<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.12762</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.12762</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Vertekend verleden. Geschiedenis herschrijven in vroegmodern Mechelen (1500-1650)</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Vermeer</surname>
<given-names>Mark</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Openbare Bibliotheek Brugge</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>08</month>
<year>2022</year>
</pub-date>
<volume>137</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>2022058</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Caers</surname><given-names>Bram</given-names></name>
</person-group>
<source>Vertekend verleden. Geschiedenis herschrijven in vroegmodern Mechelen (1500-1650)</source>
<comment>Middeleeuwse studies en bronnen 160</comment>
<publisher-loc>Hilversum</publisher-loc>
<publisher-name>Verloren</publisher-name>
<year>2020</year>
<page-range>309 pp.</page-range>
<isbn>9789087045715</isbn>
</product>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Demets</surname><given-names>Lisa</given-names></name>
</person-group>
<source>Onvoltooid verleden. De handschriften van de Excellente Cronike van Vlaenderen in de laatmiddeleeuwse Vlaamse steden</source>
<comment>Middeleeuwse studies en bronnen 172</comment>
<publisher-loc>Hilversum</publisher-loc>
<publisher-name>Verloren</publisher-name>
<year>2020</year>
<page-range>279 pp.</page-range>
<isbn>9789087048334</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2022 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2022</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.12762"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>In 2020 zijn bij Verloren in dezelfde reeks twee monografie&#x00EB;n verschenen die veel overeenkomsten vertonen. Ze komen qua titel nauw overeen en onderzoeken beide op basis van de verschillende tekstgetuigen de intentie, genese en receptie van kronieken binnen een stedelijke context in wat heden ten dage Belgi&#x00EB; is. Voor Lisa Demets bestaat het geografische toneel uit de Vlaamse steden Gent en Brugge; bij Bram Caers is dit de heerlijkheid Mechelen met enkele op het grondgebied gelegen dorpjes. Chronologisch behandelt Demets voornamelijk de late vijftiende eeuw, terwijl Caers zich concentreert op de tweede helft van de zestiende eeuw en de vroege zeventiende eeuw.</p>
<p>Centraal in beide onderzoeken staat het toe-eigenen van de kronieken door specifieke groepen: op welke manier en waarom gebeurde dit&#x003F; Demets hanteert de naam <italic>Excellente Cronike van Vlaenderen</italic> als verzamelterm voor &#x2018;alle Middelnederlandse Kronieken van Vlaanderen die een prozaversie van de geschiedenis van Vlaanderen verhalen vanaf het mythische ontstaan (...) tot de Bourgondische periode&#x2019; (16). Uiteraard was de intentie van de middeleeuwse auteurs allerminst gebaseerd op een historische interesse in het heersende vorstenhuis: het (her)schrijven van de geschiedenis had een politiek doeleinde, hetgeen ook het onderwerp is van Demets&#x2019; studie. Ook Caers volgt de ontwikkeling van een kroniektekst door de tijd heen en besteedt hierbij uitgebreide aandacht aan de rol en leefwereld van de betrokken personen. Het onderwerp van de Mechelse kronieken was niet zozeer de verstandhouding tussen stad en vorst, maar de bijzondere positie die Mechelen bezat. De zelfstandige heerlijkheid Mechelen was immers volledig omringd door het hertogdom Brabant en de economische privileges die de heerlijkheid bezat leidden geregeld tot hoogoplopende conflicten met de Brabantse buursteden. De inzet van de meeste conflicten was het stapelrecht, middels welk handelaren die Mechels grondgebied betraden gedwongen konden worden hun goederen eerst in Mechelen te verkopen alvorens verder te reizen.</p>
