<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="review-article" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.12778</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.12778</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Review Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Ethische politiek verbeeld als de christelijke beschavingsmissie</article-title>
<subtitle>Alexander Willem Frederik Idenburg, een Nederlandse koloniaal met goede bedoelingen&#x003F;</subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Breman</surname>
<given-names>Jan</given-names>
</name>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>09</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>138</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>63</fpage>
<lpage>92</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2023 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.12778"/>
<abstract>
<p>This review article assesses Hans van der Jagt&#x2019;s biography of the Dutch anti-revolutionary politician and colonial official Alexander Willem Frederik Idenburg (<italic>Engelen uit Europa</italic>, 2022). Van der Jagt incorrectly depicts Idenburg as the figurehead of the Dutch colonial ethical policy at the beginning of the early twentieth century, while unduly idealising this policy. As is argued in this review article, this ethical policy was in effect instrumentalised as camouflage, concealing the perpetuation of the colonial intent &#x2013; enforcement of Dutch rule, including extensive exploitation of land and people. Deriving from social concern about the impoverishment of the Indonesian population, the vast wealth amassed was intended to reduce the cost of the colony and help empower its inhabitants. Although this political mission was not realised, persistently referring to it served to justify ongoing Dutch rule both in the late colonial and in the post-colonial eras. In this article, I bring the disenchanting practices of the parties involved and their interests in sharper focus and I evaluate the role of Idenburg as the political centrepiece of this ethical policy. In the high-ranking colonial offices entrusted to him, he represented the anti-revolutionary doctrine in the policy pursued. Other operators, advocates and opponents of ethical policy alike, along with their motives, are addressed here as well, from the slow, cautious start of the ethical policy until its early eclipse.</p>
<p>Dit recensieartikel is gewijd aan een beoordeling van de biografie van Hans van der Jagt over de Nederlandse antirevolutionaire politicus en koloniale functionaris Alexander Willem Frederik Idenburg (<italic>Engelen uit Europa</italic>, 2022). Van der Jagt portretteert Idenburg ten onrechte als het boegbeeld van de ethische politiek, die aan het begin van de twintigste eeuw werd ontvouwd, en schetst daarvan een te rooskleurig beeld. Deze ethische politiek, zo wordt in dit artikel betoogd, is veeleer als een schaamlap gebruikt, waarachter de voortzetting van het koloniale oogmerk schuilging, namelijk de handhaving van Nederlands gezag met vergaande uitbuiting van land en volk. Voortgekomen uit sociale bewogenheid over de verarming van de Indonesische bevolking diende de vergaarde rijkdom tot lastenverlichting van de kolonie en mondigheid van haar inwoners te leiden. Hoewel de verwezenlijking van deze politieke opdracht uitbleef had de volgehouden verwijzing ernaar, zowel in het laatkoloniale als postkoloniale tijdperk, als doel de voortgaande Nederlandse heerschappij te rechtvaardigen. Mijn betoog brengt de ontluisterende praktijk van de erbij betrokken partijen en hun belangen in beeld. In dit relaas evalueer ik de rol van Idenburg als de politieke spilfiguur van de ethische politiek. Op de hoge koloniale posten hem toevertrouwd vertolkte hij de antirevolutionaire leer in het gevoerde beleid. Maar ook andere spelers, voor- en tegenstanders van ethische politiek met hun beweegredenen, komen aan bod, vanaf het trage en zuinige begin tot de vroege eclips ervan.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<disp-quote>
<p>&#x2018;Weten jullie wat koloniale politiek is&#x003F;&#x2019; Er kwam geen antwoord. &#x2018;Dat is een stelsel om de macht over onderworpen landen en volken te consolideren. Iemand die het er niet alleen mee eens is, maar het ook goedkeurt, uitvoert en verdedigt, is een koloniaal. Ook mensen die zich in hun streven, hun idealen en bedoelingen richten op dat stelsel, of die er iets aan te danken hebben, zijn kolonialen.&#x2019;</p>
<p>Pramoedya Ananta Toer, <italic>Aarde der Mensen.</italic> (Manus Amici 1981) 224.</p>
</disp-quote>
<sec id="s1">
<title>De opkomst van liberaal imperialisme</title>
<p>De ethische politiek die in het begin van de twintigste eeuw in Nederlands-Indi&#x00EB; gestalte kreeg beoogde verandering te brengen in het koloniale beleid. Ten tijde van het vroege imperialisme stond de gedachte voorop dat de kolonie dienstbaar was aan het thuisland.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup> Herziening van deze eenzijdige bevoordeling een eeuw later hield in dat naast behartiging van het belang voor de Nederlandse schatkist de bestuurlijke aanpak voortaan mede gericht moest zijn op lotsverbetering van de koloniale bevolking. &#x2018;Een eereschuld&#x2019; was de vordering waarop Indi&#x00EB; aanspraak kon maken, als terugbetaling van een deel van het overgemaakte &#x2018;batig slot&#x2019; dat het moederland jaarlijks opeiste, aldus het betoog van Conrad Theodor van Deventer in 1899.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup> De publicatie van zijn pleidooi in <italic>De Gids</italic> bracht de politieke discussie in het parlement op gang. Twee jaar later sprak koningin Wilhelmina in haar troonrede over de zedelijke roeping waartoe Nederland als christelijke mogendheid tegenover de inwoners van deze kolonie verplicht was. Zij vertolkte daarmee de opdracht waarmee het in 1901 geformeerde kabinet-Kuyper het koloniale bestuur over dit gewest wilde uitrusten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn3">3</xref></sup></p>
<p>De plicht vooruitgang te brengen waar die geacht werd te ontbreken gaf uiting aan de behoefte koloniale expansie te verklaren anders dan voortkomend uit de zucht tot overheersing en het economisch profijt eraan ontleend. Een soortgelijk app&#x00E8;l lag ongeveer tegelijkertijd ten grondslag aan <italic>the white man&#x2019;s burden</italic> in het Brits imperium en <italic>la mission civilisatrice</italic> in de Franse overzeese gebieden. Duidelijker nog kwam die doelstelling naar voren toen Frederick Lugard, die gouverneur-generaal van Nigeria was geweest, in 1922 zijn tweeledig mandaat voor tropisch Brits-Afrika afkondigde.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn4">4</xref></sup> Albert Sarraut, de Franse minister voor Koloni&#x00EB;n, deed in het zelfde jaar de soortgelijke belofte van <italic>mise en valeur</italic> voor de overzeese gewesten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn5">5</xref></sup></p>
<p>Aan dwarsliggers die zich keerden tegen het koloniaal gezag heeft het ook in Nederland in de loop van de negentiende eeuw niet ontbroken. Hun argumenten liepen vaak vooruit op wat in de ethische politiek zou uitmonden. Multatuli, pseudoniem voor Eduard Douwes Dekker, is ontegenzeggelijk de meest eminente exponent geweest van de hoon en smaad die het Nederlands bewind ten deel viel.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn6">6</xref></sup> Zijn aanklacht uit 1860, gelanceerd vanuit het koloniale overheidsapparaat dat toen nog een beperkt deel van de archipel omvatte, gold de uitwerking van onvrijheid en machtsmisbruik waaraan de boerenbevolking van Java tussen 1830 en 1870 was onderworpen. Een andere opponent was Wolter Robert van Ho&#x00EB;vell die zich eveneens tegen dit cultuurstelsel keerde<sup><xref ref-type="fn" rid="fn7">7</xref></sup> en het gouvernement in het door hem uitgegeven <italic>Tijdschrift voor Nederlandsch-Indi&#x00EB;</italic> in tal van artikelen de les bleef lezen. Zijn veroordeling van zowel de slavernij in Suriname als de arbeidsdwang waaronder de Javaanse boer gebukt ging, kenmerkte hem als een van de epigonen van het morele app&#x00E8;l dat onder invloed van de politieke vernieuwing vanaf 1848 onder de gezeten burgerij enige aanhang kreeg. Dit moreel activisme als een ethische beweging kwalificeren, zoals Maartje Janse betoogt<sup><xref ref-type="fn" rid="fn8">8</xref></sup>, suggereert een overeenkomst met de ethische politiek die een halve eeuw later in Nederlands-Indi&#x00EB; ingang vond. Maar dit vroege pleidooi bleef in de koloniale beleidsvoering buiten beeld en was bij de afschaffing van het cultuurstelsel geen overweging.</p>
<p>Van belang is de kanttekening hierbij dat deze oppositie, zoals ook de ethische politiek later, geen antikoloniale strekking had. Abraham Kuyper, grondlegger van het orthodoxe protestantisme in Nederland, had bij de oprichting in 1879 van de Anti-Revolutionaire Partij (<sc>arp</sc>) het beginselprogramma ontvouwd. Daarin stelde hij een radicale wijziging in de koloniale politiek voor die hij als de zedelijke verheffing van de bevolking omschreef. Als onbetwist leider van zijn omvangrijke achterban vormde Kuyper bij de verkiezing van 1901 aan de rechterflank van het politieke spectrum een coalitie van christelijke partijen met hem als minister-president. Aan het einde van een lang militair dienstverband in Indi&#x00EB; had ook Alexander Willem Frederik Idenburg zich verkiesbaar gesteld. Het contact dat hij als partijgenoot met de <sc>arp</sc>-voorman had gezocht leidde op diens voorspraak eerst tot zijn installatie als parlementslid in 1901 en al een jaar later tot zijn benoeming als minister van Koloni&#x00EB;n.</p>
