<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="letter" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.18308</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.18308</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Reply &#x2013; Repliek</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Postkoloniale geschiedschrijving, imperialisme en de ballade van Jan Breman</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>van der Jagt</surname>
<given-names>Hans</given-names>
</name>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>12</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>138</volume>
<issue>4</issue>
<fpage>55</fpage>
<lpage>71</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2023 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.18308"/>
<abstract>
<p>De redactie van <sc>bmgn</sc> heeft mij gevraagd te reageren op het recensieartikel van Jan Breman over mijn proefschrift <italic>Engelen uit Europa. A.W.F. Idenburg en de moraal van het Nederlands imperialisme</italic>. Ik bespreek vier punten. Ten eerste benadruk ik dat het voor lezers en historici belangrijk is de complexiteit van het koloniale verleden te erkennen. Ten tweede laat ik zien dat antikoloniale bewegingen in belangrijke mate aandacht krijgen in mijn boek en dat er inderdaad, zoals Breman stelt, achter de ethische politiek &#x2018;een snoeihard en grootschalig kapitalisme&#x2019; zat. Ten derde leg ik uit dat historici die schrijven over een Europees-koloniaal onderwerp niet automatisch ook een eurocentrische benadering toepassen: er bestaat een verschil tussen de tijd van het verleden en de taal over het verleden. Ten vierde probeer ik Bremans verwijt over een bepaalde &#x2018;postkoloniale&#x2019; visie te plaatsen in de context van de koloniale historiografie en wijs ik op het belang van historiseren.</p>
<p>The editors of <sc>bmgn</sc> asked me to respond to Jan Breman&#x2019;s review article of my dissertation <italic>Engelen uit Europa. A.W.F. Idenburg en de moraal van het Nederlands Imperialisme</italic>. I will discuss four points. First, I emphasise that it is important for readers and historians to recognise the complexity of the colonial past. Second, I demonstrate that anti-colonial movements receive significant attention in my book. Indeed, as Breman argues, &#x2018;a brutal and large-scale capitalism&#x2019; lay hidden behind the ethical policy. Third, I explain that historians writing about a European-colonial subject do not automatically apply a Eurocentric approach: there is a difference between the time of the past and the language about that past. Fourth, I try to situate Breman&#x2019;s reproach about a certain &#x2018;postcolonial&#x2019; vision in the context of colonial historiography, and highlight the importance of historicisation.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Voor een promovendus is het eervol je proefschrift besproken te zien door eminenties uit de wetenschap. In het vorige nummer van <sc>bmgn</sc> &#x2013; <italic>Low Countries Historical Review</italic> verscheen een recensieartikel van mijn boek <italic>Engelen uit Europa. A.W.F. Idenburg en de moraal van het Nederlands imperialisme</italic> (Prometheus 2022, 542p) door emeritus hoogleraar sociologie Jan Breman.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup> Met zijn artikel zet Breman aan tot een publiekelijk debat over hoe historici het koloniale verleden kunnen benaderen en, meer specifiek, hoe zij de verhouding tussen imperialisme en moraal kunnen interpreteren. De redactie van <sc>bmgn</sc> heeft mij gevraagd hierop een reactie te schrijven. Positief verrast ben ik vanwege het feit dat <sc>bmgn</sc> zoveel aandacht aan mijn boek &#x2013; de publiekseditie van mijn proefschrift &#x2013; wil besteden. Graag maak ik gebruik van de mogelijkheid te reageren; ik zal proberen de door mij gemaakte wetenschappelijke keuzes te verantwoorden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup></p>
<sec id="s1">
<title>De ontvangst</title>
<p><italic>Engelen uit Europa</italic> heeft veel positieve reacties gegenereerd. Het boek is de publieksversie van mijn proefschrift en gaat over het Nederlandse koloniale beleid en het beleidsmatige en bestuurlijke handelen van de koloniale bestuurder Alexander Idenburg. Hij was onder andere werkzaam als Minister van Koloni&#x00EB;n, gouverneur in Suriname en Gouverneur-Generaal in Nederlands-Indi&#x00EB; (1909-1916) en hij was lid van de Antirevolutionaire Partij (<sc>arp</sc>). Het tijdperk van het modern imperialisme, grofweg de periode tussen de formele afschaffing van de slavernij (1863) en de dekolonisatieoorlog (1945), leek me niet per se een periode die zou aanslaan bij een breder publiek.</p>
<p>Mijn ongelijk bleek spoedig. Het boek werd besproken in radio-uitzendingen van de <sc>nos</sc>, een aantal podcasts, en in kranten van veelzijdig signatuur zoals <italic><sc>nrc</sc></italic>, <italic>de Volkskrant</italic>, <italic>De Groene Amsterdammer</italic>, <italic>de Kanttekening</italic>, <italic>Nederlands Dagblad</italic>, <italic>Reformatorisch Dagblad</italic> en in Indische tijdschriften. Het programma <sc>ovt</sc> van de omroep <sc>vpro</sc> riep mijn boek vorig jaar juni uit tot &#x2018;Boek van de Maand&#x2019; en nam het eind 2022 op in de lijst van de beste 25 historische boektitels van het jaar. Uitgeverij Prometheus bracht zelfs meerdere drukken uit. Best uniek voor een proefschrift.</p>
