<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="discussion" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.12028</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.12028</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Discussion</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Uit de egelstellingen</article-title>
<subtitle>Over wetenschappelijke integriteit, nivellering en kwetsbaarheid</subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Beyen</surname>
<given-names>Marnix</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">ook namens de redactie van <sc>bmgn - <italic>lchr</italic></sc></aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>06</month>
<year>2022</year>
</pub-date>
<volume>137</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>30</fpage>
<lpage>38</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2022 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2022</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.12028"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Het is intussen meer dan drie jaar geleden dat <italic>Gemmeker. Commandant van Westerbork</italic> stof deed opwaaien onder historici en in het bredere publieke debat in Nederland. Het applaus dat aanvankelijk had weerklonken voor het proefschrift van de gevierde televisiefiguur en publiekshistoricus Ad van Liempt moest al snel plaats maken voor de verdenking dat Van Liempt erg slordig was omgegaan met zijn bronnen en zelfs ronduit plagiaat zou hebben gepleegd. Er volgde een offici&#x00EB;le aanklacht bij de instanties die in het leven zijn geroepen om de wetenschappelijke integriteit te bewaken. Deze oordeelden dat er geen sprake was van plagiaat, maar dat Van Liempt wel slordigheid kon worden verweten.</p>
<p>Indien <sc>bmgn</sc> &#x2013; <italic>Low Countries Historical Review</italic> vandaag &#x2013; als eerste wetenschappelijk tijdschrift &#x2013; uitgebreid terugblikt op deze polemiek, is het niet om het nauwelijks neergedaalde stof opnieuw de lucht in te blazen. Wel wil de redactie, vertrekkende vanuit deze zaak en op uitdrukkelijk verzoek van het <sc>knhg</sc>, in dit discussiedossier de schijnwerper richten op de belangrijke deontologische en historiografische kwesties die erdoor aan de orde worden gesteld.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup> Deze kwesties overstijgen ruimschoots de zaak-Van Liempt en belangen ons als historici allemaal aan. Het gaat daarbij niet alleen om de discussie over wetenschappelijke integriteit. In het kielzog van de door deze zaak ontketende polemiek betrok de Rotterdamse emeritus Rudolf Dekker er immers ook de kwestie van de zogenaamde &#x2018;nivellering&#x2019; of &#x2018;vergrijzing&#x2019; van het geschiedbeeld over de Tweede Wereldoorlog bij. In zijn reeds in september 2019 gepubliceerde essay <italic>Plagiaat en nivellering. Nieuwe trends in de Nederlandse geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog</italic> klaagde Dekker immers aan hoe volgens hem Van Liempt en andere Nederlandse historici van de bezettingsperiode het onderscheid tussen &#x2018;goed&#x2019; en &#x2018;fout&#x2019; hadden laten vervagen en zich daardoor aan vergoelijking van de collaboratie bezondigden. Deze tweede kwestie treft niet alle historici op een rechtstreekse manier, maar werpt indirect wel de ruimere vraag op naar de morele waardering van de historische werkelijkheden die we beschrijven. Hoe uiteenlopend deze kwesties ook zijn, in beide staat de ethiek centraal &#x2013; die van onze wetenschappelijke procedures in het eerste geval, van onze oordelen over de geschiedenis in het tweede.</p>
