<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.17464</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.17464</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Review</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Met de paplepel. Beeldvorming over joden in Nederlandstalige jeugdverhalen, 1782&#x2013;heden</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Vermeulen</surname>
<given-names>Karolien</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Instituut voor Joodse Studies, Universiteit Antwerpen</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>09</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>138</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20230070</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Sanders</surname><given-names>Ewoud</given-names></name>
</person-group>
<source>Met de paplepel. Beeldvorming over joden in Nederlandstalige jeugdverhalen, 1782&#x2013;heden</source>
<publisher-loc>Zutphen</publisher-loc>
<publisher-name>Walburg Pers</publisher-name>
<year>2022</year>
<page-range>272 pp.</page-range>
<isbn>9789462499492</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2023 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.17464"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>In <italic>Met de paplepel</italic> vat Ewoud Sanders de beeldvorming van joden in protestantse en katholieke Nederlandstalige jeugdverhalen uit de laatste drie eeuwen samen. Uit de ruim 350 verhalen waarop de analyse gebaseerd is, blijken joodse personages vaak een handjevol stereotiepe eigenschappen te bezitten. Hiermee kaart Sanders een duidelijke doch tot op heden onderbelichte tendens aan met, zoals hij zelf aangeeft, verstrekkende gevolgen. Kinderen werden via zondagsschoolboeken en schoollectuur gevoed met idee&#x00EB;n en uitspraken, vaak ook afbeeldingen, die hun perceptie van joden vormden en be&#x00EF;nvloedden.</p>
<p>Sanders&#x2019; werk past binnen het ruimere onderzoek naar anti-juda&#x00EF;sme en antisemitisme in Nederland, de Lage Landen en bij uitbreiding West-Europa. In tegenstelling tot werken zoals Quispels <italic>Anti-joodse beeldvorming en jodenhaat: De geschiedenis van antisemitisme in West-Europa</italic> (2014) of <italic>Aspecten van Joods leven in Roermond en Midden-Limburg</italic> door Hein van der Bruggen (2022) focust <italic>Met de paplepel</italic> minder op de historische context en meer op de beschrijving en categorisering van de onderzochte bronnen. Terwijl andere studies deze bronnen contextueel kaderen en verklaren, toont Sanders de lezer hoe de beeldvorming eruit zag. Daarbij benadrukt Sanders de consistentie van de stereotypen over de gehele periode (van 1782 tot heden), wars van een veranderende socio-historische context. Zijn aanpak doet denken aan die gehanteerd binnen de literatuurwetenschap, waar de wereld in de tekst primeert over de wereld buiten de tekst. Dit werk past dan, de nodige verschillen in acht nemend, bij studies over joodse representatie in de jeugdliteratuur, zoals <italic>Jews and Jewishness in British Children&#x2019;s Literature</italic> (2013) van Madelyn Travis of de artikels in het speciale nummer van <italic>The Lion and the Unicorn</italic> geredigeerd door Suzanne Rahn and Naomi Sokoloff (2003).</p>
<p>Na een korte inleiding bespreekt de auteur het door hem bestudeerde materiaal thematisch. De volgende onderwerpen passeren de revue: het joodse uiterlijk (hoofdstuk 2), taal en spraak (hoofdstuk 3), goedheid (hoofdstuk 4), slecht zijn (hoofdstuk 5) en slachtofferschap (hoofdstuk 6). Deze hoofdstukken worden verder onderverdeeld. In hoofdstuk 2, bijvoorbeeld, zijn er passages over baarden, neuzen, vies zijn, beweging en schoonheid. Sanders verwerkt heel veel voorbeelden en materiaal in zijn boek om de door hem ge&#x00EF;dentificeerde stereotypen te staven. Daarbij put hij zowel uit geschreven als getekend materiaal. Geregeld voegt hij ook voorbeelden uit de omgangstaal toe. Dit afwisselen tussen verschillende bronnen enerzijds en diverse modaliteiten van de bronnen anderzijds zorgt zowel voor een onderbouwde analyse als een interessante leeservaring. Desalniettemin is het werk van tijd tot tijd een lange lijst van voorbeelden waarbij je als lezer context mist om de gekozen citaten beter te begrijpen.</p>