<p>Caers en Demets begeven zich met hun studies in het debat over stedelijke historiografie en meer in het bijzonder in de discussie over de scheidslijnen tussen stedelijke en regionale kronieken. Beide kroniekteksten passen niet netjes in het traditionele, en volgens de auteurs verouderde, onderscheid. Om de contemporaine intentie, receptie en toe-eigening te achterhalen, richten beide auteurs zich op de <italic>New</italic> of <italic>Material Philology</italic>. Deze stroming benadrukt het handschrift als fysiek object en pleit voor opname van de materi&#x00EB;le omstandigheden in het onderzoek. Inderdaad speelt de codicologische dimensie van de handschriften in beide studies een zeer belangrijke rol en is het onmisbaar in het achterhalen van de verschillende gebruikscontexten.</p>
<p>Demets&lt;uni-2019&gt; corpus bestaat uit negentien handschriften, waarvan er zeven in of rond Brugge en vijf in of rond Gent moeten zijn vervaardigd, en &#x00E9;&#x00E9;n druk. De teksten die in de studie van Caers worden besproken hebben geen uniforme titel en zijn slechts in een paar gevallen voorzien van een titel. Het betreft hier zes handschriften en &#x00E9;&#x00E9;n druk. Opmerkelijk is het vroege moment waarop de <italic>Excellente Cronike</italic> in druk verschijnt (1531) ten opzichte van de eerste Mechelse kroniek, die vanaf 1675 in deeltjes het daglicht zag. Niet alleen kan dit op een veel latere interesse van het bredere Mechelse publiek in de eigen geschiedenis wijzen, ook betekent dit dat de Mechelse geschiedschrijving een langere periode van handschriftelijke ontwikkeling en daarmee variatie kende alvorens de tekst definitief werd vastgelegd in gedrukte vorm.</p>
<p>Meer overeenkomst is te vinden in de tekstgenese. Beide kronieken vertonen namelijk een gelijkaardig gecompliceerde overlevering die de twee auteurs ook analyseren. In het Mechelse geval is er sprake van twee laatmiddeleeuwse kronieken die bij gebrek aan een titel door Caers de <sc>a</sc>- en <sc>b</sc>-kroniek genoemd worden. Van de redactie van de <sc>a</sc>-kroniek bespreekt Caers drie exemplaren. Een omstreeks 1540 geschreven exemplaar &#x2013; handschrift <sc>ee</sc> Vl 1 uit het Mechelse aartsbisschoppelijk archief &#x2013; wordt twintig &#x00E0; dertig jaar nadien door een latere eigenaar volledig herwerkt, een tweede exemplaar wordt in de jaren 1590 vervaardigd, en twee handschriften worden in de zeventiende eeuw geschreven, overigens met inachtneming van materiaal uit de <sc>b</sc>-kroniek. Voor de <italic>Excellente Cronike</italic> moeten er halverwege de vijftiende eeuw Middelnederlandse exemplaren hebben bestaan die tot 1423 gebaseerd zijn op de Latijnse <italic>Flandria Generosa <sc>c</sc></italic>-tekst, en na vertaling in Brugge aangevuld zijn tot circa 1436. Hiervan bestaan geen contemporaine tekstgetuigen, maar er is wel een Italiaanse vertaling die geschreven werd door een Luccese handelaar wiens relaas op meerdere punten tegen de Middelnederlandse versie inging. De handschriften die Demets tot haar beschikking heeft gehad zijn jonger en bevatten de Middelnederlandse vertaling met aangevulde narratieven. Zowel in Gent als in Brugge werden namelijk lokale continuaties vervaardigd: twee handschriften bevatten de Gentse aanvulling en die van Brugge, overgeleverd in zeven handschriften, is grotendeels het werk van de rederijker Anthonis de Roovere.</p>