<p>De zaak-Van Liempt fungeert in dit dossier als vertrekpunt, niet als eindpunt van een discussie over deze beide kwesties. We hebben niet de ambitie het laatste woord over deze zaak zelf te schrijven, wel om de noodzakelijke reflectie voort te zetten die door deze polemiek op scherp werd gesteld. Het discussiedossier vangt daarom aan met een dubbelrecensie van zowel het proefschrift van Van Liempt als het essay van Dekker. Deze recensie werd geschreven door Nico Wouters, die als directeur van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij in Brussel (CegeSoma) ook met beide thematieken wordt geconfronteerd, maar die het debat niettemin vanop de nodige afstand kan gadeslaan. De storm rond het proefschrift van Van Liempt, zo kan ik als landgenoot van Wouters getuigen, heeft buiten het Nederlandse grondgebied immers nauwelijks &#x2013; en in Franstalig Belgi&#x00EB; helemaal geen &#x2013; rimpelingen veroorzaakt.</p>
<p>Op de dubbelrecensie volgen twee bijdragen die elk afzonderlijk reflecteren over &#x00E9;&#x00E9;n van de betrokken thematieken. De Utrechtse cultuurpsycholoog en wetenschapshistoricus Ruud Abma staat stil bij de procedures die zijn gevolgd naar aanleiding van de plagiaatbeschuldiging aan het adres van Van Liempt en bij het oordeel dat de commissies van wetenschappelijke integriteit over zijn proefschrift velden. Wat moeten we verstaan onder de ruime notie &#x2018;slordigheid&#x2019; en waarom moeten we ze vermijden&#x003F; Aan het antwoord op die vragen koppelt Abma algemenere bedenkingen over de &#x2013; volgens hem gebrekkige &#x2013; garanties die in het huidige Nederlandse wetenschappelijke bedrijf worden geboden voor de bescherming van de wetenschappelijke integriteit. De Groningse historica Barbara Henkes staat vervolgens stil bij de vraag of en hoe de noties &#x2018;goed&#x2019; en &#x2018;fout&#x2019; vervagen in de actuele beeldvorming van de Tweede Wereldoorlog. In navolging van de Amerikaanse <italic>memory scholar</italic> Michael Rothberg pleit zij voor een benadering waarin historici zichzelf niet wegcijferen uit het verhaal dat ze vertellen, maar waarin zij integendeel hun positie als <italic>implicated subject</italic> erkennen.</p>
<p>Dat we ons als historici niet buiten de materie kunnen plaatsen die we beschrijven, geldt eigenlijk voor beide discussies die in dit dossier worden behandeld. Dit discussiedossier gaat dus niet alleen over Van Liempt of Dekker, maar over elk van ons. Om dat uitgangspunt te verduidelijken wil ik voor elk van beide discussies duidelijk maken hoe ze mij persoonlijk hebben geraakt in mijn traject als historicus en welke ruimere relevantie ik daarmee verbind.</p>
<sec id="s1">
<title>De bekentenis van een omstander</title>
<p>Hier past een kleine bekentenis. Dertig jaar geleden ontdekte ik identieke tekstpassages in twee verschillende proefschriften die ik gebruikte bij de voorbereiding van mijn licentiaatsverhandeling: enerzijds het ongepubliceerde proefschrift van Cyrill Nunn &#x2013; de huidige Duitse ambassadeur in Nederland &#x2013; getiteld <italic>Belgien zwischen Frankreich und Deutschland,1925-1934</italic>, anderzijds het gepubliceerde proefschrift van Carlo Lejeune getiteld <italic>Die Deutsch-Belgischen Kulturbeziehungen, 1925-1980</italic>. Aangezien Lejeune zijn proefschrift zes jaar na Nunn had verdedigd &#x2013; respectievelijk in 1985 en 1991 &#x2013; leed het geen twijfel dat hij het plagiaat had gepleegd. Ik was verbouwereerd door de ontdekking van deze fraude, maar deed er verder niets mee. Machtsrelaties speelden daar niet rechtstreeks een rol in &#x2013; wat moest ik vrezen van een leerkracht geschiedenis uit een ander taalgebied, ook al was deze doctor en ik slechts student&#x003F; &#x2013; maar de drempels om er een zaak van te maken ervoer ik wel als hoog. Ik wist niet meteen waar ik met een eventuele klacht terecht kon, ik wilde niemand pijn berokkenen en ik wilde me vooral concentreren op de voortgang van mijn eigen onderzoek.</p>
