<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.17911</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.17911</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Review</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>De politiek van het kleinste kwaad. Een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam, 1941-1943</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>von Frijtag Drabbe K&#x00FC;nzel</surname>
<given-names>Geraldien</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universiteit Utrecht</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>10</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>138</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20230079</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>van der Boom</surname><given-names>Bart</given-names></name>
</person-group>
<source>De politiek van het kleinste kwaad. Een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam, 1941-1943</source>
<publisher-loc>Amsterdam</publisher-loc>
<publisher-name>Boom</publisher-name>
<year>2022</year>
<isbn>9789024444878</isbn>
</product>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Vastenhout</surname><given-names>Laurien</given-names></name>
</person-group>
<source>Between Community and Collaboration: &#x2018;Jewish Councils&#x2019; in Western Europe under Nazi Occupation</source>
<publisher-loc>Cambridge en New York</publisher-loc>
<publisher-name>Cambridge University Press</publisher-name>
<year>2022</year>
<isbn>9781316511688</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2023 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.17911"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Over de Joodse Raad &#x2013; voluit: <italic>De Joodsche Raad voor Amsterdam</italic> &#x2013; raakt men maar niet uitgepraat. Na een eerste publicatie in 1945 bleef de Joodse Raad in de decennia die volgden een belangrijk sleutelthema in het onderzoek naar de Jodenvervolging in bezet Nederland. In 2022 zijn daaraan dan nog eens twee zelfstandige wetenschappelijke studies toegevoegd. De Leidse historicus Bart van der Boom was met <italic>De politiek van het kleinste kwaad</italic> de eerste: zijn boek kwam uit in het voorjaar van 2022. Van der Boom schreef in het Nederlands, voor een breed publiek &#x2013; niet zonder succes, want de auteur en zijn boek hebben al de nodige media-aandacht gekregen. Wekenlang stond <italic>De politiek van het kleinste kwaad</italic> op de longlist (en daarna op de shortlist) van de Libris Geschiedenis Prijs 2022. Hoewel de prijs naar een ander ging, is het boek bijna overal positief ontvangen.</p>
<p>Hiermee vergeleken is de verschijning van het tweede boek een halfjaar later bijna geruisloos aan Nederland voorbij gegaan. <italic>Between Community and Collaboration</italic> is het omgewerkte proefschrift waarop de aan het <sc>niod</sc> verbonden historica Laurien Vastenhout in 2020 in Sheffield promoveerde. De taal &#x2013; de studie is in het Engels &#x2013; zou een barri&#x00E8;re kunnen hebben opgeworpen, evenals de verkoopprijs die de uitgever, Cambridge University Press, heeft vastgesteld. Het is hoe dan ook verheugend nieuws dat binnenkort een Nederlandse vertaling op de markt wordt gebracht. De studie is namelijk zeer de moeite waard, ook voor een breder publiek, en kan met glans de vergelijking met het veelgeprezen werk van Van der Boom doorstaan.</p>
<p>Beide auteurs vertrekken vanuit dezelfde constatering: in de wetenschappelijke geschiedschrijving en in de publieke arena is de Joodse Raad, en dan in het bijzonder zijn voorzitters David Cohen en Abraham Asscher, vooral het onderwerp van morele beoordeling geweest. Meestal is die beoordeling in het nadeel van de Raad en de voorzitters uitgevallen: zij zouden niet alleen een verregaande mate van volgzaamheid jegens de Duitse vervolgers aan de dag hebben gelegd, ook nadat de deportaties waren begonnen; zij zouden bovendien hebben geprobeerd zichzelf en hun eigen kring te redden door anderen op te offeren (i.e., te selecteren voor deportatie). Deze fixatie op goed en fout heeft niet tot meer inzicht geleid, zeggen Vastenhout en Van der Boom in koor. Beiden bepleiten &#x2018;historisering&#x2019;.</p>
