<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="research-article" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.12777</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.12777</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Van wie was het stadhuis&#x003F;</article-title>
<subtitle>Orde en verstoring in een publiek overheidsgebouw in Gouda en Leiden, ca. 1450-1520</subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Van Kleij</surname>
<given-names>Nathan</given-names>
</name>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>09</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>138</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>4</fpage>
<lpage>31</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2023 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.12777"/>
<abstract>
<p>In the fifteenth century the town hall was a crowded, public government building in cities in the northern Low Countries. It was a multifunctional building, being an important centre for urban governance and the location for public services. Authorities aimed to regulate access and behaviour in the building, and especially in the court rooms, through built environment, protocols and enforcement. Yet, order in the town hall was not self-evident. By examining statutes and criminal records and using a 3D reconstruction of the public hall and public courtroom, this article shows how disorder in the town hall of Gouda and Leiden was common and contested the order so much desired by local magistrates. Both city officials and other inhabitants purposely used the openness of specific spaces in the town hall to publicly emphasize or contest authority. I argue that the late medieval town hall was shaped by both governmental structures and its daily use by a diverse group of urban dwellers.</p>
<p>In de vijftiende eeuw was het stadhuis een drukbezocht, publiek overheidsgebouw in de steden van de noordelijke Lage Landen. Als belangrijk bestuurscentrum en plaats voor publieke diensten was het een gebouw met meerdere functies. Lokale autoriteiten trachtten toegang en gedrag in het gebouw, en dan met name in de gerechtskamers, te reguleren aan de hand van regels en handhaving en door de gebouwde omgeving aan te passen. Maar orde in het stadhuis was geen vanzelfsprekendheid. Aan de hand van verordeningen en criminele vonnisboeken en met behulp van een 3D-reconstructie van de publieke hal en vierschaar, toont dit artikel aan dat verstoringen in het stadhuis van Gouda en Leiden gangbaar waren en dat zij de door de autoriteiten beoogde orde contesteerden. Zowel bestuurders als andere stedelingen gebruikten doelbewust de openbaarheid van specifieke ruimtes in het stadhuis om publiekelijk het stedelijke gezag te bevestigen of juist uit te dagen.</p>
<p>In dit artikel wordt beargumenteerd dat het laatmiddeleeuwse stadhuis zowel door overheidsstructuren als het alledaags gebruik door een grote diversiteit aan stedelingen vorm kreeg.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<sec id="s1">
<title>Introductie<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup></title>
<p>Geen enkel gebouw in de historische binnensteden van het huidige Nederland wordt zo sterk geassocieerd met stedelijke identiteit als het stadhuis. Een flink aantal van deze gebouwen stamt uit de veertiende en vooral de vijftiende eeuw. Vele historici, kunst- en architectuurhistorici benadrukken dat deze laatmiddeleeuwse stadhuizen, zowel in de Lage Landen als elders in Europa, niet enkel functioneel noodzakelijk waren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup> Stadhuizen symboliseerden, als zetels van kleine, stedelijke elites, ook stedelijke identiteit, politieke en economische voorspoed en autonomie.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn3">3</xref></sup> In haar vaak aangehaalde essay over de rol van ruimte bij het ontstaan van stedelijkheid en stedelijke identiteit in Noordwest-Europa in de late middeleeuwen stelt Martha Howell dat specifieke stedelijke ruimtes, zoals marktpleinen en het stadhuis, de stedelijke burgerij als gemeenschap definieerden en vormden. Ruimtes als het stadhuis waren &#x2018;distinct spaces to be carved out of general urban space&#x2019;, politiek beladen en onderscheiden van het dagelijkse leven. &#x2018;They conferred status on their occupants &#x2013; and denied it to those they excluded.&#x2019;<sup><xref ref-type="fn" rid="fn4">4</xref></sup> Volgens Howell waren stedelingen die geen toegang hadden tot deze ruimtes geen volwaardige leden van de stedelijke gemeenschap. Toegang tot het stadhuis, en dus tot politieke en juridische activiteiten, behoorde zodoende bij uitstek de bovenlaag van de samenleving toe &#x2013; een mannelijke bovenlaag welteverstaan.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn5">5</xref></sup></p>
<p>Howell erkent dat de afbakening van politiek en juridisch beladen ruimtes zoals het stadhuis &#x2013; hetzij door muren en deuren, hetzij door regels die toegang bepaalden &#x2013; niet absoluut waren: &#x2018;for no space was perfectly impermeable and no activity was fully or permanently confined to its designated space.&#x2019;<sup><xref ref-type="fn" rid="fn6">6</xref></sup> Politieke discussies vonden bijvoorbeeld hun weg vanuit het stadhuis naar de herberg. Maar een mogelijke beweging andersom, van de straat naar het stadhuis, blijft in haar bijdrage onbenoemd. Anders dan marktpleinen of kerken lijkt Howell het stadhuis te beschouwen als een ruimte die zeer exclusief was, zowel qua toegang als qua functie. In deze bijdrage wil ik laten zien dat het alledaags gebruik en de toegankelijkheid van het gebouw juist veel breder was: het gebouw werd bezocht door een grote verscheidenheid aan mensen en bood een podium voor verschillende sociale interacties.</p>
<p>De vraag van wie het stadhuis was, die in dit artikel centraal staat, heeft niet alleen betrekking op de verschillende stedelingen die gebruik konden maken van het gebouw, maar ook op de manieren waarop het stadhuis als ruimte betekenis kreeg. Het functioneren van het laatmiddeleeuws stadhuis als een publiek, toegankelijk overheidsgebouw en als de meest voorname locatie voor stedelijke rechtspraak was namelijk niet vanzelfsprekend maar werd regelmatig betwist. Het stadhuis was een gebouw in &#x2018;een staat van wording&#x2019;: het was niet alleen nooit af, zeker met betrekking tot het interieur, maar werd ook doorlopend anders en door andere actoren gebruikt.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn7">7</xref></sup></p>
<p>Met betrekking tot de noordelijke Lage Landen is in historisch onderzoek weinig aandacht uitgegaan naar het dagelijkse gebruik van het stadhuis, terwijl dit de context vormde van bijvoorbeeld de juridische doeleinden van het gebouw, de vormgeving ervan en de reguleringen die er golden. Inzoomend op de ruimtes in het stadhuis, zoals de publieke rechtszaal (vierschaar), is er in verschillende contexten een variatie aan grenzen en toegangsnormen waar te nemen, alsook individuen die dat sociale en ruimtelijke onderscheid betwisten.</p>
<p>Hoe kreeg het stadhuis als combinatie van publieke en juridische ruimte vorm en welke rol speelden verscheidene inwoners van de stad daarbij&#x003F; In de beantwoording van deze vraag laat dit artikel zien dat verstoringen en conflicten tussen magistraten en andere stedelingen in het stadhuis gangbaar waren en dat deze confrontaties zowel betekenis gaven aan, als betekenis kregen door, het ontwerp en het beoogde functioneren van het stadhuis. Stadsbewoners maakten gebruik van de openbaarheid van het stadhuis voor het uiten van hun ongenoegen, waarbij zij de juridische autoriteit van schepenen ter discussie stelden. Tegelijkertijd gebruikten de schepenen deze conflicten om hun autoriteitsclaim te bevestigen en te communiceren, waarbij ze direct refereerden aan de ruimte waarin het veroordeelde gedrag had plaatsgevonden. Voor zowel autoriteiten als andere inwoners van de stad speelde de specifieke stadhuisruimte dus een significante rol bij het communiceren van hun standpunten met betrekking tot het functioneren van het stadsbestuur en de stedelijke rechtbank.</p>
<p>Deze sociale interacties met de gebouwde, publieke, stedelijke omgeving definieerde Fabrizio Nevola als <italic>street life.</italic> Nevola betoogt met betrekking tot het vijftiende- en zestiende-eeuwse Itali&#x00EB; dat in stedelijke publieke ruimte de bebouwde omgeving en sociale praktijken een samenspel vormen. De belangrijkste structuren in de publieke ruimte worden door overheden aangebracht, dat kan zowel in materi&#x00EB;le zin (een hek of muur) als door middel van gedragsregels. Maar het daadwerkelijk dagelijkse gebruik van die ruimte bepaalde eveneens de betekenis ervan: &#x2018;urban space was a socially mediated space, where meanings were fashioned in a dialectic between everyday actions and centralised authorities&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn8">8</xref></sup></p>
<p>Het laatmiddeleeuwse stadhuis in de noordelijke Lage Landen was, zo is mijn uitgangspunt, eveneens een <italic>socially mediated space</italic>. Het was een gebouwde omgeving die op bepaalde momenten en voor sommige functies diende als een verlengde van de publieke ruimte voor alledaagse stedelijke praktijken. Tegelijkertijd, en daarmee onderscheidt het stadhuis zich van bijvoorbeeld een marktplein of een straat, faciliteerde het gebouw ook besloten bijeenkomsten. In beide gevallen probeerden autoriteiten structuren in het stadhuis aan te brengen, in materi&#x00EB;le zin door bijvoorbeeld hekwerken te plaatsen, in immateri&#x00EB;le zin door wetgeving en handhaving en door het procedureel gebruik van de ruimte. De betekenis van het stadhuis en de manieren waarop dit gebouw werd gebruikt werden echter ook be&#x00EF;nvloed door het handelen van de stedelingen van diverse komaf.</p>