<p>Tijdens de daaropvolgende jaren ontmoette ik Lejeune af en toe tijdens wetenschappelijke bijeenkomsten, en vanaf 2018 leerde ik hem kennen als de gedreven en gedegen directeur van het Zentrum f&#x00FC;r Ostbelgische Geschichte. Ik was immers aangezocht om lid te worden van de wetenschappelijke raad van dat dynamische centrum en ik was daar met plezier op ingegaan. Vanzelfsprekend heb ik op dat moment getwijfeld of ik niet moest spreken over het plagiaat, maar toch deed ik het opnieuw niet. Om een heel andere reden dan een ruime kwarteeuw eerder had dit niets met machtsverhoudingen te maken. Intussen was ik immers zelf hoogleraar en moest ik dus niet vrezen dat mijn carri&#x00E8;re gedwarsboomd zou worden indien ik als klokkenluider optrad. Dat ik toch zweeg, had enerzijds te maken met het respect dat ik intussen had gekregen voor het werk dat Lejeune deed als publiekshistoricus, maar anderzijds opnieuw met de vrees dat ik hier veel negatieve energie in zou moeten investeren. Nochtans had ik enkele jaren eerder mijn doctorandus Michael Auwers aangezet om het door hem ontdekte plagiaat van de gevestigde militair-historicus Luc De Vos wel publiek te maken. Het wetenschappelijke artikel dat Auwers erover schreef, kreeg wel enige aandacht in de pers, maar had opmerkelijk genoeg geen verdere consequenties voor De Vos&#x2019; verdere carri&#x00E8;re.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup></p>
<p>Dergelijke consequenties zouden er uiteindelijk wel komen voor Lejeune. Eind 2020 moest hij aftreden als directeur van het Zentrum for Ostbelgische Geschichte aangezien de plagiaatskwestie toch boven water was gekomen en in de Oost-Belgische publieke opinie veel beroering had teweeggebracht. Zonder twijfel speelden in deze kwestie ook politieke motieven, maar het plagiaat zelf was onloochenbaar. Het werd gestaafd onder verwijzing naar een recensie die de toonaangevende Belgische historicus Jean Stengers er al in 1994 &#x2013; een jaar na de afwerking van mijn licentiaatsverhandeling &#x2013; aan bleek te hebben gewijd in <italic>Francia</italic>, het tijdschrift van het Duits Historisch Instituut in Parijs.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn3">3</xref></sup> Het plagiaat dat Stengers in deze recensie blootlegde, bleek overigens nog omvangrijker te zijn dan ikzelf had kunnen vaststellen. Ondanks Stengers&#x2019; grote reputatie was er bij de verschijning geen gevolg aan gegeven.</p>
<p>Die laatste vaststelling suste mijn geweten een klein beetje: zelfs als ik de zaak dertig jaar geleden had bekendgemaakt, had het vermoedelijk geen enkel verschil gemaakt. Toch liet deze hele saga mij met veel vragen achter over de weinig moedige of principi&#x00EB;le positie die ik erin had ingenomen. Over inbreuken tegen de wetenschappelijke integriteit mag immers niet zedig worden gezwegen &#x2013; om welke reden dan ook. De geschiedschrijving kan slechts als wetenschappelijke discipline worden erkend indien haar beoefenaren zich strikt aan de gezamenlijke afspraken in verband met het gebruik en de vermelding van bronnen houden. Eerlijkheid op dat terrein is cruciaal voor het vertrouwen binnen de academische gemeenschap, maar ook voor het respect dat academische historici van de buitenwereld kunnen genieten. Daar moeten we allemaal samen aan bijdragen.</p>