<p>Voor Van der Boom is historisering echter iets anders dan voor Vastenhout. Historisering, schrijft hij al op de eerste bladzijden van zijn boek, beoogt het &#x2018;kijken door de ogen van de tijdgenoten&#x2019;, een reconstructie van &#x2018;het perspectief van destijds&#x2019;, zonder &#x2018;wijsheid achteraf&#x2019; (11, 12) en &#x2018;hindsight bias&#x2019; (298). Daarvoor is het alleen maar nodig de bronnen te laten spreken: het boek is volgens Van der Boom dan ook &#x2018;vanuit de bronnen geschreven&#x2019; (11) &#x2013; een opvallende opvatting over geschiedbeoefening, alsof de tijd na Ranke heeft stilgestaan.</p>
<p>Wie het eerdere werk van Van der Boom kent &#x2013; en dan in het bijzonder zijn in 2012 gepubliceerde <italic>Wij weten niets van hun lot</italic> &#x2013; kan misschien wel bevroeden dat met die &#x2018;wijsheid achteraf&#x2019; vooral wordt gedoeld op de kennis van wat er na de deportatie met de gedeporteerde Joden gebeurde. Die kennis is er nu wel, maar was er destijds niet, zo blijft Van der Boom herhalen, ook in dit boek. Door het gebrek aan die kennis maakte de Joodse Raad de (achteraf verkeerd gebleken) inschatting dat ongehoorzaamheid en onderduik gevaarlijker waren dan gehoor geven aan Duitse orders, zelfs als dat de oproep voor &#x2018;Polen&#x2019; betrof. De meegaandheid van de Joodse Raad en de twee voorzitters plaatst Van der Boom verder in de traditie van de joodse diaspora, de Nederlandse verzuiling en in het bredere patroon van meegaandheid van Nederlandse bestuurders met de Duitse bezetter, &#x2018;om erger te voorkomen&#x2019;. Voorkomen, verzachten, verzorgen &#x2013; zo vat Van der Boom de ratio achter de voortdurende samenwerking van de Joodse Raad met de Duitse vervolgers kernachtig samen. In het sluitstuk van de Jodenvervolging kwam daar selecteren als werkwoord bij: zelf meewerken aan het uitkiezen van deportatiekandidaten om mee te kunnen bepalen welk deel van de joodse gemeenschap behouden zou blijven.</p>
<p>Met zijn heldere, betogende schrijfstijl weet Van der Boom in <italic>De politiek van het kleinste kwaad</italic> in grote lijnen zeker wel te overtuigen. Op sommige punten schiet hij echter door in zijn verlangen de &#x2018;zwarte legende&#x2019; over de Joodse Raad te ontkrachten (321). Zo bagatelliseert Van der Boom zonder veel empirisch bewijs de principi&#x00EB;le tegenstelling tussen de Joodse Raad en zijn belangrijkste tegenstrever, de tot oktober 1941 nog toegestane Joodse Co&#x00F6;rdinatie Commissie van Lodewijk Visser. Volgens de auteur waren de leiders van beide organisaties &#x2018;het over veel praktische zaken eens&#x2019;: de tegenstelling tussen de voorzitters Cohen en Visser was dan ook &#x2018;geen ideologisch conflict, maar competentiestrijd&#x2019; (59). Het is moeilijk vol te houden dat Van der Boom hier nog &#x2018;vanuit de bronnen schrijft&#x2019;. Dit is de interpretatie van &#x2018;de bronnen&#x2019; door een auteur die de lezer ervan wil overtuigen dat wat de Joodse Raad wilde en deed helemaal niet zo gek, zo uitzonderlijk of zo verkeerd was, maar paste in de tijd en in een breder reactie- en gedragspatroon van &#x2018;inheemse&#x2019; (joodse) bestuurders en instanties. Ook in de paar spaarzame momenten in het verhaal dat Van der Boom de geschiedenis van de Joodse Raad vergelijkt met die van vergelijkbare joodse instanties elders lijkt dat het oogmerk te zijn: &#x2018;In ieder geval was medewerking [&#x2026;] geen Nederlandse uitzondering&#x2019; (156); &#x2018;overal&#x2019; werd &#x2018;de keuze voor gehoorzaamheid&#x2019; gemaakt (274).</p>