<p>Om dit te laten zien bestudeer ik allereerst het dagelijkse, publieke gebruik van het stadhuis in laatmiddeleeuws Europa en toon ik vervolgens aan hoe de stedelijke overheden van Gouda en Leiden tussen 1450 en 1520 structuren trachtten aan te brengen om het gebruik van het stadhuis als locatie voor rechtspraak in goede banen te leiden (zie <xref ref-type="fig" rid="fg001">Figuur 1</xref> en <xref ref-type="fig" rid="fg002">Figuur 2</xref>). Ik stel vast hoe deze structuren de constatering van en de reactie op wanordelijk gedrag be&#x00EF;nvloedden, mede getoetst met behulp van een 3D-reconstructie van de laat-vijftiende-eeuwse vierschaar van Gouda &#x2013; de eerste digitale reconstructie van een binnenruimte van een stadhuis in de Lage Landen in zijn soort &#x2013; in opdracht ontwikkeld door het <italic>4D Research Lab</italic> van de Universiteit van Amsterdam.</p>
<fig id="fg001">
<label>Figuur 1.</label> 
<caption><p>Het door Roelant Roghman getekende stadhuis van Gouda toont het in 1517-1518 gerenoveerde gebouw. <italic>Gezicht op het stadhuis van Gouda</italic>, Roelant Roghman (1646). &#x00A9; Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer <sc>rp</sc>-T-1891-A-2417.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12777_fig1.jpg"/>
</fig>
<fig id="fg002">
<label>Figuur 2.</label> 
<caption><p>Deze afbeelding toont de gevel van het Leidse stadhuis. De gevel zelf dateert uit de vroege vijftiende eeuw. Fragment uit <italic>Chaertbouc van Straten binnen deser Stadt Leyden</italic>, Salomon Davidsz van Dulmanhorst en Jan Pieterz Dou (1588-1597). &#x00A9; Erfgoed Leiden en Omstreken, Stadsarchief Leiden (1574-1816), 0501A, inv.nr. 5153.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12777_fig2.jpg"/>
</fig>
<p>Deze reconstructie toont een zo betrouwbaar mogelijke weergave van de historische ruimte, waarover contemporain materiaal zoals stadsrekeningen, keuren of vonnisboeken, los van elkaar, alleen fragmentarisch informeert. De 3D-reconstructie verdiept het begrip van de manieren waarop materialiteit en ruimtelijkheid bepaald gedrag en de ontvangst daarvan vormgaven.</p>
<p>Vervolgens bestudeer ik conflicten en wanordelijkheden die in en nabij de locaties voor rechtspraak van het Goudse en Leidse stadhuis plaatsvonden. Civiele zaken werden vaker achter gesloten deuren behandeld, met name in de raadkamer van het stadhuis, terwijl delen van criminele zaken &#x2013; zoals de bekendmaking van de aanklacht, de veroordeling en het vonnis &#x2013; publiekelijk behandeld werden in de openbare vierschaar.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn9">9</xref></sup> De hier bestudeerde conflicten hebben betrekking op beide type rechtszaken, en ze werden destijds zelf ook als criminele zaken behandeld en opgenomen in de criminele vonnisboeken. Deze verslagen lichten de veroordeelde handelingen en de argumentatie voor de vonnissen toe. Daaruit blijkt dat de stadsbesturen van Gouda en Leiden het belangrijk vonden om wenselijk gedrag te proclameren, alsook te wijzen op de consequenties van wat zij als wangedrag beoordeelden in het stadhuis, met name in de rechtsruimtes.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn10">10</xref></sup></p>
<p>Voor deze bijdrage zijn de stadhuizen van Gouda en Leiden in de periode van circa 1450 tot 1520 bestudeerd. Beide steden behoorden tot de grootste in de noordelijke Lage Landen, zowel qua populatie als economische positie.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn11">11</xref></sup> Rond 1450 kregen de rechtszaal en de raadzaal van zowel Gouda als Leiden een nieuwe vormgeving en indeling; in Gouda door de bouw van het stadhuis vanaf 1448-1450 en in Leiden door een significante uitbreiding en verbouwing, inclusief een nieuwe raadzaal, in 1455. Criminele vonnisboeken uit deze periode zijn beschikbaar voor beide steden en vormen een omvangrijk doch behapbaar bronnencorpus om orde en conflict in specifieke gebouwde en ingerichte ruimtes te analyseren.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Het stadhuis in Europa als ruimte voor orde en verstoring</title>
<p>In zijn werk over Engelse <italic>civic halls</italic> vanaf 1500 tot 1640 stelt Robert Tittler dat de kern van het ruimtelijk ontwerp en het gebruik van stadhuizen afgestemd waren op de behoeften van oligarchische stadsbesturen, zoals hun wens tot afzondering (of zelfs geheimhouding) en hun streven naar burgerlijke gehoorzaamheid, waarbij juridische en politieke procedures zoveel mogelijk besloten waren. Ruimtes in stadhuizen werden in toenemende mate gestandaardiseerd.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn12">12</xref></sup> Net als elders in Europa, waren stadhuizen in de Lage Landen vanaf hun toewijzing of (her)bouw de reguliere locatie voor stedelijke rechtspraak. Vertrekkend vanuit een locatie zoals een (markt)plein of kerkportaal verplaatste de organisatie van de rechtszitting zich daarbij van &#x2018;buiten&#x2019; naar &#x2018;binnen&#x2019;, naar een door een stedelijke overheid beheerd gebouw.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn13">13</xref></sup> Magistraten in de stadhuizen van de laatmiddeleeuwse Nederlanden brachten materi&#x00EB;le en ruimtelijke componenten aan die juridische procedures ondersteunden en verder vormgaven, waarbij rekening werd gehouden met de behoefte aan afzondering.</p>
<p>Het stadhuis was naast een gebouw voor vertrouwelijkheid ook nadrukkelijk een gebouw voor publiciteit. Hier maakten autoriteiten immers hun politieke en juridische beslissingen bekend, waarvoor de aanwezigheid van een publiek gewenst was.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn14">14</xref></sup> Toegankelijkheid en daarmee zichtbaarheid en hoorbaarheid waren net zoals afzondering essentieel voor de legitimiteit van autoriteiten. Zoals onder andere Christian Liddy toelicht, was het juist vanwege de kwetsbaarheid van oligarchische machthebbers voor conflict en tegenspraak van belang om in het publieke domein te handelen en aldaar de publiciteit zoveel mogelijk naar hun wensen in te richten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn15">15</xref></sup> Franz-Josef Arlinghaus stelt met betrekking tot laatmiddeleeuws Keulen vast dat dit sterk gold voor het functioneren van rechtspraak binnen stadhuizen. Autoriteiten wilden zowel de meer besloten als meer publieke rechtsgang beschermen tegen mogelijke escalaties en verstoringen van de steeds meer vastomlijnde juridische procedures, in het bijzonder door het specifiek toewijzen en reguleren van ruimtes.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn16">16</xref></sup></p>
<p>Dit kon, zo zien we ook in Leiden en Gouda, door min of meer permanente materi&#x00EB;le ingrepen, zoals het plaatsen van een hekwerk om publiek op afstand te houden en door het gebruik van vast meubilair, zoals de zetels voor schout en schepenen. Daarnaast werden in stadhuizen, en dan met name in de raadzaal en de vierschaar, schilderijen en objecten geplaatst die de juridische legitimiteit van de stedelijke autoriteiten benadrukten en het gewenste, ordelijke verloop van rechtspraak verbeeldden. Een bekend voorbeeld is het Laatste Oordeel, waarop Christus als rechter zichtbaar is. Zowel rechters, beklaagden en getuigen als leden van het publiek konden zich hiertoe verhouden: wereldlijke rechters moesten en konden zich slechts spiegelen aan Christus&#x2019; voorbeeld, maar de mate van eerlijk en goed gedrag van andere participanten in de zaal zou eveneens op de dag des oordeels worden gewogen. In zowel de vierschaar van Gouda als Leiden hing een Laatste Oordeel aan de muur.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn17">17</xref></sup></p>
<p>Als juridische ruimte representeerde het stadhuis ogenschijnlijk een ordelijk en rechtvaardig verloop van stedelijke rechtspraak. Dat dit niet vanzelfsprekend was, blijkt uit de regulering en handhaving van wanordelijk gedrag, zoals in de volgende secties van dit artikel aan bod komt. Daarbij blijkt het stadhuis en zijn ordelijkheid juist kwetsbaar voor verstoring en voor het betwisten van de met name juridische autoriteit van het stadsbestuur, en van diens capaciteit om de ordelijkheid van de rechtspraak te handhaven.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn18">18</xref></sup> Het publieke karakter van het gebouw bracht het straatleven in het stadhuis binnen, wat conflicteerde met de vormgeving en beoogde organisatie van de rechtspraak. Daarnaast vond verstoring plaats wanneer inwoners van de stad de wetgeving en besluitvorming negeerden of daar tegen ingingen, waarbij zij soms leden of mensen in dienst van het stadsbestuur verbaal of zelfs fysiek aanvielen. Handhaving vond plaats door middel van boetes of vervolging door het stedelijk gerecht, ten behoeve van &#x2013; zo communiceerden leden van het stadsbestuur dikwijls &#x2013; het algemeen belang, de <italic>bono commune</italic> of <italic>ghemenen oirbair.</italic><sup><xref ref-type="fn" rid="fn19">19</xref></sup> Een verstoring in het stadhuis, als plaats van wetgeving en rechtspraak, beschadigde volgens het stedelijk bestuur dus niet alleen het algemeen belang, maar ook de handhaving ervan. Voor stedelijke overheden was het dan ook essentieel dat zij hun capaciteit om de orde te handhaven of te herstellen duidelijk maakten, en daarbij protocollen en normen omtrent gedrag in het stadhuis vaststelden.</p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>De toegankelijkheid en regulering van het stadhuis in Gouda en Leiden</title>
<p>In 1448 moesten in Gouda enkele stadsgewichten, die in de waag werden gebruikt om producten te wegen, worden vervangen. Een deel van de gewichten was versleten, maar een aantal bleek gestolen. Volgens de grafelijke rentmeesterrekening van dat jaar lagen de gewichten in het stadhuis, &#x2018;dair veel volcs vertiert&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn20">20</xref></sup> Bij mijn weten is dit een vrij zeldzame karakterisering van de mate van menselijke bewegingen in het stadhuis. Toch is het aannemelijk dat dit soort gebouwen drukbezocht waren. Stadhuizen lagen op een kruispunt van het wegennetwerk dat vanaf de stadspoorten de stad inliep, en meestal aan, op of dicht bij een marktplein (zie <xref ref-type="fig" rid="fg003">Figuur 3</xref> en <xref ref-type="fig" rid="fg004">Figuur 4</xref>). Commercieel verkeer trok dus langs de gebouwen en ging er ook naar binnen, gezien de aanwezigheid van waagactiviteiten, in het geval van Gouda ook vanwege de in de kelder gelegen vleeshal, en in Leiden de aangelegen vlees- en lakenhal.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn21">21</xref></sup> Daarnaast kwamen inwoners van de stad, mannen en vrouwen, naar het stadhuis voor de daar aangeboden diensten, zoals het documenteren en valideren van overdrachten van bezit, testamenten, voogdij en weeszorg, of men zocht tegen betaling oplossingen voor onderlinge conflicten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn22">22</xref></sup></p>