<p>Ook in geschiedwetenschappelijke kringen mocht mijn studie op veel aandacht rekenen. Het feit dat academische tijdschriften zoals <italic>Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde</italic>, het <italic>Jaarboek voor Parlementaire Geschiedenis</italic> en ook <sc>bmgn</sc>, evenals populairwetenschappelijke bladen zoals <italic>Geschiedenis Magazine</italic> en <italic>Historisch Nieuwsblad</italic> een uitgebreide bespreking van mijn boek publiceerden, laat zien dat ook in het bredere historische vakgebied grote interesse is voor het onderwerp van mijn proefschrift. En daar ben ik mijn collega-historici zeer erkentelijk voor. De kers op de taart was de eervolle nominatie voor de landelijke Erasmus Dissertatieprijs van Stichting Praemium Erasmianum, bedoeld voor proefschriften van &#x2018;uitzonderlijke wetenschappelijke kwaliteit, originaliteit en toegankelijkheid&#x2019;. Dit laat zien dat mijn dissertatie een wetenschappelijke &#x2018;proeve van bekwaamheid&#x2019; is gebleken.</p>
<p>Die goede ontvangst lijkt Breman te bevreemden. Op venijnige wijze neemt hij het de lezers, recensenten, journalisten en historici allemaal kwalijk dat zij mijn boek &#x2018;op welwillende wijze&#x2019; waarderen. Het is voor mij gissen waarom Breman zo afwijzend reageert op andermans lezers en recensenten. Hij lijkt precies te weten waarom men zo positief is en stelt dat het te maken zou kunnen hebben met de &#x2018;enerzijds-anderzijds&#x2019;-benadering die hij in mijn boek ontwaart (91). Kortom, ik zou een te genuanceerd beeld geven van het koloniale verleden.</p>
<p>In zijn betoog ontwaar ik vier kritiekpunten waar ik graag nadere duiding over geef. Ten eerste lijkt Breman mij te verwijten dat het boek de complexiteit van het koloniale verleden benadrukt en dat het slechts in beperkte mate aandacht zou hebben voor de donkere bladzijden ervan. Ten tweede vindt Breman dat mijn boek te weinig ruimte biedt aan de antikoloniale bewegingen en geen aandacht heeft voor het idee dat achter de Nederlandse ethische politiek &#x2018;een snoeihard en grootschalig kapitalisme&#x2019; zat (90). Ten derde uit Breman zijn aarzelingen over de Europese toonzetting van het boek. Ten vierde lijkt Breman te ageren tegen een bepaalde &#x2018;postkoloniale&#x2019; visie die volgens hem in het boek doorschemert. Ik zal deze punten hieronder uitwerken.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>De kracht van complexiteit</title>
<p>Wie de complexiteit van het verleden niet onderkent kan in een lastige situatie belanden. Het plakken van hedendaagse opvattingen op het verleden leidt soms tot pijnlijke situaties. We kennen het voorval van Canadese politici die enthousiast applaudisseren voor een hoogbejaarde Oekra&#x00EF;ner met een berucht <sc>ss</sc>-verleden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn3">3</xref></sup> Met een simplificatie van het verleden is niemand gebaat. Het verleden is vaak een bron van ongemak. De historische werkelijkheid zit ingewikkeld in elkaar, is rommelig, gelaagd; het is niet eenduidig, niet zwart-wit. Het is de taak van de historicus om historische verbanden te leggen, het verleden te duiden en een verklaring te geven voor historische ontwikkelingen, daarbij zoveel mogelijk helderheid scheppend. Generalisaties en simplificaties dienen daarbij vermeden te worden.</p>
<p>In ieder hoofdstuk van mijn boek probeer ik het complexe koloniale stelsel, als politiek en maatschappelijk systeem, uit te leggen. Daarbij bespreek ik de wijze waarop dit stelsel werd opgezet en bediscussieerd, de maatschappelijke uitwerking en de politieke uitleg van dat systeem. Tevens besteed ik uitvoerig aandacht aan de kritieke en kwalijke kant van het koloniale stelsel: het hardnekkig vasthouden van Idenburg aan de <italic>poenale sanctie</italic> en de <italic>koelieordonnantie</italic>, de intensivering van de contractmigratie in Suriname, het verbieden van de <italic>hadj</italic> voor Javaanse moslims, het gewelddadig optreden van Idenburg tegen de Chinezen tijdens de demonstraties van 1912, Idenburgs ban op de moslim-migratie en de duizenden doden en gewonden in de aanhoudende militaire operaties.</p>
<p>Een belangrijke vraag in mijn boek is hoe het kon dat de Nederlandse regering zich zo graag opstelde als een &#x2018;ethische&#x2019; koloniale mogendheid en tegelijkertijd een politiek bedreef van militaire exploitatie en koloniale uitbuiting tegen de achtergrond van de geopolitieke ontwikkelingen (zie <xref ref-type="fig" rid="fg001">Figuur 1</xref>). Wilde ik dat goed begrijpen, dan was een gedegen contextualisering en historisering van het koloniale beleid noodzakelijk. Dan moest ik bijvoorbeeld weten wat &#x2018;ethisch&#x2019; eigenlijk betekende in die historische context, en wat dit voor een orthodox-protestantse bestuurder als Idenburg betekende. Idenburgs beleidsopvattingen en bestuurlijke activiteiten diende ik tevens te toetsen aan de opvattingen van kritische tijdgenoten.</p>
<fig id="fg001">
<label>Figuur 1.</label> 
<caption><p>Onder politieke verantwoordelijkheid van minister Idenburg ontaardden de Nederlandse militaire expedities van het KNIL in dodelijke zuiveringsoperaties. Complete dorpen werden platgebrand, zoals hier in Koeta Reh, Atjeh, 14 juni 1904. Dorpelingen werden gedood. Koningin Wilhelmina was op de hoogte van deze onschuldige doden. In haar regeringsaantekeningen noteerde de vorstin: &#x2018;Ongerustheid over beleid over geheel Indi&#x00EB; van hard optreden daar waar bevolking rustig is&#x2019; (vgl. <italic>Engelen uit Europa</italic>, 126-144). &#x00A9; Tropenmuseum Amsterdam.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.18308_fig1.jpg"/>
</fig>