<p>Dit is meteen het grootste punt van kritiek: het boek biedt een onschatbare bron aan informatie, maar daarbij is uit het oog verloren dat elk van deze bronnen een context heeft en dat, zeker om stereotyperingen te begrijpen, die context belangrijk is. Bijvoorbeeld: de auteur neemt zowel een rubriek &#x2018;joden zijn goed&#x2019; als &#x2018;joden zijn slecht&#x2019; op met de kanttekening dat de verhalen waarin zogenaamd goede joden verschijnen in de minderheid zijn in het bestudeerde corpus. Vanuit historisch opzicht zou het dan interessant zijn om te weten in welke werken precies die goede joden voorkomen en in welke context. Spreken we hier over een bepaald tijdsgewricht, een bepaalde regio, of een bepaalde uitgeverij&#x003F;</p>
<p>Het werk is heel goed in het voorstellen van het materiaal en het categoriseren ervan. In de laatste twee hoofdstukken doet Sanders een voorzichtige poging tot het interpreteren van de bronnen. Hoofdstuk 7 wijst op het wijzigen van joodse stereotyperingen en het verwijderen van de term in &#x00E9;&#x00E9;n en hetzelfde verhaal doorheen de tijd. Hoofdstuk 8 spreekt zeer kort over protestantse en katholieke opvattingen over jeugdlectuur en reacties in de pers bij het verschijnen van sommige verhalen (voor zover die bestaan). In deze hoofdstukken had de auteur veel dieper mogen graven, met zo mogelijk een vervolghoofdstuk. Want wat betekent het nu concreet dat dergelijke stereotyperingen van joden met de paplepel zijn meegegeven aan de gelovige, Nederlandse jeugd&#x003F; Wat is het historisch en maatschappelijk belang ervan, toen en nu&#x003F; Als lezer blijf je hier op je honger zitten.</p>
<p>Een ander punt van kritiek betreft het corpus. De titel van het werk belooft &#x2018;jeugdverhalen van 1782 tot heden&#x2019;. Evenwel, als je het boek erop naslaat, wordt er bijna geen enkel werk van na 1945 besproken. Boeken zoals <italic>De kinderen van het achtste woud</italic> van Els Pelgrom (2009) of <italic>Mosje en Reisele</italic> van Karlijn Stoffels (2011) komen niet aan bod. Dit is enigszins verbazingwekkend, gezien de Nederlandse jeugdliteratuur na de oorlog pas echt tot bloei kwam, en omdat de beeldvorming over joden toen kantelde van daders naar slachtoffers. Het is jammer dat de auteur de impact daarvan niet bespreekt. Bij het lezen van het werk wordt gaandeweg duidelijk dat de auteur zich beperkt tot een heel specifiek soort jeugdverhalen, namelijk de verhalen die zijn geschreven en uitgegeven in protestante en katholieke kringen, veelal voor het onderwijs en de zondagsschool. Naar mijn gevoel had de auteur zijn corpus beter kunnen introduceren omdat hier meteen ook een referentiekader aan vasthangt voor de stereotyperingen. Tegelijk brengt de keuze van dit corpus me meteen weer bij de eerdere opmerking dat er na de inventarisatie weinig reflectie gebeurt. Al is het misschien net de bedoeling van het boek om een debat op gang te brengen nu blijkt dat Nederlandse kinderen eeuwenlang anti-joodse stereotyperingen nagenoeg geruisloos hebben meegekregen.</p>
<p>Tot slot maakt de auteur de atypische keuze om voetnoten noch bronnenlijst op te nemen. Deze keuze licht hij openlijk toe: er zijn nagenoeg geen secundaire bronnen te vinden over dergelijke Nederlandstalige verhalen en de verhalen zelf kunnen eenvoudig op het internet gegoogled worden, evenals het eerdere werk van Sanders waarin hij deze verhalen samenvat. Deze keuze kan, met bovengaande kritiek in gedachten, in vraag gesteld worden. Hoewel er inderdaad zeer weinig is geschreven over het bestudeerde corpus, zijn er wel secundaire bronnen over de ruimere context waarin deze werken zijn geschreven. Verder zou het boek als wetenschappelijk naslagwerk meer zijn rol vervullen indien er wel een bronnenlijst was opgenomen, zoals bijvoorbeeld in het artikel van Judith Saltman, &#x2018;The Jewish Experience in Canadian Children&#x2019;s Literature&#x2019;, verschenen in <italic>Canadian Children&#x2019;s Literatures</italic> (2007).</p>
<p>Alles in acht genomen heeft Sanders met <italic>Met de paplepel</italic> een gedegen catalogus gecre&#x00EB;erd met thematische onderverdeling. Het werk stelt scherp hoe systematisch anti-joodse stereotieperingen eeuwenlang in het Nederlandse (zondags)onderwijs zijn opgevoerd. Hoe dit historisch (en literair) te kaderen is, zowel voor het ontstaan van deze teksten als hun latere gebruik en impact, blijft onbeantwoord, maar het boek opent wel een debat over de aard van dergelijke jeugdverhalen en hun mogelijke rol in een anti-joods discours in de bredere samenleving.</p>
</body>
</article>