<p>Dit essay is toegespitst op de rol die Idenburg in de koloniale politiek heeft gespeeld, ingebed als hij was tussen zijn voorganger Kuyper en opvolger Hendrikus Colijn. Uitgangspunt voor mijn bespreking is het vorig jaar verschenen boek dat Hans van der Jagt aan de politieke loopbaan van Idenburg heeft gewijd, getiteld <italic>Engelen uit Europa. A.W.F. Idenburg en de moraal van het Nederlands imperialisme</italic> (zie <xref ref-type="fig" rid="fg001">Figuur 1</xref>).<sup><xref ref-type="fn" rid="fn9">9</xref></sup> Naar zal blijken ben ik het niet alleen grondig oneens met Van der Jagt over de rooskleurige wijze waarop de ethische politiek door hem wordt geschilderd, maar deel ik evenmin zijn grote waardering voor het doen en laten van Idenburg in dat verband. Ongetwijfeld, Idenburgs bestuurlijke staat van dienst was niet gering. Hij trad maar liefst drie keer als minister van Koloni&#x00EB;n op en was tussendoor landvoogd, eerst in Suriname en daarna in Nederlands-Indi&#x00EB;. Maar liet hij zich in de uitoefening van die hoge functies als een gedreven voorstander en geslaagd uitvoerder van de ethische belofte kennen&#x003F; Maatstaf voor mijn kritisch oordeel is de ruime definitie die Elsbeth Locher-Scholten van die politieke opdracht heeft gegeven:</p>
<fig id="fg001">
<label>Figuur 1.</label> 
<caption><p>Omslag van Hans van der Jagts boek <italic>Engelen uit Europa. A.W.F. Idenburg en de moraal van het Nederlands imperialisme</italic> uit 2022. &#x00A9; Prometheus.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12778_fig1.jpg"/>
</fig>
<disp-quote>
<p>[Een] beleid gericht op het onder re&#x00EB;el Nederlands gezag brengen van de gehele Indonesische archipel &#x00E8;n op de ontwikkeling van land en volk van dit gebied in de richting van zelfbestuur onder Nederlandse leiding en naar westers model.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn10">10</xref></sup></p>
</disp-quote>
<p>Het handelen en denken van Idenburg rechtvaardigt naar mijn mening niet hem als de belichaming van dit beleid te classificeren. Van betekenis daarbij is dat de aanzet tot een ethische wending in het koloniale beleid niet voortkwam uit de hoek van de christelijke bekeringsijver die in de antirevolutionaire versie vooropstond. De opwekking tot volksverheffing was ingegeven door de vaststelling tegen het einde van de negentiende eeuw van groeiende armoede waaronder de Indonesische boerenmassa gebukt ging als gevolg van de zware belasting in geld en arbeidskracht opgelegd aan het doorsnee volkshuishouden. Met een uitvoerig verslag waarin Pieter Brooshooft in 1901 aandrong op leniging van de bestaansnood werd hij de wegbereider van deze koerswijziging.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn11">11</xref></sup> Zijn socialistische gezindheid werd gedeeld door Henri van Kol, die na een werkkring in koloniale dienst in Oost-Java eigenaar van een koffieplantage was geweest. Als een rijk man keerde hij uit Indi&#x00EB; terug om als medeoprichter van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij en specialist van koloniale zaken zitting te nemen in de vooralsnog kleine fractie van de Tweede Kamer. Zijn kritiek op de gang van zaken in Indi&#x00EB; ging vergezeld van krachtige steun aan de ethische politiek.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn12">12</xref></sup> Naast de al eerder genoemde voorgangers komen hierna nog verschillende andere personen aan de orde die zich over de aard en betekenis van de ethische politiek hebben uitgesproken.</p>
<p>Dit laat echter onverlet dat Idenburg inderdaad belast is geweest met de invoering van de ethische politiek als minister van Koloni&#x00EB;n (1902-1905, 1908-1909 en 1918-1919) en de werking ervan als landvoogd, eerst in Suriname (1905-1908) en daarna in Nederlands-Indi&#x00EB; (1909-1916) (zie <xref ref-type="fig" rid="fg002">Figuur 2</xref>). In die kwaliteit is zijn langdurige bemoeienis ermee, door christelijk fundamentalisme gedreven, relevant voor het opmaken van de balans van de toegezegde ommezwaai in de koloniale gang van zaken die in 1902 aanving. Over de aard van de te nemen maatregelen liepen de meningen al vanaf het begin uiteen als gevolg van de uiteenlopende wijze waarop het doel ervan werd begrepen.</p>
<fig id="fg002">
<label>Figuur 2.</label> 
<caption><p>Staatsiefoto van gouverneur-generaal Idenburg te Surakarta tijdens zijn reis naar de Vorstenlanden in 1915. Links van hem staat Pakubuwono <sc>x</sc>, de tiende <italic>susuhunan</italic> of keizer van Surakarta, en rechts van Idenburg staat Frederik Paul Sollewijn Gelpke, de resident van Surakarta. &#x00A9; <sc>kitlv</sc>, 4299, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/1887.1/item:783828">http://hdl.handle.net/1887.1/item:783828</ext-link>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12778_fig2.jpg"/>
</fig>
<p>Over de vraag tot wanneer de ethische politiek van kracht is gebleven bestaat evenmin een eensluidend historisch oordeel. Zelf ben ik geneigd de looptijd ervan te laten samenvallen met de aanwezigheid van Idenburg in de politieke arena van Den Haag en de overzeese rijksdelen. Na een aarzelend begin verflauwde met het klimmen van de jaren ook de aandacht ervoor. Volgens Cees Fasseur was de strafvervolging van Soekarno in 1929 en zijn veroordeling voor opruiing als de oprichter van de Partai Nasional Indonesia het breukpunt.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn13">13</xref></sup> In mijn waarneming kwam dit einde al tien jaar eerder in zicht om plaats te maken voor verharde onderdrukking van Indonesisch verzet. Fundamenteel voor de beoordeling van wat de ethische politiek beoogde en bewerkstelligde is de constatering dat het laatkoloniale theater beheerst werd door politici van orthodox-christelijke huize.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>De orthodox-christelijke leer</title>
<p>Aan het begin van de twintigste eeuw bezette de <sc>arp</sc> met haar achterban van &#x2018;kleyne luyden&#x2019; een prominente plaats in het politieke landschap van Nederland. Het koloniaal beleid door Kuyper in <italic>Ons Program</italic> uit 1879 ontvouwd was in de jaren erop de handleiding waarmee twee voormannen uit de christelijk-orthodoxe gelederen &#x2013; eerst Idenburg, gevolgd en overvleugeld door Colijn &#x2013; invulling gaven aan de laatkoloniale koers. Het eerste deel van de biografie die Herman Langeveld in 1998 aan laatstgenoemde wijdde, met een kritische toonzetting over Colijns koloniaal handelen, deed met name in orthodox-christelijke hoek heel wat stof opwaaien.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn14">14</xref></sup> Daarvoor zal bij het portret van Idenburg door Van der Jagt veel minder aanleiding zijn. Behalve dat Idenburg zich niet deed kennen als de houwdegen en ultraconservatieve figuur die zijn opvolger is geweest, speelt ook mee dat zijn biograaf zelf de indruk wekt dicht bij het gedachtegoed van deze antirevolutionaire politicus te staan. Van zijn bijval ermee getuigt hij in een doorwrocht en gepolijst betoog. Van der Jagt voert aan dat het imperialisme naast een heerszuchtige hardheid een ethische kant heeft gehad. De dubbele lading eraan verbonden ging gepaard met enerzijds de gewelddadige bezetting van gebieden en anderzijds de aansporing van de autochtone bevolking tot vooruitgang. Van die paradoxale symbiose zou Idenburg volgens zijn biograaf de gedreven pleitbezorger en bekwame uitvoerder zijn geweest. Met deze zienswijze bevestigt Van der Jagt in feite de achterhaalde voorstelling van kolonialisme als een beschavingsmissie.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn15">15</xref></sup> In deze zin had ook Kuyper in zijn in 1879 verschenen catechismus voor de christelijke politiek verheffing als de essentie van het te voeren koloniaal beleid uitgestippeld.</p>
<p>Exploitatie als grondbeginsel van de koloniale onderneming wees Kuyper onverkort af. Dat gold om te beginnen voor de vergaande staatsbemoeienis die onder het cultuurstelsel op een botsing tussen de geldelijke prikkel van het rijk en het zedelijk belang van de Javaan was uitgelopen. Het conservatieve koloniaal beheer was, zo meende Kuyper, in een commerci&#x00EB;le firma ontaard en had maatschappelijke ontwrichting teweeggebracht. Maar de vrijmaking van de economie met Europees kapitaal had het kwaad van dwang en de begeerte naar profijtelijkheid in stand gehouden. Langs die liberale weg bleef koloniaal beheer evenzeer op baatzucht gericht dat aldus Kuyper afkeuring en bestrijding verdiende. In plaats daarvan was een stelsel van zedelijke bevoogding geboden teneinde de bevolking uit haar onmondigheid te bevrijden.</p>
<p>Met de vaststelling &#x2018;de Koloni&#x00EB;n behoren aan, niet tot het Rijk&#x2019; wilde de oprichter van de <sc>arp</sc> te kennen geven dat het moederland en de overzeese gebiedsdelen gescheiden eenheden waren. Verschillend naar historie en herkomst stonden zij niet in een verhouding van nevenschikking tot elkaar, maar van boven- en onderschikking. Het was een vroege keuze ten gunste van het associatiemodel in de koloniale politiek. De territoriale gescheidenheid van de samenstellende delen sloot uit dat in het parlement van het koninkrijk ooit een Dajak naast een Fries kon zitten of een Atjeher naast een Drentenaar. Onder voogdij gesteld zouden de volken van Indi&#x00EB; hun emancipatie naar eigen aard verwezenlijken. Hoe en met welk gevolg bleef in de schoot van de toekomst verborgen, met Gods wil als wegwijzer.</p>
<p>Met zijn relaas bood Kuyper zich aan als woordvoerder van dit vertrouwen op de Messias. Het godsdienstig accent dat hij eraan gaf &#x2013; de suggestie dat bekering tot het christendom met het bereiken van beschaving gelijkstond &#x2013; ontbrak in andere vertogen met dezelfde strekking. De klank van de Britse <italic>white man&#x2019;s burden</italic> ging niet gepaard met de gebiedende eis tot kerstening en de Franse <italic>mission civilisatrice</italic> had zelfs een uitgesproken seculiere inslag. Zeker, de drang tot kolonialisme werd in al die oproepen afgeleid uit de beweerde superioriteit van de westerse naties. De aanspraak erop ontbrak ook bij Kuyper niet. Maar meer dan het onversneden racisme waarop die vooringenomenheid stoelde, legde hij de nadruk op het &#x2018;achterlijke&#x2019; geloof dat ermee samenging. Omdat naar zijn mening:</p>
<disp-quote>