<fig id="fg003">
<label>Figuur 3.</label>
<caption><p><italic>Plattegrond van Gouda</italic> (fragment), Jacob van Deventer, circa 1550. Het stadhuis is omcirkeld. &#x00A9; Nationaal Archief, Den Haag. 4.<sc>def</sc>. Inventaris van plattegronden en kaarten door of naar Jacob van Deventer, 16<sup>e</sup> eeuw &#x2013; 1941. 1.6. Gouda, ca. 1550.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12777_fig3.jpg"/>
</fig>
<fig id="fg004">
<label>Figuur 4.</label> 
<caption><p><italic>Plattegrond van Leiden</italic> (fragment). Het stadhuis is omcirkeld. Lithografie in kleur door J. Smulders, naar een kaart van Jacob Van Deventer, uitgegeven door Martinus Nijhoff (negentiende eeuw). De oorspronkelijke kaart van Jacob van Deventer stamt uit circa 1545. &#x00A9; Erfgoed Leiden en Omstreken. Signatuur <sc>pv</sc>_<sc>pv</sc>315.1.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12777_fig4.jpg"/>
</fig>
<p>Het aanbod van publieke diensten zorgde voor de noodzaak van specifieke ruimtes voor specifieke taken. Zo werden er in Gouda en Leiden in de tweede helft van de vijftiende eeuw naast een vierschaar en raadzaal onder meer een wees- en schrijfkamer ingericht.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn23">23</xref></sup> De publieke diensten zorgden ervoor dat het gebouw dagelijks werd gebruikt en bezocht. Het stadsbestuur van Leiden, zo stelde Arie van Steensel vast, had ongeveer tien tot twaalf administratief of juridisch medewerkers in dienst. Klerken waren een aantal uren per dag in het gebouw aanwezig, de openingstijden varieerden naargelang de stad en naargelang het seizoen. Zo was het Leidse stadhuis in de zomer open van zeven uur in de morgen tot zeven uur &#x2019;s avonds, en in de winter van acht tot zes.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn24">24</xref></sup> De schepenen kwamen met regelmaat bij elkaar in het stadhuis; naast raadszittingen betrof dit voor rechtszaken, civiel en crimineel, in principe een aantal vaste dagen, zoals de maandag, woensdag en vrijdag in Gouda.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn25">25</xref></sup></p>
<p>Het stadhuis was dus grote delen van de dag open voor stedelingen die gebruik maakten van de publieke diensten. Uitgaven aan schoonmaakdiensten in de stadsrekeningen van Gouda en Leiden impliceren dat het gebouw dan ook veel en dagelijks gebruikt werd, en &#x2019;s avonds werd afgesloten. Zo betaalde de stad Leiden in 1463 ene Willem Clap, &#x2018;die der stedehuys sluyt ende dat veecht ende schoenmaact&#x2019;, en Gouda in 1482 meermaals Dirck Claesz voor het schoonmaken van het gebouw.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn26">26</xref></sup> De algemene toegankelijkheid van het stadhuis wordt verder bevestigd door reparatiekosten. Zo moesten de Leidse schepenen de groene kleden die het stadhuis binnen sierden vervangen, omdat deze meermaals waren verscheurd door loslopende honden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn27">27</xref></sup> De stad Gouda betaalde volgens de stadsrekeningen in 1461 voor een raam in de klerkenkamer, die door een &#x2018;dollen man&#x2019; gebroken was.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn28">28</xref></sup> De Goudse schepenen legden in 1507 vast dat het niet was toegestaan voor &#x2018;rebauwen&#x2019; (een term die kon verwijzen naar landlopers, bedelaars, maar ook in meer algemene zin naar schurken of &#x2018;losbandigen&#x2019;) of anderen, inclusief kinderen, om &#x2019;s middags in het stadhuis te spelen, kaatsen of &#x2018;andere boeverij&#x2019; te ondernemen. Mogelijk was de publieke hal dus ook toegankelijk voor niet-ingezetenen van de stad.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn29">29</xref></sup> Deze bronfragmenten laten zien dat het stadhuis zeer toegankelijk was, een plaats waar het &#x2018;straatleven&#x2019; binnendrong, met voor het stadsbestuur blijkbaar nadelige gevolgen in de vorm van schade en storend gedrag.</p>
<p>Het multifunctionele karakter en de hoge mate van toegankelijkheid van het stadhuis konden inderdaad tot wanordelijkheden leiden, op het moment dat het gebouw werd gebruikt voor juridische bijeenkomsten die rust, orde of zelfs beslotenheid verlangden. Het was uiteraard mogelijk om deuren van bepaalde ruimtes af te sluiten, zoals dat gebeurde bij getuigenverhoren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn30">30</xref></sup> Het stedelijke gerecht moest, zo schreef de invloedrijke rechtsgeleerde Filips Wielant (1441/2-1520), in de besloten raadkamer tot een gezamenlijk oordeel of besluit komen. Maar de uiteindelijke uitspraak (en veroordeling in het geval van criminele zaken) vond altijd plaats in de vierschaar, in aanwezigheid van een publiek.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn31">31</xref></sup></p>
<p>Deze publieke rechtszaal was in Gouda direct achter de voordeur te vinden, en ook in Leiden kon men de ruimte, gesitueerd in een van de panden die samen het stadhuiscomplex vormden, gelijk vanaf de straat bereiken. De toegankelijkheid van deze ruimte faciliteerde de aanwezigheid van een publiek. De materi&#x00EB;le omgeving was vervolgens dusdanig vormgegeven dat er een fysieke afscheiding bestond tussen enerzijds de deelnemers aan de rechtszitting, zoals schout en schepenen, gedaagden, getuigen en advocaten, en anderzijds de mensen in het publiek of eventueel voorbijgangers. Traditioneel gezien organiseerde het gerecht een vierschaar buiten, aan vier zijden afgebakend door touwen, hekken of houten banken.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn32">32</xref></sup> Deze vier &#x2018;scharen&#x2019; werden, zij het in andere vorm, behouden in het laat-vijftiende-eeuwse stadhuis. De vierschaar werd vormgegeven door de vier muren van het stadhuis, waartegen de zetels van het gerecht werden geplaatst, en een laag traliewerk van hout of ijzer dat de grens met de rest van de ruimte in het stadhuis markeerde en kon worden afgesloten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn33">33</xref></sup> Daarachter kon het publiek staan. Deze toeschouwers konden de vierschaar in principe niet betreden, maar de afscheiding hinderde hen niet om te horen en te zien wat daarbinnen werd gezegd.</p>
<p>De publiciteit van de rechtszaak en van het oordeel of vonnis werd daarmee gewaarborgd, maar de doelbewust openbare inrichting van de ruimte en haar materi&#x00EB;le karakteristieken leidden ook tot de kans dat geluid of wanordelijk gedrag tot in de vierschaar doordrong. Dat daarvoor regelgeving nodig werd geacht, toont een Goudse keur, een stedelijke verordening, uit 1488 aan. Het stadsbestuur legde daarin vast dat iedereen die praat &#x2018;inder stede huus als men dinget&#x2019; &#x2013; als men rechtspreekt &#x2013; een boete moest betalen van drie stuivers, een bedrag dat voor ambachtslieden een flink deel van een dagloon zou beslaan.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn34">34</xref></sup> Er werd dus een concrete regel toegepast voor specifieke gebeurtenissen in een verder openbare ruimte: tijdens rechtszittingen wilde het stadsbestuur geluid en verstoring voorkomen door praten te verbieden. Het overgeleverde bronmateriaal laat niet toe om de frequentie van deze boetes te bepalen. De noodzaak voor dit soort regelgeving blijkt echter wel uit het feit dat de voorschriften werden bevestigd in het keurboek van 1507 en in de loop van de zestiende eeuw zelfs werden uitgebreid. In 1607 was de boete voor degene die &#x2018;kalt ofte klapt&#x2019; &#x2013; praat of kletst &#x2013; in het stadhuis als men rechtspreekt zes stuivers. Daarbovenop werd degene die tijdens de rechtszitting &#x2018;wandelt&#x2019; beboet met tien stuivers.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn35">35</xref></sup> Met betrekking tot Leiden zijn geen soortgelijke keuren overgeleverd. Dat betekent zeker niet dat daar geen zorgen omtrent geluid en onwenselijk gedrag tijdens rechtszittingen bestonden, zoals uit verderop aangehaalde voorbeelden zal blijken.</p>
<p>Tijdens een publieke rechtszitting behield het stadhuis zijn openbare karakter, maar veranderde het beoogde gebruik van de ruimte en de bewegings- en gedragsvrijheid van de bezoekers. <xref ref-type="fig" rid="fg005">Figuur 5</xref> en <xref ref-type="fig" rid="fg006">Figuur 6</xref> betreffen een 3D-reconstructie van de publieke hal met daarin de vierschaar van het Goudse stadhuis in de tweede helft van de vijftiende eeuw, gebaseerd op onder meer stadsrekeningen, criminele vonnisboeken, alsook latere bouwtekeningen en bouwhistorische onderzoeken.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn36">36</xref></sup> Deze afbeeldingen tonen de publieke hal buiten rechtszittingen om (<xref ref-type="fig" rid="fg005">Figuur 5</xref>) en tijdens rechtszittingen (<xref ref-type="fig" rid="fg006">Figuur 6</xref>). De reconstructies laten in beide gevallen een open, publieke hal zien met daarin een vierschaarconstructie van houten zetels met groene bekleding voor schout en schepenen, een tafel met stoel voor de klerk, en een houten hekwerk dat de vierschaar afscheidt van de overige ruimte. Aan de muur hangen twee objecten die standaard tot de inventaris van de vierschaar behoorden: een crucifix en een Laatste Oordeel.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn37">37</xref></sup> Het op de afbeeldingen aanwezige licht verwijst naar de aanwezigheid van natuurlijke lichtinval en de noodzaak van kunstmatig licht door middel van kaarsen en vuur, anders waren dit soort ruimtes behoorlijk donker. Hoewel de stadhuizen van Gouda en Leiden, alsook van andere steden, van elkaar verschilden qua omvang, ruimtelijke indeling en inventaris, en door de decennia heen ook werden aangepast, kenden de toegankelijke publieke locaties voor rechtspraak sterke overeenkomsten en vaste onderdelen. Het zijn uitsluitend die elementen die in deze 3D-reconstructies zijn vastgelegd. De hypotheses die in dit artikel met behulp van deze reconstructies worden getoetst en de nieuwe vragen en analyses die deze opwerpen zijn dan ook relevant voor andere casussen.</p>
