<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.12459</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.12459</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Trials of the self. Murder, mayhem and the remaking of the mind, 1750-1830</article-title></title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Nys</surname>
<given-names>Laura</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Hankuk University of Foreign Studies</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>08</month>
<year>2022</year>
</pub-date>
<volume>137</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>2022050</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Hofman</surname><given-names>Elwin</given-names></name>
</person-group>
<source>Trials of the self. Murder, mayhem and the remaking of the mind, 1750-1830</source>
<publisher-loc>Manchester</publisher-loc>
<publisher-name>Manchester University Press</publisher-name>
<year>2021</year>
<page-range>248 pp.</page-range>
<isbn>9781526153142</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2022 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2022</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.12459"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Met <italic>Trials of the self</italic> levert Elwin Hofman een genuanceerde analyse van de geschiedenis van het zelf in de Zuidelijke Nederlanden tussen 1750 en 1830. Drie elementen onderscheiden dit boek. Ten eerste richt Hofman doelbewust de schijnwerpers op niet-geprivilegieerde lagen in de samenleving, waarbij hij rijkelijk put uit gerechtelijke archieven. Ten tweede benadert hij het zelf als een <italic>praktijk</italic>, die hij steeds analyseert in wisselwerking met sociale breuklijnen zoals klasse en gender. Ten derde werkt Hofman een methodologisch kader uit dat toelaat om patronen te ontwaren, maar dat tegelijkertijd ruimte biedt voor pluraliteit. Het onderzoek biedt dan ook een grote meerwaarde, zowel vanwege de inhoudelijke inzichten als door de inspirerende methodologie.</p>
<p>De achttiende eeuw is een keerpunt in de geschiedenis van het westerse zelf. Sindsdien treedt steeds meer een zelf op de voorgrond dat zich richt op het innerlijke, dat zich kenmerkt door psychologische diepte en het idee dat er een &#x2018;authentiek&#x2019; zelf is dat verkend moet worden. Tekenend hiervoor is de opkomst van het autobiografische genre, een genre dat zich bij uitstek leent voor reflecties over het innerlijke domein. Maar autobiografische bronnen verschaffen slechts informatie over een klein, geprivilegieerd deel van de bevolking. In zijn boek onderzoekt Hofman de geschiedenis van het zelf in strafrechtelijke instanties, wat hem toegang geeft tot de vertogen van niet-geletterde mensen. Ook in het strafrechtelijke domein kwam er namelijk steeds meer aandacht voor een innerlijk zelf, stelt de auteur. Zo werd er in de ondervragingen steeds meer belangstelling getoond voor de gevoelens, motieven en het geweten van de beschuldigden. Omgekeerd bevatten ook de vertogen van de beklaagden steeds meer verwijzingen naar een innerlijk zelf. Want, beargumenteert Hofman, aangezien het strafhof zoveel aandacht besteedde aan het innerlijke, stimuleerde dit de betrokkenen om hierop te reflecteren. De diverse manieren waarop de betrokkenen in de strafzaken vormgaven aan het zelf, staan centraal in dit boek.</p>
