voor het Rijksmuseum was geen toeval. Behalve dat die bibliotheek zeer fotogeniek is, was je daar omgeven door boeken, wat het element &#x2018;deskundig commentaar bij de gebeurtenissen&#x2019; onderstreepte. Maar het Rijksmuseum ging ook een grote tentoonstelling organiseren over het onderwerp en zou daarbij een boek laten verschijnen. Om die reden was, naast de Leidse hoogleraar Vroegmoderne Nederlandse Geschiedenis Judith Pollmann en ondergetekende, ook Gijs van der Ham, conservator van de tentoonstelling en schrijver van het boek, als adviseur bij het project betrokken.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn8">8</xref></sup> Bij <italic>De Gouden Eeuw</italic> was eveneens een boek verschenen, geschreven door Hans Goedkoop en Kees Zandvliet, dat tevens als begeleiding diende bij een tentoonstelling in het Amsterdam Museum.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn9">9</xref></sup> Op deze manier werden beide series als het ware ondersteund door andere vormen van publieksgeschiedenis.</p>
</sec>
<sec id="s4">
<title><italic>Het verhaal van Nederland</italic>, 2021</title>
<p>Bij <italic>Het verhaal van Nederland</italic> was ik, zoals gezegd, slechts zijdelings betrokken. Als min of meer onbeschreven blad kon ik daarom op 2 februari 2022 voor de buis gaan zitten. Ik zal maar meteen bekennen dat de eerste kennismaking gemengde gevoelens opriep. Ja, het was allemaal mooi in beeld gebracht en de informatie was goed gedoseerd (dat schreef ik meteen aan eindredacteur Hasan Evreng&#x00FC;n). Ik wist al dat er heel veel nagespeelde sc&#x00E8;nes in zouden zitten, want dat was de kern van het format dat uit Denemarken was overgenomen. Maar ik vond de overspelige relatie van een getrouwde prehistorische vrouw die een belangrijke draad in het verhaal van die eerste aflevering vormt, een weinig verheffende manier om de aandacht vast te houden.</p>
<p>Maar &#x2013; twee weken later las ik in de krant dat de eerste afleveringen twee miljoen kijkers hadden getrokken. Dat verbluffende aantal werd door Evreng&#x00FC;n bevestigd. Twee miljoen! Ruim tweemaal zoveel als de toch ook al succesvolle <italic>Gouden Eeuw</italic>-serie. Met de kijkcijfers is het eigenlijk net als met de democratie: je kan het oneens zijn met de smaak of keuze van de kijker, maar als die op zo&#x2019;n manier laat zien dat je een snaar hebt weten te raken, dan betekent dat ook dat je de geschiedenis echt bij een groot publiek hebt weten te brengen.</p>
<p>Het gebruik van acteurs om een historische sensatie teweeg te brengen, was al langer bekend van televisie, maar bijvoorbeeld ook in de museumwereld. Archeon, dat in 1994 open ging, bediende zich er direct van. Alleen, in Archeon was natuurlijk niets &#x2018;echt&#x2019;, want ook de gebouwen en voorwerpen in de presentatie zijn nagemaakt. In die zin is Archeon geen museum. Ook het Zuiderzeemuseum begon in die tijd acteurs gekleed in oude visserskostuums &#x2013; maar met moderne brillen, horloges en schoenen &#x2013; in te zetten voor de verlevendiging van de presentatie. Ik zat in die jaren in de Raad van Toezicht van het Openluchtmuseum in Arnhem en daar vonden we dat beneden onze stand. Een museum onderscheidde zich door het tonen van authentieke voorwerpen, en acteurs deden aan die authenticiteit afbreuk. Intussen gebruikt ook het Openluchtmuseum vrijwilligers als historische acteurs.</p>
