<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.13592</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.13592</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Geen stijl. Een rijkere architectuurgeschiedenis</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>van de Maele</surname>
<given-names>Jens</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">University of Luxembourg</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>01</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>138</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>2023008</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Vreeling</surname><given-names>Sieger</given-names></name>
</person-group>
<source>Geen stijl. Een rijkere architectuurgeschiedenis</source>
<publisher-loc>Hilversum</publisher-loc>
<publisher-name>Verloren</publisher-name>
<year>2022</year>
<page-range>288 pp.</page-range>
<isbn>9789087049621</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2023 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.13592"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p><italic>Geen stijl</italic> is de handelseditie van het proefschrift waarmee architectuurhistoricus Sieger Vreeling in 2019 promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen. De studie heeft een uitgesproken programmatisch doel: ze richt zich tegen de dominantie van de esthetische canon zoals die in veel internationale architectuuranthologie&#x00EB;n aan bod komt (Vreeling geeft onder andere Watkins <italic>A History of Western Architecture</italic> uit 1986 en Curtis&#x2019; <italic>Modern Architecture Since 1900</italic> uit 1982 als voorbeelden). Tegenover de gecanoniseerde behandeling, waarin het architectuurvraagstuk vaak wordt gereduceerd tot een genealogie van stijlen en invloedrijke pionierswerken, wil Vreeling een &#x2018;blauwdruk&#x2019; voor een &#x2018;andere historiografie&#x2019; plaatsen. Deze alternatieve geschiedschrijving laat de stijlkwestie grotendeels voor wat ze is en focust op aspecten van het bouwbedrijf die zich (figuurlijk) achter de fa&#x00E7;ade bevinden.</p>
<p>Met het Nederland van rond 1900 als geografische en temporele afbakening vraagt Vreeling aandacht voor opdrachtgevers, gebruikers, bouwarbeiders, materiaalproducenten en technische specialisten. Aan de hand van dit thema worden ook de vermeende innovaties van de modernistische avant-garde (met als voornaamste exponent Le Corbusier) kritisch bevraagd. De grote architecturale vernieuwingen moeten volgens Vreeling immers niet in het interbellum, maar in de decennia voor de Eerste Wereldoorlog worden gesitueerd. Het is precies in deze periode dat de architectuur in een razend tempo oplossingen moest bieden voor tal van problemen die wezenlijk modern kunnen worden genoemd. Innovaties in de geneeskunde en hygi&#x00EB;neleer leidden bijvoorbeeld tot nieuwe typologie&#x00EB;n en technieken voor ziekenhuizen en psychiatrische instellingen. Op dezelfde wijze stelde het ontstaan van een massacultuur nieuwe eisen aan ontspanningsinfrastructuur zoals winkels en schouwburgen, terwijl universiteiten nood hadden aan <italic>state of the art</italic> leslokalen en laboratoria. Deze opkomst van nieuwe behoeften en functies wakkerde een ongebreidelde creativiteit aan in alle aspecten van het exploderende bouwbedrijf. Experiment, improvisatie, <italic>trial and error</italic>: voor een historicus zijn het dankbare onderwerpen.</p>
<p>In het dankwoord richt Vreeling zich tot zijn promotor Auke van der Woud: &#x2018;Van hem heb ik boeken leren schrijven.&#x2019; Het is geen overdrijving: <italic>Geen stijl</italic> leest zeer vlot en is vrij van academisch jargon, waardoor het boek voor een breed publiek toegankelijk is. De uitzonderlijk korte inleidende en afsluitende hoofdstukjes, waarin de methodologische en bibliografische beschouwingen al te minimalistisch zijn uitgewerkt, zijn een keerzijde van deze aanpak. De invloed van de promotor reikt overigens ver voorbij de schrijfstijl. In zijn essay <italic>Sterrenstof. Honderd jaar mythologie in de Nederlandse architectuur</italic> (2008) pleitte Van der Woud al voor een &#x2018;opener, pluralistisch geschiedbeeld&#x2019; als alternatief voor een canon waarin &#x2018;stijl&#x2019; en de &#x2018;morele missies&#x2019; van een beperkte groep architecten de dienst uitmaken. Dit betekende dat &#x2018;de invloed van opdrachtgevers, financi&#x00EB;n, aannemers, de materialenhandel, [&#x2026;] visuele cultuur, [&#x2026;] architectuurmedia en [&#x2026;] consumentenartikelen&#x2019; in &#x00E9;&#x00E9;n grote greep aan analyse moest worden onderworpen. Vreelings focus op de tijd rond 1900 als cruciale vernieuwingsperiode loopt dan weer parallel met de thematiek van Van der Wouds <italic>De nieuwe mens. De culturele revolutie in Nederland rond 1900</italic> (2015), waarin de opkomst van een moderne stedelijke cultuur en haar materi&#x00EB;le uitingsvormen centraal stond. &#x2018;Gebeurtenissen die in het perspectief van de laatste honderd jaar marginaal of zelfs futiel zijn,&#x2019; aldus Van der Woud in 2015, &#x2018;zijn in het gebruikelijke geschiedbeeld te veel een hoofdzaak&#x2019;. Opnieuw is de link met Vreelings these snel gelegd: het belang van zelfverklaarde stilistisch-ethische vernieuwers (genre Le Corbusier) wordt inderdaad vaak overschat. Ook Cor Wagenaar heeft hierop overigens al gewezen in 1999, door te stellen dat de modernistische avant-garde tijdens het interbellum een &#x2018;betrekkelijk marginaal verschijnsel&#x2019; was gebleven. Van <italic>De nieuwe mens</italic> ontleent Vreeling ten slotte ook de structuur van drie delen, die op hun beurt zijn opgebouwd uit korte, essayistisch getinte hoofdstukken, rijk voorzien van citaten uit primaire bronnen.</p>
