<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.17907</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.17907</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Review</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Schrift in dienst van de macht. De grafelijke kanselarij in Vlaanderen en Henegouwen (1191-1244). Deel I: Studie en synthese</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Mostert</surname>
<given-names>Marco</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universiteit Utrecht</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>10</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>138</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20230075</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>De Paermentier</surname><given-names>Els </given-names></name>
</person-group>
<source>Schrift in dienst van de macht. De grafelijke kanselarij in Vlaanderen en Henegouwen (1191-1244). Deel I: Studie en synthese.</source>
<comment>Schrift en Schriftdragers in de Nederlanden in de Middeleeuwen <sc>vii</sc></comment>
<publisher-loc>Hilversum</publisher-loc>
<publisher-name>Verloren</publisher-name>
<year>2021</year>
<page-range>344 pp.</page-range>
<isbn>9789087049416</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2023 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.17907"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Dit boek bevat de uitgave van het eerste deel van de dissertatie die Els De Paermentier in 2010 aan de Universiteit Gent verdedigde. Het tweede deel (met dictaatanalyse en bijlagen) is enkel digitaal raadpleegbaar via de Universiteit Gent: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/1854/LU-8715495">http://hdl.handle.net/1854/LU-8715495</ext-link>. Het gedrukte eerste deel behelst de studie van de ontwikkeling van de kanselarij van Vlaanderen en Henegouwen in de jaren 1191-1244 op basis van het dictaat en het schrift van de in origineel overgeleverde oorkonden die deze kanselarij heeft vervaardigd. De inhoud van oorkonden is vooral belangrijk, omdat zij als &#x2018;spiegels van de maatschappij&#x2019; werken. Het is om hun inhoud dat deze documenten werden uitgevaardigd en bewaard. Maar voordat men aan die inhoud toekomt, dienen ze eerst onderworpen te worden aan de kritische blik van de oorkondenleer, de paleografie en de geschiedenis van de instellingen. De auteur komt in deze deeluitgave van haar dissertatie nauwelijks aan de inhoud van de bestudeerde oorkonden toe. Ze laat wel op voortreffelijke wijze zien, wat we te weten kunnen komen over de ontwikkeling van een grafelijke kanselarij in de eerste helft van de dertiende eeuw. Dit wordt gepresenteerd tegen de achtergrond van wat er over de ontwikkeling van het &#x2018;pragmatische&#x2019; schriftgebruik in de dertiende eeuw bekend is. Daaruit valt het een en ander af te leiden over degenen die de oorkonden vervaardigden: over hun geleidelijke professionalisering, la&#x00EF;cisering (er komen steeds vaker ook niet-geestelijken aan te pas), en over de identiteitsvorming van degenen die samen het kanselarijpersoneel vormden.</p>
<p>Wat een &#x2018;grafelijke kanselarij&#x2019; is, is moeilijk te zeggen. De Paermentier gebruikt de volgende werkdefinitie: &#x2018;een grafelijke kanselarij is qua <italic>type</italic> organisatievorm een organisme of netwerk van personen die &#x2013; niet noodzakelijk vanuit een centrale locatie &#x2013; in opdracht van de graaf/gravin op regelmatige of occasionele basis instaan voor de kanselarij<italic>functie</italic>: het redigeren, munderen [in het net schrijven] en/of valideren van de grafelijke oorkonden&#x2019; (62). Aan het eind van de studie kan deze werkdefinitie enigszins gepreciseerd worden. De grafelijke kanselarij die werd bestudeerd moet worden beschouwd als &#x2018;een organisme of netwerk van personen die &#x2013; niet noodzakelijk vanuit een centrale locatie <italic>en niet noodzakelijk bekleed met een administratieve titel</italic> &#x2013; in opdracht van de graaf en gravin op regelmatige of occasionele basis instonden voor het redigeren, munderen en valideren van oorkonden afkomstig van <italic>of gericht aan</italic> de graaf en/of gravin, <italic>en die occasioneel ook de redactie of het netschrift verzorgden van oorkonden afkomstig van personen uit de familiale of administratief-bestuurlijke entourage van de graaf en gravin</italic>&#x2019; (291). De cursiveringen zijn van de auteur. Het blijkt dat deze grafelijke kanselarij nog steeds een &#x2018;diffuus netwerk&#x2019; is, hoewel de ontwikkeling die de instelling doormaakte zeker voorliep op die in het contemporaine Holland en Zeeland.</p>
<p>Hoe wordt deze conclusie bereikt? In de eerste plaats gebruikt De Paermentier (in hoofdstuk 3) de door Walter Prevenier verfijnde methode voor het vergelijken van het &#x2018;dictaat&#x2019;, dat wil zeggen de stijl van de bewoordingen die degene die de oorkondetekst opstelde gebruikte. Vergelijking van de bij het concipi&#x00EB;ren van de tekst ingelaste formule-achtige formuleringen kan leiden tot het vaststellen van groepjes oorkonden die in hun &#x2018;dictaat&#x2019; overeenkomsten vertonen. De details zijn na te lezen in het tweede deel van de dissertatie. Kort samengevat komt de methode erop neer dat, als de oorkonden van de graaf/gravin voor verschillende ontvangers (de &#x2018;destinatarissen&#x2019; van de oorkonden) dezelfde formules laten zien, die formules uit de grafelijke kanselarij afkomstig zijn. Als, omgekeerd, de formules van oorkonden die &#x00E9;&#x00E9;n instelling of persoon heeft gekregen van verschillende oorkonders overeenkomsten hebben, mag je ervan uitgaan dat die ontvanger voor die formules verantwoordelijk geweest zal zijn, en dat we dan te maken hebben met wat &#x2018;destinatarisuitvaardigingen&#x2019; genoemd worden. Toen Prevenier zijn onderzoek deed, waren er nog geen digitale edities van oorkonden voorhanden. Nu wel, en de auteur kon daarom zeer snel op een veel gedetailleerder niveau kijken naar betekenisvolle frequenties van woordgroepen. Alle 512 in origineel overgeleverde oorkonden werden zo met de verworvenheden van de <italic>digital turn</italic> met elkaar vergeleken.</p>