<p>Ge&#x00EF;nspireerd door ontwikkelingen in de geschiedenis van emoties,<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup> benadert Hofman het zelf als iets dat voortdurend opnieuw wordt gecre&#x00EB;erd, gevormd en veranderd doorheen praktijken. Hij onderscheidt vier soorten &#x2018;praktijken van het zelf&#x2019;: technologie&#x00EB;n, <italic>self-talk</italic>, interpretaties en regulerende praktijken. De eerste soort zijn dingen die mensen doelbewust doen &#x2013; vrijwillig dan wel onder dwang &#x2013; om het zelf vorm te geven of te veranderen, bijvoorbeeld schrijven over het zelf of biechten. Ten tweede zijn er praktijken waarbij mensen expliciet een eigenschap toekennen aan hun innerlijke domein, bijvoorbeeld het beschikken over een &#x2018;authentiek&#x2019; zelf. De derde praktijk &#x2013; het interpreteren &#x2013; gebeurt als mensen gedragingen verklaren door interpretaties van het zelf te leveren, bijvoorbeeld door te beargumenteren dat ze zichzelf niet onder controle hadden toen ze onregelmatig gedrag vertoonden. Regulerende praktijken tot slot zijn sociale normen, onder andere terug te vinden in moraliserende literatuur en zelfhulpboeken. Deze praktijken analyseert Hofman in wisselwerking met vier variabelen die terug te vinden zijn in verschillende constellaties van het zelf, namelijk innerlijke diepte, (in)stabiliteit, (verlies van) zelfcontrole en een eengemaakt dan wel gefragmenteerd zelf. Het boek steunt op een nauwgezette kwalitatieve lezing van strafrechtelijke dossiers uit de Zuidelijke Nederlanden waarbij de bronnen knap doorheen het narratief zijn geweven.</p>
<p>In het eerste hoofdstuk toont Hofman hoe er in de strafrechtelijke procedures &#x2013; die hij opvat als een &#x2018;technologie&#x2019; van het zelf &#x2013; steeds meer belangstelling kwam voor het innerlijke domein van de beschuldigden. Daarbij wijst Hofman ook op een verandering in de opmaak van de bronnen: de woorden van de ondervraagden werden niet langer opgeschreven in de derde persoon, maar in eerste persoon. Dit, stelt de auteur, is illustratief voor het toenemende belang dat werd gehecht aan de gedachten en gevoelens van de beklaagden.</p>
<p>Het tweede hoofdstuk behandelt de rol van ratio. In de context van de Verlichting kwam er ook in het strafrecht een &#x2018;rationeel zelf&#x2019; naar voren, &#x2018;a self that was calculating, responsible and in control&#x2019; (76). Om zich binnen deze logica te verdedigen, wezen beklaagden erop dat iedereen in hun situatie hetzelfde gedrag zou hebben vertoond. Hun gedrag was met andere woorden ingegeven door een universele ratio, bijvoorbeeld door zelfverdediging of eergevoel. Zo werd een afstand gecre&#x00EB;erd tussen iemands gedrag en een individuele innerlijke diepte. Het &#x2018;redelijke&#x2019; zelf, stelt Hofman, was dus geen ge&#x00EF;ndividualiseerd zelf; het was een sociaal geori&#x00EB;nteerd zelf. Desondanks gold dit niet voor iedereen: hoe lager men zich op de sociale ladder bevond, hoe meer men werd opgevat als onredelijk, ge&#x00EF;ndividualiseerd en emotioneel.</p>
<p>Dat Hofman de contradicties in de bronnen niet schuwt maar deze juist gebruikt om de vele lagen van een historisch vertoog te verkennen, blijkt onder meer uit het derde hoofdstuk. Daarin geeft hij het woord aan beschuldigden die hun gedrag niet verdedigden door te wijzen op hun ratio, maar door te wijzen op een tijdelijk <italic>verlies</italic> aan redelijkheid. Als gevolg van bijvoorbeeld hekserij of dronkenschap waren ze niet &#x2018;zichzelf&#x2019; toen de feiten plaatsvonden.</p>
<p>In het vierde hoofdstuk legt Hofman zich toe op de verhouding tussen het zelf en emotionele praktijken. Emoties hadden drie grote functies in de rechtszaken, stelt Hofman. Het uiten van verdriet gold als schuldbekentenis. Woede of wanhoop werd gebruikt om het gedrag te verklaren en verminderde de verantwoordelijkheid van de betichte. Tot slot kon het uiten van emoties ook sympathie opwekken bij rechters, met name het uiten van schaamte of spijt. Ook daar voltrok zich een verinnerlijking. In de late achttiende eeuw waren emotionele praktijken in de rechtbank gericht op externe gebeurtenissen, in overeenstemming met een sociale ori&#x00EB;ntatie van het zelf. Mensen werden aangegrepen door het leed van anderen. In de daaropvolgende decennia richtten gevoelens bij mannen zich steeds meer op het individuele en het innerlijke zelf. Hoewel dit ook waarneembaar was bij vrouwen, werden zij nog steeds geacht een sociaal zelf te praktiseren en gevoelens te uiten in reactie op andermans pijn.</p>
