<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.14835</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.14835</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Reilen en zeilen van de admiraliteit van Rotterdam in de jaren 1630-1640</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>de Kok</surname>
<given-names>Gerhard</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universiteit Leiden</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>06</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>138</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>20230047</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Bruijn</surname><given-names>Jaap R.</given-names></name>
</person-group>
<source>Reilen en zeilen van de admiraliteit van Rotterdam in de jaren 1630-1640</source>
<publisher-loc>Hilversum</publisher-loc>
<publisher-name>Verloren</publisher-name>
<year>2022</year>
<page-range>114 pp.</page-range>
<isbn>9789087049812</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2023 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.14835"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Ruim vijftig jaar geleden verscheen het proefschrift van een jonge maritiem historicus over de Admiraliteit van Amsterdam in rustige jaren (1713-1751). Een prachtige carri&#x00E8;re en een indrukwekkend oeuvre later, schreef deze historicus een boek over een soortgelijk thema. Daarin onderzoekt hij, de vorig jaar overleden hoogleraar zeegeschiedenis Jaap Bruijn, de admiraliteit van Rotterdam in de roerige jaren dertig van de zeventiende eeuw. Als lezer kijken we tien jaar mee achter de schermen van dit college, jaren waarin de Nederlandse Republiek volop in oorlog was met Spanje. Talrijke zaken passeren de revue, van administratieve kwesties tot stakende timmerlieden en van frauduleuze praktijken tot klagende zeemansvrouwen.</p>
<p>Veel van onze kennis over de admiraliteiten is afkomstig van eerder onderzoek van Bruijn. Hij maakte onderscheid tussen de &#x2018;oude marine&#x2019; die actief was tot de jaren vijftig van de zeventiende eeuw en de &#x2018;nieuwe marine&#x2019; daarna. De oude marine was kleinschaliger, minder geprofessionaliseerd en gebruikte op grote schaal gehuurde koopvaardijschepen. Het <italic>Reilen en zeilen van de admiraliteit van Rotterdam in de jaren 1630-1640</italic> valt dus in die eerste periode. Dit boek gaat niet over de bredere betekenis van de admiraliteiten voor staatsvormingsprocessen en voor de Republiek. Zoals de titel belooft gaat het hier om een beschrijving van de dagelijkse gang van zaken op het Rotterdamse Prinsenhof, waar de admiraliteit vergaderde.</p>
<p>Sinds 1597 vielen de vijf admiraliteiten in de Republiek als generaliteitscolleges rechtstreeks onder de Staten-Generaal. Ze waren verantwoordelijk voor de oorlogsvloot en moesten die vloot gedeeltelijk financieren middels het innen van belastingen. De in Rotterdam zetelende Admiraliteit op de Maze was qua inkomsten kleiner dan het Amsterdamse zustercollege, maar ze kon zich er wel op laten voorstaan het oudste admiraliteitscollege van de Republiek te zijn. Door een grote brand op het ministerie van Marine in 1844 is veel archiefmateriaal van de admiraliteiten verloren gegaan. Dat geldt helaas ook voor talloze resolutieboeken. Voor de eerste vijf jaar van de in dit boek beschreven periode zijn de resoluties van de Rotterdamse admiraliteit gelukkig compleet, voor de periode 1635-1640 is ongeveer de helft bewaard gebleven.</p>
<p>Het college werd gevormd door twaalf raden ter admiraliteit. Zij hadden zitting namens de Hollandse ridderschap, verschillende Hollandse steden en namens enkele andere provincies. Bruijn laat zien dat een aanstelling veel raden flink wat werk opleverde. Het college kwam vaak zes dagen per week bijeen en niet zelden vergaderden de raden ook nog op zondag. Een belangrijk punt op de agenda was steevast de heffing van convooien en licenten, de belasting die de admiraliteit inde om zichzelf te financieren. En passant kwamen er veel meer zaken aan de orde. Bruijn geeft er een kleurrijk overzicht van in het boek. Zo moesten de raden beslissen over een grafmonument voor Piet Heyn, gaven ze vergunningen af voor de uitvoer van paarden en betaalden ze allerlei auteurs en cartografen voor aangeboden werk.</p>