<fig id="fg005">
<label>Figuur 5.</label> 
<caption><p>De publieke hal met de vierschaar op de begane grond van het stadhuis in Gouda tijdens dagelijks gebruik, wanneer er dus geen recht werd gesproken. De afbeelding toont het zicht van iemand die gepositioneerd is in de entree van het gebouw. 3D-reconstructie gemaakt door Tijm Lanjouw van het 4D Research Lab, Universiteit van Amsterdam.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12777_fig5.jpg"/>
</fig>
<fig id="fg006">
<label>Figuur 6.</label>
<caption><p>De publieke hal met de vierschaar op de begane grond van het stadhuis in Gouda tijdens een rechtszitting. De afbeelding illustreert het zicht van iemand die gepositioneerd is in de entree van het gebouw. De 3D-reconstructie is gemaakt door Tijm Lanjouw van het 4D Research Lab, Universiteit van Amsterdam.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12777_fig6.jpg"/>
</fig>
<p>De reconstructies van de laatmiddeleeuwse toegangshal en publieke rechtszaal van het Goudse stadhuis maken duidelijk dat eenzelfde ruimte met dezelfde vierschaarconstructie op twee verschillende manieren kon worden gebruikt en georkestreerd, wat implicaties had voor toegankelijkheid, gedrag, geluid en zicht. Zo is op <xref ref-type="fig" rid="fg005">Figuur 5</xref> sprake van een vrije toegankelijkheid en doorstroom van stadhuisbezoekers, aangezien de vierschaar op dat moment niet werkzaam is. In deze ruimte werden in principe geen diensten aangeboden, hij diende hoofdzakelijk als publieke hal die toegang bood tot andere stadhuisruimten, zoals de raadzaal en schrijfkamer, en die ruimte bood voor &#x2018;straatleven&#x2019;. Op <xref ref-type="fig" rid="fg006">Figuur 6</xref>, waarop een vierschaar in gebruik wordt afgebeeld, is de toegankelijkheid van de ruimte gewaarborgd en kan de ruimte een significant aantal mensen huisvesten, maar is verdere beweging gereguleerd. In beide situaties echter stonden de aangebrachte materi&#x00EB;le structuren, bijvoorbeeld de van hout gemaakte en afgebakende vierschaar, vast. Op zowel <xref ref-type="fig" rid="fg005">Figuur 5</xref> als <xref ref-type="fig" rid="fg006">Figuur 6</xref> is de publieke hal dus ruimtelijk gesplitst, waarvan in de situatie zoals afgebeeld in <xref ref-type="fig" rid="fg006">Figuur 6</xref> &#x00E9;&#x00E9;n deel, namelijk de vierschaar, alleen toegankelijk is voor personen die deelnemen aan de rechtszitting.</p>
<p>De 3D-reconstructie laat toe om de volgende hypothese te toetsen: het stadsbestuur bracht door materi&#x00EB;le ingrepen structuur aan in het stadhuis om de rechtsprocedure te faciliteren en vorm te geven, met name qua beweging en positionering van de deelnemers. De 3D-reconstructie laat duidelijk zien dat door de materi&#x00EB;le opstelling en de beeldende aspecten zoals het Laatste Oordeel, de ruimtelijke context voor de actor en zijn of haar gedrag duidelijk moest zijn.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn38">38</xref></sup> Die kon namelijk in principe in alle situaties en vanuit alle posities in de hal, ook buiten de zittingen om, zien en herkennen dat hij of zij zich in een ruimte bevond die gebruikt werd voor rechtspraak. Deze aangebrachte structuren be&#x00EF;nvloedden daarmee alledaagse praktijken en wat zij betekenden. Want hoewel de vierschaarconstructie een afbakening van de zitting betrof waarbinnen mensen werden toegelaten die een rol in de zitting speelden, was de constructie niet alleen onvoldoende maar ook niet primair bedoeld om verstoring volledig te voorkomen. De constructie was echter wel medebepalend voor wat als verstoring gold. Geluid of openlijk uitgesproken onvrede zou de afscheiding immers gewoon passeren, en het verstorende effect ervan werd door de structuren zelfs versterkt omdat op deze plek overheden op een voor het publiek herkenbare wijze poogden orde aan te brengen, zeker tijdens rechtszaken.</p>
<p>De 3D-reconstructie (met name <xref ref-type="fig" rid="fg006">Figuur 6</xref>) toetst nog een andere hypothese: door overheden aangebrachte structuren zoals de materi&#x00EB;le afscheidingen, maar net zo goed de rechterlijke procedure alsook de gewenste uitwerking van regulering (stilte), waren zeer kwetsbaar voor verstoring. De positie van de kijker op zowel <xref ref-type="fig" rid="fg005">Figuur 5</xref> als 6 is die van een persoon in de deuropening. De kijker staat dus op de grens van alle voor de vierschaar bekende structuren die de orde van het rechtsproces bepalen. Hardop roepen of een vechtpartij zouden daar tijdens een rechtszitting zeker een &#x2018;publiek&#x2019; hebben en de procedure verstoren. Niet alleen geluid, maar ook beweging en ander wanordelijk gedrag konden vanaf de drempel immers gemakkelijk doordringen.</p>
<p>Als <italic>socially mediated space</italic> was de publieke hal van het stadhuis dus een ruimte die bij uitstek een conflictueuze betekenis kon krijgen. De alledaagse praktijk hield in dat straatleven toegang kreeg tot het gebouw. Op momenten dat overheden structuren aanbrachten werd dit straatleven gereguleerd, in principe tot aan de drempel, waardoor bijvoorbeeld pratende mensen w&#x00E9;l disruptief werden. Deze publieke rechtsruimte kreeg als <italic>socially mediated space</italic> betekenis als plaats voor orde <italic>en</italic> verstoring. Verdere regulering door middel van wetgeving en handhaving was bezien vanuit de stedelijke overheden dan ook noodzakelijk.</p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>De locatie en het publieke karakter van conflicten en verstoring</title>
<p>Een aantal gebeurtenissen in Leiden rond 1458, zoals opgetekend in vonnissen van de stedelijke rechtbank, laat zien dat bovenstaande spanning inderdaad bestond. In dat jaar veroordeelde het gerecht twee mannen, Matheus van Berendrecht en Geryt Dircx, omdat zij een gevecht waren gestart op de drempel van het stadhuis vlak voordat zij voor het gerecht zouden verschijnen om een financieel geschil op te lossen. De schepenen veroordeelden niet alleen het geweld zelf, maar benadrukten in het vonnis dat het gevecht begonnen was &#x2018;terwilen dat die scout mitten gerechten saten inder vierschair ende dingede&#x2019;. Het gevecht verstoorde niet alleen een rechtszitting die aan de gang was, maar veroorzaakte eveneens &#x2018;grote beroerte [oproer] inder vierschair ender onder tgemeen volck die te rechte gecomen waren&#x2019;. De schepenen beschouwden dit temeer als een slecht voorbeeld omdat zij ervoor verantwoordelijk waren dat er &#x2018;geen storing inder gerechten&#x2019; plaatsvond.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn39">39</xref></sup> Een derde man die bij het gevecht betrokken raakte, Dirc Hoichstraet, werd eveneens veroordeeld. De schepenen maakten duidelijk dat Hoichstraet als poorter verantwoordelijk was voor het voorkomen van gevechten en onrust in de vierschaar.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn40">40</xref></sup> In hetzelfde jaar veroordeelde het gerecht nogmaals twee mannen, Joesep Aerntsz en Cornelis van Vliet. Zij waren naar het stadhuis gekomen om een conflict bij de schepenen te doen beslechten. Nog voordat ze het gebouw hadden betreden, waren ze met elkaar in aanvaring gekomen, terwijl er in de vierschaar een andere rechtszitting aan de gang was. Hun gedrag zorgde er volgens het gerecht voor dat er &#x2018;grote beroerte ende storinge onder de giemente inder stede huys voir de vierschair was&#x2019;, die mogelijk de vierschaar zelf hadden kunnen verstoren.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn41">41</xref></sup></p>
<p>Het gerecht beschouwde bovenstaande zaken als wanordelijkheden die op de drempel van het stadhuis plaatsvonden, vlakbij de publieke rechtszaal die op dat moment in gebruik was, en waar &#x2013; zo stellen ook de vonnissen &#x2013; publiek verzameld stond. Deze situatie lijkt dus sterk op de context zoals afgebeeld op <xref ref-type="fig" rid="fg006">Figuur 6</xref>. Het gewelddadige gedrag, dat zich zowel mondeling als fysiek uitte, leidde tot commotie net buiten het gebouw en de vierschaar en vormde zo een bedreiging voor orde van de gereguleerde rechtszitting. De gebeurtenissen laten ook het potenti&#x00EB;le effect zien van verstorend gedrag. De veroordeelde mannen namen het heft in eigen handen en kozen voor de confrontatie buiten de rechtszaal, nota bene op de drempel van het gebouw waar ze bij het gerecht nog hun zaak moesten bepleiten. Daardoor werd, al dan niet bewust, het gezag van de schout en schepenen op publieke wijze betwist. De confrontatie buiten het stadhuis zou zich immers kunnen verspreiden en tot oproer kunnen leiden, zo betoogde het gerecht, terwijl zij verantwoordelijk waren voor het handhaven van een ordelijk verloop van rechtspraak. Dat die ordelijkheid geen vanzelfsprekendheid was, realiseerden de schepenen zich klaarblijkelijk gezien de uitgebreide bewoordingen die zij aan deze zaken besteedden. Ze benadrukten daarbij dat het gedrag niet alleen verstorend was voor henzelf en hun taken, maar ook voor het publiek. Door het veroordelen en bestraffen van het wanordelijke gedrag communiceerden de magistraten eveneens publiekelijk onder welke voorwaarden de openbaarheid van dit type publieke diensten moest plaatsvinden, en dat zij in staat waren de orde in en rond het gebouw te herstellen en te handhaven.</p>