<p>feitelijk alleen de Christelijke volken in Europa en Amerika tot die zuiverder ontluiking van edeler kracht zijn geraakt, die een menschelijk samenleven schiep gelijk wij dit kennen; terwijl de vroegere, en nog ten deele in China en Britsch-Indi&#x00EB; bestaande, heidensche beschavingen hiermee in zedelijke kracht van verre niet vergelijkbaar zijn.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn16">16</xref></sup></p>
</disp-quote>
<p>De regeermacht die &#x2018;Abraham de Geweldige&#x2019; van 1901 tot 1905 in een rechtse coalitie van christelijke partijen had bekleed, bracht hem ertoe de koers van de koloniale politiek uit zijn origineel ontwerp in een herdruk te bevestigen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn17">17</xref></sup> Gehandhaafd bleven de passages waarin Kuyper geldelijke winstzucht afwees. Uitgangspunt van voogdij moest zijn &#x2018;niet te vragen &#x201C;Wat Java ons geeft&#x003F;&#x201D;, maar alleen: &#x201C;Wat wil God dat we voor Java zijn zullen&#x201D;&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn18">18</xref></sup> Of op de verworven mondigheid te zijner tijd onafhankelijkheidswording zou volgen was een afloop die nogmaals aan goddelijke discretie werd toevertrouwd. De antirevolutionaire roerganger ging uit van de Nederlandse aanwezigheid overzee voor lange duur om de missie van kerstening te voltooien die hem voor ogen stond. Bekering tot het christendom was immers een voorwaarde voor ontwikkeling, zo leerde hij in geharnaste taal. Die route kon niet in omgekeerde volgorde worden afgelegd:</p>
<disp-quote>
<p>Tegenover de paganistische en Mohamedaansche afgoderijen, die thans nog bij de volken van den Archipel in eere zijn, behoort onze Gouverneur-Generaal, met zijn ambtenaarsstaf, als repraesentant van een Christelijk-Europeesch rijk, zich niet slechts van elken schijn van medeplichtigheid of goedkeuring te onthouden, maar zelfs den waan der neutraliteit op te geven.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn19">19</xref></sup></p>
</disp-quote>
<p>Kuypers app&#x00E8;l getuigde van een vastberaden confrontatie met inferieur geachte religies. In de koloniale praktijk kwam van dit voornemen weinig terecht. Vrees aanstoot te geven aan de gevoelens van de omvangrijke moslimaanhang was niet de enige reden voor deze terughoudendheid. Daarbij kwam dat de Nederlandse gemeenschap in Indi&#x00EB; zich weinig aan het christendom gelegen liet liggen. In zijn briefwisseling met Kuyper beklaagde Idenburg zich herhaaldelijk over de kritiek die de bestuurlijke blijken van zijn geloofsijver uitlokten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn20">20</xref></sup></p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>De koloniale praktijk</title>
<p>Idenburg was bij zijn verkiezing tot lid van de Tweede Kamer in 1901 door de <sc>arp</sc>-fractie als woordvoerder voor koloniale kwesties aangewezen op grond van zijn twintig dienstjaren in de koloniale krijgsmacht. Zonder enige civiel-bestuurlijke ervaring leek het een riskante benoeming die al na krap een jaar tot stand kwam toen Kuyper hem als minister van Koloni&#x00EB;n in zijn kabinet opnam als opvolger van de overleden partijgenoot T.A.J. van Asch van Wijck. Hem echter als een energieke voorstander van die opdracht portretteren, zoals Van der Jagt doet, miskent de terughoudende, ontwijkende wijze waarop Idenburg poogde de gedane belofte in vervulling te doen gaan. Het aantreden van Idenburg als minister betekende dat hij belast werd met de uitvoering van de ethische politiek om vooruitgang te bewerkstelligen. Zijn ethische gezindheid werd bovendien al meteen zwaar op de proef gesteld.</p>
<p>Johannes van den Brand had zich vanuit Medan, waar hij als advocaat gevestigd was, tot het christelijk geweten gewend met zijn aanklacht tegen de schuldslavernij waaraan het werkvolk op de grootlandbouwbedrijven in Deli was onderworpen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn21">21</xref></sup> In <italic>De Getuige</italic>, het kaderblad van de <sc>arp</sc>, lichtte hij zijn geloofsgenoten uitvoerig in over de onmenselijke behandeling waaraan de Chinese en Javaanse koelies op de plantages blootstonden (zie <xref ref-type="fig" rid="fg003">Figuur 3</xref>). Met zijn onthulling haalde de advocaat zich de haat van het gewestelijk bestuur samen met die van de ondernemingsdirecties op de hals.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn22">22</xref></sup> Ambtelijk onderzoek kon niet uitblijven en Idenburg zag de uitkomst met vertrouwen tegemoet. Dat bleek een misvatting. Hij weigerde het belastend verslag openbaar te maken en volstond bij de parlementaire discussie in 1904 over het koelieschandaal met een summiere samenvatting. Op het origineel van het onderzoeksrapport<sup><xref ref-type="fn" rid="fn23">23</xref></sup>, opgesteld door de officier van justitie Mr. J.L.T. Rhemrev, dat ik in het Nationaal Archief aantrof, stond op de eerste bladzijde de handgeschreven reactie van de minister: &#x2018;Een treurige geschiedenis van lijden en onrecht&#x2019;. Die erkenning weerhield hem niet ervan de beruchte poenale sanctie in de koelieordonnantie te handhaven. Ook gaf hij toe aan het verzoek van de plantagemaatschappijen aan Sumatra&#x2019;s oostkust om het gevangenisregime voor gestrafte koelies te verzwaren. Dit om te voorkomen dat zij hun detentie, waartoe het werkvolk om futiliteiten veroordeeld werd, als een verlichting van hun ellendig bestaan zouden ervaren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn24">24</xref></sup></p>
<fig id="fg003">
<label>Figuur 3.</label> 
<caption><p>Deze jonge Bataks aan Sumatra's oostkust zijn premiejagers die van de plantages weggelopen koelies tegen beloning bij de eigenaars van deze arbeidswaar terugbrengen. Fotograaf onbekend. &#x00A9; Collectie Jan Breman.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12778_fig3.jpg"/>
</fig>
<p>Gebrek aan daadkracht en wil om het gestelde doel van de ethische politiek te bereiken golden trouwens niet alleen voor de minister van Koloni&#x00EB;n, maar was een habitus waarvan vrijwel het hele bestuurlijke apparaat doordrongen was. Een hoge uitzondering op deze doorgaans afwijzende houding tegenover de ethische politiek was Jacques Henry Abendanon, die in 1900 tot directeur van het Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid op het koloniale hoofdkwartier werd aangesteld. Deze ambtenaar afkomstig uit een notabel West-Indisch geslacht had zich doen kennen als een gepassioneerd behartiger van de belangen van de gekoloniseerde bevolking. De lezing die hij voor het Indisch Genootschap in 1896 hield was van een ongebruikelijke toonhoogte met zijn peroratie dat uitbuiting, oorlog en racisme uit koloniale overheersing voortvloeiden. Die stellingname werd door zijn collegiaal gehoor allerminst gedeeld. In hun felle kritiek stond het verwijt voorop dat de beschuldiging van racisme ongegrond en ongepast was.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn25">25</xref></sup> In het licht van de uitkomsten van het ingestelde mindere welvaartsonderzoek plaatste Abendanon stimulering van de ambachtelijke nijverheid hoog op de agenda om werkgelegenheid te scheppen die zou kunnen voorzien in de bestaansnood van de landarme en landloze boerenmassa. Onder druk van het grootlandbouwsyndicaat, dat geen aantasting duldde van haar greep op deze agrarische onderklassen als een onuitputtelijk arbeidsreservoir, wees de ambtelijke directie van de koloniale politiek zijn nijverheidsrapport als te idealistisch en te hoog gegrepen af.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn26">26</xref></sup> Idenburg bevestigde dit oordeel en bij hem kreeg Abendanon evenmin gehoor voor zijn pleidooi onderwijs te hanteren als een instrument voor de eenwording van rassen en volken.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn27">27</xref></sup> Ontgoocheld in zijn ethische ambities verliet Abendanon in 1905 de kolonie, maar hij bleef zich uitspreken in dezelfde geest die hem zijn baan had gekost.</p>
<p>Na de val in 1905 van het rechtse kabinet Kuyper waarvan Idenburg deel uitmaakte, aanvaardde hij het gouverneurschap van Suriname met tegenzin. Het inkomen ermee gemoeid was de enige reden om zich in deze functie te schikken, maar zonder veel animo en illusies over wat hem te wachten stond. Op de bootreis erheen schreef hij: &#x2018;de kolonie is in kwijnenden toestand en de bevolking schijnt niet uit te munten door verheffende deugden en eigenschappen&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn28">28</xref></sup> In dat inzicht kwam tijdens zijn verblijf weinig verandering. &#x2018;Gouverneur over een Janboel&#x2019;, zo vatte hij een jaar later zijn werkkring samen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn29">29</xref></sup> Volgens Van der Jagts opgewekter taxatie bewees Idenburg zich wel degelijk als een bekwaam bestuurder die belangrijke hervormingen doorvoerde. Maar in de armlastigheid van de meerderheid der bevolking kwam geen soelaas. Suriname had haar faam als wingewest verloren en werd hoe langer hoe meer een verliespost waarop ingrijpend bezuinigd moest worden. De Nederlandse bewindhebbers, ook Idenburg, voerden die opdracht onverbiddelijk uit. Kuyper liet zich in krachtiger taal dan Idenburg uit over de rampzalige situatie waarin deze &#x2018;heerlijke&#x2019; kolonie verkeerde:</p>
<disp-quote>
<p>(&#x2026;) de productie is tot op een tiende van vroeger gedaald; de afgoderij neemt er, blijkens het laatste koloniaal verslag, toe; plantage bij plantage ligt woest en verlaten; de kolonisatie aan de Saramacca is op het jammerlijkst mislukt; Nederland mag jaarlijks eenige tonnen bijpassen; en naar West-Indi&#x00EB; te gaan geldt in onze publieke opinie reeds als zoo doorslaand bewijs van algeheele onbruikbaarheid, dat ook de sociale toestanden er waarlijk niet schitteren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn30">30</xref></sup></p>
</disp-quote>