<p>Opvallend is dat de Rotterdamse admiraliteit in een permanente staat van geldgebrek verkeerde, net als de zustercolleges trouwens. Verschillende malen dreigden de raden massaal op te stappen als de Staten-Generaal of de provincies niet met extra geld over de brug kwamen. Die verzoeken om geld waren niet onterecht, want de gewesten waren verplicht om de admiraliteiten te helpen financieren. Vooral de landgewesten gaven echter de voorkeur aan betalingen aan het leger en talmden vaak met betalen. Het gebrek aan geld betekende een domper voor de leveranciers van de admiraliteit, die soms jaren moesten wachten op betaling voor geleverde goederen en diensten. Maar de raden zelf waren ook niet vrij te pleiten: ze werden regelmatig beschuldigd van fraude en als ze zelf als leverancier optraden zorgden ze er plots voor dat de betalingen wel stipt op tijd werden voldaan. Bruijn laat mooi zien hoe sommige raden hun eigen commerci&#x00EB;le belangen goed in het oog hielden.</p>
<p>De admiraliteiten zijn interessant voor de fiscale geschiedenis van Nederland. De convooien en licenten waren feitelijk in- en uitvoerrechten op het handelsverkeer, geheven via landelijk uniforme tarieven. Ze werden geheven op inningkantoren die zich bevonden in de steden, bij zeemondingen en langs rivieren en landwegen naar het buitenland. De Admiraliteit op de Maze had in deze periode maar liefst 23 kantoren, het meeste van alle admiraliteiten. Het college inde de belasting in het zuiden van Holland, maar ook in delen van de Betuwe en in Staats-Brabant en Staats-Limburg. De raden moesten toezicht houden op de ontvangers die de bedragen inden op de verschillende kantoren. In de praktijk was de financi&#x00EB;le verslaglegging en controle echter ondermaats, zelfs naar de maatstaven van destijds.</p>
<p>Het beheren van de oorlogsvloot was een belangrijke taak van de admiraliteit. Hoewel veel schepen werden gehuurd, beschikte het college over een eigen scheepswerf in Rotterdam. Het bekendste schip waar scheepsbouwmeester Jan Salomonsz van den Tempel daar in de besproken periode aan werkte, was de <italic>Aemilia</italic>. Dat was destijds het grootste Nederlandse oorlogsschip en werd in 1637 het vlaggenschip van Cornelis Tromp. Uiteraard hadden de raden ook te maken met de zeevarenden. Als oudste admiraliteitscollege leverde de Maze de hoogste vlootbevelhebber van het land na de stadhouder. Dat was sinds 1632 jonkheer Philips van Dorp, wiens aanstelling geen onverdeeld succes was. Na zijn vertrek in 1637 en de aanstelling van Maerten Harpersz Tromp ging het de vloot beter. De lagere rangen die in dienst traden waren in deze periode nog vooral Rotterdammers en andere Hollanders. Als de raden te maken kregen met zeelieden of lagere officieren, lagen daar meestal geldkwesties aan ten grondslag. De opvarenden kregen vanwege de slechte financi&#x00EB;le toestand niet zelden veel te laat betaald.</p>
<p>Bruijn positioneert zich in dit boek niet in wetenschappelijke debatten en de historiografische inbedding is dan ook minimaal. Iets meer vergelijking met buitenlandse marines, andere admiraliteiten en andere perioden was interessant geweest. Ook had Bruijn wellicht een verbinding kunnen maken tussen de dagelijkse praktijk en de in de historiografie gesignaleerde verstrengeling van private en nationale belangen. Anderzijds had het boek dan aan vlotheid ingeboet. Meer kaartmateriaal was wel welkom geweest, bijvoorbeeld een kaart met de inningskantoren die de admiraliteit bezat. Al met al leest dit verder rijk ge&#x00EF;llustreerde boek erg prettig en doet het wat het belooft: het geeft een interessant inkijkje in het <italic>Reilen en zeilen van de admiraliteit van Rotterdam in de jaren 1630-1640</italic>.</p>
</body>
</article>