<p>De met orde conflicterende acties vonden niet alleen op de drempel van het stadhuis plaats maar ook in het gebouw zelf. Dit betrof personen die doelbewust bestuurders of overheidsdienaren opzochten of personen die door het stadsbestuur waren uitgenodigd of gevorderd te komen opdagen. Dit bracht soms heftige confrontaties in de vorm van fysiek geweld met zich mee. Zo ontboden de schepenen in 1447 de kannenmaker Jacob Jan Jansz in het Goudse stadhuis. Toen Jansz dit vernam, ging hij &#x2018;beneden inden raedhuyse&#x2019; en raakte daar in gevecht met de knecht van de baljuw.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn42">42</xref></sup> In hetzelfde jaar, maar dan in Leiden, moest ene Katrijn &#x2013; de vrouw van Jan Aemsz &#x2013; zich bij de weesmeesters melden in het stadhuis, alwaar ze in hun aanwezigheid een man tot bloedens toe sloeg. Haar zaak bevestigt, hoewel als een van de weinige voorbeelden, dat vrouwen evengoed het stadhuis bezochten en zich daar ook wel eens misdroegen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn43">43</xref></sup> Vaker betroffen conflicten in het stadhuis echter verbaal geweld. In Gouda in 1519 werd Jacob Stamme veroordeeld omdat hij tweemaal leden van het gerecht &#x2018;qualick&#x2019; had toegesproken. Het vonnis geeft niet de exacte woorden van Stamme weer, maar benadrukt dat deze gericht waren op de rechtspleging. Daarnaast benoemt het vonnis nadrukkelijk de ontvangers en de locatie waar hij deze woorden uitte: &#x2018;eenige vanden gerechte [&#x2026;] ende bysonder inde camer&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn44">44</xref></sup></p>
<p>Casussen waarbij sprake is van belediging van functionarissen in het stadhuis komen vaker voor in zowel de Goudse als Leidse vonnisboeken. Uit een steekproef van 1361 vonnissen tussen 1392 en 1490 draaien 74 zaken waarover het Leids gerecht zijn vonnis uitsprak primair om belediging aan het adres van autoriteiten of overheidsdienaren (5,4 procent van het totaal). Een soortgelijk percentage is terug te vinden in de vonnisboeken van Gouda, waar tussen 1447 en 1539 561 vonnissen werden uitgesproken, waarvan 29 over het direct beledigen of bedreigen van leden van het gerecht (5,2 procent van het totaal).<sup><xref ref-type="fn" rid="fn45">45</xref></sup> Dit soort zaken keren verspreid over de jaren terug. De schepenen zagen dus met enige regelmaat de noodzaak om belediging of bedreiging van het gerecht te bestraffen.</p>
<p>Martine Veldhuizen geeft aan dat het beledigen van gezagsdragers in brede zin toenam in de vijftiende eeuw. Een verklaring ligt volgens haar bij het toenemende gebruik van gerechtelijke instituties, waarbij leden van het gerecht ook gevoeliger werden voor belastende uitspraken die hun juridische autoriteit konden ondermijnen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn46">46</xref></sup> De hierboven genoemde aantallen suggereren zeker geen dagelijkse taferelen, hoewel het hier enkel gaat om zaken waarin het gerecht directe belediging of bedreiging bestrafte, terwijl het gerecht zich ook in andere zaken als (mede-)slachtoffer kon presenteren, het meest duidelijk wanneer daden zich hadden afgespeeld &#x2018;in aanwezigheid van het gerecht&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn47">47</xref></sup> Juridische documentatie laat daarbij duidelijk zien dat de mate waarin het gerecht beledigingen als verstorend of als betwisting van autoriteit ervaarde, sterk bepaald werd door de exacte locatie van dit wangedrag. Zaken zoals die van Stamme en anderen die verderop worden besproken, bewijzen dan ook dat de aandacht voor belediging van rechterlijke autoriteit niet alleen een relatie had met het intensiever gebruik van rechterlijke instituties, maar ook met de groeiende standaardisering van gerechtelijke ruimtes die bovendien voorzien werden van duidelijke gedragsprotocollen. Deze verhoogden de gevoeligheid van de stedelijke autoriteiten voor ondermijning nog verder, zeker wanneer vastgesteld wangedrag de rechtsgang direct schaadde. In de Leidse en Goudse vonnissen waar beledigingen of lasterlijke woorden werden behandeld, liet het gerecht dan ook vaak optekenen hoe de woorden de juridische procedure hadden verstoord, of dit mogelijk hadden kunnen doen. Dit was des te meer het geval wanneer dit ook in, of in nabijheid van, de rechtszalen van het stadhuis gebeurde.</p>
<p>Voor een periode waarin de autoriteit van stedelijke overheden en rechtbanken verre van vanzelfsprekend was, is het goed voor te stellen dat het gerecht reageerde met strenge bewoordingen en straffen, maar vooral ook met het communiceren en benadrukken van de gewenste normen voor een ordelijke rechtsgang. Zo werd in Leiden in een zaak uit 1458 benadrukt dat ene Gerijt &#x2018;oneerlike woirde&#x2019; in &#x2018;die vierschair voir tgemene volke&#x2019; had geroepen. Zowel het uiten van beledigingen in deze specifieke ruimte als de consequentie daarvan &#x2013; namelijk het feit dat het publiek dit kon horen &#x2013; motiveerden het gerecht om hem te bestraffen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn48">48</xref></sup> Dat de koppeling tussen beledigingen en ruimte inderdaad werd gemaakt, wordt eveneens gesuggereerd in een traktaat van Filips Wielant, bedoeld voor de stad Haarlem. Daarin stelt hij dat iemand die een inwoner van de stad, man of vrouw (&#x2018;poorter of poortesse&#x2019;), beledigt of belasterend toespreekt in de vierschaar of op het stadhuis, in aanwezigheid van het gerecht, een boete moet betalen van twintig schellingen. Als dit elders zou gebeuren, dan zou de boete vijf schellingen moeten zijn.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn49">49</xref></sup> Volgens Wielant zou een boete voor beledigingen die geuit werden in het stadhuis dus veel hoger moeten zijn. Dit was immers een ruimte die voor belastende woorden juist bescherming moest bieden.</p>
<p>Een ander duidelijk voorbeeld van een plaats-gerelateerde belediging die de juridische procedure verstoorde is de zaak van de Leidse Jacop Willemsz, een &#x2018;turffman&#x2019; (een turfboer of turfschipper), die plaatsvond in 1482. In het vonnis is te lezen dat zijn vrouw (niet bij naam genoemd) hem beschuldigde van het negeren van zijn eerder overeengekomen financi&#x00EB;le verplichtingen jegens haar en hun kinderen. Het gerecht gaf haar gelijk en concludeerde dat hij zijn familie op monetaire wijze moest helpen.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn50">50</xref></sup> Op dat moment, zo heeft het gerecht doen noteren, draaide Willemsz zich om en liep hij naar de deur. Daar zei hij tegen zijn vrouw, haar familieleden en de schepenen: &#x2018;Ik ga nu heen, en als het u aan iets ontbreekt, volg mij dan&#x2019;. Eenmaal buiten de deur bevestigde hij zijn beslissing en sprak hij &#x2018;verhitte&#x2019; woorden tot dezelfde personen: &#x2018;al zouden jullie allen de Sint Jans-evel hebben!&#x2019; (vallende ziekte; epilepsie). Vervolgens sloeg Willemsz zijn mantel om op een manier alsof hij had willen vechten. Dit was &#x2018;betuigd door diegenen die het hoorden toen zij voor de deur van de kamer zaten&#x2019;.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn51">51</xref></sup></p>
<p>Willemsz lijkt de rechterlijke besluiten en dus de autoriteiten niet te hebben erkend, ten eerste omdat hij eerdere gemaakte afspraken had verbroken, ten tweede omdat hij, door weg te lopen, de nieuwe uitspraak verwierp. Belediging van de andere partij nadat een juridische overeenkomst was bereikt werd dan ook gezien als een misdaad.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn52">52</xref></sup> Maar deze belediging, en het niet accepteren van de rechterlijke uitspraak, waren niet de enige aspecten die het gerecht in overweging nam. Het vonnis benoemt eveneens de gewelddadige indruk die Willemsz maakte en de specifieke locatie waar hij zijn beledigingen uitte. Er staat duidelijk genoteerd dat Willemsz zijn eerste woorden sprak terwijl hij naar de deur van de raadkamer liep, dat hij vervolgens naar buiten liep en daar &#x2013; in aanwezigheid van getuigen, die voor de deur zaten te wachten &#x2013; een dreigende houding aannam en nogmaals smadelijke woorden sprak. Het vonnis maakt duidelijk dat er met het met het openen van de deur en het over de drempel stappen een nieuwe ruimtelijke context van belang was, met de nodige consequenties. Waar in de raadkamer zijn woorden beledigend waren voor de andere partij en het gerecht, en daarmee strafbaar werden, waren zijn uitspraken buiten de raadkamer eveneens te horen voor een groter publiek. Daarmee werd de ondermijning van de rechtspraak vergroot: andere mensen waren nu getuige van de verstoring en van de beledigingen aan het adres van het gerecht. De schepenen beschouwden Willemsz&#x2019; gedrag dan ook als een &#x2018;verachting van het gerecht&#x2019; en stuurden hem als straf op een pelgrimage naar Rome.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn53">53</xref></sup></p>
<p>Dit voorbeeld laat zien dat in een publieke ruimte zoals het stadhuis wanordelijk gedrag snel vele getuigen kende, en dat mensen als Willemsz het openbare karakter van deze ruimte aangrepen om hun ongenoegen publiekelijk te uiten. Functionarissen beoordeelden dit als schadelijk voor hun autoriteit, zo blijkt uit het feit dat zij hier in hun vonnissen uitgebreid aandacht aan besteedden. Zij vonden het essentieel om dit type gedrag in het stadhuis als strafbaar te defini&#x00EB;ren en te vervolgen, om vervolgens via de veroordeling en motivatie daarvan te communiceren waarom die vervolging van belang was. Zij verwezen in de vonnissen daarom zorgvuldig naar de rol van bepaalde ruimten en de aanwezigheid van publiek. Niet alleen het feit dat het gerecht beledigd werd was van belang in de vonnisbepaling, maar ook de specifieke ruimte waarin dit had plaatsgevonden, omdat die ruimte, en het openbare karakter ervan, bepalend was voor het effect en de draagwijdte van de boodschap van de geuite beledigingen.</p>