<p>Of deze integriteit vandaag meer wordt geschonden dan in het verleden valt moeilijk te bewijzen. Wel is het zo dat het wetenschappelijke bedrijf zich vandaag ontwikkelt in een context die om verschillende redenen &#x2013; waarvan sommige in de bijdrage van Abma tot dit discussiedossier worden vermeld &#x2013; niet altijd bevorderlijk is voor de integriteit. Ten eerste is er het wetenschappelijke financieringsmodel dat de nadruk vaak meer legt op kwantiteit dan op kwaliteit en daardoor het trage proces van wetenschappelijke waarheidsvinding en zorgvuldige communicatie bemoeilijkt. Daarnaast is er echter ook het op zich heuglijke gegeven dat academische historici steeds nadrukkelijker wordt gevraagd in directe dialoog te treden met de hen omringende maatschappij en dus uit hun spreekwoordelijke ivoren toren te treden. Ze worden gestimuleerd actief te zijn in de klassieke en de sociale media, tentoonstellingen te bouwen en podcasts te maken, om zo de resultaten van hun onderzoek voor velen relevant te maken. De basis van het historisch onderzoek, de moeizame worsteling met de bronnen en de complexe activiteit om de resultaten van dat bronnenonderzoek in een transparant betoog weer te geven, dreigt daarmee soms naar de achtergrond te verdwijnen. De recente discussie over de &#x2018;onthullingen&#x2019; in verband met de zaak-Anne Frank toont hoe vatbaar met name de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog voor dergelijke dynamieken is.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn4">4</xref></sup></p>
<fig id="fg001">
<caption><p>&#x2018;Man met gesloten ogen&#x2019;, prent gemaakt door Anthonie Willem Hendrik Nolthenius de Man in 1828. &#x00A9; Rijksmuseum, <sc>rp-p-ob</sc>-22.845, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://hdl.handle.net/10934/rm0001.collect.163516">http://hdl.handle.net/10934/<sc>rm</sc>0001.<sc>collect</sc>.163516</ext-link>.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="figures/bmgn-lchr.12028_fig1.jpg"/>
</fig>
<p>Indien ik in deze context mijn persoonlijk wedervaren met de vermelde plagiaatkwestie vertel, is het echter ook om duidelijk te maken dat niet alle discussies over wetenschappelijke integriteit op dezelfde manier verlopen. Zo bestaat er een groot onderscheid tussen de schendingen zelf &#x2013; gaande van het letterlijke plagiaat dat ikzelf vaststelde tot de &#x2018;verwijtbare slordigheid&#x2019; die de bevoegde commissies in het geval van Van Liempt aan de kaak stelden. Maar de procedures kunnen ook op heel verschillende manieren aflopen en daarin speelt onder meer de maatschappelijke positie van zowel de beschuldigde als de slachtoffers en aanklagers een rol. Mijn verhaal toont echter dat zwijgen over integriteitsschendingen niet altijd voortspruit uit vrees voor de machtigen. Even goed schuilt er een gevaar in een corporatistische reflex onder historici. We behoren allemaal tot een relatief kleine wereld waarin we elkaar voortdurend kunnen tegenkomen en waarin we elkaar misschien wel eens met te veel egards behandelen.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Een grijs of veelkleurig oorlogsverleden&#x003F;</title>