<p>Omdat in beide studies de nadruk wordt gelegd op de receptie en aanpassing van de kronieken door verschillende stedelijke groepen, is het auteurschap van de kronieken een onmisbaar onderdeel. Dit helpt bij het situeren van de totstandkoming en verspreiding van de teksten in hun historische context. De diverse invullingen van het concept &#x2018;auteur&#x2019; zijn hierbij aan de orde. Zo onderscheidt Caers kopiisten, bewerkers, continuatoren en een compilator. Demets op haar beurt wijst op de auteur, scribent en eigenaar. Personen kunnen meerdere rollen bekleden: de Mechelaar Jan van Hanswijck was kopiist en continuator, terwijl de Bruggeling Jacob van Malen zowel scribent, auteur van de eigen toevoegingen als eigenaar was. Het vinden van de identiteit van een auteur is niet altijd eenvoudig. Demets beschikte over twee gevallen waarin het auteurschap met grote zekerheid kon worden vastgesteld: De Roovere werd door meerdere handschriften als auteur van de Brugse continuatie opgevoerd en Jacob van Malen onthulde zijn identiteit in een colofon. De meeste door Caers bestudeerde zestiende-eeuwse handschriften zijn anoniem, waardoor hij langs andere wegen de (vermoedelijke) identiteit van de auteurs dient te achterhalen.</p>
<p>De argumentatie van zowel Caers als Demets is hierbij echter niet altijd even overtuigend. Zo is Caers heel kort in zijn verklaring van de paleografische identificatie van de hand van Jan van Wachtendonck (118): hij legt uit naar welke elementen hij heeft gekeken, maar geeft geen concrete voorbeelden of precieze resultaten. Als lezer zou ik bovendien graag de fragmenten die ter identificatie hebben gediend in het boek afgebeeld willen zien. Dit geldt evenzeer voor twee van Demets&#x2019; scribenten, Jan de Lenesse en Hendrik Bollekin (176). Behalve dat de paleografische vergelijking niet nader is toegelicht, verwonder ik mij over wat Demets het &#x2018;handmerk&#x2019; noemt als eerste aanknopingspunt voor de identificatie. Eerder zou ik deze uit lussen bestaande tekeningetje onder de tekst willen beschouwen als een paraaf, welke veelvuldig tezamen met de naam van de plaatser gevonden werden als eenvoudig validatieteken in de producten van het notari&#x00EB;le en ambtelijk schrijfwezen. De relatief eenvoudige vorm van handtekeningen met parafen en het gebruik ervan binnen een specifieke en beperkte context &#x2013; bijvoorbeeld een notari&#x00EB;le praktijk &#x2013; hadden tot gevolg dat zij zich niet noodzakelijk hoefden te ontwikkelen tot unieke en gepersonaliseerde herkenningstekens, hetgeen bijvoorbeeld bij notari&#x00EB;le signetten wel het geval was. Dit is inderdaad bij zowel het Duitse als het Noord-Brabantse notariaat niet het geval. Alleen de paraaf, zonder verdere elementen, zou ik niet als bewijs voor een identificatie beschouwen. Bovendien zijn de bovenste lussen op afbeelding 15 met punten opgevuld, hetgeen niet het geval is bij Bollekins handmerk in afbeelding 16 (beide 176). Het zou de hypothese ten goede komen als het gebruik van dergelijke ondertekeningen in laatmiddeleeuws Vlaanderen was opgehelderd. Daarnaast is er bij de identificaties van Caers het risico van een cirkelredenering. Een deel van zijn argumentatie komt voort uit de bestudering van de handschriften zelf: uit tekstuele elementen, zoals een nadruk op bepaalde onderwerpen of een bijzondere woordenschat, komt een beeld naar voren van de auteur. Caers zoekt hierbij vervolgens een historisch persoon die qua loopbaan, afkomst en opleiding aan dit beeld voldoet, en verklaart vanuit dit profiel weer de ingrepen en keuzes in de tekst.</p>