<p>Een ander vonnis laat zien dat schepenen hier al op anticipeerden. Het betreft een zaak in Leiden uit 1482, waaruit blijkt dat zij de boodschap van ene Willem Gerrit Lamsz niet geschikt achtten voor het grotere publiek. Daarnaast toont de zaak dat de magistraten vervolgens zelf heel bewust gebruik maakten van de publieke ruimten in en rond het stadhuis, mede vanwege een vergiffenisritueel dat zij als straf lieten opnemen. De zaak Lamsz draaide om het volgende: de stadsraad had een openbare bijeenkomst in de vierschaar georganiseerd omtrent het verkopen van &#x2018;ramen&#x2019;, dit hield een locatie en constructie in waar lakens gespannen werden. Deze verkoop was een gevoelige praktijk die feitelijk alleen voorkwam wanneer een stad in geldnood zat.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn54">54</xref></sup> Nadat het stadsbestuur de voorwaarden van de verkoop had voorgelezen, maakte Lamsz &#x2018;voirden gemeene volke&#x2019; kenbaar dat hij het hiermee oneens was en bekritiseerde hij het oordeelsvermogen van de &#x2018;wairdeyns&#x2019;, de door het gerecht gekozen keurmeesters van de lakenproductie. Volgens het vonnis hadden deze woorden betrekking op de lakenproductie, en daarom &#x2018;quame [hij] boven, dair behorde&#x2019; (&#x2018;hij kwam naar boven, zoals de gewoonte was&#x2019;), en werd hij dus door de magistraten verzocht om zich naar een andere ruimte te verplaatsen. Het is onduidelijk welke ruimte er in dit geval werd gebruikt, maar het stadsbestuur zocht duidelijk naar meer beslotenheid. Daar gaf Lamsz aan dat hij de ramen graag goedkoop wilde overnemen. Het gerecht beoordeelde deze eis als zeer nadelig voor de stad en de lakenindustrie, en beschouwde Lamsz&#x2019; gedrag blijkbaar als strafbaar. Hij moest een boete betalen, maar de schepenen geboden hem eveneens om zijn fout publiekelijk toe te geven en hen en de keurmeesters om vergiffenis te vragen. Hoewel dit soort vergiffenisrituelen in Leiden gangbaar waren, instrueerden de schepenen dit in vergelijking tot andere vonnissen meer in detail: op de eerstvolgende dag dat men verkondigingen deed vanuit het stadhuis (doorgaans vanaf een balkon), zou Lamsz zonder dat men hem moest ontbieden voor het stadhuis verschijnen. Wanneer de schepenen klaar waren moest hij &#x2018;van onder op mit luyder stemmen&#x2019;, het gerecht &#x2018;bidden&#x2019; om vergiffenis.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn55">55</xref></sup></p>
<p>Ook met betrekking tot deze zaak blijkt dat functionarissen zich bewust waren van de openbaarheid dan wel geslotenheid van bepaalde ruimten in het stadhuis en dat zij hier ter plekke naar handelden. De initi&#x00EB;le bijeenkomst rondom de verkoop van de ramen vond plaats in de publieke omgeving van de vierschaar. Zodra Lamsz een kritische noot aansloeg gingen de schepenen op zoek naar een andere, meer besloten ruimte, weg van het grotere publiek dat de boodschap volgens de schepenen beter niet kon horen. Toen duidelijk was wat Lamsz wilde bewerkstelligen, besloot het gerecht juist weer de openbare ruimte op te zoeken, op een moment waarop het stadsbestuur publiciteit zocht met haar aankondigingen en er dus publiek aanwezig zou zijn. Vanuit &#x2018;bescheydenheit&#x2019; zouden zij deze vergiffenis vanaf het balkon aanhoren. Door middel van het vonnis en het vergiffenisritueel liet het stadsbestuur weten dat eisen zoals die van Lamsz niet werden ingewilligd, ook niet wanneer deze achter gesloten deuren werden besproken. De magistraten trachtten op deze wijze hun autoriteit en betrouwbaarheid te versterken, actief verwijzend naar en gebruik makend van de gebouwde omgeving. Het herbevestigen van de structuren voor het ordelijk functioneren van rechtspraak bleef daarbij een terugkerende noodzakelijkheid.</p>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Conclusie</title>
<p>Het laatmiddeleeuwse stadhuis was een zeer toegankelijk en drukbezocht overheidsgebouw, dat zowel de uitvoer van bestuur en rechtspraak faciliteerde als ruimte bood voor tegenspraak en verzet. De ruimtelijke indeling van het gebouw, de constructies zoals de vierschaar en de regulering van beweging en gedragsnormen gaven vorm aan het ordelijk functioneren van rechtspraak. De alledaagse praktijk van juridische processen in het stadhuis hield echter eveneens in dat inwoners van de stad luid en duidelijk tegen beslissingen in konden gaan. De aanwezigheid van publiek was een evident onderdeel van rechtspraak, maar verhoogde de kwetsbaarheid van de autoriteit van magistraten wanneer zij werden geconfronteerd met wanordelijkheden. Het stadhuis bevestigde en symboliseerde het functioneren van rechtspraak dus niet zonder tegenslag. Sterker nog, in dit artikel heb ik laten zien dat juist de door overheden aangelegde structuren verstoringen mogelijk maakten of versterkten.</p>
<p>Stedelingen waren zich hiervan bewust. Magistraten namen wanordelijkheden dan ook serieus. In de argumenten voor vonnissen verbond het gerecht verstoringen dikwijls direct aan de locatie, de mate van openbaarheid en de potenti&#x00EB;le gevolgen voor de rechterlijke orde. Door de communicatie van deze argumenten trachtten de autoriteiten de structuren opnieuw te bevestigen, door aan te geven welk gedrag waar in het stadhuis niet werd getolereerd. Van wie was dus het stadhuis&#x003F; De structuren van dit publieke overheidsgebouw werden in eerste instantie aangelegd door functionarissen. Fysieke, gebouwde grenzen en wetgeving en regulering waren ogenschijnlijk duidelijk. Maar meer dan historici vaak beweren, betrof het functioneren en de betekenis van stadhuisruimten en hun grenzen een dynamische sociale realiteit, met als deelnemers de grote diversiteit aan mensen die een stad rijk was.</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Dit artikel is gebaseerd op delen van mijn proefschrift, met name het hoofdstuk &#x2018;Order, disorder, and Contestation&#x2019;. Nathan van Kleij, <italic>Beyond the Fa&#x00E7;ade: Town Halls, Publicity and Urban Society in the Fifteenth-Century Low Countries</italic> (Universiteit van Amsterdam 2021). <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://hdl.handle.net/11245.1/b59ef279-4ea9-4983-b8fe-8552769bf550">https://hdl.handle.net/11245.1/b59ef279-4ea9-4983-b8fe-8552769bf550</ext-link>. Deze bijdrage is mede tot stand gekomen dankzij de &#x2018;Beurs voor jonge historici 2021&#x2019;, uitgereikt door het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap (<sc>knhg</sc>). Veel dank aan Tijm Lanjouw van het <italic>4D Research Lab</italic> van de Universiteit van Amsterdam die de 3D-reconstructie van de vierschaar in Gouda heeft gerealiseerd. Ik ben daarnaast de tijdschriftredactie en de anonieme <italic>peer reviewers</italic> erkentelijk voor hun grondige lezing en kritische feedback, en Frans Camphuijsen voor het becommentari&#x00EB;ren van een eerste versie.</p></fn>
<fn id="fn2"><label>2</label><p>Stephan Albrecht, <italic>Mittelalterliche Rath&#x00E4;user in Deutschland. Architektur und Funktion</italic> (Wissenschaftliche Buchgesellschaft 2004) 25.</p></fn>
<fn id="fn3"><label>3</label><p>Colin Cunningham, &#x2018;For the Honour and Beauty of the City: the Design of Town Halls&#x2019;, in: Diana Norman (red.), <italic>Siena, Florence and Padua: Art, Society and Religion, 1280-1400</italic> <sc>ii</sc>: Case Studies (Yale University Press 1995) 29-54; Alain Salamagne (red.), <italic>H&#x00F4;tels de ville. Architecture publique &#x00E0; la Renaissance</italic> (Presses Universitaires de Rennes 2015). <sc>doi:</sc> <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.4000/books.pufr.8292">https://doi.org/10.4000/books.pufr.8292</ext-link>; Sascha K&#x00F6;hl, <italic>Das Br&#x00FC;sseler Rathaus. Repr&#x00E4;sentationsbau f&#x00FC;r Rat, Stadt und Land</italic> (Michael Imhof Verlag 2019).</p></fn>
<fn id="fn4"><label>4</label><p>Martha Howell, &#x2018;The Spaces of Late Medieval Urbanity&#x2019;, in: Marc Boone en Peter Stabel (reds.), <italic>Shaping Urban Identity in Late Medieval Europe</italic> (Garant 2000) 7-9.</p></fn>
<fn id="fn5"><label>5</label><p>&#x2018;Women did not walk in the corridors of the <italic>h&#x00F4;tel de ville</italic> as aldermen or judges; they did not sit in the guildhall&#x2019;. Howell, &#x2018;The Spaces&#x2019;, 9.</p></fn>
<fn id="fn6"><label>6</label><p>Howell, &#x2018;The Spaces&#x2019;, 14.</p></fn>
<fn id="fn7"><label>7</label><p>Marvin Trachtenberg geeft treffend aan hoe gebouwen bestaan <italic>in a state of becoming</italic> &#x2013; het gebouw wordt iets over een langere periode. Dit betreft het bouwen zelf, de aanpassingen over vervangingen van materi&#x00EB;le elementen, maar ook een <italic>lifeworld</italic>, waarmee Trachtenberg de wensen, benodigdheden en smaak die zich in de sociaal-culturele context van het gebouw bevinden bedoelt. Marvin Trachtenberg, <italic>Building-in-Time: From Giotto to Alberti and Modern Oblivion</italic> (Yale University Press 2010) x-xii.</p></fn>
<fn id="fn8"><label>8</label><p>Fabrizio Nevola, <italic>Street Life in Renaissance Italy</italic> (Yale University Press 2020) 12, 21, 268, citaat op 21.</p></fn>
<fn id="fn9"><label>9</label><p>Zie Jacobus Fruin en Meinardus Pols (reds.), <italic>Het rechtsboek van den Briel, beschreven in vijf tractaten door Jan Matthijssen</italic> (Den Haag 1880) 130; Jos Monballyu (red.), <italic>Filips Wielant. Verzameld werk. Deel I: De Corte instructie in materie criminele</italic> (Paleis der Academi&#x00EB;n 1995) 75; Joos de Damhouder, <italic>Practycke in civile saecken, seer nut, profijtelijck ende nodigh alle schouten, borghemeesteren, magistraten ende andere rechteren</italic> (Den Haag 1626) 567.</p></fn>
<fn id="fn10"><label>10</label><p>De stadsrechten van Gouda waren gebaseerd op die van Leiden, en Leiden had daarom ook een adviserende rol met betrekking tot politieke en juridische zaken. Rudi van Maanen en Jan Marsilje (reds.), <italic>Leiden. De geschiedenis van een Hollandse stad. Deel 1:Leiden tot 1574</italic> (Stichting Geschiedschrijving Leiden 2002) 60. In het voor dit artikel bestudeerde bronmateriaal is die adviserende rol niet zichtbaar en komt uitwisseling op het gebied van ruimtelijk ontwerp en regulering van gedrag niet naar voren. Het is echter zeer aannemelijk dat bestuurders van Leiden en Gouda op de hoogte waren van het ontwerp en functioneren van rechtsruimtes in de respectievelijke stadhuizen, vanwege Leidens adviserende rol en vanwege de praktijk van bouwmeesters om soortgelijke gebouwen in andere steden te bestuderen. Zie Merlijn Hurx, <italic>Architecture as Profession: The Origins of Architectural Practice in the Low Countries in the Fifteenth Century</italic> (Brepols 2018) 91-93. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1484/M.archmod-eb.5.110498">https://doi.org/10.1484/M.archmod-eb.5.110498</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn11"><label>11</label><p>De stad Leiden kende aan het eind van de vijftiende eeuw ongeveer 12.000 inwoners, Gouda rond de 9.500. Van Maanen en Marsilje, <italic>Leiden</italic>, 56; Paul Abels et al. (red.), <italic>Duizend jaar Gouda. Een stadsgeschiedenis</italic> (Verloren 2002) 34-42.</p></fn>