<p>Inderdaad, dat stelt Breman terecht vast, had ik meer aandacht kunnen besteden aan de uitvoerige kritische reflecties van Pieter Brooshooft of Conrad Theodor van Deventer over het Nederlands kolonialisme. Deze figuren had ik uitgebreider kunnen bespreken, dat geef ik onmiddellijk toe. Evenwel leek het mij relevanter om toch vooral naar de antikoloniale figuren buiten Nederland te kijken. Dit maakte namelijk automatisch en sneller het destructieve karakter van Idenburgs beleid duidelijk. Ik heb het beleid immers willen toetsen aan de koloniale praktijk, en die praktijk werd vooral door niet-Nederlandse antikolonialen ervaren.</p>
<p>Sterker nog, de hele opzet van mijn studie is &#x2013; en dit heeft Breman, denk ik, gemist &#x2013; om het dubbelzinnige karakter van de zogenaamde koloniale ethiek duidelijk te maken. Vanaf 1900 pretendeerde Nederland een koloniale beschaving te brengen, maar deze koloniale ethiek bleek vooral een oorlogsdoctrine te zijn en kwam in conflict met de reeds bestaande Aziatische ontwaking (zie deel 1 in <italic>Engelen uit Europa</italic>: &#x2018;Beschaving en conflict&#x2019;); tegelijkertijd werd Nederland geconfronteerd met antikoloniale krachten waaruit een identiteit ontsproot, waardoor de eerste vormen van natievorming ontstonden. Ook hierbij geldt dat deze krachten in het boek dus nadrukkelijk aanwezig zijn, niettegenstaande wat Breman wil doen geloven (91) (zie deel 2: &#x2018;Identiteit en natievorming&#x2019;). Uiteindelijk zouden deze internationale antikoloniale krachten en de experimenten rond representatie versterkt worden door een afwijzende Nederlandse reactie, wat op de lange termijn uitliep op een bloedig conflict, en uiteindelijk een revolutie (zie deel 3: &#x2018;Representatie en revolutie&#x2019;).</p>
<p>Door Idenburg te benaderen vanuit een brede, niet-nationale aanvliegroute &#x2013; aan de hand van vele niet-Westerse bronnen en literatuur &#x2013; krijgen we een nieuw perspectief op het koloniale beleid van Nederland. Met een &#x2018;kleine geschiedenis&#x2019; van een bestuurder heb ik geprobeerd een &#x2018;groot verhaal&#x2019; over een wereldrijk te vertellen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn4">4</xref></sup> We kunnen het Nederlands ethisch-imperialisme van na 1900 immers pas begrijpen als we het bestuderen in een internationale context. Ook de persoonlijke beleidsopvattingen zijn daarbij belangrijk. Wolfgang Reinhard beargumenteert dat we dergelijke nationale geschiedenissen steeds in de context van bredere internationale ontwikkelingen moeten zien, en andersom, en dat dit bijdraagt in de vorming van een &#x2018;global history&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn5">5</xref></sup></p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>De antikoloniale krachten</title>
<p>Volgens Breman zou mijn boek een bepaalde toon bevatten over het liberaal-imperialisme en kolonialisme (91) zonder rekening te houden met de unieke kracht van de Aziatische ontwaking. Dit herken ik niet. Mijn boek beweert namelijk juist precies het tegendeel; het laat op bijna iedere pagina zien dat er geheel eigen Aziatische en Zuid-Amerikaanse bewegingen bestonden en dat deze een zeer nadrukkelijk effect hadden op het Nederlandse bestuur, waaronder dat van Idenburg. Dat Breman dit centrale punt gemist heeft is onbegrijpelijk.</p>
<p>Anders dan Breman betoogt, heb ik mij in mijn benadering van het koloniale beleid van Nederland doelbewust beziggehouden met antikoloniale krachten. Dat is juist het startpunt geweest van mijn onderzoek en loopt als een rode draad door het boek. Alleen al in de titels van de drie boekdelen (zoals hierboven beschreven) wordt de aandacht voor de antikoloniale krachten duidelijk. Ik heb geprobeerd duidelijk te maken dat de Aziatische en Arabische antikoloniale stromingen veel krachtiger waren dan Nederlandse bestuurders dachten.</p>
<p>Idenburg was de eerste Nederlandse bestuurder die op grote schaal geconfronteerd werd met de antikoloniale bewegingen, zoals een van de eerste pan-Chinese emancipatiebewegingen in Indi&#x00EB;, de Chinese handelsvereniging Siang Boe Tiong Hwee, de vereniging Soe Po Sia en de latere emancipatiebeweging Tiong Hoa Hwe Koan. Mijn boek laat in hoofdstuk 8 zien op welke manier deze opkwamen. In hoofdstuk 9, 10 en 11 laat ik een duidelijke doorwerking van deze Chinese, maar ook van Japanse bewegingen zien in de bekende Indonesische antikoloniale bewegingen zoals Boedi Oetomo, Sarekat Islam, Muhammediyah, de orde van de Naqsyabandiyah en de Indische Partij (zie <xref ref-type="fig" rid="fg002">Figuur 2</xref>).</p>
<fig id="fg002">
<label>Figuur 2.</label> 
<caption><p>Bijeenkomst van de Sarekat Islam in Muratewe over de in te nemen houding ten opzichte van de pro-Nederlandse en pro-neutrale organisatie Indi&#x00EB; Weerbaar tijdens de Eerste Wereldoorlog in 1916 (vgl. <italic>Engelen uit Europa</italic>, 218-224). &#x00A9; <sc>kitlv</sc>, 86968, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/1887.1/item:914752">http://hdl.handle.net/1887.1/item:914752</ext-link>. Fotograaf onbekend.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.18308_fig2.jpg"/>
</fig>
<p>Voorts bespreek ik uitvoerig waarom rond 1904, 1908 en 1914 in Mekka zo fel werd geageerd tegen Nederland, waarbij ik uitvoerig aandacht heb voor het panislamisme en het salafisme als antikoloniale krachten. Verder besteed ik aandacht aan de theorie&#x00EB;n en kritieken van toonaangevende antikoloniale figuren zoals Oemar Said Tjokroaminoto (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 7), evenals enkele Mekkaanse en Sumatraanse geleerden, maar ook de bekende islamitische geestelijken Rashid Rida, Mohammed Abdoe en Jamal al-Din al-Afghani, evenals de Japanse intellectueel Mohamed Barakatullah Bhopali (beschreven in de hoofdstukken 6, 7, 8 en 9).</p>