<p>Niet zo lang na de vorige episode die ik heb beschreven, begon ik aan het onderzoek voor een proefschrift over de omgang met het verleden in Belgi&#x00EB; en Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn5">5</xref></sup> Vrijwel onvermijdelijk raakte ik daarbij be&#x00EF;nvloed door Hans Bloms oproep om uit de ban van goed en fout te treden bij de beoordeling van deze zwaarbeladen periode &#x2013; een oproep die in Dekkers essay verschijnt als &#x00E9;&#x00E9;n van de voornaamste bronnen van de &#x2018;nivellering&#x2019; die hij vaststelt in de recente Nederlandse geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog, en dus ook in het werk van Van Liempt. In de loop van mijn doctoraatstraject werd Blom de copromotor van mijn proefschrift. Mede onder zijn aansporing probeerde ik in mijn analyses niet <italic>alles</italic> te laten bepalen door de oorlogscontext, maar integendeel precies te taxeren <italic>wanneer</italic> en <italic>hoe</italic> deze context bepaalde hoe historische actoren met het nationale verleden omgingen. Dat betekende dat ik oog probeerde te hebben voor continu&#x00EF;teiten met de vooroorlogse periode, maar zeker ook voor discontinu&#x00EF;teiten. Zowel collaboratie en (in mindere mate) verzet kwamen op die manier in beeld, maar niet als monolithische en allesbepalende categorie&#x00EB;n.</p>
<p>Tot vandaag blijf ik geloven dat ik daarmee geen grijze, maar veeleer een veelkleurige geschiedenis leverde &#x2013; zoals Blom zelf later in een recensieartikel naar aanleiding van Chris van der Heijdens <italic>Grijs Verleden</italic> zou bepleiten.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn6">6</xref></sup> In deze geschiedenis bleven zwart en wit een rol spelen, naast de vele kleuren die er in wisselende combinaties tussen verschijnen. In de jaren die volgden heb ook ik het verwijt gekregen het gedrag van &#x2018;foute&#x2019; historische actoren te willen vergoelijken. Dat gold met name waar ik aandacht had gevraagd voor het feit dat de Duitse historicus Franz Petri als cultuurverantwoordelijke voor het militaire bestuur in Belgi&#x00EB; <italic>ook</italic> zijn academische geloofwaardigheid had trachten te bewaren en dus niet <italic>alleen</italic> als een nazi-ambtenaar mocht worden gezien.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn7">7</xref></sup> Desondanks ben ik blijven benadrukken dat wij als historici de taak hebben dergelijke complexiteiten en meerduidigheden in hun historische veranderlijkheid te beschrijven. Ik heb meer bepaald ook gepleit voor een &#x2018;onderhandelingsperspectief&#x2019; in de benadering van keuzes die door actoren tijdens de Tweede Wereldoorlog werden gemaakt.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn8">8</xref></sup> Deze keuzes worden immers telkens vernieuwd in het licht van een veranderende context en van wijzigende verhoudingen met andere actoren. Zij kunnen niet altijd precies worden gesitueerd op het spectrum tussen collaboratie en verzet, laat staan dat zij altijd eenduidig tot &#x00E9;&#x00E9;n van beide categorie&#x00EB;n kunnen worden gerekend. In sommige keuzes kunnen parti&#x00EB;le collaboratie en partieel verzet hand in hand gaan.</p>
<p>Toch ben ik de voorbije jaren steeds meer gaan beseffen dat er inderdaad ook gevaren bestaan aan een dergelijke &#x2018;nuanceringsdrift&#x2019;. Dat is zeker in Vlaanderen het geval, waar een lange traditie bestaat van vergoelijking van de collaboratie en verguizing van het verzet. Ook al worden de laatste decennia pogingen ondernomen om deze tendens te keren, toch werkt ze in de huidige publieke beeldvorming over de Tweede Wereldoorlog nog steeds door: via historische romans en andere culturele producten krijgen we een zeker begrip voor collaborateurs, terwijl de verzetsstrijders die we er ontmoeten zelden zuiver op de graat zijn.