<fn id="fn12"><label>12</label><p>Robert Tittler, <italic>Architecture and Power: The Town Hall and the English Urban Community c. 1500-1640</italic> (The Clarendon Press, Oxford University Press 1991) 141; Idem, &#x2018;&#x201C;&#x2026; and No Loose People to Trouble the Hall&#x201D;: Oligarchy and the Division of Space in the English Civic Hall to 1640&#x2019;, <italic>History Compass</italic> 10:9 (2012) 622, 629. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1111/j.1478-0542.2012.00852.x">https://doi.org/10.1111/j.1478-0542.2012.00852.x</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn13"><label>13</label><p>Barbara Deimling, &#x2018;The Courtroom: From Church Portal to Town Hall&#x2019;, in: Wilfried Hartmann en Kenneth Pennington (reds.), <italic>The History of Courts and Procedures in Medieval Canon Law</italic> (The Catholic University of America 2016) 50. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.2307/j.ctt1j0pt7h">https://doi.org/10.2307/j.ctt1j0pt7h</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn14"><label>14</label><p>Zie bijvoorbeeld Jacqueline van Leeuwen, &#x2018;Het decor van een machtswissel. Ruimtegebruik bij de Gentse wetsvernieuwing in de vijftiende eeuw&#x2019;, <italic>Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent</italic> (2003) 47-70. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.21825/hmgog.v57i0.385">https://doi.org/10.21825/hmgog.v57i0.385</ext-link>; Idem, &#x2018;Ritueel en publiek. De rol van toeschouwers bij de wetsvernieuwing in Gent, Brugge en Ieper in de vijftiende eeuw&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Geschiedenis</italic> 117:3 (2004) 321-337.</p></fn>
<fn id="fn15"><label>15</label><p>Christian Liddy, <italic>Contesting the City: The Politics of Citizenship in English Towns, 1250-1530</italic> (Oxford University Press 2017) 125-164. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1093/oso/9780198705208.001.0001">https://doi.org/10.1093/oso/9780198705208.001.0001</ext-link>. Zie ook Patrick Lantschner, <italic>The Logic of Political Conflict in Medieval Cities: Italy and the Southern Low Countries, 1370-1440</italic> (Oxford University Press 2015). <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1093/acprof:oso/9780198734635.001.0001">https://doi.org/10.1093/acprof:oso/9780198734635.001.0001</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn16"><label>16</label><p>Franz-Josef Arlinghaus, <italic>Inklusion-Exklusion: Funktion und Formen des Rechts in der sp&#x00E4;tmittelalterlichen Stadt. Das Beispiel K&#x00F6;ln</italic> (B&#x00F6;hlau Verlag 2018) 30, 44, 91. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.7788/9783412504397">https://doi.org/10.7788/9783412504397</ext-link>. Zie ter vergelijking de ruimtelijke praktijken van diverse gerechtshoven: Frans Camphuijsen, <italic>Scripting Justice in Late Medieval Europe: Legal Practice and Communication in the Law Courts of Utrecht, York and Paris</italic> (Amsterdam University Press 2022) 75-100. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1515/9789048555499">https://doi.org/10.1515/9789048555499</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn17"><label>17</label><p>Juliaan de Ridder, <italic>Gerechtigheidstaferelen voor schepenhuizen in de Zuidelijke Nederlanden in de 14de, 15de en 16de eeuw</italic> (Paleis der Academi&#x00EB;n 1989); voor interpretaties van het Laatste Oordeel, zie: Samuel Edgerton, <italic>Pictures and Punishment: Art and Criminal Prosecution during the Florentine Renaissance</italic> (Cornell University Press 1985) 23; Claudia Bl&#x00FC;mble, &#x2018;Gemeinschaft in und vor dem Bild&#x2019;, in: Beate Fricke, Stefan Neuner en Markus Klammer (reds.), <italic>Bilder und Gemeinschaften. Studien zur Konvergenz von Politik und &#x00C4;sthetik in Kunst, Literatur und Theorie</italic> (Brill 2011) 131. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.30965/9783846750780_005">https://doi.org/10.30965/9783846750780_005</ext-link>. Tevens kenden de stedelijke rechtsruimten dikwijls andere panelen die door kunsthistorici als &#x2018;gerechtigheidstaferelen&#x2019; worden geduid. Daarop stonden allegorie&#x00EB;n met betrekking tot rechtvaardige rechtspraak thematisch op de voorgrond, maar vaak duidelijk gesitueerd in de plaatselijke, stedelijke context, met verbeeldingen van de architectuur van rechtsruimten, de rechterlijke procedure, en de aanwezigheid van een publiek daarbij. Zie ook hoofdstuk 4 van mijn proefschrift, &#x2018;A Reflective Setting: Images and Objects.&#x2019; Van Kleij, <italic>Beyond the Fa&#x00E7;ade</italic>, 151-188. De fa&#x00E7;ades en raadzalen van stadhuizen bevatten zowel religieuze iconografie, zoals beeltenissen van Maria (onder andere refererend aan haar rol als bemiddelaar), als duidelijke referenties aan de heersende dynastie. Graeme Small, &#x2018;Vizualising the state in the towns and cities of the Burgundian Netherlands: The chambre des comptes at Lille, 1466&#x2019;, in: Patrick Boucheron en Jean-Philippe Genet (reds.), <italic>Marquer la ville&#x202F;: Signes, traces, empreintes du pouvoir (<sc>xiii</sc><italic><sup>e</sup></italic>-<sc>xvi</sc><italic><sup>e</sup></italic> si&#x00E8;cle)</italic> (&#x00C9;ditions de la Sorbonne 2013) 483. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.4000/books.psorbonne.3312">https://doi.org/10.4000/books.psorbonne.3312</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn18"><label>18</label><p>Het spanningsveld tussen autoriteiten die publieke ruimte vormgaven en de hi&#x00EB;rarchie trachtten te bevestigen enerzijds, en de mogelijkheid van andere inwoners om diezelfde ruimte te betreden en daartegen te protesteren anderzijds, is met betrekking tot andere stedelijke ruimten zoals marktpleinen en straten uitgebreid onderzocht en bevestigd. Marc Boone, &#x2018;Urban Space and Political Conflict in Late Medieval Flanders&#x2019;, <italic>The Journal of Interdisciplinary History</italic> 32:4 (2002) 621-640. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1162/002219502317345538">https://doi.org/10.1162/002219502317345538</ext-link>; Peter Arnade, <italic>Realms of Ritual: Burgundian Ceremony and Civic Life in Late Medieval Ghent</italic> (Cornell University Press 1996). <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.7591/9781501720673">https://doi.org/10.7591/9781501720673</ext-link>; Barbara Hanawalt, <italic>Ceremony and Civility: Civic Culture in Late Medieval London</italic> (Oxford University Press 2017). <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1093/oso/9780190490393.001.0001">https://doi.org/10.1093/oso/9780190490393.001.0001</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn19"><label>19</label><p>Robert Stein, Anita Boele en Wim Blockmans, &#x2018;Whose Community&#x003F; The Origin and Development of the Concept of Bonum Commune in Flanders, Brabant and Holland (Twelfth &#x2013; Fifteenth Century)&#x2019;, in: &#x00C9;lodie Lecuppre-Desjardin en Anne-Laure Van Bruaene (reds.), <italic>De Bono Communi. The Discourse and Practice of the Common Good in the European City (13th-16th c.): Discours et pratique du Bien Commun dans les villes d&#x2019;Europe (<sc>xiii</sc><italic><sup>e</sup></italic> au <sc>xvi</sc><italic><sup>e</sup></italic> si&#x00E8;cle)</italic> (Brepols 2010) 149-150. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1484/M.seuh-eb.3.3871">https://doi.org/10.1484/M.SEUH-EB.3.3871</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn20"><label>20</label><p>Het waagrecht behoorde in ieder geval deels de graaf toe. Citaat uit: Bart Ibelings, &#x2018;De markt en de publieke gebouwen in het middeleeuwse Gouda&#x2019;, <italic>Tidinge van die Goude</italic> 2 (1996) 55.</p></fn>
<fn id="fn21"><label>21</label><p>Jessica Dijkman, <italic>Shaping Medieval Markets: The Organisation of Commodity Markets in Holland, c. 1200 &#x2013; c. 1450</italic> (Brill 2011) 209-211. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1163/ej.9789004201484.i-447">https://doi.org/10.1163/ej.9789004201484.i-447</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn22"><label>22</label><p>Marc Boone, &#x2018;Openbare diensten en initiatieven te Gent tijdens de late Middeleeuwen (14de-15de eeuw)&#x2019;, in: <italic>L&#x2019;Initiative publique des communes en Belgique: fondements historiques (Ancien R&#x00E9;gime): actes Colloque international, Spa, 1-4 sept. 1982</italic> (Brussel 1984) 71-114; Manon van der Heijden, &#x2018;Conflict and Consensus: The Allocation of Public Services in the Low Countries 1500-1800&#x2019;, in: Manon van der Heijden et al. (reds.), <italic>Serving the Urban Community: The Rise of Public Facilities in the Low Countries</italic> (Aksant 2009) 21-41; Jelle Haemers en Wouter Ryckbosch, &#x2018;A targeted Public: Public Services in Fifteenth-century Ghent and Bruges&#x2019;, <italic>Urban History</italic> 37:2 (2010) 203-225. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.1017/s0963926810000295">https://doi.org/10.1017/s0963926810000295</ext-link>; Hanno Brand, <italic>Over macht en overwicht. Stedelijke elites in Leiden (1420-1510)</italic> (Garant 1996) 45.</p></fn>
<fn id="fn23"><label>23</label><p>In de stadsrekeningen van Gouda worden de raadkamer en schrijfkamer beiden in 1456 genoemd. De weeskamer en een kantoor voor de klerken dateren van respectievelijk 1459 en 1461<sc>.</sc> Streekarchief Midden-Holland (verder <sc>samh</sc>)<sc>, ac1</sc>.1136, f.23v; 1137, f.14v; 1138, f.24r. In Leiden duiken de weeskamer en schrijfkamer tussen 1449-1452 op in de stadsrekeningen. Archief Leiden en Omstreken (verder <sc>sal</sc>), 0501, Secretarie van de stad Leiden (1290-1575) (verder <sc>sa</sc> I), inv.nr. 521-552, <italic>Rekeningen van de poortmeesters, later burgermeesters (1399-1476)</italic>, 522, f.114r, en de bijgesloten <italic>vestmeestersrekeningen</italic>, f.3v; 523, f.134r.</p></fn>