<p>Verbetering in deze toestand vergde kapitaal en arbeid erheen te sturen. De komst van de laatste productiefactor zou, aldus Kuyper, bestuurlijke aandacht moeten krijgen. In de behoefte aan werkvolk kon worden voorzien door Chinezen en andere koelies op de plantages te vestigen. Om het risico van muiterij te vermijden moesten zendelingen worden aangemoedigd dit werkvolk te bekeren. &#x2018;Dan kon hier alsnog een feodaal verband tussen planters en werkvolk ontstaan waarbij beiden zouden welvaren&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn31">31</xref></sup> Het waren aanbevelingen die haaks stond op de maatschappelijke ontreddering in deze kolonie. De doorwerking van de afgeschafte slavernij bracht onder de Surinaamse bevolking een geest van opstandigheid teweeg met Anton de Kom als boegbeeld.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn32">32</xref></sup> Beschuldigd van agitatie onder het gouverneurschap van A.A.I. Rutgers, schoonzoon van Idenburg, werd de vakbondspionier gearresteerd en verbannen.</p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>De ethische politiek als schaamlap waarachter onderdrukking schuilging</title>
<p>Al vroeg leed de afgesproken ethische politiek dus schipbreuk, niet alleen uit gebrek aan doortastendheid maar ook door de nauwe begrenzing eraan gesteld. De streep die Idenburg trok lag bij aanspraak op meer dan de handhaving van koloniaal gezag toestond. Het bracht Idenburg ertoe zelf ook over te gaan tot verbanning om verzet tegen het koloniale bewind in de kiem te smoren en als eerste de zogeheten exorbitante rechten in Indi&#x00EB; toe te passen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn33">33</xref></sup> De hardheid die Van der Jagt als een intrinsiek onderdeel van het ethisch kolonialisme aanwijst wordt door hem verklaard als ingegeven door de ontoelaatbaarheid van verzet wanneer de bevolking zich tegen het koloniale bewind keerde, ook zonder door haar voormannen daartoe te zijn aangezet.</p>
<p>In Van der Jagts uitleg ontbreekt dat oorzaak en gevolg ook in tegengestelde richting konden verlopen. Daarmee bedoel ik dat het vertoon van hardheid vaak voorafging en opstandigheid opriep dan wel aanwakkerde. Onmiskenbaar deed deze trend zich op Java voor. Na een lange aanloop en verbrokkeld over verschillende initiatieven breidde de onafhankelijkheidsbeweging zich in de jaren twintig verder uit, tegen de verzwaarde onderdrukking in. Al eerder had het opkomen van deze tegenkracht zich voorgedaan bij de gewelddadige inlijving van Atjeh in het laatste kwart van de negentiende eeuw. Met twintig dienstjaren in de koloniale krijgsmacht, waarvan de laatste vijf bij de generale staf had Idenburg, en na hem ook Colijn, aan dit dossier van harde repressie bijgedragen. De oorlogsmisdaden telkens weer door het koloniale beroepsleger (<sc>knil</sc>) begaan deden Kuyper en Idenburg in het parlementaire debat af als uitgelokt door de dweepzucht van de islamitische bevolking. Maar het was het moorddadig fanatisme van het koloniale leger dat de bevolking in dit gebied tot volgehouden weerstand aanspoorde en haar sterkte in het islamitisch geloof.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn34">34</xref></sup></p>
<p>Wat moest doorgaan voor benevolent kolonialisme is al in de aanloop ervan blijven steken. De ethische politiek is een korte oprisping geweest, werd met een krap budget uitgerust en stuitte ook buiten het bestuurlijk apparaat vanaf het begin op felle weerstand onder de aanhangers en profiteurs van Nederlands gezag. Idenburg liet initiatieven voor enige zeggenschap aan de voet van de samenleving toe, zolang die niet in een overkoepelende organisatie uitmondden. Toen in 1918 in Nederland een sociale revolutie op til leek, deed de geschrokken gouverneur-generaal graaf Johan Paul van Limburg Stirum toezeggingen voor een verstrekkender mandaat van de in Indi&#x00EB; ingestelde Volksraad dan vanuit de koloniale opportuniteit raadzaam werd geacht. Minister Idenburg zorgde per omgaande voor intrekking van diens Novemberbeloften.</p>
<p>Het portret dat Van der Jagt echter van hem schetst &#x2013; met vroomheid, bescheidenheid, rechtschapenheid, het zoeken naar een compromis als bepalende trekken &#x2013; maakt duidelijk dat Idenburg niet uit was op botsing met tegenspelers. Idenburg ging het liefst meningsverschillen die op conflicten uitliepen uit de weg. Hij spande zich in om waar en wanneer mogelijk de christelijke zending ter wille te zijn (zie <xref ref-type="fig" rid="fg004">Figuur 4</xref>). Maar op Java was hiervoor weinig ruimte uit vrees voor religieuze twisten. Voor het innemen van een koppositie &#x2013; het leiderschap van de <sc>arp</sc> na Kuyper en hem als premier op te volgen &#x2013; schrok hij terug. Met broze gezondheid als excuus onttrok Idenburg zich aan zo&#x2019;n zware verantwoordelijkheid. In beide gevallen raadde hij Colijn als de aangewezen plaatsbekleder aan. Het kost me geen moeite om in te stemmen met de conclusie van Locher-Scholten dat Idenburg buiten zijn bestuurlijk handwerk weinig sporen op het koloniaal beleid heeft achtergelaten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn35">35</xref></sup> Hij werd al snel overschaduwd door Colijn die met ethisch &#x2018;gedoe&#x2019; niets op had en erover sprak als &#x2018;ziekelijke uitwassen&#x2019; waarvan de koloniale politieke ontdaan moest worden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn36">36</xref></sup></p>
<fig id="fg004">
<label>Figuur 4.</label>
<caption><p>Idenburg verkent Kedjadjar tijdens zijn werkbezoek aan het Dijeng-plateau op Midden-Java, ca. 1915. Fotograaf O. Hisgen &#x0026; Co. (Semarang). &#x00A9; <sc>kitlv</sc>, 117586, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/1887.1/item:826436">http://hdl.handle.net/1887.1/item:826436</ext-link>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12778_fig4.jpg"/>
</fig>
<p>Wat de lezing van deze biografie boeiend maakt, is de wijze waarop Van der Jagt niet schroomt feiten en meningen te bespreken die afbreuk doen aan, of regelrecht in strijd zijn met de lof die hij Idenburg toezwaait. Evenmin laat hij na het verwijt van de anti-islamitische teneur van het <sc>arp</sc>-partijprogramma aan de orde te stellen. Hij doet dit echter in een relaas dat voorbijgaat aan het wegzetten van deze godsdienst door Idenburgs leermeester Kuyper als &#x2018;Mohamedaanse afgoderij&#x2019;. Als gehoorzaam discipel spande Idenburg zich niettemin in grenzen te stellen aan zijn volgzaamheid, steunend op de reputatie die hij opbouwde als deskundige inzake de koloniale kwestie. Voorop daarbij stond dat de bestaande orde geen fundamentele aantasting verdroeg.</p>
<p>Het is een spitsvondig betoog waarin Van der Jagt de figuur van Idenburg heeft getekend en zijn aanwezigheid in het politieke landschap belicht. Zijn biografisch portret wordt gekenmerkt door nuancering en detaillering. Bijna niets dat in de aangehaalde bronnen van tegenspraak getuigt blijft onvermeld. In die drang recht te doen aan kritiek op de ethische politiek zoals bedreven wringt volgens mij ook de schoen. In zijn argumentatie is Van der Jagt erop uit het gros van de verwijten over gebrek aan ethisch handelen waarvan Idenburg beschuldigd zou kunnen worden te weerleggen; zelden is hij bereid ermee in te stemmen. In zijn afweging van pro en contra ontbreekt het dan ook aan redelijke maatvoering. Bij het opmaken van de balans schetst Van der Jagt een profiel dat van smetten ontdaan is. Het boetseren en schaven is erop gericht het opgetrokken beeld van Idenburg de eer te bewijzen die hem volgens zijn biograaf toekomt.</p>
<p>Aan mijn bezwaren op diens betoog over de ethische politiek en Idenburg als de belichaming ervan voeg ik nog het volgende kritiekpunt toe. Van der Jagt stelt in zijn inleiding dat de ethische politiek een koloniale variant vormde van de sociale kwestie die op het thuisfront gaande was. Het is een zienswijze waarmee ik het hartgrondig oneens ben. Mijn weerlegging geldt ook voor de lens die hij als uitgangspunt van zijn studie heeft gekozen, namelijk de overeenkomst van Idenburgs bestuurlijke handelwijze en de ideologische onderbouwing ervan met de maatschappelijke inzichten die Alexis de Tocqueville tijdens zijn staatsmanschap in praktijk bracht. Zo groot is Van der Jagts waardering ervoor dat hij het oeuvre van deze politiek filosoof als raamwerk heeft gekozen om zijn biografie ernaar te modelleren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn37">37</xref></sup></p>
<p>Hun vermeende gelijkgezindheid is een onjuiste weergave van Tocquevilles politieke gedachtegoed en praktijk. Het zou te ver voeren om hierover uit te weiden. Kortheidshalve verwijs ik naar de argumentatie waarmee ik ontkend heb dat de Franse staatsman-geleerde als pleitbezorger van een universele verbreiding van democratisering kan worden beschouwd.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn38">38</xref></sup> Ook kwam zijn zucht naar koloniale expansie niet voort uit de opgave om civilisatie te brengen waar die ontbrak. Dat De Toqueville bezield zou zijn geweest door ethisch kolonialisme is een incorrecte omschrijving van wat hem dreef. Zijn racistische gezindheid blijkt uit de clausules waarmee hij als rapporteur van de Franse parlementaire commissie, ingesteld voor de afschaffing van de Cara&#x00EF;bische slavernij in 1853, de eigenaars van deze &#x2018;arbeidswaar&#x2019; en niet de slaafgemaakten schadevergoeding toewees en deze laatsten in hun bezitsloze staat verplichtte tot voortzetting van hun afhankelijkheid.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn39">39</xref></sup> Het waren bepalingen die de Nederlandse wetgeving tien jaar later naadloos zou overnemen.</p>