<p>In <italic>De Gouden Eeuw</italic> was al gebruik gemaakt van wat in goed Nederlands bekend staat als re-enactment. Maar daarbij waren de sc&#x00E8;nes niet speciaal voor televisie gemaakt. Een groep die gekostumeerd een veldslag uit de Tachtigjarige Oorlog naspeelde in en rondom Bourtange in Groningen was gefilmd en daarna ook ge&#x00EF;nterviewd. Vooral de sterke betrokkenheid van de man die de commandant van de Staatse troepen mocht spelen, leverde prachtige televisie op. Maar het was voor de kijkers wel volkomen duidelijk dat dit mensen uit de eenentwintigste eeuw waren, die zich voor de gelegenheid hadden verkleed. In <italic>Het verhaal van Nederland</italic> wordt dat onderscheid minder duidelijk gemaakt, ook omdat de acteurs nooit bevraagd worden over het hoe en waarom van hun spel. In deze serie wordt de illusie doorbroken doordat de acteurs niet spreken en omdat presentator Daan Schuurmans als zichzelf komt binnenlopen bij een sc&#x00E8;ne die zich in een ver verleden afspeelt. De opzet geeft aan de kijkers de boodschap mee dat het niet echt is, maar tegelijk de illusie dat zij getuige zijn van een historische situatie (zie <xref ref-type="fig" rid="fg002">Figuur 2</xref>). Dat je op deze manier het verleden niet alleen beter leert begrijpen, maar ook kan navoelen, wordt kennelijk zeer gewaardeerd. Dat blijkt mijns inziens uit het feit dat <italic>Het verhaal van Nederland</italic> zich precies hierin onderscheidt van de twee eerdere series.</p>
<fig id="fg002">
<label>Figuur 2.</label>
<caption><p>Presentator Daan Schuurmans loopt het beeld in tijdens de aflevering &#x2018;Geuzen en Papen&#x2019; van Het verhaal van Nederland. Door Schuurmans&#x2019; aanwezigheid in de re-enactmentsc&#x00E8;nes wordt de illusie die de fictie biedt, doorbroken. (c) Beeld &#x0026; Geluid, <sc>ntr</sc>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.18607_fig2.jpg"/>
</fig>
</sec>
<sec id="s5">
<title>De jeugdseries</title>
<p>Naast de &#x2018;gewone&#x2019; serie <italic>De Gouden Eeuw</italic> is ook een jeugdversie gemaakt, <italic>Welkom in de Gouden Eeuw</italic>. De kern daarvan is een talkshow, waarin historische personages hun opwachting maken en aan de tand gevoeld worden. Die talkshow is ingebed in nagespeelde sc&#x00E8;nes, meestal met een humoristische inslag, die dan weer van commentaar worden voorzien door een echtpaar, zogenaamd in de zeventiende eeuw. Geschiedenis en actualiteit lopen er onontwarbaar door elkaar. Zo moet Jan Pieterszoon Coen, in een zeventiende-eeuws kostuum gezeten achter het stuur van zijn auto, bij het verlaten van de studio nog een kritische journalist te woord staan over wat hij heeft aangericht op de Banda-eilanden. Eenzelfde serie is gemaakt over de Tachtigjarige Oorlog.</p>
<p>In deze series is het de bedoeling om de jeugd warm te maken voor geschiedenis door ze op een laagdrempelige manier daarmee te laten kennismaken. Er verschijnt zo nu en dan een bordje in beeld met daarop &#x2018;echt waar&#x2019;, maar dat onderstreept vooral dat de rest niet precies zo is gebeurd. Ik heb geprobeerd om de aperte onjuistheden (aardappelen op tafel in de zeventiende eeuw) te laten schrappen, maar historische betrouwbaarheid is evident niet het doel van deze programma&#x2019;s. Ik kan niet goed beoordelen of het gewerkt heeft, maar kennelijk worden deze programma&#x2019;s op scholen bekeken en als lesmateriaal gebruikt, hopelijk voor gesprekken over de verschillen tussen toen en nu en hoe je die kan herkennen, of over hoe je het verleden terugvindt in het heden. Als die twee dingen bij de leerlingen in de doelgroep (9-12 jaar, dus de hogere klassen van de lagere school) worden bereikt, is de missie wat mij betreft geslaagd.</p>