<p>De grond onder dergelijke uitspraken wordt wel erg onvast wanneer de studie van Vastenhout erop na wordt geslagen. Net als Van der Boom vindt zij dat de geschiedschrijving van de Joodse Raad tot dusver teveel is beheerst door beoordeling en dat de blik van onderzoekers teveel naar binnen gekeerd is geweest, gefixeerd op de rol en het handelen van de twee voorzitters. Vastenhout houdt ook een pleidooi voor &#x2018;historisering&#x2019;, maar zij vat dat op als het plaatsen van het onderwerp in de bredere historische en geografische context. Zoals de ondertitel ook aangeeft is <italic>Between Community and Collaboration</italic> niet een studie van de Joodse Raad alleen, maar een vergelijkend onderzoek van &#x2018;joodse raden&#x2019; in bezet West-Europa: naast De Joodse Raad voor Amsterdam zijn dat de <italic>Vereeniging der Joden in Belgi&#x00EB;/Association des Juifs en Belgique</italic>, de <italic>Union G&#x00E9;n&#x00E9;rale des Isra&#x00E9;lites de France-Nord</italic> in het bezette deel van Frankrijk en de <italic>Union G&#x00E9;n&#x00E9;rale des Isra&#x00E9;lites de France-Sud</italic> in het deel van Frankrijk dat door het Vichy-regime werd bestuurd. Anders dan Van der Boom, die zijn verhaal laat beginnen in 1941 en zwaar leunt op het archief van de Joodse Raad dat het <sc>niod</sc> beheert, neemt Vastenhout een lange aanloop en weet zij een keur aan nieuwe bronnen aan te boren, ook van biografische aard, in de zuidelijke buurlanden, maar ook in Isra&#x00EB;l (Yad Vashem), Engeland (de Wiener Library) en de Verenigde Staten (het Holocaust Memorial Museum te Washington). Wat deze verbreding van de bronnenbasis en het perspectief aan nieuwe inzichten oplevert is indrukwekkend.</p>
<p>Vastenhout bevestigt dat joodse raden overal in Europa verschenen waar het naziregime de macht had veroverd (en trouwens ook in de door het Duitse leger bezette delen van Noord-Afrika en in de met nazi-Duitsland geallieerde landen: naar schatting zijn er in het nazitijdperk ongeveer 1200 joodse raden operationeel geweest). Zij benadrukt dat geen van die organisaties vrijwillig tot stand is gekomen: in alle gevallen ging het om een instelling die onder dwang was gevormd, met het oogmerk de uitvoering van anti-joodse maatregelen te stroomlijnen en vereenvoudigen. Extern, voor de veelal Duitse opdrachtgevers, hadden de raden de functie van doorgeefluik en aanspreekpunt. Dat deze raden intern, voor de joodse gemeenschap, ook een zorgfunctie zouden kunnen vervullen was voor die opdrachtgevers bijzaak.</p>
<p>Maar afgezien van deze overeenkomsten zijn er vooral verschillen, zelfs tussen de vier joodse raden in hetzelfde westelijke deel van Europa. Volgens Vastenhout had dat allereerst te maken met het gebrek aan een eenduidige bevels- en richtlijn in de anti-joodse politiek van Berlijn. Dit gaf plaatselijke Duitse autoriteiten de ruimte aan de invulling van de anti-joodse politiek ter plekke (en de vorming van een joodse raad) een eigen draai te geven. In bezet Nederland, bijvoorbeeld, volgde rijkscommissaris Seyss-Inquart het &#x2018;Judenrat&#x2019;-model zoals dat in de getto&#x2019;s van Polen al enkele jaren bestond: een model waarin de lijntjes met de Duitse autoriteiten kort gehouden werden en gedelegeerde bevoegdheden beperkt waren. Dit was het model dat Seyss-Inquart nog kende uit zijn tijd in Krakau. De organisatie die de Duitse autoriteiten in bezet Belgi&#x00EB; en Frankrijk als voorbeeld namen was de landelijke <italic>Reichsvereinigung der Juden in Deutschland</italic>, een vereniging met een veel grotere mate van autonomie. In bezet Belgi&#x00EB; en Frankrijk bleven oude joodse kerkenraden (<italic>consistoires</italic>) bovendien bestaan; in bezet Nederland was met de opheffing van Vissers Co&#x00F6;rdinatie Commissie in oktober 1941 de Joodse Raad de enige toegestane joodse organisatie. Het model dat de Duitse plaatselijke autoriteiten kozen had kortom op verschillende manieren invloed op de macht van de plaatselijke joodse raad. De Joodse Raad had dan misschien meer gezag over de joodse gemeenschap dan de evenknie&#x00EB;n in Belgi&#x00EB; en Frankrijk, maar minder speelruimte dan zij tegenover de Duitse autoriteiten.</p>