<p>Gebruik van originelen liet vervolgens ook een paleografische analyse toe (in hoofdstuk 4). In de Gentse school wordt een onderscheid gemaakt tussen de redactor van de oorkonde en de scriptor, degene die het uiteindelijke schrijfwerk doet. In de Nederlandse school wordt uitgegaan van de kenmerken van het schrift: de redactor en de scriptor worden dan gezien als een en dezelfde persoon. De Paermentier maakt gebruik van de verschillen die zij opmerkte in het schrift, maar blijft daarbij vaak steken in algemeenheden. Het gaat De Paermentier om de &#x2018;handen&#x2019; van kanselarijscribenten te identificeren. Door de vormen van het schrift in de in origineel overgeleverde oorkonden met elkaar te vergelijken, konden groepjes oorkonden worden ge&#x00EF;dentificeerd die door eenzelfde persoon op schrift werden gesteld. Om te besluiten tot het bestaan van zo&#x2019;n kanselarijscribent moesten er dan ten minste twee grafelijke oorkonden in dezelfde &#x2018;hand&#x2019; zijn geschreven. Of zo&#x2019;n identificatie klopt, kan worden gecontroleerd aan de hand van de digitaal beschikbare foto&#x2019;s die vrijwel allemaal te vinden zijn in de onlineversie van de <italic>Diplomata Belgica</italic>. En dat is maar goed ook, want in het boek zijn alleen fragmenten opgenomen, waardoor vergelijking wel erg lastig wordt. Jan Burgers heeft een serie van vijftien objectieve en meetbare eigenschappen van middeleeuws (oorkonden-)schrift opgesteld. Helaas was er geen tijd om deze metingen aan de 592 originelen te verrichten. De auteur beperkt zich veeleer tot observaties zoals over het &#x2018;zeer cursieve en typisch ambtelijke schrift van Kanselarijhand 6&#x2019; (178). Toch kunnen 171 van de 592 originelen aan 25 kanselarijhanden worden toegeschreven. Helaas moet de lezer voor de precieze argumentatie daarachter het tweede deel van de oorspronkelijke dissertatie raadplegen, dat zoals gezegd alleen online te vinden is. Die 25 kanselarijhanden, waarvan sommige aan met naam bekende personen kunnen worden toegeschreven, blijken vervolgens &#x2018;vermoedelijk tot zeer waarschijnlijk&#x2019; verantwoordelijk voor het dictaat van 393 van de 592 originele oorkonden. Die terugkoppeling van de &#x2018;eigenschappen&#x2019; van de kanselarijhanden naar het dictaat maakt de conclusies aannemelijker.</p>
<p>Vervolgens bleek het mogelijk om (in hoofdstuk 5) op basis van de diplomatische en paleografische conclusies iets te zeggen over de rekrutering, functies en loopbaan van de kanselarijmedewerkers. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kanselier, de &#x2018;klerken van de graaf&#x2019;, de notarissen die werkzaam waren in de financi&#x00EB;le administratie, de kapelaans, degenen met een meestertitel, en enkele medewerkers die buiten die categorie&#x00EB;n vallen. Van elk van hen, voor zover de naam bekend is, wordt een korte biografische schets gegeven. In dit hoofdstuk wordt ook gebruik gemaakt van andere bronnen dan de oorkonden die het kanselarijpersoneel maakte, bewaarde en gebruikte. Zo horen we dat Arnulfus (Voet), die tussen 1211 en 1234 in zes oorkonden zijn sporen naliet, mogelijk &#x2018;een van de vroegste auteurs&#x2019; van <italic>Van den vos Reynaerde</italic> was (243); de auteur laat het, verstandig genoeg, bij een verwijzing naar een artikel waarin deze identificatie wordt gesuggereerd. Net als bij andere in de literatuur gevonden suggesties zou het te ver gegaan zijn om dit allemaal ook nog na te trekken. Er wordt een interessante staalkaart gegeven van zo&#x2019;n 45 personen die in de grafelijke kanselarij werkzaam geweest lijken te zijn. Van sommigen van hen is bekend, dat ze ook op andere gebieden werkzaam waren. Helaas komt de beloofde behandeling van de ontwikkeling van de kanselarij niet in alle opzichten goed uit de verf. In het korte afsluitende hoofdstuk wordt hier toch een poging toe gedaan. Maar over het thema &#x2018;verschriftelijking&#x2019;, bijvoorbeeld, waar een belangrijk deel van het eerste hoofdstuk aan is gewijd (16-26), had deze recensent graag iets meer gehoord.</p>
<p>Het is al met al een indrukwekkende prestatie, en, afgezien van het huidige diplomatische onderzoek, krijgt de lezer ook inzicht in de mogelijkheden van de <italic>digital turn</italic> voor de hulpwetenschappen van de geschiedenis. Af en toe komen er wat vreemde opmerkingen in het betoog voor, zoals wanneer over de opleiding van de latere kanselarijmedewerkers wordt gezegd dat ze &#x2018;op zijn minst geletterd (<italic>litteratus</italic>) waren en dus konden lezen en schrijven&#x2019; (276). Zoveel is zeker: met de geletterdheid van d&#x00ED;t kanselarijpersoneel was niet veel mis.</p>
</body>
</article>