<p>In plaats van mijn bespreking over de betekenis van Idenburg als koloniaal beleidsvoerder in respons op Van der Jagts biografie hier te be&#x00EB;indigen heb ik voor een breder perspectief gekozen. Niet alleen omdat Idenburgs doen en denken mede begrepen moet worden in het licht van zijn verbondenheid met het antirevolutionaire gedachtegoed, maar ook om de aandacht te vestigen op het politieke project dat achter Van der Jagts biografie schuilgaat. Ik schrijf hem namelijk de bedoeling toe het christelijk fundamentalisme te willen ontdoen van het stempel zich tegen de vrijmaking van onderworpen volken en rassen te hebben gekeerd en de eigen heilsleer te hebben gebruikt om andere civilisaties en hun godsdiensten te desavoueren. Nee, dit was niet het traject dat Idenburg zelf voor ogen stond, maar wel Kuyper als zijn voorganger en meer nog Colijn als zijn opvolger. Het voorbehoud dat Idenburg in zijn overleg met Kuyper maakte bij de keuze ten gunste van Colijn was de waarschuwing dat die een verklaard voorstander was van de inrichting van de koloniale economie op kapitalistische grondslag en al blijk had gegeven winstbejag ook in zijn eigen gedrag voorop te stellen. Daarbij kwam dat waar de militaire hardheid van Idenburg meer getemperd was, de eis tot strikte gehoorzaamheid jegens de koloniale overheid bij Colijn een veel genadelozer inslag kreeg. Exemplarisch voor die houding was de rede die Colijn in 1937 op de geboortedag van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn uitsprak. De grondlegger van de uitbreiding van het Nederlandse rijk tot in Azi&#x00EB; roemde hij als een stralende zon. Zeker, diens optreden was naar de gewoonte van de tijd soms meedogenloos geweest &#x2013; een tersluikse verwijzing naar de genocide die de <sc>voc</sc>-bewindhebber in 1621 op Banda beging.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn40">40</xref></sup> Maar de man had zich aldus Colijn als een stoere calvinist bewezen, doortastend en streng bij overtreding van het gebod tot zedelijkheid.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn41">41</xref></sup></p>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Behoud van &#x2018;ons Indi&#x00EB;&#x2019; en de politieke lobby ervoor</title>
<p>De belangrijkste reden voor de blokkering van de ethische koers was dat een wezenlijk andere koloniale politiek erachter verborgen bleef, een die Van der Jagt onbenoemd laat. Daarvan is Jacob Theodoor Cremer de gangmaker geweest. Als directeur van de Deli Maatschappij had hij zich in 1876 met succes tot de Tweede Kamer gewend om opname van de poenale sanctie in de koelie-ordonnantie te bewerkstelligen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn42">42</xref></sup> Bij zijn terugkeer naar Nederland in 1881 wendde hij zich opnieuw tot het parlement met een brochure waarin hij de stopzetting van het batig slotbeleid bepleitte.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn43">43</xref></sup> Zijn rekest had niet de lading van een morele verplichting om een ereschuld aan Indi&#x00EB; in te lossen, zoals Van Deventer in 1899 zou vragen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn44">44</xref></sup> Cremers oproep beoogde door infrastructurele ontsluiting de kapitalistische ontwikkeling in het wingewest te bevorderen. Hij moest een omweg kiezen om zijn voorstel te verwezenlijken en nam in 1885 voor de Liberale Unie zitting in de Tweede Kamer om in de jaren erna te pleiten voor de onderwerping van Atjeh in het nationale belang. In 1897 volgde zijn benoeming in een liberaal-conservatief kabinet tot minister van Koloni&#x00EB;n. Tot 1901 met die portefeuille belast wijdde deze grootondernemer, van socialistische zijde als &#x2018;koelie Cremer&#x2019; aangeduid, zich aan de openlegging van de Buitengewesten (zie <xref ref-type="fig" rid="fg005">Figuur 5</xref>). Belangrijker dan geld uit te trekken voor financiering van de ethische politiek was de bedoeling het deel van de opbrengst van koloniale exploitatie dat de schatkist van de overheid bereikte te besteden aan de uitvoering binnen en buiten Java van publieke werken. De prioriteit gold de bouw van spoorlijnen en wegen, de uitbreiding van irrigatiestelsels alsmede havenaanleg om binnen de archipel een geregeld scheepvaartverkeer tot stand te brengen, dat tot de verdere ontplooiing van de grootlandbouw en mijnbouw in staat stelde.</p>
<fig id="fg005">
<label>Figuur 5.</label> 
<caption><p>Executie van de Javanen Tasmin en Kromo di Rono op de onderneming Kisaran te Asahan op 4 januari 1893 voor hun deelname op de moord op Roeckl, assistent te Tandjong Alam in april 1891. Fotograaf onbekend. &#x00A9; Collectie Jan Breman.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12778_fig5.jpg"/>
</fig>
<p>Cremer vond een bondgenoot in Carel Herman Aart van der Wijck, die na ontslag te hebben genomen uit zijn hoge functie bij het koloniale bestuur als commissaris in dienst trad bij de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (<sc>kpm</sc>). Vanaf 1893 bekleedde hij het ambt van gouverneur-generaal zonder zijn banden met het bedrijfsleven te verbreken. Op zijn initiatief kwam in 1894 de militaire invasie op Lombok tot stand en zorgde hij voor de aanvoer van troepen op <sc>kpm</sc>-schepen. Van der Wijck zette, na in 1899 te zijn afgetreden, als grootindustrieel zijn lucratieve carri&#x00E8;re voort en schroomde niet het verkregen politiek gewicht daarvoor te gebruiken. In 1902 werd hij voorzitter van de ingestelde Mijnraad en in 1904 lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Hij combineerde deze gouvernementele taken met talloze en betaalde functies in grote bedrijven. De belangrijkste ervan was zijn baan als president-commissaris van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlands-Indi&#x00EB;.</p>
<p>Naast dit tweetal moeten generaal Joannes Benedictus van Heutsz en de door hem geprezen Colijn genoemd worden als medespelers in dit scenario van kapitalistisch gestuurd imperialisme. Het was bij de Lombok-Expeditie geweest dat <sc>knil</sc>-luitenant Colijn oorlogsmisdaden beging die door hem zelf werden vastgelegd en die hem de Militaire Willemsorde opleverden. In een brief aan zijn vrouw schreef hij:</p>
<disp-quote>
<p>We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb negen vrouwen en drie kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar het kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn45">45</xref></sup></p>
</disp-quote>
<p>Legerbevelhebber Van Heutsz was erg ingenomen met deze vechtjas en stelde Colijn als zijn adjudant aan (zie <xref ref-type="fig" rid="fg006">Figuur 6</xref>). Toen minister Idenburg op aandrang van koningin Wilhelmina in 1904 Van Heutsz na zijn succesvolle &#x2018;pacificatie&#x2019; van Atjeh tot gouverneur-generaal benoemde, nam die zijn rechterhand mee om hem terzijde te staan.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn46">46</xref></sup> Na zijn uittreden uit het <sc>knil</sc> in 1907 werd Colijn tot secretaris van het Nederlands-Indisch gouvernement aangesteld en een jaar later tot adviseur van bestuurszaken in de buitenbezittingen. Deze bevordering dankte hij aan de uitvoerige rapportage gebaseerd op zijn reizen door de nog onbezette of maar net onderworpen gebieden buiten Java.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn47">47</xref></sup> Met steun van zijn partijgenoot en vriend Idenburg stapte Colijn enkele jaren later over naar de vaderlandse politiek. Zonder zelf campagne te hebben gevoerd werd hij voor de <sc>arp</sc> tot lid van de Tweede Kamer gekozen om begin 1911 in hetzelfde kabinet als Idenburg als minister van Oorlog aan te treden. Maar na deze post te hebben vervuld gaf ook hij voorlopig de voorkeur eraan zijn loopbaan in het koloniale bedrijfsleven voort te zetten. Als hoofd van de Bataafsche Petroleum Maatschappij (<sc>bpm</sc>) werd hij een gefortuneerd man. Er ontstond dus een politieke economie in de archipel die wees op een hechte alliantie tussen koloniaal beleid en particulier ondernemerschap.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn48">48</xref></sup> Het was een verbond dat zich verzekerd wist van politieke steun. Tussen 1888 en 1914 had een derde van de Tweede Kamerleden banden met het voornaamste wingewest waaraan inkomsten verbonden waren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn49">49</xref></sup></p>
<fig id="fg006">
<label>Figuur 6.</label>
<caption><p>Rond 1900 poseert toenmalig <sc>knil</sc>-kapitein Hendrikus Colijn &#x2013; tweede van links &#x2013; tijdens militaire expedities in Atjeh. Links en rechts van hem staan respectievelijk luitenant J.H. Ebbink en controleur Dankmeyer. Rechts van Colijn zitten vooraanstaande Atjeh-leiders, van links naar rechts: Panglima Pol&#x00E8;m <sc>ix</sc>, T. Radja Keumala en sultan Toeankoe Mahmoet. Fotograaf Firma B. Nass &#x0026; Co. &#x00A9; <sc>kitlv</sc>, 1403897, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/1887.1/item:855374">http://hdl.handle.net/1887.1/item:855374</ext-link>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12778_fig6.jpg"/>
</fig>
<p>In een studie over de rol van de Koninklijke Nederlandse Paketvaart Maatschappij in de Indonesische archipel heeft &#x00C0; Campo de nadruk op het belang ervan voor de koloniale staatsvorming gelegd.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn50">50</xref></sup> Het vestigen van het transportmonopolie was zowel een uiting van als een bijdrage aan het groeiend besef van een Nederlands nationalisme. Evenals Cremer toonden Van der Wijck, Van Heutsz en Colijn zich vooraanstaande exponenten van het politieke &#x00E9;lan dat ermee samenging. Het krachtdadig multinationalisme met jingo&#x00EF;stische trekken dat zij vertolkten kwam uit een imperialistische voedingsbodem voort. Dit sentiment omvatte een groter Nederland dat zich uitstrekte tot de in bezit genomen gebiedsdelen overzee. Het handelen van de genoemde voortrekkers van supranationale staatsvorming was op de contreien gericht geweest waar zij al eerder hun faam hadden verworven. De gouvernementele vormgeving ervan droeg weliswaar een uitgesproken kapitalistische signatuur, maar had daarbij een patriottische klank gekregen. Van dit inzicht had ook Kuyper in <italic>Ons Program</italic> uitdrukkelijk blijk gegeven:</p>
<disp-quote>
<p>Koloni&#x00EB;n te bezitten is een eer; verhoogt ons prestige; geeft ons in Europa een geheel andere positie, dan we zonder heur bezit zouden innemen; doet over de zwakheid van ons tegenwoordig volksbestaan nog de glorie van een roemvol verleden schijnen; en moet uit dien hoofde aangemerkt als een voorrecht dat niet weinigen ons benijden, en welks handhaving ons dus ook iets waard moet zijn.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn51">51</xref></sup></p>