<p>Voor een boek dat een bijdrage wil bieden aan de &#x2018;revisie&#x2019; van de <italic>internationale</italic> architectuurhistoriografische praktijk, richt <italic>Geen stijl</italic> zich wel erg nadrukkelijk op een Nederlands lezerspubliek &#x2013; wat onder andere blijkt uit de uiting van <italic>banal nationalism</italic> die zichtbaar is in een formulering als &#x2018;[architect Knuttel] had [&#x2026;] het eerste gemeente-archiefgebouw van <italic>ons</italic> land ontworpen (79, mijn cursivering)&#x2019;. Toch bevat Vreelings studie tal van scherpe observaties die ook relevant zijn voor onderzoekers buiten Nederland. In de analyse van een krankzinnigengesticht te Castricum, opgeleverd in 1909, wordt bijvoorbeeld gewezen op het feit dat architect Poggenbeek tijdens een lezing voor vakgenoten nauwelijks aandacht schonk aan de traditioneel &#x2018;landelijke&#x2019; stijl van de fa&#x00E7;ades. De nadruk lag des te meer op het <italic>functioneren</italic> van de instelling, waarbij de architectuur een actieve rol moest spelen in het therapeutisch proces. De vooroorlogse ontwerpfilosofie van architecten als Poggenbeek leunde dus veel nauwer aan bij de &#x2018;rationele&#x2019; principes van de modernistische avant-garde dan doorgaans wordt aangenomen. Over het nieuwe slachthuis van Den Haag (1911) wordt een gelijkaardige observatie gemaakt; in verband met dit gebouw legt Vreeling ook een link met de noties van zichtbaarheid en visuele controle die centraal staan in veel moderne architectuurtypologie&#x00EB;n. Ronduit vernieuwend is de grote aandacht voor de doorgedreven arbeidsdeling in het laatnegentiende-eeuwse bouwbedrijf, waarbij wordt gewezen op het belang van de zogenaamde &#x2018;tweede&#x2019; architect, die bij grote opdrachten vaak werd toegevoegd aan een &#x2018;eerste&#x2019;, bekendere collega. Vreeling toont overtuigend aan dat de rol van de tweede architect niet automatisch mag worden gereduceerd tot deze van assistent of technisch uitvoerder: de tweede architect kon juist een doorslaggevende rol spelen in het ontwerpproces, en zijn kennis overschaduwde soms deze van de eerste architect. In deze context is de verwijzing naar het werk van F.W. Taylor (zoals die verschijnt in het hoofdstuk over hoofdaannemers) overigens nogal gratuit: Vreelings analyse bewijst net dat idee&#x00EB;n over arbeidsdeling en effici&#x00EB;ntiemaximalisatie al jaren voor de publicatie van Taylors bestseller <italic>The Principles of Scientific Management</italic> (1911) opgang hadden gemaakt &#x2013; en dan nog wel in Nederland.</p>
<p>Als cultuurhistorische schets van de bouw- en ontwerppraktijk is <italic>Geen stijl</italic> buitengewoon geslaagd, maar als poging tot fundamentele &#x2018;revisie&#x2019; van de architectuurgeschiedenis maakt het boek zijn ambities niet helemaal waar. Vreeling streeft naar een verruiming van de canon zoals die verschijnt in internationale anthologie&#x00EB;n, maar hij biedt zelf geen alternatieve anthologie &#x2013; hoe zou dat ook kunnen, met een studie die enkel een momentopname is van Nederland rond 1900&#x003F; Vreeling typeert zijn werk zelf als een &#x2018;proeve&#x2019; van een nieuwe benadering, maar hij hecht hierbij veel te weinig belang aan het feit dat talloze architectuurhistorici op gelijkaardige wijze al proeven hebben afgeleverd van een verruimde geschiedschrijving, waarin stijl slechts een van vele analysecategorie&#x00EB;n is. Net als Vreelings boek zijn deze studies doorgaans geen anthologie&#x00EB;n, waardoor de traditionele en op esthetische gronden gebaseerde canon inderdaad vrij persistent blijft. </p>
<p>Het is maar de vraag of dat laatste werkelijk zo problematisch is als Vreeling laat uitschijnen: het gevestigde canonbeeld heeft architectuurhistorici in de laatste decennia alleszins niet tegengehouden om voorbij esthetische kwesties te kijken. Vreeling schenkt in deze context ook geen enkele aandacht aan de pogingen van een auteur als Jean-Louis Cohen, wiens internationaal geori&#x00EB;nteerde anthologie <italic>The Future of Architecture, Since 1889</italic> (2012) is opgevat als een verruimde canon. Hoewel Cohens focus nog steeds op stijl ligt &#x2013; met onder andere een paragraaf over de gevestigde figuur Berlage, wiens belang door zowel Vreeling als Van der Woud sterk wordt gerelativeerd &#x2013; levert de anthologie toch een verbreed beeld op, waarin bijvoorbeeld aandacht is voor de stedelijke context, de rol van <italic>building codes</italic>, de architectuurproductie in oorlogstijd en het werk van minder bekende architecten. Een globale en eeuw-overspannende synthese waarin al deze aspecten worden gecombineerd met de thema&#x2019;s die Vreeling behandelt, lijkt overigens moeilijk haalbaar: zo&#x2019;n werk zou bezwijken onder zijn eigen ambities.</p>
</body>
</article>