<fn id="fn24"><label>24</label><p>Arie van Steensel, &#x2018;Het personeel van de laatmiddeleeuwse steden Haarlem en Leiden, 1428-1572&#x2019;, <italic>Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis</italic> 9 (2006) 200-201, 210-211.</p></fn>
<fn id="fn25"><label>25</label><p>Wim Denslagen, &#x2018;Bijzondere gebouwen&#x2019;, in: Idem (red.), <italic>Gouda</italic> (Waanders 2001) 222.</p></fn>
<fn id="fn26"><label>26</label><p><sc>sal,</sc> <sc>sa</sc> I, 530, f.110r.</p></fn>
<fn id="fn27"><label>27</label><p><sc>sal</sc>, <sc>sa</sc> I, 530, f.155v; 532, f.174r; <sc>samh, ac1.1145,</sc> f.21v, f.22r.</p></fn>
<fn id="fn28"><label>28</label><p><sc>samh</sc>, <sc>ac</sc>1.1138, f.24r.</p></fn>
<fn id="fn29"><label>29</label><p>Louis Rollin Couquerque en Adriaan Meerkamp van Embden, <italic>Rechtsbronnen der stad Gouda</italic> (Den Haag 1917) 333. Zie voor een recent artikel over &#x2018;rebauwen&#x2019;, onder meer in Gouda, en de omgang van stadsbesturen daarmee: Janna Coomans, &#x2018;Policing Itinerant Poor in the Northern Low Countries, ca.1450-1570: Making Vagrants&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc> &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 138:2 (2023) 3-31, <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.51769/bmgn-lchr.11116">https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.11116</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn30"><label>30</label><p>Getuigenverhoren vonden in principe plaats in het bijzijn van minstens twee schepenen en een klerk. Marie-Charlotte Le Bailly, <italic>Recht voor de Raad. Rechtspraak voor het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland in het midden van de vijftiende eeuw</italic> (Verloren 2001) 159.</p></fn>
<fn id="fn31"><label>31</label><p>Jos Monballyu (red.), <italic>Filips Wielant verzameld werk, I: Corte instructie in materie criminele</italic> (Paleis der Academi&#x00EB;n 1995) 75.</p></fn>
<fn id="fn32"><label>32</label><p>Linda Mulcahy, <italic>Legal Architecture. Justice, Due Process and the Place of Law</italic> (Routledge 2011) 86. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.4324/9780203836248">https://doi.org/10.4324/9780203836248</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn33"><label>33</label><p>Zoals duidelijk wordt door een kostenpost in de Leidse stadsrekeningen van 1495: &#x2018;een nuwe slot gemaict an die tralye van die vierschaer&#x2019;. <sc>sal</sc>, s<sc>a</sc> I, 564, f.148v.</p></fn>
<fn id="fn34"><label>34</label><p>Voor een &#x2018;man of wijf&#x2019; dat zonder toestemming in de vierschaar zelf sprak stond eveneens een boete. Rollin Couquerque en Meerkamp van Embden, <italic>Rechtsbronnen der stad Gouda</italic>, 117. Ter indicatie: een (meester)metselaar in Leiden en Haarlem verdiende tegen het einde van de vijftiende eeuw 5 stuivers per dag. Leo Noordegraaf en J.T. Schoenmakers, <italic>Daglonen in Holland, 1450-1600</italic> (Historisch Seminarium van de Universiteit van Amsterdam 1984) 27, 32-33.</p></fn>
<fn id="fn35"><label>35</label><p>Rollin Couquerque en Meerkamp van Embden, <italic>Rechtsbronnen der stad Gouda</italic>, 117.</p></fn>
<fn id="fn36"><label>36</label><p>Zie voor dit materiaal: Van Kleij, <italic>Beyond the Fa&#x00E7;ade</italic>, 41-71.</p></fn>
<fn id="fn37"><label>37</label><p>Alle objecten zijn generieke reconstructies op basis van een vergelijking van primair bronmateriaal. Met name beelden, zoals de crucifix en het Laatste Oordeel, zijn vaak niet overgeleverd of nauwkeurig beschreven. In dit geval is het Laatste Oordeel gebaseerd op een selectie van het paneel &#x2018;De tweevoudige gerechtigheid&#x2019; van Jan van Brussel (ca. 1475, in bezit van het Bonnefantenmuseum Maastricht) om zo het contemporaine karakter te behouden. Zie voor de verantwoording van het <italic>4D Research Lab</italic> inzake 1) het gebruik van 3D-modellen in wetenschappelijk onderzoek: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://4dresearchlab.nl/3d-visualization/background/">https://4dresearchlab.nl/3d-visualization/background/</ext-link>, en 2) welke academische principes en normen daarbij worden gehanteerd: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://4dresearchlab.nl/3d-visualization/principles-and-visualisation-standards/4d-research-lab-principles-statement/">https://4dresearchlab.nl/3d-visualization/principles-and-visualisation-standards/4d-research-lab-principles-statement/</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn38"><label>38</label><p>Objecten als de crucifix en het Laatste Oordeel spelen een nadrukkelijke rol tijdens de rechtsgang, met name tijdens het zweren van de eed waarbij werd gewezen naar het paneel en/of de crucifix werd vastgehouden. De Ridder, <italic>Gerechtigheidstaferelen</italic>, 154; Kristin Zapalac, <italic>&#x201C;In His Image and Likeness&#x201D;: Political Iconography and religious Change in Regensburg, 1500-1600</italic> (Cornell University Press 1990) 45-46. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.7591/9781501746406">https://doi.org/10.7591/9781501746406</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn39"><label>39</label><p><sc>sal</sc>, Correctieboek B, f.104r-104v.</p></fn>
<fn id="fn40"><label>40</label><p><sc>sal</sc>, Correctieboek B, f.104v-105r.</p></fn>
<fn id="fn41"><label>41</label><p><sc>sal</sc>, Correctieboek B, f.105v, f.106r.</p></fn>
<fn id="fn42"><label>42</label><p><sc>samh</sc>, <sc>ac</sc>2.176, 4.</p></fn>
<fn id="fn43"><label>43</label><p><sc>sal,</sc> Correctieboeken A, f.251r. Een ander voorbeeld op f.230v.</p></fn>
<fn id="fn44"><label>44</label><p><sc>samh</sc>, <sc>ac</sc>2.176, 190. Jacob Stamme kreeg als straf een bedevaart naar Sint Joost opgelegd, ongeveer 150 kilometer van Gouda.</p></fn>
<fn id="fn45"><label>45</label><p><sc>sal</sc>, Correctieboeken A, B, C, D, 4, 5A. De steekproef betreft vonnissen uit de jaren: 1392-95; 1434; 1436-37; 1440; 1446-49; 1450; 1452-53; 1455-59; 1460-63; 1466-69; 1470; 1473-74; 1476-77; 1480-84; 1486-87; 1490. Ter vergelijking: fraude in de lakenindustrie was verreweg de meest vervolgde misdaad (36,25&#x0025;), gevolgd door publieke verstoringen (14,5&#x0025;) en geweldpleging (9,9&#x0025;). In nog eens 78 andere zaken uit Leiden waren beledigingen opgenomen als secundaire aanklachten. Voor Gouda, zie: <sc>samh</sc>, <sc>ac</sc>2.176, 1-202.</p></fn>
<fn id="fn46"><label>46</label><p>Martine Veldhuizen, <italic>De ongetemde tong. Opvattingen over zondige, onvertogen en misdadige woorden in het Middelnederlands (1300-1550)</italic> (Verloren 2014) 31-34. Veldhuizen verwijst daarbij eveneens naar historiografie die met name de fragiliteit van &#x2018;nieuwe elites&#x2019; benadrukt. Sandy Bardsley neemt een soortgelijke trend waar voor veertiende- en vijftiende-eeuws Engeland, zie: Sandy Bardsley, &#x2018;Sin, Speech, and Scolding in Late Medieval England&#x2019;, in: Thelma Fenster en Daniel Smail (reds.), <italic>Fama. The Politics of Talk and Reputation in Medieval Europe</italic> (Cornell University Press 2003) 154-164. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="doi" xlink:href="10.7591/9781501718106-009">https://doi.org/10.7591/9781501718106-009</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn47"><label>47</label><p>Wangedrag in de rechtszaal beschadigde daarnaast het algemeen belang, waarvan het gerecht zich beschouwde als vertegenwoordiger. Camphuijsen, <italic>Scripting Justice</italic>, 234.</p></fn>
<fn id="fn48"><label>48</label><p><sc>sal</sc>, Correctieboeken B, f.109r.</p></fn>
<fn id="fn49"><label>49</label><p>&#x2018;So wie eenegen poorter of poortesse leelic an iniurieuselic toesprect in de vierscare of up der stede huus, in de presencie vanden gerechte, die sal verbueren 20 sc. Ende dede hijt eldere, hij zoude verbueren 5 sc.&#x2019; Jacobus Fruin (red.), <italic>Instructie, voor de stad Haarlem ontworpen door Philips Wielant</italic> (Amsterdam: Johannes M&#x00FC;ller 1874) 137.</p></fn>
<fn id="fn50"><label>50</label><p><sc>sal</sc>, Correctieboeken C, f.95r-96r.</p></fn>
<fn id="fn51"><label>51</label><p><sc>sal</sc>, Correctieboeken C, f.95r-96r.</p></fn>
<fn id="fn52"><label>52</label><p>Corien Glaudemans, <italic>Om die wrake wille. Eigenrichting, veten en verzoening in laat-middeleeuws Holland en Zeeland</italic> (Verloren 2004) 122.</p></fn>
<fn id="fn53"><label>53</label><p><sc>sal</sc>, Correctieboeken C, f.96r.</p></fn>
<fn id="fn54"><label>54</label><p>Het bezit van ramen en met name doorverkoop daarvan was sterk gereguleerd. Nicolaas Posthumus, <italic>De geschiedenis van de Leidse Lakenindustrie. I. De middeleeuwen (veertiende tot zestiende eeuw)</italic> (Den Haag 1908) 64-65, 102.</p></fn>
<fn id="fn55"><label>55</label><p>Lamsz moest de keurmeesters om vergiffenis vragen op het eerstvolgende moment dat zij de ramen weer zouden bezoeken. <sc>sal</sc>, Correctieboek C, f.74r-v. Keurmeesters waren in Leiden dikwijls slachtoffer van beledigingen. Zie bijvoorbeeld <sc>sal,</sc> Correctieboek C, f.149v, f.158r.</p></fn>
</fn-group>
<sec id="s6">
<title/>
<p><bold>Nathan van Kleij</bold> is docent geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en als onderzoeker verbonden aan het Amsterdam Centre for Urban History. Zijn onderzoek bevindt zich in het veld van sociale, culturele en stadsgeschiedenis, met een focus op de vijftiende-eeuwse Lage Landen. Zijn interesse ligt bij onderwerpen als publieke ruimten en gebouwde omgeving, geweld en conflicten, misdaad en straf, communicatie en stadsbestuur. Hij promoveerde in 2021 op een proefschrift getiteld, <italic>Beyond the Fa&#x00E7;ade: Town Halls, Publicity, and Urban Society in the Fifteenth-Century Low Countries</italic>. E-mail: <email>n.p.d.w.vankleij@uva.nl</email>.</p>
</sec>
</back>
</article>