</sec>
<sec id="s6">
<title>Conclusie</title>
<p>&#x2018;Why is it that so many people attain their knowledge of history through documentaries and movies rather than history books?&#x2019;, vroeg Katherine Johnson zich enkele jaren geleden af in een artikel over re-enactment.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn10">10</xref></sup> De historica, docent Performance Studies en ervaringsdeskundige, had er moeiteloos de historische roman aan kunnen toevoegen. Denk aan hoe Hilary Mantels trilogie de belangstelling voor de Engelse politiek in de zestiende eeuw wist te wekken, niet meteen een onderwerp waarvoor je een brede belangstelling zou mogen verwachten. Het schijnt dat er van die trilogie meer dan vijf miljoen exemplaren zijn verkocht.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn11">11</xref></sup></p>
<p>Johnsons verklaring hoeft ons niet te verbazen. Meer nog dan vroeger zoeken lezers en kijkers in de geschiedenis drama en emotie. In de eerste succesvolle serie over een historisch onderwerp op de Nederlandse televisie, Loe de Jongs <italic>Bezetting</italic>, was de presentator tevens de alwetende verteller, een schoolmeester, een rol die De Jong goed paste maar die ook door de kijkers werd gewaardeerd. Zelfs in de tien jaar die verstreken zijn sinds de serie <italic>De Gouden Eeuw</italic> zien we een verschuiving van informatie naar emotie, van onderricht naar identificatie. De kijker van nu wil herkenbare personages voorgeschoteld krijgen, die herkenbare dingen meemaken, maar wel in vreemde, gevaarlijke of anderszins voor de gemiddelde lezer of kijker onbekende omstandigheden. <italic>The past is a foreign country</italic>, en vanaf de driezitsbank is het leuk om daar eens een kijkje te nemen. Als dit het hele verhaal was, dan zou de historische roman of de historische televisiedocumentaire inderdaad niet meer dan amusement zijn, een variant op de spelshow of de sitcom. Maar dat is dus niet het hele verhaal, want daarnaast laten die lezers en kijkers zich ook graag overtuigen door een argument dat wij beroepshistorici veelvuldig gebruiken: het verleden doet ertoe, omdat het vormgaf aan het heden. Dus zij willen ook best iets leren, kennis verwerven. Als dat niet zo was, hadden veel kijkers van <italic>Het verhaal van Nederland</italic> al bij die eerste uitzending overgeschakeld naar <italic>Goede Tijden, Slechte Tijden</italic>, waar overspel heel wat pakkender in beeld wordt gebracht. De kunst zit in de combinatie. Bij het damesblad <italic>Margriet</italic> waren ze in de jaren 1980 (toenmalige oplage 600.000-700.000) bedreven in deze sandwichformule: vrouwenemancipatie zat verstopt tussen het koningshuis, de recepten en de modereportages. Zo is het ook met deze historische series. Voordat <italic>Het verhaal van Nederland</italic> werd uitgezonden, vond ik naspelen een brug te ver. Nu ik zie hoe groot het publiek is dat daarmee wordt bereikt, denk ik er anders over. Want tussen al die smakelijke sc&#x00E8;nes zitten mooie teksten van deskundige historici die het onderwerp goed in kaart brengen. Misschien minder grondig dan wij academische historici gewend zijn, maar leerzaam blijft het wel degelijk.</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Met dank aan Hasan Evreng&#x00FC;n, Hans Goedkoop en Henk te Velde voor hun commentaren op een eerdere versie.</p></fn>