<p>Mijn studie maakt veelvuldig gebruik van antikoloniale perspectieven, zoals deze naar voren kwamen in de eerste pan-Aziatische en panislamitische bewegingen. Ik heb daarvoor veel internationale en niet-Westerse perspectieven gebruikt, die bijvoorbeeld terug te vinden zijn in het werk van Cemil Aydin en Erez Manela, evenals dat van vele anderen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn6">6</xref></sup></p>
<p>Dat het Nederlands imperialisme feitelijk ook een gewelddadige kapitalistische politiek was, zoals Breman terecht vaststelt, laat ik eveneens op vele plekken zien. Het is wel degelijk een belangrijk onderdeel geweest van mijn benadering. Dat wordt direct duidelijk in hoofdstuk 2 (&#x2018;Ethiek en oorlog&#x2019;), hoofdstuk 4 (&#x2018;Het Atjehdossier&#x2019;), hoofdstuk 5 (&#x2018;Een wereld van wapengekletter&#x2019;) en hoofdstuk 10 (&#x2018;De Eerste Wereldoorlog in Azi&#x00EB;&#x2019;). Bovendien schrijf ik in hoofdstuk 13 (&#x2018;Worstelen op de wereldmarkt&#x2019;) over de symbiose van geopolitiek, imperialisme en kapitalisme, die blijkt uit de jarenlange steun van de Nederlandse regering voor de Bataafsche Petroleum Maatschappij (Koninklijke Shell) in hun strijd met de Amerikaanse oliemaatschappij Standard Oil (zie <xref ref-type="fig" rid="fg003">Figuur 3</xref>). Ik eindig dat hoofdstuk dan ook met de constatering dat anno 1930 het kapitalisme en het ethisch-imperialisme, net zoals dertig jaar eerder bij de start van de ethische politiek, twee zijden van dezelfde medaille waren.</p>
<fig id="fg003">
<label>Figuur 3.</label> 
<caption><p>Het bestuur van de afdeling Soekaradja (Hoen Kiok) van de vereniging Tiong Hoa Hwe Koan. De eerste vormen van georganiseerde antikoloniale emancipatie in Nederlands-Indi&#x00EB; waren voornamelijk afkomstig vanuit Chinese verenigingen vlak na 1900. Aangewakkerd door de Aziatische ontwaking die al langer gaande was, zouden deze verenigingen bijdragen aan gevoelens van Chinees nationalisme en identificatie (en uiteindelijk de Chinese revolutie in 1911). Javanen zagen hierin een voorbeeld voor hun eigen emancipatiebeweging en antikoloniale strijd tegen de Nederlandse overheersing. De opkomst van de grote Indonesische massabewegingen Sarekat Islam en de Muhammediyah rond 1912 kan niet losgezien worden van deze Chinese emancipatiestrijd (vgl. Engelen uit Europa, 204-237). &#x00A9; <sc>kitlv</sc> 105739, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/1887.1/item:820171">http://hdl.handle.net/1887.1/item:820171</ext-link>. Fotograaf onbekend.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.18308_fig3.jpg"/>
</fig>
</sec>
<sec id="s4">
<title>De Europese benadering</title>
<p>Zoals Breman correct ziet, zet ik in dit boek het denken van een Europees bestuurder over cultuur, identiteit, religie en politiek centraal. Mijn boek gaat over het bestuur en beleid van Idenburg: een Europeaan, wit en man. Ik gebruik daarbij als theoretische lens de politieke filosofie van Alexis de Tocqueville, juist vanwege diens evidente en expliciete conservatief-koloniale gedachtengoed. Breman had misschien een andere benadering verwacht, en dat begrijp ik.</p>
<p>Toch argumenteer ik dat het koloniale perspectief van een antirevolutionaire West-Europeaan zoals Idenburg met dit perspectief juist goed gehistoriseerd en begrepen kan worden, beter dan via Nederlandse antirevolutionairen als Abraham Kuyper, die nauwelijks kennis hadden van de koloniale wereld. Het Europees koloniaal perspectief krijgt door mijn benadering nadrukkelijk profiel. Een bewuste keuze. Want willen we snappen waartegen de <italic>anti</italic>koloniale krachten ageerden, dan moeten we toch ook snappen hoe de <italic>koloniale</italic> macht functioneerde.</p>
<p>In mijn boek heb ik proberen duidelijk te maken dat het liberaal-imperialisme van Nederland wel degelijk op een bepaalde manier be&#x00EF;nvloed werd door het dubbelzinnige denken van Idenburg, en dat het koloniale beleid door Idenburgs invulling een andere militantere focus kreeg. Dat is mede de reden geweest dat de Nederlandse koloniale ethiek tegelijk ook een militante, nationalistische politiek werd: de ethische politiek van een figuur als Idenburg betekende het uitdragen van de Europese christelijke cultuur als ultiem geopolitiek en imperiaal project. Dat heb ik proberen duidelijk te maken met een vernieuwde kijk op het bronnenmateriaal.</p>
<p>Dat betekent niet dat mijn studie als zodanig eurocentrisch is. Integendeel. Er bestaat in mijn werk een nadrukkelijk onderscheid tussen de taal <italic>uit</italic> het verleden en de taal <italic>over</italic> het verleden. Sebastian Conrad, Shalini Randeria en Regina R&#x00F6;mhild bepleiten in hun <italic>Jenseits des Eurozentrismus</italic> een soort &#x2018;Dezentrierung des Westens&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn7">7</xref></sup> En Bernhard Sch&#x00E4;r in 2019, en eerder al Susan Leg&#x00EA;ne in 2017, hielden in <sc>bmgn</sc> een pleidooi om het Nederlandse kolonialisme in een Europese context te bezien, los van het nationale wat zij omschrijven als &#x2018;methodologisch nationalisme&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn8">8</xref></sup></p>