</disp-quote>
<p>Het rechtse kabinet Kuyper had met de invoeging in bestuurlijke zin van de buitengewesten van harte ingestemd, maar liet zich daarbij ook door haar eigen oogmerk van evangelisatie leiden. In de correspondentie die Kuyper en Idenburg met elkaar ambtelijk en particulier onderhielden kwam die beweegreden herhaaldelijk aan de orde. In deze vaak moeilijk toegankelijke gebieden overheerste het heidendom. Door de zending toegang te verschaffen tot dit religieus nog grotendeels onontgonnen veld zouden de inwoners voor het christendom gewonnen kunnen worden zoals in oostelijk Indonesi&#x00EB; ten dele al gelukt was. Dat gaf uitzicht op de opbouw van een tegenwicht tegen de islam waartoe nagenoeg de hele bevolking op Java zich onder het koloniaal bewind had bekeerd, mede uit onmacht om op andere wijze aan haar verzet tegen die onderwerping uiting te geven. Kuyper had deze overweging aan de orthodox-christelijke flank getoonzet als het Kruis tegen de Halve Maan.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn52">52</xref></sup></p>
<p>Die opdracht kreeg nog een politiek vervolg toen Nederland in de koloniale eindstrijd aanstuurde op een federale constructie van Indonesi&#x00EB; om ook na dekolonisatie haar aanwezigheid in het wingewest te blijven ontplooien. De manschappen voor het <sc>knil</sc> waren voor een fors deel afkomstig uit christelijke gemeenschappen in de buitengewesten van de archipel, met name de Molukken. Bij het handhaven van Nederlandse macht en gezag speelde deze werving een cruciale rol. Met het doel het opgebouwde koloniale staatsbestel te laten voortduren werd het in het onderhandelingsscenario opgesplitst in een gedecentraliseerd verband. In die conceptie ging de <italic>de facto</italic> erkenning van de Republik Indonesia voor Java en Sumatra in 1949 samen met de vorming van Borneo en de Grote Oost als aparte deelstaten, het geheel overkoepeld door een Nederlands-Indonesische Unie met koningin Wilhelmina aan het hoofd. &#x2018;Een land van Mohammedanen en Christenen, van blank en bruin samen&#x2019;, zo prees toenmalig minister van Koloni&#x00EB;n Huib van Mook dit schimmig maaksel aan.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn53">53</xref></sup> Zijn wensdroom van &#x2018;eenheid in verscheidenheid&#x2019; stond haaks op de strekking die Soekarno aan deze nationale leuze bij de onafhankelijkheidwording eraan zou geven.</p>
</sec>
<sec id="s6">
<title>Met de dekolonisatie in zicht</title>
<p>In het slotdeel verbreedt Van der Jagt het kader van zijn betoog met een beknopte schets van de geopolitieke verschuiving die zich wereldwijd en niet in de laatste plaats in Azi&#x00EB; begon af te tekenen. Idenburg heeft dan de koloniaal-politieke arena al verlaten, maar blijft in woord en geschrift reageren op de veranderingen die zich voordeden. Hij komt uit deze bezinning door Van der Jagt naar voren in dezelfde trant als ook zijn loopbaan is beschreven: een staatsman die een open oog had voor het maatschappelijke transformatieproces dat gaande was, ook in de verhouding tussen metropool en kolonie, en daarop bedachtzaam en verstandig reageerde.</p>
<p>De Europese naties waren zich naar Idenburgs mening te weinig bewust van het verlangen naar autonomie in hun koloniale domeinen. Met de uitspraak dat dit evenzeer voor Nederland gold gaf hij duidelijk te kennen het met Colijn oneens te zijn en zich in feite steeds verder van zijn vriend te verwijderen, maar dat weerhield hem niet ervan steeds weer toe te geven aan Colijns luimen en wensen. De roep om vrijheid kon aldus Idenburg niet blijvend worden weerstaan, maar tegelijkertijd was verslapping van het gezag natuurlijk uit den boze. Hoe de koloniale taak naar behoren te volbrengen ook &#x2018;als niet het volk zelf medewerkt&#x2019; vroeg veel geduld. Niet door zomaar de bestuurlijke macht aan een revolutionaire voorhoede uit handen geven, want het was dubieus of die zich door het belang van de gehele bevolking liet leiden. Let wel, alsof dit onder Idenburgs regie wel was gebeurd! De weg naar vrijheid moest volgens hem voorzichtig worden afgelegd en diende van onderop te beginnen.</p>
<p>Behalve dat deze instructie in de feitelijk gevolgde koers weinig tot geen bestuurlijk effect heeft gesorteerd, wijs ik erop dat in Europa het proces van staatsvorming evenmin aan de onderkant is begonnen. Blokkering van het streven naar onafhankelijkheid stond ook onder Idenburg in het koloniale beleid voorop. De oprichting van de Politieke Inlichtingendienst in 1916 markeerde de overgang naar een politiestaat en was onder hem als landvoogd voorbereid.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn54">54</xref></sup></p>
<p>Is Idenburgs biografie gekleurd in eurocentrische vooringenomenheid&#x003F; Dit verwijt ontkent Van der Jagt in zijn boek ten stelligste<sup><xref ref-type="fn" rid="fn55">55</xref></sup>, terwijl ik ertoe neig die vraag bevestigend te beantwoorden. Niet omdat hij het portret van een Europees kolonialist heeft geschilderd, want terecht merkt hij op dat dit politiek en bestuurlijk handelen belicht moet worden om het begin en de afloop van de Indonesische opstand tegen het koloniale juk genoegzaam in kaart te brengen. Echter, zijn poging om vanuit dit perspectief recht te doen aan de tegenpartij, te weten de onafhankelijkheidsbeweging, schiet naar mijn mening jammerlijk tekort.</p>
<p>Terwijl Van der Jagt meent dat Idenburg de tijdsgeest goed begreep en bekwaam ernaar handelde, ontbrak het ook bij deze invloedrijke koloniale politicus aan zicht op de opmars van het verlangen naar vrijheid. Het was een miskenning die Jan Romein als een omwenteling in de geopolitieke ordening aankondigde; ook in Indonesi&#x00EB; &#x2018;waar de padi onhoorbaar groeit&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn56">56</xref></sup> De publicatie van zijn opstel, in Nederland in 1929, werd meteen in Indi&#x00EB; tot verboden lectuur verklaard, maar ondergronds gretig gelezen en doorgegeven. De top van het koloniale apparaat verkeerde in de waan dat het nationalistisch leiderschap geen aanhang van enige betekenis had weten te mobiliseren. Deze id&#x00E9;e-fixe kwam voort uit de brute uitschakeling van de voorhoede van het volksverzet tegen repressie onder toepassing van de zogeheten exorbitante rechten. Zij die de moed hadden blijk te geven van hun dissidente opvattingen werden verbannen, zoals onder andere Tan Malaka en Ernest Douwes Dekker overkwam (zie <xref ref-type="fig" rid="fg007">Figuur 7</xref>). Veel hoger was het aantal dat in politieke gevangenschap ging, zoals Hatta, Sjahrir en Soekarno, naast natuurlijk de honderden die in het strafkamp Digoel werden opgeborgen. Ik heb dit kaalscheren van de nationalistische voorhoede als een belangrijke oorzaak aangewezen voor het falen van de democratie na de onafhankelijkheid.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn57">57</xref></sup> Hoe de opkomst en vormgeving van de Indonesische natie beslag zou krijgen is aan Nederlandse zijde nooit onderwerp van aandacht geweest, anders dan van politieke opportuniteit. Opvallender nog dan deze veronachtzaming is het volledig ontbreken bij Van der Jagt van een Indonesisch perspectief. Hij heeft wel een ironische uitspraak van Pramoedya Ananta Toer in de titel van zijn boek verwerkt. In de tekst laat hij echter elke verwijzing na waarmee deze beroemde auteur in vele van zijn publicaties uitvoerig op het aanzwellend nationalistisch getij in de laatkoloniale decennia wijst.</p>
<fig id="fg007">
<label>Figuur 7.</label> 
<caption><p>In 1913 verbande gouverneur-generaal Idenburg Tjipto Mangukusumu, Ernest Douwes Dekker en Suwardi Suryaningrat (zittend van links naar rechts) vanwege hun activiteiten als politieke leiders van de antikoloniale Indische Partij vanuit Java naar Nederland. Hier laten ze zich, wellicht in Den Haag, fotograferen samen met drie voorname <sc>sdap</sc>-leden, F. Berding, G.L. Top&#x00E9;e en J. Vermaesen, die hen steun verleenden. &#x00A9; <sc>kitlv</sc>, 3725, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/1887.1/item:787982">http://hdl.handle.net/1887.1/item:787982</ext-link>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12778_fig7.jpg"/>
</fig>
<p>De golf van dekolonisatie die na de Tweede Wereldoorlog op gang kwam betekende het verdwijnen van Europeanen uit de gouvernementele machinerie die vanuit de metropolen was opgebouwd. In de geschiedschrijving over het koloniale verleden is de bevochten vrijwording als een voldongen feit ervaren. Naar mijn mening is de hardnekkige poging van de koloniserende mogendheden om deze overgave te voorkomen onderbelicht gebleven. In vele gevallen moest immers het einde van vreemde overheersing met langdurige strijd worden afgedwongen. Nederland heeft zich tot het uiterste ingespannen om voorgoed haar overzeese gebiedsdelen in te lijven. Dit streven kreeg in het laatkoloniale tijdvak gestalte in een geoliede lobby waarvan Willem Treub de spil was. Het verslag van de kennismakingsreis die hij in 1922 als oprichter van het Nederlands-Indisch Ondernemersverbond maakte moest een breed publiek winnen voor de gedachte van &#x2018;ons Indi&#x00EB;&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn58">58</xref></sup> De uitgave van <italic>De Rijkseenheid, staatkundig economisch weekblad ter versterking van de banden tusschen Nederland en de Indi&#x00EB;n</italic> van 1929 tot 1940 diende hetzelfde doel.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn59">59</xref></sup> De namenlijst van vooraanstaande personen bereid eraan mee te werken onderstreepte de brede weerklank die dit initiatief bij de gezeten burgerij kreeg. De campagne voor behoud van het voornaamste wingewest &#x2013; West-Indi&#x00EB; was <italic>quantit&#x00E9; n&#x00E9;gligeable</italic> &#x2013; werd krachtig gesteund door de partijtop van de mannenbroeders, met Colijn voorop. Niet alleen de <sc>arp</sc>, maar de hele christendemocratische vleugel zette zich samen met de liberaal-conservatieve politiek in om vast te houden aan het gepropageerde geloof in een &#x2018;tropisch Nederland&#x2019;. Uit hun midden zou onder voorzitterschap van Pieter Gerbrandy de harde kern van het Nationaal Comit&#x00E9; Herstel Rijkseenheid voortkomen die haar achterban opriep tot genadeloze oorlogsvoering.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn60">60</xref></sup> Het toonde eens te meer aan dat de zachte achterkant van de aanwezigheid overzee &#x2013; door Van der Jagt als ethisch kolonialisme opgediend &#x2013; niets anders dan een fa&#x00E7;ade was geweest.</p>