<fn id="fn2"><label>2</label><p>Zie hiervoor Kees Ribbens, <italic>Een eigentijds verleden. Alledaagse historische cultuur in Nederland, 1945-2000</italic> (Verloren 2002).</p></fn>
<fn id="fn3"><label>3</label><p><sc>hvol</sc> jaarverslag 2022, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.oudleiden.nl/vereniging/alv-verslagen/2546-jaarverslag-hvol-2022/file">https://www.oudleiden.nl/vereniging/alv-verslagen/2546-jaarverslag-hvol-2022/file</ext-link>; <sc>knhg</sc> jaarverslag 2022 <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://knhg.nl/wp-content/uploads/2023/04/KNHG-Jaarverslag-2022.pdf">https://knhg.nl/wp-content/uploads/2023/04/KNHG-Jaarverslag-2022.pdf</ext-link>, beide geraadpleegd 13 december 2023.</p></fn>
<fn id="fn4"><label>4</label><p>Zie ook Ribbens, <italic>Een eigentijds verleden</italic>, hoofdstuk 6.</p></fn>
<fn id="fn5"><label>5</label><p>Laurens Bluekens, <italic>Van Rossem. Het onwaarschijnlijke succes van mediapersoonlijkheid Maarten van Rossem</italic> (Vesper Publishing 2023).</p></fn>
<fn id="fn6"><label>6</label><p>Benjamin Roberts, <italic>Sex, Drugs and Rock &#x2019;n&#x2019; Roll in the Dutch Golden Age</italic> (Amsterdam University Press 2017).</p></fn>
<fn id="fn7"><label>7</label><p>Ren&#x00E9; Arendsen, &#x2018;Het succes van De Gouden Eeuw. Een kijkersanalyse bij de televisieserie&#x2019; (Masterscriptie Universiteit Utrecht, 2014) 35, tabel 4. Arendsen heeft zelf voor Omroep Gelderland een serie gemaakt van zeven uitzendingen over Oranje en Gelderland onder de titel <italic>In Naam van Oranje</italic>, die in 2013 werd uitgezonden.</p></fn>
<fn id="fn8"><label>8</label><p>Gijs van der Ham, Judith Pollmann en Peter Vandermeersch, <italic>80 Jaar Oorlog</italic> (Atlas Contact 2018).</p></fn>
<fn id="fn9"><label>9</label><p>Hans Goedkoop en Kees Zandvliet, <italic>De Gouden Eeuw</italic> (Walburg Pers 2012).</p></fn>
<fn id="fn10"><label>10</label><p>Katherine Johnson, &#x2018;Performing pasts for present purposes: Reenactment as embodied, performative history&#x2019;, in: David Dean, Yana Meerzon, en Kathryn Prince (red.), <italic>History, Memory, Performance</italic> (Palgrave Macmillan 2015), 50; zie ook Jerome de Groot, &#x2018;Affect and empathy: re-enactment and performance as/in history&#x2019;, <italic>Rethinking History</italic> 15:4 (2011) 587-599. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1080/13642529.2011.603926">https://doi.org/10.1080/13642529.2011.603926</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn11"><label>11</label><p>&#x2018;Hilary Mantel&#x2019;, <italic>Wikipedia</italic>. <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://en.wikipedia.org/wiki/Hilary_Mantel">https://en.wikipedia.org/wiki/Hilary_Mantel</ext-link>.</p></fn>
</fn-group>
<sec id="s7">
<title/>
<p><bold>Maarten Prak</bold> was, tot zijn pensionering, hoogleraar Sociale en Economische Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij is de auteur van onder andere <italic>Citizens without Nations: Urban Citizenship in Europe and the World, 1000-1789</italic> (Cambridge University Press 2018), <italic>Nederlands Gouden Eeuw: Vrijheid en geldingsdrang</italic> (Prometheus 2020) en samen met Jan Luiten van Zanden van <italic>Pioneers of Capitalism: The Netherlands 1000-1800</italic> (Princeton University Press 2023). E-mail: <email>m.prak@uu.nl</email>.</p>
</sec>
</back>
</article>