<p>In het laatste hoofdstuk staat de terminologie centraal. Door een <italic>close reading</italic> van de dossiers toont Hofman hoe termen als karakter, passies, neigingen en instincten in context werden gebruikt, hoe ze zich tot elkaar verhielden en hoe ze subtiel van elkaar verschilden. De woorden &#x2018;nature&#x2019; of &#x2018;aerdt&#x2019; waren sleutelconcepten. In de achttiende eeuw waren verwijzingen naar de menselijke natuur in de strafdossiers zeldzaam en overwegend negatief. Dit veranderde na de eeuwwisseling, toen positievere connotaties van de menselijke aard opdoken, met name voor vrouwen aan wie een &#x2018;zorgende aard&#x2019; werd toegeschreven. Dit stelde het rechtsstelsel evenwel voor een probleem: als de menselijke natuur goed was, wat voor mensen waren plegers van misdrijven dan&#x003F; Ook dit stimuleerde een steeds verregaander onderzoek in de individuele aard en de motieven van verdachten. Geconfronteerd met de vragen van de jury, moesten de beschuldigden en getuigen reflecteren over het zelf.</p>
<p>Op basis van gerechtelijke bronnen laat Hofman fraai zien hoe niet-geprivilegieerde groepen in de samenleving blijk gaven van diverse praktijken van het zelf. Zijn scherpe oog voor de meervoudigheid van vertogen binnen eenzelfde periode blijkt bijvoorbeeld uit hoofdstukken twee en drie, waarin hij aantoont hoe beklaagden zowel rationele denkvermogens als juist het verlies daarvan inzetten als argument ter verdediging.</p>
<p>Los van het bronnenmateriaal dat ze bieden, zijn strafrechtelijke instituten ook belangrijk voor de geschiedenis van het zelf vanwege hun hoog maatschappelijke aanzien en macht. De instituten registreerden opvattingen over het zelf, maar beoordeelden deze ook en brachten volgens Hofman een zekere discursieve eenheid aan doorheen verschillende sociale groepen. Een top-down model volgt deze verschuiving evenwel niet. Door te wijzen op de diversiteit in de vertogen, toont de auteur de <italic>agency</italic> van de beschuldigden en hun omgang met de machtscontext. Hoewel dit boek bovenal de impact van strafrechtelijke instellingen benadrukt, rekent Hofman ook educatieve en medische instellingen tot wat hij benoemt als &#x2018;institutions of the self&#x2019;. De claim dat door het bestuderen van het strafrechtelijk apparaat ook de impact van andere instituten inzichtelijk wordt (7), wordt niet duidelijk uitgewerkt. Hoe deze instituten zich onderling verhouden, blijft dus de vraag.</p>
<p>Al bij al levert <italic>Trials of the self</italic> veel stof tot inspiratie. Voor de sociale geschiedenis van het zelf is dit boek belangrijk omdat het inzicht biedt in praktijken van het zelf bij minder geprivilegieerde groepen. In ruimer opzicht verdient dit boek alle lof door de mooie balans in het ontwaren van structurele verschuivingen zonder de pluraliteit in de geschiedenis van het zelf te miskennen.</p>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Monique Scheer, &#x2018;Are Emotions a Kind of Practice (and Is That What Makes Them Have a History)&#x003F; A Bourdieuian Approach to Understanding Emotion.&#x2019;, <italic>History and Theory</italic> 51:2 (2012) 193-220. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1111/j.1468-2303.2012.00621.x">https://doi.org/10.1111/j.1468-2303.2012.00621.x</ext-link>.</p></fn>
</fn-group>
</back>
</article>