<p>Historici die zich met koloniale geschiedenis bezighouden, dienen te zoeken naar een wereldpolitieke en geopolitieke historisering van hun onderzoeksobject. Mijn proefschrift maakt daarom extensief gebruik van Aziatische en Arabische tijdschriften van rond 1900 met hun beschouwingen over het Nederlandse beleid en over Idenburg. En daarom maakt deze studie gebruik van honderden primaire bronnen, inclusief Indonesisch, Surinaams en Antilliaans archiefmateriaal, vele honderden niet-Nederlandse en niet-Europese bronnen, publicaties, periodieken en tijdschriften. Ik leg dit uitvoerig uit in mijn boek (17-50).</p>
<p>Het &#x2018;methodologisch nationalisme&#x2019;, zoals Breman dat kennelijk voorstaat, betekent dat ik Idenburg moet larderen met zoveel mogelijk Kuyper en Hendrikus Colijn, zoals hij dat in zijn recensieartikel doet, gebaseerd op oude literatuur. Vast heel interessant, maar niet mijn benadering. Idenburg had namelijk als koloniaal bestuurder een eigen profiel. Henk te Velde schreef al eens terecht dat Kuyper meer partijpoliticus dan bestuurder of wetgever was.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn9">9</xref></sup> Bij Idenburg was dat precies andersom. Idenburg was vooral een koloniaal bestuurder, meer dan een Nederlands politicus. Indien ik Idenburg uitsluitend als <sc>arp</sc>-politicus had besproken, dan had ik hem opgesloten in de eng-vaderlandse historiografie en de oude idee&#x00EB;nstrijd. Dan hoorden we de antagonistische nagalm van lang vervlogen tijden. En dan hadden we inderdaad een boek gekregen waarop Breman hoopte.</p>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Een kleine historiografie</title>
<p>Bremans artikel ademt de geest van vijftig jaar aan polemische frustraties. Hij lijkt in zijn artikel niet echt nieuwsgierig te zijn naar de bedoelingen van historische figuren zoals Idenburg. Liever schrijft hij over historiografische en verzuilde botsingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam, waar ik zelf part noch deel aan heb gehad en die plaatsvonden ver voor mijn tijd en lang voor ik er mijn proefschrift schreef. Bremans opmerkelijke argumentatie lijkt op de bewering dat iedere <sc>iisg</sc>-publicatie over het mao&#x00EF;sme een verdachte vergoelijking is van de misdaden van Pol Pot.</p>
<p>Ruim een halve eeuw geleden, toen Breman zijn proefschrift over landarbeid in koloniaal India schreef, kon iemand promoveren in de marge van het maatschappelijk debat. Proefschriften in die tijd &#x2013; zeker ook sociologische &#x2013; werden nauwelijks besproken, zeker niet buiten de universiteit. Hoewel dissertaties excelleerden in hun wetenschappelijke analyse, waren ze niet zelden voorzien van een duidelijke ideologische stellingname. Soms ontbeerden ze een stevige inbedding in het archiefonderzoek; dit was ook lang niet altijd mogelijk omdat veel primaire bronnen nog niet waren ontsloten. Tegelijkertijd ontstonden aan de universiteiten vernieuwende en baanbrekende wetenschappelijke denkrichtingen over de wijze waarop naar gezagsverhoudingen werd gekeken. Simpel gezegd: de aandacht verschoof van de heersende macht richting de onderdrukte klasse.</p>
<fig id="fg004">
<label>Figuur 4.</label> 
<caption><p>De kapitalistische aard van het Nederlandse koloniale beleid toonde zich onder andere in een sterke verwevenheid met de Nederlandse olie-industrie. De zoektocht naar olie leidde tot het verrijzen van talrijke &#x2018;petroleum-boortorens&#x2019; in Nederlands-Indi&#x00EB;, hier ca. 1912. &#x00A9; <sc>kitlv</sc>, 2448, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/1887.1/item:928577">http://hdl.handle.net/1887.1/item:928577</ext-link>, foto opgenomen in J.F. Niermeyer e.a., <italic>Schetsmatige beschrijving der hedendaagsche Nederlandsche koloni&#x00EB;n: handleiding ten gebruike bij de platen van Nederlandsch Oost- en West-Indi&#x00EB;</italic>&#x00EB; (1912-1913). Fotograaf onbekend.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.18308_fig4.jpg"/>
</fig>
<p>In de jaren zestig, zeventig, en tachtig van de twintigste eeuw vonden er hevige academische debatten plaats, zoals Leo Lucassen recent nog maar eens uitlegde.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn10">10</xref></sup> De universiteit waar het onderzoek werd uitgevoerd was in sterke mate bepalend voor wat er in de studies werd betoogd. Het academische debat bestond uit stevige ideologische polemieken, zeker in het werkveld van de koloniale geschiedenis. Dat was overigens al veel langer het geval. Bekend is de strijd tussen de &#x2018;oliefaculteit&#x2019; van Utrecht en de &#x2018;ethische richting&#x2019; van Leiden (ik schrijf erover in mijn boek op pagina&#x2019;s 347-354). Of nog veel langer geleden: de negentiende-eeuwse strijd tussen de Indische Instelling in Delft en de Indologenopleiding in Leiden. In de naoorlogse academische polemiek was het vooral Leiden (&#x2018;rechts&#x2019;) versus Amsterdam (&#x2018;links&#x2019;), UvA (&#x2018;socialistisch&#x2019;) versus <sc>vu</sc> (&#x2018;gereformeerd&#x2019;) enzovoorts. In niet onbelangrijke mate liep dit langs de lijnen van de dekolonisatieprocessen. In de jaren negentig vonden her en der nog soortgelijke debatten plaats, soms wat polemisch, maar waren deze oude stellingnames al redelijk aan het veranderen.</p>
<p>Tussen 2000 en 2010 leek de historiografie van de koloniale geschiedschrijving tamelijk uitgeblust. In die tijd studeerde ik zelf aan de Rijksuniversiteit Groningen en schreef ik een afstudeerscriptie over de arabist Christiaan Snouck Hurgronje en diens invloed op het Nederlandse koloniale beleid. Ik merkte dat historici op dat moment aardig murw gebeukt leken door de vermoeiende debatten over wat goede koloniale geschiedschrijving was, of de debatten over verzuilde geschiedschrijving niet meer zo zinvol vonden. Er verschenen weliswaar veel goede publicaties op het terrein van de &#x2018;niet-westerse geschiedenis&#x2019; (zoals het destijds soms nog werd genoemd), maar de ideologische kaarten leken geschud. Veel historici hadden geen zin om de nuffige discussies van weleer steeds maar weer op te rakelen. Men wilde vooral gedegen historische publicaties schrijven over het koloniale verleden.</p>