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn9">9</xref></sup> Door ook als historici telkens de nuance en de complexiteit voorop te stellen dreigen we die mensen uit het oog te verliezen die hun leven compromisloos hebben veil gehad voor de verdediging van wat hen dierbaar was: het leven dat ze leidden in een land waar ze zich al bij al goed voelden en waar mensen in een relatieve vrijheid leefden. Om die reden ben ik me de laatste jaren meer gaan toeleggen op de studie van het verzet in Belgi&#x00EB;. Niet om deze mensen blind op een voetstuk te plaatsen, wel vanuit een moreel gedreven besef dat deze &#x2013; vaak veel te jong gestorven &#x2013; mensen onterecht uit ons blikveld zijn gebleven.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn10">10</xref></sup> Aandacht vragen voor complexiteit en voor de mogelijke contradicties die ook het handelen van veel verzetsmensen hebben bepaald, hoeft met andere woorden geen nivellering of vergrijzing te betekenen.</p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>Voor een open en kwetsbare dialoog</title>
<p>Zoals eerder aangegeven heeft de redactie van <sc>bmgn</sc> met dit discussiedossier niet de bedoeling het laatste woord te spreken in de debatten die naar aanleiding van Van Liempts proefschrift zijn ontstaan &#x2013; en die tot hiertoe al te vaak een dovemansgesprek zijn gebleven. Het nodigt integendeel iedereen die zich tot de wetenschappelijke gemeenschap van historici rekent uit tot introspectie. Hoe kan elk van ons ertoe bijdragen dat de wetenschappelijke integriteit binnen deze gemeenschap zoveel mogelijk wordt beschermd en bevorderd&#x003F; Waar zijn de valkuilen en hoe kunnen we die vermijden&#x003F; Maar ook: welke plaats mogen morele oordelen hebben in onze onderwerpskeuze en in de manier waarop we deze benaderen&#x003F; Het zijn oude vragen die we ons telkens opnieuw moeten stellen. Slechts als we onszelf er op deze manier bij betrekken, zo is althans mijn oordeel, kunnen we de egelstellingen vermijden die de discussies rond het proefschrift van Van Liempt zozeer hebben bemoeilijkt en blijven bemoeilijken. Dit is geen oproep om zaken als <italic>sloppy science</italic> en nivellering te relativeren, wel om de discussie op een open en kwetsbare, en daarmee constructieve manier te voeren. In de eerste plaats hebben we de direct betrokkenen bij de zaak-Van Liempt daartoe uitgenodigd: Ad van Liempt zelf, zijn promotor Hans Renders, en hun meest uitgesproken criticus Rudolf Dekker. De eerste wenste niet inhoudelijk te reageren, de andere twee deden dat wel. Hun replieken verschijnen niet in het discussiedossier zelf, aangezien we hierin precies de aandacht op de ruimere thematieken willen vestigen. We geven ze wel graag een plaats op onze website, waar de redactie ruimte biedt voor een dynamisch en meerstemmig gesprek over deze zaak. Ook Van Liempts argumentatie om niet inhoudelijk op dit dossier te reageren kan daar worden teruggevonden. Daarin stelt hij de wetenschappelijke integriteit van het tijdschrift zelf ter discussie. Precies omdat we die integriteit en een kwetsbare opstelling hoog in het vaandel voeren, delen we zijn reactie met onze lezers. Het is nu aan hen te oordelen of we goed hebben gehandeld.</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Antia Wiersma, <italic>Plagiaat &amp; (on)ethisch hergebruik. Memo voor de Algemene Leden Vergadering d.d. 12 november 2021</italic> (2021), <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://knhg.nl/wp-content/uploads/2021/10/Bijlage-2-knhg-alv-2021_Memo-Plagiaat-en-onethisch-hergebruik.pdf">https://knhg.nl/wp-content/uploads/2021/10/Bijlage-2-knhg-alv-2021_Memo-Plagiaat-en-onethisch-hergebruik.pdf</ext-link>, geraadpleegd op 16 mei 2022.</p></fn>