</sec>
<sec id="s7">
<title>Conclusie</title>
<p>Mijn bedenkingen tegen de rooskleurige wijze waarop Van der Jagt over het doen en laten van Idenburg bericht zijn van drie&#x00EB;rlei aard. Ten eerste, de volslagen miskenning in het boek van de aanzwellende Indonesische vrijheidsdrang. De bestuurlijke onwil toe te geven aan het verlangen de samenleving naar eigen beheer in te richten door omzetting van het koloniale gouvernement in een nationale staat is daardoor bijna volledig buiten beeld gebleven. Ten tweede, het bij de auteur ontbrekend besef over het falend verloop van de ethische politiek zoals door Idenburg bedreven. Diens volharding in de idee dat christelijke deugdzaamheid de weg naar zelfbestuur diende te markeren gaf blijk van een antirevolutionaire dwingelandij door Kuyper in het koloniale hoofdstuk van het partijprogramma vastgelegd en waarin Idenburg hem van begin tot einde bijviel. Ten derde, het onopgemerkt blijven dat achter de lippendienst bewezen aan de ethische politiek zich een snoeihard en grootschalig kapitalisme doorzette, met medewerking van de overheid en door Idenburg meegaand gedoogd. Colijn was een <italic>captain of industry</italic> die zich ook in zijn persoonlijk leven aan ongebreideld winstbejag te buiten ging. De verguizing die Kuyper in zijn beginselprogramma over dit gedrag uitsprak deelde hij met een bezorgde Idenburg. Het was een afkeuring die echter in hun politieke en bestuurlijke praktijk achterwege is gebleven. Op de kritiek die Henri van Kol en Pieter Jelles Troelstra in het parlement steeds weer uitoefenden reageerde Kuyper door te wijzen op de cultuurhistorische noodzaak van de investering van Europees kapitaal.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn61">61</xref></sup> De brute uitbuiting zowel in Java als de buitengewesten van wat koelie-arbeid werd genoemd heeft het stellen van de sociale kwestie op de koloniale agenda blijvend uitgesloten.</p>
<p>Samengevat is mijn hoofdbezwaar dat de koloniale denktrant waarin deze biografie is getoonzet de indruk wekt zich in de postkoloniale visie van de biograaf te hebben vastgezet. Met zijn stellingname lijkt Van der Jagt zich stevig genesteld te hebben in wat ook Langeveld in zijn Colijn-biografie als verzuilde geschiedschrijving aanduidt.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn62">62</xref></sup> Die klassering heeft inmiddels een geuzenetiket aangenomen, zoals de inleiding op een uitvoerige beschouwing erover in het orgaan van de Vereniging van Christen-Historici aantoont.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn63">63</xref></sup> Het is een genre dat zich met een geheel eigen en bedenkelijke stijl van waarheidsvinding onderscheidt. De verontwaardigde reacties van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme aan de Vrije Universiteit op het verschijnen van de Colijn-biografie getuigden in hoge mate van de apologetische betrokkenheid die Langeveld aan de auteurs van deze verzuilde geschiedschrijving toeschreef.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn64">64</xref></sup></p>
<p>Een laatste kanttekening ter afronding. Tal van Nederlandse dag- en weekbladen hebben een bespreking van Van der Jagts biografie van Idenburg gepubliceerd. Mij is de welwillende wijze opgevallen waarmee bijna alle recensenten van hun instemming met de enerzijds-anderzijds redactie van de biograaf blijk geven.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn65">65</xref></sup> Ik vermoed dat het antikoloniale discours op dit moment in Nederland zo gangbaar is geworden dat een uitgesproken positief oordeel over dit verleden met opluchting wordt begroet. Ten onrechte, zoals Caroline Elkins betoogt.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn66">66</xref></sup> Haar vorig jaar verschenen studie rekent grondig af met de volgehouden pretentie dat het liberaal imperialisme &#x2013; waarvan de ethische politiek de Nederlandse variant is geweest &#x2013; niettegenstaande de uitbuiting en onderdrukking die eraan inherent waren, de ontwikkeling van de onderworpen landen en volken toch ook heeft bevorderd. Het geweld en de gelegaliseerde rechteloosheid aangewend om de overheersing van landen en volken in stand te houden, heeft zij met overvloedig bewijsmateriaal aangetoond. Voor een zelfde betoog over het Franse kolonialisme in Afrika en Zuidoost-Azi&#x00EB; verwijs ik naar een eerder verschenen verzamelwerk, door Martin Thomas bijeengebracht, over het stelselmatig gebruik van geweld en de rechtvaardiging daarvan.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn67">67</xref></sup> De strekking van deze studies is onverkort van toepassing op het koloniaal bewind door Nederland in Oost- en West-Indi&#x00EB; uitgeoefend.</p>
<p>Het geldt niet langer als ongepast om berouw te tonen over slavernij en andere vormen van onvrije arbeid in het verleden die ook vanuit Nederland aan vooral de niet-westerse mensheid zijn opgelegd. Dit schaamtebesef loopt uiteen van de recente koninklijke vraag om vergiffenis tot verontschuldiging van de zijde van de overheid en het grootschalig bedrijfsleven, vooralsnog gratuit uitgesproken. In het licht van deze herbezinning op mateloos begaan onrecht zouden ook ruimhartige excuses op hun plaats zijn voor het brute koloniale juk tot grotere glorie en profijt door Nederland opgelegd aan volken ver van eigen huis en eeuwenlang.</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Jan Breman, <italic>Koloniaal profijt van onvrije arbeid. Het Preanger stelsel van gedwongen koffieteelt op Java</italic> (Amsterdam University Press 2010) 136. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.5117/9789089642646">https://doi.org/10.5117/9789089642646</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn2"><label>2</label><p>Conrad Theodor van Deventer, &#x2018;Een eereschuld&#x2019;, <italic>De Gids</italic> 63:3 (1899) 205-257.</p></fn>
<fn id="fn3"><label>3</label><p>Bastiaan Brouwer, <italic>De houding van Idenburg en Colijn tegenover de Indonesische beweging</italic> (Kok 1958) 17.</p></fn>
<fn id="fn4"><label>4</label><p>Frederick Lugard, <italic>The Dual Mandate in British Tropical Africa</italic> (W. Blackwood and Sons 1922).</p></fn>
<fn id="fn5"><label>5</label><p>Albert Sarraut, <italic>La mise en valeur des colonies fran&#x00E7;aises</italic> (Payot 1922).</p></fn>
<fn id="fn6"><label>6</label><p>Multatuli, <italic>Max Havelaar, of de koffieveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij</italic> (Amsterdam: J. De Ruyter 1860).</p></fn>
<fn id="fn7"><label>7</label><p>Wolter Robert van Ho&#x00EB;vell, <italic>Reis over Java, Madura en Bali in het midden van 1847</italic> (Amsterdam: P.N. Van Kampen 1849).</p></fn>
<fn id="fn8"><label>8</label><p>Maartje Janse, &#x2018;Representing distant victims. The emergence of an Ethical Movement in Dutch colonial protests&#x2019;, <sc>bmgn</sc> &#x2013; <italic>Low Countries Historical Review</italic> 28:1 (2013) 53-80. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.18352/bmgn-lchr.8355">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.8355</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn9"><label>9</label><p>Hans van der Jagt, <italic>Engelen uit Europa: <sc>a.w.f.</sc> Idenburg en de moraal van het Nederlands imperialisme</italic> (Prometheus 2022). Deze handelseditie is gebaseerd op het proefschrift door hem in 2021 aan de Vrije Universiteit Amsterdam verdedigd.</p></fn>
<fn id="fn10"><label>10</label><p>Elsbeth Locher-Scholten, <italic>Ethiek in fragmenten: Vijf studies over koloniaal denken en doen van Nederlanders in de Indonesische archipel, 1870-1942</italic> (<sc>hes</sc> Publishers 1981) 201.</p></fn>
<fn id="fn11"><label>11</label><p>Pieter Brooshooft, <italic>De ethische koers in de koloniale politiek</italic> (J.H. De Bussy 1901).</p></fn>
<fn id="fn12"><label>12</label><p>Henri van Kol, <italic>Uit onze koloni&#x00EB;n</italic> (A.W. Sijthoff 1903).</p></fn>
<fn id="fn13"><label>13</label><p>In een voordracht gehouden op 9 mei 2012 aan de Vrije Universiteit liet Cees Fasseur de ethische politiek beginnen met de publicatie van Multatuli&#x2019;s tirade in 1860, terwijl het vonnis geveld tegen de nationalistische leidsman het einde ervan betekende. Bijna driekwart eeuw dus, een tijdsduur die haaks staat op mijn beoordeling dat dit beleid minder dan twee decennia en bovendien met weinig animo is volgehouden. Zie ook Ronald Frisart, &#x2018;Ethische politiek in Indi&#x00EB; m&#x00F3;&#x00E9;st wel stranden&#x2019;, <italic>Historiek.net/Online geschiedenismagazine</italic>, 12 augustus 2022.</p></fn>
<fn id="fn14"><label>14</label><p>Herman Langeveld, <italic>Dit leven van krachtig handelen. Hendrikus Colijn 1869-1944</italic>, dl 1 (Balans 1998). Voor een analyse van de polemiek, zie Rutger Zwart, &#x2018;De receptie van de Colijn-biografie: onthulling versus verhulling&#x2019;, <italic>Politieke Opstellen</italic> 18 (Centrum voor Parlementaire Geschiedenis 1998) 9-18.</p></fn>
<fn id="fn15"><label>15</label><p>Zie ook Berteke Waaldijk en Susan Leg&#x00EA;ne, &#x2018;Ethische politiek in Nederland. Cultureel burgerschap tussen overheersing, opvoeding en afscheid&#x2019;, in: Marieke Bloembergen en Remco Raben (reds.), <italic>Het koloniale beschavingsoffensief. Wegen naar het nieuwe Indi&#x00EB;, 1890-1950</italic> (<sc>kitlv</sc> Press 2009) 187-216.</p></fn>
<fn id="fn16"><label>16</label><p>Abraham Kuyper, <italic>Ons Program</italic> (H&#x00F6;veker &#x0026; Wormser 1907) 338.</p></fn>
<fn id="fn17"><label>17</label><p>Kuyper, <italic>Ons Program</italic>.</p></fn>
<fn id="fn18"><label>18</label><p><italic>Ibidem</italic>, 337.</p></fn>
<fn id="fn19"><label>19</label><p><italic>Ibidem</italic>, 340.</p></fn>