<p>De ge&#x00EF;dentificeerde auteurs en scribenten van de <italic>Excellente Cronike</italic> waren allen lid van de &#x2018;middenklasse&#x2019; van de stedelijke elite. Ze behoorden zelf niet tot de stedelijke adel of de rijke bestuurselite, maar waren zeker gegoed en beschikten over een uitgebreid netwerk waarin zowel de bovenklasse van de elite als de bestuurders van de ambachtsgilden voorkwamen. De personen rondom de Mechelse handschriften lijken tot eenzelfde klasse te hebben behoord, maar vertonen een veel nauwere band met het stadsbestuur dan in Gent of Brugge het geval was. Zo was &#x00E9;&#x00E9;n van de mogelijke auteurs, Van Wachtendonck, burgemeester van de stad. Zij hadden daardoor directe toegang tot stedelijke archivalia en andere ambtelijke documenten, waarvan zij uitgebreid gebruikmaakten. Demets noemt &#x00E9;&#x00E9;n auteur, Rombout de Doppere, die aantoonbaar beschikking had over dergelijke documenten. Zij verklaart dit vanuit zijn functie als notaris. Hoewel dit mogelijk is, zou het even zozeer interessant zijn om te kijken of hij uit hoofde van dat ambt banden met het stadsbestuur had. Het is immers niet ongebruikelijk dat notarissen werkzaamheden voor de stedelijke administratie uitvoerden, zoals de door Demets meermaals aangehaalde Bossche stadssecretaris-notaris-kroniekschrijver Peter van Os. Het vaststellen van een dergelijke band, of het ontbreken daarvan, had een waardevolle aanvulling kunnen zijn.</p>
<p>Om nader te kunnen bepalen hoe de kronieken ontvangen werden door het beoogde publiek en in hoeverre zij werden aangepast aan de politieke agenda van de laatste, hebben beide auteurs getracht op basis van archivalia en literatuur de netwerken rondom de sleutelfiguren in kaart te brengen. De verschillen tussen beide casussen komen hier duidelijk naar voren. Uit Demets&#x2019; onderzoek blijkt hoe met name in Brugge een aanzienlijke groep personen de <italic>Excellente Cronike</italic> las en exemplaren ervan bezat. Deze mensen waren vrijwel allen verbonden aan de broederschap van Onze-Lieve-Vrouwe van de Sneeuw en veelal ook aan (een van) de twee rederijkerskamers in de stad. Deze organisaties zullen, aldus Demets, ongetwijfeld een belangrijke rol hebben gespeeld in de totstandkoming, het lezen, en het verspreiden van de <italic>Excellente Cronike</italic>. Bovendien werd een groot deel van de <italic>Excellente Cronike</italic>-handschriften vervaardigd in de jaren direct volgend op de Vlaamse Opstand (1483-1492), met deze gebeurtenissen nog vers in het geheugen en de grote antagonist, Maximiliaan van Oostenrijk, nog altijd als belangrijke politieke speler. Verschillende leden van de broederschap van Onze-Lieve-Vrouwe van de Sneeuw waren daarnaast betrokken geweest bij de opstand en zullen persoonlijk zeer ge&#x00EF;nteresseerd zijn geweest in de schriftelijke representatie ervan.</p>
<p>In vergelijking hiermee is de informatie uit Mechelen aanzienlijk kariger. Doordat verschillende auteurs anoniem zijn gebleven en Caers hen slechts bij benadering heeft kunnen omschrijven, zijn de relaties tussen hen veel minder duidelijk. In sommige gevallen, zoals hoe handschrift <sc>ee</sc> Vl 1 in handen van Gerardus Bernaerts is gekomen, heeft Caers niet meer kunnen doen dan mogelijke doorgeefroutes beschrijven. Hoewel hij erin geslaagd is om enkele andere tijdgenoten te identificeren die zich interesseerden in de lokale geschiedenis, blijkt het (her)schrijven van kronieken vooral een eenmansbezigheid te zijn geweest. Daarbij bestonden er geen sociale samenkomsten waar literatuur, po&#x00EB;zie en/of geschiedschrijving werden uitgewisseld of een rol speelden. Twee Mechelse handschriften bevatten een opdracht, waarvan &#x00E9;&#x00E9;n aan het stadsbestuur. Desondanks zijn er geen aanwijzingen dat de codices inderdaad hebben gecirculeerd bij dit publiek. De gebeurtenissen van de Vlaamse Opstand worden uiteraard aangehaald, maar vanuit een ander perspectief. De episode heeft immers voor Mechelen een totaal andere betekenis. De stad bleef trouw aan het vorstelijk gezag en verwierf erdoor een belangrijke positie als residentiestad. De afstand van de auteur tot de gebeurtenissen was bovendien aanzienlijk groter: de oudste tekstgetuige is pas in de jaren 1540 geschreven.</p>