<p>Een andere variabele die het functioneren van een joodse raad be&#x00EF;nvloedde was de historische context waaruit hij was voortgekomen: de vooroorlogse plaatselijke joodse gemeenschap en haar organisaties, en de naam die de aangewezen leiders van een joodse raad voor de oorlog in die gemeenschap en organisaties hadden weten te vestigen. In Belgi&#x00EB; moest de in november 1941 in het leven geroepen Vereeniging der Joden een gemeenschap representeren die vergeleken met de Nederlandse joodse gemeenschap bijzonder heterogeen was: naast de grote groep van immigranten en transmigranten uit Oost-Europa, met hun ontelbare onderlinge verschillen, waren er in de jaren dertig Duitse en Oostenrijkse vluchtelingen bijgekomen. Van de circa 66.000 joden die Belgi&#x00EB; aan de vooravond van de Duitse inval telde was nog geen zes procent Belgisch staatsburger. Een complicatie was bovendien, dat de meeste vooroorlogse joodse leiders in de meidagen waren gevlucht. In bezet Nederland hadden de Duitse autoriteiten al snel David Cohen naast Abraham Asscher bereid gevonden, twee ervaren bestuurders, mannen van gezag en aanzien in joods Nederland &#x2013; zij zagen zichzelf ook als de aangewezen personen de nieuwe organisatie te gaan leiden. In Belgi&#x00EB; verklaarde opperrabbijn Salomon Ullmann zich pas na lang aarzelen bereid, maar Ullmann werd noch door zichzelf, noch in Belgische joodse kringen als een bestuurlijke leider beschouwd. Ook de joden die naast hem bestuursfuncties in de Vereeniging der Joden zouden bekleden hadden weinig bestuurlijk gezag en ervaring.</p>
<p>Vastenhout bewaart het beste tot het laatst, de hoofdstukken 4 en 5, waarin zij achtereenvolgens de Duitse waardering voor de vier joodse raden en de betrokkenheid van de raden en individuele bestuurders bij verzetsactiviteiten behandelt &#x2013; thema&#x2019;s die in de bestaande literatuur goeddeels buiten beschouwing blijven. Anders dan in Nederland, waren de Duitse autoriteiten in Frankrijk en Belgi&#x00EB; maar matig tevreden over de medewerking van de plaatselijke joodse raad. De geschiedenis van de Franse Union G&#x00E9;n&#x00E9;rale kent diverse momenten van openlijk protest en werkweigering &#x2013; vaak reageerden de Duitse autoriteiten met arrestatie of ontslag. In Belgi&#x00EB; nam de Duitse politie in september 1942 vijf topbestuurders van de Vereeniging gevangen, op verdenking van passief verzet en sabotage. Een van hen was Ullmann. Hij had eerder die maand zijn ontslag al aangeboden, naar eigen zeggen omdat hij zich niet de juiste persoon achtte voor het leiden van de joodse gemeenschap. Na zijn aftreden werd Ullmann een belangrijke spil in het verzet. Een naaste collega, die belast was met de &#x2018;gedwongen tewerkstelling in het oosten&#x2019;, legde uit gewetensbezwaren in december zijn functie neer. Maar zelfs binnen de Joodse Raad voor Amsterdam, zo eindigt Vastenhout haar laatste inhoudelijke hoofdstuk in stijl, waar aan de top door de leiders de politiek van het kleinste kwaad werd bedreven, zijn voor de nieuwsgierige onderzoeker onder de dekmantel van de organisatie kleine lichtpuntjes van ongehoorzaamheid te vinden: in de Schouwburg en de cr&#x00E8;che van Walter S&#x00FC;skind, in de dossiermappen van de Contact Afdeling, en wie weet waar nog meer. De opmerking van Van der Boom dat &#x2018;overal&#x2019; &#x2018;de keuze voor gehoorzaamheid&#x2019; werd gemaakt lijkt nuance te behoeven.</p>
<p>In zekere zin is Vastenhouts historiserende studie een ode aan de internationaal vergelijkende benadering: alle nieuwe inzichten, zo lijkt zij in de conclusie nog eens te willen onderstrepen, zijn daaraan te danken. Toch heeft het hanteren van zo&#x2019;n grote greep ook wel nadelen. Details over de Joodse Raad, bijvoorbeeld met betrekking tot de vertegenwoordiging in de regio&#x2019;s buiten Amsterdam, vallen weg in het West-Europees panorama van Vastenhout. Juist op dat sub-nationale niveau zou het onderzoek naar de Joodse Raad nog een flinke slag kunnen maken: hoe was de relatie tussen het Amsterdamse &#x2018;hoofdkantoor&#x2019; en de &#x2018;bijkantoren&#x2019; in den lande, wat was de rol van de verschillende plaatselijke vertrouwensmannen en provinciale vertegenwoordigers van de Joodse Raad in het proces van de vervolging? Vragen die zich op hun beurt trouwens ook weer goed lijken te lenen voor een vergelijking.</p>
</body>
</article>