<fn id="fn2"><label>2</label><p>Zie Michael Auwers, &#x2018;Postmoderne <italic>Spielerei</italic> of inbreuk op het auteursrecht&#x003F; <italic>Het Belgisch buitenlands beleid</italic> van Luc De Vos en Etienne Rooms bekeken vanuit intertekstueel perspectief&#x2019;, <italic>Bijdragen tot de Eigentijdse geschiedenis</italic> 21 (2009) 245-255.</p></fn>
<fn id="fn3"><label>3</label><p>Jean Stengers, &#x2018;Carlo Lejeune, <italic>Die deutsch-belgischen Kulturbeziehungen 1925-1980. Wege zur europ&#x00E4;ischen Integration&#x003F;</italic>, 1992&#x2019;, <italic>Francia. Forschungen zur westeurop&#x00E4;ischen Geschichte</italic> 21:3 (1994) 270-271. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.11588/fr.1994.3.59083">https://doi.org/10.11588/fr.1994.3.59083</ext-link>. Een link naar deze recensie werd opgenomen in: &#x2018;Doktortitel-Aff&#x00E4;re. Nerven liegen blank &#x2013; Carlo Lejeune tritt zur&#x00FC;ck &#x2013; Historiker r&#x00FC;gen &#x201C;Schmierentheater&#x201D;, <italic>Ostbelgien.direkt</italic>, 21 november 2020. Zie <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://ostbelgiendirekt.be/doktortitel-affaere-auch-in-ostbelgien-267218">https://ostbelgiendirekt.be/doktortitel-affaere-auch-in-ostbelgien-267218</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn4"><label>4</label><p>Zie het door Bart Wallet e.a. samengestelde en in maart 2022 voorgestelde onderzoeksrapport &#x2018;<italic>The Betrayal of Anne Frank</italic>: A Refutation. Critical Analysis of the Argumentation and Use of Historical Sources&#x2019;, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.niod.nl/en/news/research-report-book-about-betrayal-anne-frank-based-assumptions-and-lack-historical-knowledge">https://www.niod.nl/en/news/research-report-book-about-betrayal-anne-frank-based-assumptions-and-lack-historical-knowledge</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn5"><label>5</label><p>De handelseditie van dat in 1999 verdedigde proefschrift verscheen als Marnix Beyen, <italic>Oorlog en verleden. Nationale geschiedenis in Belgi&#x00EB; en Nederland, 1938-1947</italic> (Amsterdam 2002).</p></fn>
<fn id="fn6"><label>6</label><p>Hans Blom, &#x2018;Grijs verleden&#x003F;&#x2019;, <italic><sc>bmgn</sc></italic> 116:4 (2001) 483-489. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.5557">https://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.5557</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn7"><label>7</label><p>Zie met name Hans Derks, <italic>Deutsche Westforschung. Ideologie und Praxis im 20. Jahrhundert</italic> (Leipzig 2001) 114, en Hans Derks, &#x2018;Chapter 6, Flemish Historians as Jew Hunters&#x2019;, in: Idem, <italic>Victims and Perpetrators. Dutch Shoah 1933/1945 and beyond</italic> (Paderborn 2018) 176-207.</p></fn>
<fn id="fn8"><label>8</label><p>Marnix Beyen, &#x2018;Van Brunclair tot Peleman. Cultureel onderhandelen in oorlogstijd&#x2019;, in: Lukas De Vos, Yves T&#x2019;Sjoen en Ludo Stynen (reds.), <italic>Verbrande schrijvers.</italic> &#x2018;<italic>Culturele</italic>&#x2019; <italic>collaboratie in Vlaanderen 1933-1953</italic> (Gent 2009) 21-38.</p></fn>
<fn id="fn9"><label>9</label><p>Recente voorbeelden daarvan zijn onder meer Jeroen Olyslaegers, <italic>Wil</italic> (Amsterdam 2016); Kristien Hemmerechts, <italic>Hubertina</italic> (Amsterdam 2022); Tom Lanoye, <italic>De draaischijf</italic> (Amsterdam 2022).</p></fn>
<fn id="fn10"><label>10</label><p>Hier sta ik uitvoeriger bij stil in Marnix Beyen, &#x2018;Een stap terug, voor het te laat is. Bekentenissen van een halfslachtige Tweede Wereldoorlog-historicus&#x2019;, <italic>Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis</italic> 49:2-3 (2019) 202-209.</p></fn>
</fn-group>
</back>
</article>