<p>In Gent werd het narratief van de Brugse Opstand (1436-1438) overgenomen in het beschrijven en legitimeren van de Gentse Opstand (1449-1453) &#x2013; niet toevallig dateert het oudste Gentse handschrift van omstreeks het woelige jaar 1477. In Brugge werd vooral het beeld van Maria van Bourgondi&#x00EB; als <italic>princesse naturelle</italic> gecultiveerd, om op die manier het wanbeleid en de onwettige status van Maximiliaan als voogd te kunnen spiegelen. Omdat in Mechelen het kroniekschrijven een meer individuele onderneming was, was Caers daarentegen gedwongen om ingrepen in de kronieken voornamelijk toe te schrijven aan persoonlijke idealen van auteurs, in plaats van aan mogelijke sentimenten bij het publiek dat de auteurs voor ogen hadden. De verschillende Mechelse auteurs zijn op uiteenlopende wijzen omgegaan met de kronieken. Bernaerts beschreef de conflicten tussen Mechelen en de omringende steden bijvoorbeeld vanuit een meer pro-Mechels standpunt, terwijl Van Wachtendonck een mildere en neutralere toon hanteerde. Waar Caers ermee worstelt om voor Bernaerts&#x2019; handelingen een verklaring te vinden, hetgeen daarmee ook niet het niveau van hypothese overstijgt, is hij wel in staat geweest om met meer zekerheid een verklaring te vinden in zowel Van Wachtendoncks persoon (jurist en voormalig bestuurder) als de contemporaine politieke situatie (de strijd tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden overschaduwde lokale rivaliteit).</p>
<p>Deze variatie in totstandkoming verklaart ook de verschillende invloed die de kronieken zelf op contemporaine gebeurtenissen hadden. De Gentse pensionaris Willem Zoete, die in 1488 in twee redevoeringen fel tegen het regentschap van Maximiliaan ageerde, onderbouwde zijn standpunten met historische casussen, die qua toon en inhoud grote parallellen vertonen met de <italic>Excellente Cronike</italic>. Demets acht het dan ook zeer aannemelijk dat Zoete zijn inspiratie uit de <italic>Cronike</italic> heeft gehaald. Ook in de daaropvolgende jaren, zelfs tot bij de opstand tegen Karel <sc>v</sc> in 1540, speelde de <italic>Cronike</italic> een belangrijke rol in de verhouding tussen stad en vorst. Anders dan de <italic>Excellente Cronike</italic> lijken de Mechelse kronieken dus veel minder multi-inzetbaar te zijn geweest om door de tijd heen aan de nieuwe wensen van de politieke en economische bovenlaag te voldoen.</p>
<p>De opbouw van beide studies is prettig. Op heldere wijze wordt de lezer chronologisch meegenomen door de evolutie van de kroniekteksten en ieder hoofdstuk bespreekt een handschrift of een groep binnen de historische context. Vormelijk zijn beide boeken fraai opgemaakt en goed ge&#x00EF;llustreerd, met twee aanvullende kleurenkaternen bij Demets. E&#x00E9;n laatste vormelijke opmerking moet me wel van het hart. Het is evident dat auteurs van onderzoek waarin handschriften een integraal onderdeel vormen, passages uit deze bronnen citeren. Desondanks dient hier zorgvuldig mee omgegaan te worden. Een teveel aan citaten hindert het tekstbegrip, zeker wanneer ze in een andere taal zijn geschreven. Dit is met name bij Caers het geval, waar de tekst in hoofdstuk 5 bijna op iedere pagina wordt onderbroken door citaten. Dit is uiteraard een kwestie van verslaglegging en vormgeving, en doet uiteraard niet af aan het onderzoek zelf.</p>
</body>
</article>