<p>Vanaf ongeveer 2010 nam de academische en maatschappelijke betrokkenheid bij het koloniale verleden sterk toe, mede als gevolg van nieuwe maatschappelijke bewegingen, waaronder <italic>Black Lives Matter</italic>. Ook de betrokkenheid van historici die zich specialiseerden in het koloniale verleden nam toe. Ondanks het grote maatschappelijk engagement bleef er tegelijkertijd een belangrijke basisbehoefte bestaan: gedegen historisch onderzoek, gebaseerd op primaire en secundaire bronnen en een nadruk op de historische context.</p>
<p>Tijdens mijn promotieonderzoek bemerkte ik hoezeer andere vragen, argumenten en verschuivende perspectieven de politieke en academische arena betraden. De studie van en het maatschappelijke debat over het koloniale verleden onderging een postkoloniale paradigmashift, met meer aandacht voor koloniale machtsverhoudingen, discriminatie, racisme en het denken over slavernij en kolonialisme. Aan het begin van mijn promotietraject (2012) keek de samenleving anders aan tegen koloniale geschiedenis dan aan het einde ervan (2021). In mijn boek beschrijf ik deze verschuiving uitvoerig. Daarbij heb ik het ook over de wisseling van het perspectief in de koloniale geschiedschrijving. Dat doe ik aan de hand van de opkomst van Anton de Kom in Suriname, diens strijd met gouverneur Bram Rutgers (de schoonzoon van Idenburg), en ook door te wijzen op het belang van de <italic>Black Archives</italic> (405-410). Over deze paradigmaverschuiving hoor ik Breman niet.</p>
</sec>
<sec id="s6">
<title>&#x2018;Generations matter&#x2019;</title>
<p>Wie Bremans werk kent, is niet echt verrast door diens vileine pen. Zodra historici met perspectieven komen die hem niet bevallen, roept hij hen ter verantwoording. Wie de complexiteit van het koloniale verleden blootlegt wordt berispt. Breman snakt naar een puriteins oordeel.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn11">11</xref></sup></p>
<p>Nu waardeer ik Bremans hedendaags engagement. Meer moeite heb ik met de wijze waarop hij al een halve eeuw lang stelselmatig een grote groep serieuze professionele academici en historici afserveert en verdacht maakt.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn12">12</xref></sup> Hij beschuldigt historici van te veel evenwichtigheid, van balans, van een verkeerd onderwerp, van ontkenning van het koloniale leed, of hij mist een oordeel.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn13">13</xref></sup> Vaak genoeg legt hij daarbij onderzoekers iets in de mond wat zij nooit hebben gezegd of geschreven. En dat doet hij meestal met weinig concrete bewijsvoering of op basis van sterk verouderde bronnen (zoals hij ook nu laat zien).</p>
<p>Gerenommeerde historici worden geslachtofferd op het altaar van het Bremansiaans gelijk. Recent probeerde hij het grote onderzoeksprogramma van het <sc>kitlv</sc>, <sc>nimh</sc> en <sc>niod</sc> over het Nederlandse militaire geweld in Indonesi&#x00EB; te boycotten. Eerder al eiste hij een morele verantwoording van historici als Henk Wesseling, Bob van Niel, Jur van Goor, Wim van den Doel, Cees Fasseur, Jan Bank, Joop de Jong, Gert Oostindie en vele anderen, onder wie ook internationale wetenschappers. Dit zijn academici die in hun studies wel degelijk aandacht vroegen voor de donkere kanten van de Nederlandse geschiedenis, of een beeld proberen te scheppen in het <italic>mer &#x00E0; boire</italic> aan koloniale perspectieven. Maar ook wetenschappers die in hun taalgebruik geen activist willen zijn, noch lezers wensen te vertellen wat zij moeten vinden.</p>
<p>Geplaatst worden in dit rijtje is natuurlijk best aardig. Het zijn gelouterde en veelgelezen historici met een interessant oeuvre binnen de koloniale geschiedschrijving; vaak overigens met grote onderlinge verschillen in benadering, aanpak en toonzetting. Toch verwijt Breman deze historici min of meer allemaal hetzelfde: in hun pogingen het koloniale verleden te ontsluiten zouden zij de complexiteit van dat verleden verheffen boven het morele oordeel.</p>
<p>In 2022 gaf de Vlaamse historica Eline Mestdagh in <sc>tseg</sc> een aardig adequate beschrijving van de methode Breman. Ze beschreef uitvoerig diens driftige zoektocht naar studies waartegenover hij zich ideologisch kan positioneren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn14">14</xref></sup> Dit werkte vroeger misschien. Tegenwoordig zijn de posities echter flu&#x00EF;de geworden, meervoudig. Mestdagh schreef terecht al dat wat vroeger progressief was in het huidige postkoloniale debat juist het tegenovergestelde kan inhouden, misschien zelfs conservatief, paternalistisch of koloniaal. In ieder geval zijn het andere posities dan die van vijftig jaar geleden. Niet ten onrechte publiceerde <sc>bmgn</sc> recent een forumbijdrage waarin 50 jaar koloniale historiografie werd besproken met de veelzeggende titel &#x2018;How Generations Matter&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn15">15</xref></sup></p>
</sec>
<sec id="s7">
<title>Het belang van historiseren</title>