<fn id="fn20"><label>20</label><p>J. de Bruijn en G. Puchinger, <italic>Briefwisseling Kuyper-Idenburg</italic> (Wever 1985) 13-63.</p></fn>
<fn id="fn21"><label>21</label><p>Johannes van den Brand, <italic>De millioenen uit Deli</italic> (H&#x00F6;veker &#x0026; Wormser 1902).</p></fn>
<fn id="fn22"><label>22</label><p>Jan Breman, &#x2018;Een advocaat van kwade zaken. Het koloniale milieu aan Sumatra&#x2019;s oostkust aan het begin van deze eeuw&#x2019;, <italic>De Gids</italic> 153:3 (1992) 476-492. De kwaadaardige bejegening en belastering die hem ten deel viel kwam overeen met die van Jules Marchal die de koloniale misdaden in Belgisch-Congo begaan hardnekkig maar tevergeefs aan de kaak stelde. Zie Jan Breman, &#x2018;Over Jules Marchal en klokkenluiders die geen gehoor vonden. Kanttekeningen bij de Belgische postkoloniale debatten&#x2019;, <italic>Brood &#x0026; Rozen</italic> 3 (2020) 32-49.</p></fn>
<fn id="fn23"><label>23</label><p>J.T.L. Rhemrev, &#x2018;Rapport van de resultaten van het mij bij Gouvernements Besluit van 24 Mei 1903 No.19 opgedragen onderzoek&#x2019;. Dit rapport is opgenomen in Jan Breman, <italic>Koelies, planters en koloniale politiek. Het arbeidsregime op de grootlandbouwondernemingen aan Sumatra&#x2019;s Oostkust in het begin van de twintigste eeuw</italic> (Foris 1987) 425-538.</p></fn>
<fn id="fn24"><label>24</label><p>Breman, <italic>Koelies</italic>, 3-7, 105-201 en 315.</p></fn>
<fn id="fn25"><label>25</label><p>Rutger Bregman, <italic>De gustibus non est disputandum&#x003F; Het debat over de ethische politiek binnen het Indisch Genootschap</italic> (Doctoraal scriptie, Universiteit Utrecht 2012) 30-37.</p></fn>
<fn id="fn26"><label>26</label><p>Hans van Miert, <italic>Bevlogenheid en onvermogen, Mr. J.H. Abendanon en de Ethische Richting in het Nederlands kolonialisme</italic> (<sc>kitlv</sc> 1991) 104-106.</p></fn>
<fn id="fn27"><label>27</label><p>Brouwer, <italic>Idenburg en Colijn</italic>, 37.</p></fn>
<fn id="fn28"><label>28</label><p>De Bruijn en Puchinger, <italic>Briefwisseling</italic>, 33.</p></fn>
<fn id="fn29"><label>29</label><p>De Bruijn en Puchinger, <italic>Briefwisseling</italic>, 34.</p></fn>
<fn id="fn30"><label>30</label><p>Kuyper, <italic>Ons Program</italic>, 356.</p></fn>
<fn id="fn31"><label>31</label><p><italic>Ibidem</italic>, 359.</p></fn>
<fn id="fn32"><label>32</label><p>Hans Ramsoedh, <italic>Suriname 1933-1944. Koloniale politiek en beleid onder gouverneur Kielstra</italic> (Eburon 1990) 35-37.</p></fn>
<fn id="fn33"><label>33</label><p>Brouwer, <italic>Idenburg en Colijn</italic>, 42.</p></fn>
<fn id="fn34"><label>34</label><p>Voor uitvoerige bronvermelding, zie Piet Hagen, <italic>Koloniale oorlogen in Indonesi&#x00EB;. Vijf eeuwen verzet tegen vreemde overheersing</italic> (De Arbeiderspers 2018).</p></fn>
<fn id="fn35"><label>35</label><p>Elsbeth Locher-Scholten, &#x2018;Ethische politiek: niet &#x2013; na 30 &#x2013; na 300 jaar&#x003F;&#x2019;, Bijdrage aan het symposium <italic>Ethische politiek en dekolonisatie</italic>, Vrije Universiteit Amsterdam, 9 mei 2012.</p></fn>
<fn id="fn36"><label>36</label><p>Hendrikus Colijn, <italic>Politiek en bestuurszorg in de Buitenbezittingen</italic>, dl 3 (Landsdrukkerij 1907). Zie ook Brouwer, <italic>Idenburg en Colijn</italic>, 62.</p></fn>
<fn id="fn37"><label>37</label><p>Van der Jagt, <italic>Engelen</italic>, 36-44.</p></fn>
<fn id="fn38"><label>38</label><p>Jan Breman, &#x2018;Hoofdstuk 2. Alexis de Tocqueville over klasse en ras&#x2019;, in: Jan Breman (red.), <italic>Kolonialisme en racisme. Een postkoloniale kroniek</italic> (Amsterdam University Press 2021) 49-69.</p></fn>
<fn id="fn39"><label>39</label><p><italic>Ibidem</italic>, 65-66.</p></fn>
<fn id="fn40"><label>40</label><p>J.A. van der Chijs, <italic>De vestiging van het Nederlandsche gezag over de Banda-eilanden, (1599-1621)</italic> (Batavia/'s Gravenhage: Albrecht &#x0026; Co/M. Nijhoff 1886). Voornamelijk op deze bron gebaseerd heeft Amitav Ghosh het optreden van Jan Pieterszoon Coen op Banda in 1621 getypeerd als een combinatie van genocide en ecocide, zie Amitav Ghosh, <italic>The Nutmeg&#x2019;s Curse. Parables for a Planet in Crisis</italic> (University of Chicago Press 2021). <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.7208/chicago/9780226815466.001.0001">https://doi.org/10.7208/chicago/9780226815466.001.0001</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn41"><label>41</label><p>Hendrikus Colijn, <italic>Dispereert niet&#x2026;</italic>: <italic>Rede ter herdenking van den 350sten geboortedag van Jan Pietersz. Coen, uitgesproken te Hoorn den 1sten Februari 1937 door Dr. H. Colijn</italic> (Amsterdam 1937).</p></fn>
<fn id="fn42"><label>42</label><p>Jacob Theodoor Cremer, <italic>Een woord uit Deli tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Art.2 No.27 van het Politie-reglement voor inlanders, met het oog op werkovereenkomsten met vreemde Oosterlingen</italic> (Amsterdam: G. van Tyen en Zonen 1876). Zie ook Breman, <italic>Koelies</italic>, 27-29.</p></fn>
<fn id="fn43"><label>43</label><p>Jacob Theodoor Cremer, <italic>De toekomst van Deli. Eenige opmerkingen</italic> (Leiden: G. Kolff 1881).</p></fn>
<fn id="fn44"><label>44</label><p>Van Deventer, &#x2018;Eereschuld&#x2019;, 205-257, 232-233.</p></fn>
<fn id="fn45"><label>45</label><p>Langeveld, <italic>Colijn</italic>, 59.</p></fn>
<fn id="fn46"><label>46</label><p>J.C. Rullman, <italic>Dr. H. Colijn, een levensschets</italic> (A.W. Sijthoff 1933) 21-23.</p></fn>
<fn id="fn47"><label>47</label><p>Colijn, <italic>Politiek beleid en bestuurszorg in de Buitenbezittingen</italic>, dl. 1.</p></fn>
<fn id="fn48"><label>48</label><p>Maarten Kuitenbrouwer en Huibert Schijf, &#x2018;The Dutch colonial business elite at the turn of the century&#x2019;, <italic>Itinerario: European Journal of Overseas History</italic> 22:1 (1998) 61-86. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1017/S0165115300012420">https://doi.org/10.1017/S0165115300012420</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn49"><label>49</label><p><italic>Ibidem</italic>, 59-71.</p></fn>
<fn id="fn50"><label>50</label><p>J.N.F.M. &#x00E0; Campo, <italic>Koninklijke Paketvaart Maatschappij. Stoomvaart en staatsvorming in de Indonesische archipel 1888-1914</italic> (Verloren 1992).</p></fn>
<fn id="fn51"><label>51</label><p>Kuyper, <italic>Ons Program</italic>, 329.</p></fn>
<fn id="fn52"><label>52</label><p>Kuyper, <italic>Ons Program</italic>, 339 e.v.</p></fn>
<fn id="fn53"><label>53</label><p>Hubertus Johannes van Mook<italic>, Indonesi&#x00EB;, Nederland en de wereld</italic> (De Bezige Bij 1949) 222.</p></fn>
<fn id="fn54"><label>54</label><p>Marieke Bloembergen, <italic>De geschiedenis van de politie in Nederlands-Indi&#x00EB;. Uit zorg en angst</italic> (Boom/<sc>kitlv</sc> Uitgeverij 2009) 182.</p></fn>
<fn id="fn55"><label>55</label><p>Van der Jagt, <italic>Engelen uit Europa</italic>, 48.</p></fn>
<fn id="fn56"><label>56</label><p>Jan Romein, &#x2018;Het ontwaken van Azi&#x00EB;&#x2019;, in: Jan Romein e.a., <italic>Nieuwe ge&#x00EF;llustreerde wereldgeschiedenis</italic>, dl. 8 (<sc>nv</sc> Seyfardt&#x2019;s Boek- en Muziekhandel 1929-1931) 4999-5049.</p></fn>
<fn id="fn57"><label>57</label><p>Breman, <italic>Kolonialisme en Racisme</italic>, 382-383.</p></fn>
<fn id="fn58"><label>58</label><p>M.W.F. Treub, <italic>Nederland in de Oost; Reisindrukken</italic> (H.D. Tjeenk Willink 1923).</p></fn>
<fn id="fn59"><label>59</label><p>Arjen Taselaar, &#x2018;De rijkseenheid, spreekbuis voor conservatief Nederland&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor tijdschriftstudies</italic> 5 (1999) 4-12. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.18352/ts.115">https://doi.org/10.18352/ts.115</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn60"><label>60</label><p>Breman, <italic>Kolonialisme en Racisme</italic>, 295-296.</p></fn>
<fn id="fn61"><label>61</label><p>Brouwer, <italic>Idenburg en Colijn</italic>, 16.</p></fn>
<fn id="fn62"><label>62</label><p>Langeveld, <italic>Hendrikus Colijn</italic>, 11.</p></fn>
<fn id="fn63"><label>63</label><p>Anton van Renssen, &#x2018;Recensie: Hulde aan de verzuilde geschiedschrijving&#x2019;, <italic>Transparant</italic> 4 (2003).</p></fn>
<fn id="fn64"><label>64</label><p>Zie Zwart, &#x2018;De receptie van de Colijn-biografie&#x2019;, 9-18.</p></fn>
<fn id="fn65"><label>65</label><p>&#x2018;Koloniaal met goede bedoelingen&#x2019;, aldus Remco Meijer in <italic>de Volkskrant</italic> (24-9-2022). Waarderende recensies schreven onder andere Jeroen van der Kris in <italic><sc>nrc</sc></italic> (8-7-2022), <italic>Reformatorisch Dagblad</italic> (31-5-2022), Ewout Klei in <italic>Historisch Nieuwsblad</italic> (21-8- 2022). De uitgever sprak over lovende oordelen en rekende ten onrechte daartoe ook de bespreking van Jos Palm in de <italic>Groene Amsterdammer</italic> (11-8-2022).</p></fn>
<fn id="fn66"><label>66</label><p>Caroline Elkins, <italic>Legacy of Violence: A History of the British Empire</italic> (Bodley Head 2022).</p></fn>
<fn id="fn67"><label>67</label><p>Martin Thomas (red.), <italic>The French Colonial Mind. Volume 1: Mental Maps of Empire and Colonial Encounters. Volume 2: Violence, Military Encounters, and Colonialism</italic> (University of Nebraska Press 2011-2012).</p></fn>
</fn-group>
<sec id="s8">
<title/>
<p><bold>Jan Breman</bold> is emeritus hoogleraar comparatieve sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en is als senior fellow verbonden aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Zijn contemporain (op veldwerk gebaseerd) en historisch onderzoek richt zich voornamelijk op Azi&#x00EB;, Indonesi&#x00EB; en India in het bijzonder. <italic>Fighting Free to Become Unfree Again. The Social History of Bondage and Neo-Bondage of Labour in India</italic> is zijn laatst verschenen boek (Tulika Books 2023). Begin 2024 volgt <italic>Colonialism, Capitalism &#x0026; Racism</italic> (Amsterdam University Press). E-mail: <email>j.c.breman@uva.nl</email>.</p>
</sec>
</back>
</article>