<p>Een <italic>mening</italic> over het koloniale systeem is niet hetzelfde als de <italic>uitleg</italic> van dat systeem. Beide sluiten elkaar natuurlijk niet uit &#x2013; dat is duidelijk &#x2013; maar vereisen wel een andere benadering. Bremans benadering neigt naar het eerste, de mijne naar het tweede. Breman wil oordelen, ik wil begrijpen.</p>
<p>Breman vergeet een belangrijke eigenschap van een goed historicus: historiseren. Aan de hand van analyses, bronnenmateriaal, interviews en soms enige hermeneutische arbeid kan de historicus tot een sluitend en vernieuwend narratief komen, mits deze niet geknecht wordt door een al te sterke vooringenomenheid. Hierin verschilt de historicus van de socioloog, voor wie het denken in aannames, wetmatigheden, modellen en generalisaties veelal de norm is.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn16">16</xref></sup> Zeker ook nuttige instrumenten, alleen niet voor de historicus.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn17">17</xref></sup></p>
<p>Natuurlijk, we staan nooit volledig los van de geschiedenis. Er bestaat een doorwerking vanuit het verleden naar het heden. Ook de historicus zelf staat niet los van het heden. Des te belangrijker is het dat de historicus met gepaste bescheidenheid zoekt naar een goed begrip van het verleden. Daarbij is &#x2018;begrijpen&#x2019; (<italic>verstehen</italic>) toch echt iets anders dan &#x2018;vergoelijken&#x2019;. De eigen opvattingen zijn feitelijk niet zo relevant. Het zou vreemd zijn als de edele kunst van het historiseren volledig verdwijnt achter een muur van hedendaagse verontwaardiging, verwondering of anderszins persoonlijke, politieke opvattingen.</p>
<p>Breman ziet dat liever anders. Aan het slot van zijn recensieartikel steekt de socioloog zijn morele oordeel over het kolonialisme niet onder stoelen of banken. Hij rondt af met een hartstochtelijk pleidooi voor &#x2018;ruimhartige excuses&#x2019; die Nederland moet maken &#x2018;voor het brute koloniale juk tot grotere glorie en profijt door Nederland opgelegd aan volken ver van eigen huis en eeuwenlang&#x2019; (92). Natuurlijk, dit is een sympathiek signaal. Toch lijkt mij deze boodschap hier niet helemaal op zijn plek. Want sinds wanneer horen politieke statements thuis in een recensieartikel van een academisch tijdschrift als <sc>bmgn</sc>&#x003F; Toont zich hier de activist boven de wetenschapper&#x003F;</p>
<p>Als we de hedendaagse moraliteit als universeel geldend laten zijn voor de wijze waarop historici hun werk moeten doen en hoe lezers het verleden moeten zien, zoals Breman betoogt (91), dan is geen historische studie nog veilig. Geen historicus pakt dan nog ingewikkelde koloniale onderwerpen op, of durft dan nog te schrijven over zaken die vandaag de dag als evident weerzinwekkend worden ervaren. Het verleden is immers &#x00E9;&#x00E9;n grote bron van permanent onrecht. Dan wordt het, om met Martin Bossenbroek te spreken, &#x2018;dringen aan de goede kant van de geschiedenis&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn18">18</xref></sup></p>
</sec>
<sec id="s8">
<title>Tot slot</title>
<p>Emeritus hoogleraar Meindert Fennema, politicoloog en ex-communist, schreef een half jaar voor zijn overlijden warme woorden over mijn boek <italic>Engelen uit Europa</italic>: &#x2018;Dit boek levert niet alleen een prachtig portret van A.W.F. Idenburg op, maar tegelijkertijd een zeer grondige analyse van de fundamentele ambivalentie van de &#x201C;ethische politiek&#x201D;&#x2019;.</p>
<p>Precies dat heb ik willen doen: een grondig inzicht geven in de vreemdsoortige ambivalentie tussen enerzijds de (&#x2018;ethische&#x2019;) koloniale ambitie van Nederlandse bestuurders en anderzijds de desastreuze koloniale praktijk. Ik wilde begrijpen, zonder te vergoelijken. Ik ben zeer verguld dat de meeste lezers dit hebben willen inzien.</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Jan Breman, &#x2018;Ethische politiek verbeeld als de christelijke beschavingsmissie. Alexander Willem Frederik Idenburg, een Nederlandse koloniaal met goede bedoelingen&#x003F;&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 138:3 (2023) 63-92. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.51769/bmgn-lchr.12778">https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.12778</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn2"><label>2</label><p>Dit artikel bevat, ter verduidelijking en toelichting, enkele korte tekstpassages uit mijn boek <italic>Engelen uit Europa. A.W.F. Idenburg en de moraal van het Nederlands imperialisme</italic> (Prometheus 2022).</p></fn>
<fn id="fn3"><label>3</label><p>In september 2023 bracht het complete Canadese parlement, inclusief premier Trudeau, tot tweemaal toe een staande ovatie uit voor een Oekra&#x00EF;ense oorlogsveteraan vanwege diens &#x2018;strijd in de Tweede Wereldoorlog tegen de Russen&#x2019;. Deze Oekra&#x00EF;ens-Canadese &#x2018;held&#x2019; had de Oekra&#x00EF;ense militairen gesteund &#x2018;tot op de dag van vandaag&#x2019;, zo sprak de Canadese parlementsvoorzitter prijzend. Spoedig na deze lofprijzing werd de Canadese politici duidelijk hoe de historische verhoudingen tussen Oekra&#x00EF;ne en Rusland in de Tweede Wereldoorlog werkelijk hadden gelegen. De schaamte was groot en een internationale rel geboren. Politici buitelden over elkaar heen met excuses, de parlementsvoorzitter trad af. De toespraak in het Canadese parlement, via <italic>The Independent</italic>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.youtube.com/watch?v=JsilnLnyWCA">https://www.youtube.com/watch?v&#x003D;JsilnLnyWCA</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn4"><label>4</label><p>Patrick Manning, <italic>Navigating World History: Historians Create a Global Past</italic> (Palgrave Macmillan 2003). <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1057/9781403973856">https://doi.org/10.1057/9781403973856</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn5"><label>5</label><p>Wolfgang Reinhard, <italic>Die Unterwerfung Der Welt: Globalgeschichte der europ&#x00E4;ischen Expansion 1415-2015</italic> (C.H. Beck 2016).</p></fn>
<fn id="fn6"><label>6</label><p>Cemil Aydin, <italic>The Politics of Anti-Westernism in Asia: Visions of World Order in Pan-Islamic and Pan-Asian Thought</italic> (Columbia University Press 2007); Erez Manela, <italic>The Wilsonian Moment: Self Determination and the International Origins of Anticolonial Nationalism</italic> (Oxford University Press 2007).</p></fn>
<fn id="fn7"><label>7</label><p>Susan Lege&#x0302;ne, &#x2018;The European Character of the Intellectual History of Dutch Empire&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 132:2 (2017) 110-120. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.18352/bmgn-lchr.10344">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.10344</ext-link>; Sebastian Conrad, Shalini Randeria en Regina R&#x00F6;mhild (reds.), <italic>Jenseits des Eurozentrismus. Postkoloniale Perspektiven in den Geschichts- und Kulturwissenschaften</italic> (Campus 2002).</p></fn>
<fn id="fn8"><label>8</label><p>Leg&#x00EA;ne, &#x2018;The European character&#x2019;; Bernhard C. Scha&#x0308;r, &#x2018;Introduction: The Dutch East Indies and Europe, ca. 1800-1930. An Empire of Demands and Opportunities&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 134:3 (2019) 4-20. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.18352/bmgn-lchr.10738">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.10738</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn9"><label>9</label><p>Henk te Velde, <italic>Van regentenmentaliteit tot populisme. Politieke tradities in Nederland</italic> (Bert Bakker 2010) 139.</p></fn>
<fn id="fn10"><label>10</label><p>Niels Mathijsen, &#x2018;Diversiteit duurt nou eenmaal even&#x2019;, interview met Leo Lucassen op Overdemuur, 29 september 2017, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://overdemuur.org/diversiteit-duurt-nou-eenmaal-even/">https://overdemuur.org/diversiteit-duurt-nou-eenmaal-even/</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn11"><label>11</label><p>Vgl. Jan Breman, &#x2018;Een kroniek van ontkenning en onthulling&#x2019;, <italic>De Groene Amsterdammer</italic>, 140:2 (14 januari 2016) 54-57; H.J. Boukema, &#x2018;Indi&#x00EB; met en zonder voetnoot&#x2019;, <italic>Neerlandica extra Muros</italic> 35:1 (1997) 43-46. <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.dbnl.org/tekst/_nee005199701_01/_nee005199701_01_0022.php">https://www.dbnl.org/tekst/_nee005199701_01/_nee005199701_01_0022.php</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn12"><label>12</label><p><ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://historibersama.com/vragen-bij-het-nederlandse-onderzoek-open-brief/?lang=nl">https://historibersama.com/vragen-bij-het-nederlandse-onderzoek-open-brief/?lang&#x003D;nl</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn13"><label>13</label><p>Breman, &#x2018;Een kroniek van ontkenning&#x2019;.</p></fn>
<fn id="fn14"><label>14</label><p>Eline Mestdagh, &#x2018;Over verschuivende blinde vlekken en de dilemma&#x2019;s van linkse politiek in een postkoloniaal tijdperk&#x2019;, <sc>tseg</sc> &#x2013; <italic>The Low Countries Journal of Social and Economic History</italic> 19:3 (2022) 115-128. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.52024/tseg.13104">https://doi.org/10.52024/tseg.13104</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn15"><label>15</label><p>Agus Suwignyo, Alicia Schrikker en Susan Leg&#x00EA;ne, &#x2018;How Generations Matter. <sc>bmgn</sc> and the Problem of Writing Histories of Colonialism&#x2019;, <sc>bmgn</sc> &#x2013; <italic>Low Countries Historical Review</italic> 136:2 (2021) 68-85. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.51769/bmgn-lchr.9942">https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.9942</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn16"><label>16</label><p>Vgl. Cees Fasseur, <italic>Dubbelspoor. Herinneringen</italic> (Balans 2016) 220-224.</p></fn>
<fn id="fn17"><label>17</label><p>Vgl. Remco Meijer (red.), <italic>Oostindisch doof. Het Nederlandse debat over de dekolonisatie van Indonesi&#x00EB;</italic> (Bert Bakker 1995) 119. Meijer schreef: &#x2018;Het zal duidelijk zijn dat de aanpak van Jan Breman de mijne niet is, maar een morele stellingname heeft zeker zijn nut.&#x2019;</p></fn>
<fn id="fn18"><label>18</label><p>Martin Bossenbroek, <italic>De wraak van Diponegoro. Begin en einde van Nederlands-Indi&#x00EB;</italic> (Athenaeum 2020) 681.</p></fn>
</fn-group>
<sec id="s9">
<title/>
<p><bold>Hans van der Jagt</bold> is associate senior research fellow aan de Universiteit Leiden en raadsadviseur bij de Adviesraad Internationale Vraagstukken. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van het kolonialisme en de geopolitieke verhoudingen. Hij doceerde aan de Universiteit Utrecht, promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam en studeerde aan de Rijksuniversiteit Groningen en Karl Franzens Universit&#x00E4;t Graz. Zijn proefschrift over A.W.F. Idenburg en de moraal van het Nederlands kolonialisme ontving een nominatie voor de Erasmus Dissertatieprijs van Stichting Praemium Erasmianum. Hij schrijft dit artikel op persoonlijke titel.</p>
</sec>
</back>
</article>
