<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.11911</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.11911</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Het middeleeuwse openbare badhuis: fenomeen, metafoor, schouwtoneel</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Roelens</surname>
<given-names>Jonas</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Radboud Universiteit</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>04</month>
<year>2022</year>
</pub-date>
<volume>137</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>2022018</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>van Dam</surname><given-names>Fabiola</given-names></name>
</person-group>
<source>Het middeleeuwse openbare badhuis: fenomeen, metafoor, schouwtoneel</source>
<publisher-loc>Hilversum</publisher-loc>
<publisher-name>Verloren</publisher-name>
<year>2020</year>
<page-range>313 pp.</page-range>
<isbn>9789087048679</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2022 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2022</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.11911"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Fabiola van Dam is de eerste historica in het Nederlandse taalgebied die een volwaardige monografie wijdt aan het openbare middeleeuwse badhuis. Haar boek is geen topografische of prosopografische studie die de verspreiding van middeleeuwse badhuizen of de sociale achtergrond van badhuisbazen en hun klanten in de Nederlanden in kaart brengt. De focus ligt op de representatie van het openbare badhuis in een gevarieerde of, zoals Van Dam zelf toegeeft, &#x2018;disparate&#x2019; (228) bronnencollectie. Door een bestudering van dit materiaal slaagt de auteur erin om zowel de dagelijkse hygi&#x00EB;nische rituelen in het badhuis adequaat in kaart te brengen als de metaforische betekenissen die tijdens de middeleeuwen aan baden gekoppeld werden te schetsen. Het boek maakt daardoor overtuigend duidelijk dat het badhuis alomtegenwoordig was in de middeleeuwse leef- en denkwereld.</p>
<p>Het badhuis fungeerde onder andere als fysieke ruimte die een essentieel onderdeel was van het &#x2018;gemeyn oirbaer&#x2019;, het algemeen belang. Publieke badhuizen waren als openbare nutsvoorziening even doorslaggevend voor het functioneren van het stedelijk weefsel als molens, hospitalen en herbergen. De middeleeuwse badroutine ging veel verder dan het nemen van een simpel bad: massages, zweetsessies, aderlatingen en kapbeurten behoorden allemaal tot de mogelijkheden. Het badhuis deed bovendien dienst als een laagdrempelige gezondheidsvoorziening waar de humorale evenwichten hersteld konden worden. Badvoorschriften moesten dus strikt gevolgd worden om tegenovergestelde effecten te vermijden.</p>
<p>Vanwege die strikte badroutine leende het badhuis zich ook voor tal van metaforen in middeleeuwse teksten van uiteenlopende genres. Zo behandelt Van Dam uitvoerig de zogenaamde metabolisme-is-koken metafoor, waarbij de fysiologische effecten van een bad op het lichaam en het zuiverende karakter daarvan metaforen zijn voor zielenzorg en goed bestuur. Verder blijkt het badhuis ook op te duiken als propaganda om antisemitische en antipaapse stellingen te poneren of als mnemotechnisch hulpmiddel om gebedsoefeningen foutloos af te werken. De verschillende handelingen die men in verschillende ruimtes uitvoerde tijdens het badritueel werden als aanknopingspunten gebruikt om gebedsstonden als een geestelijke reinigingskuur voor te stellen. Overigens klinken niet alle voorbeelden geselecteerd uit de &#x2018;tekstuele gemeenschap&#x2019; van badbronnen even aannemelijk in die zin dat de link met het badhuis an sich bij momenten wel heel ver te zoeken is. Een sterkte van het boek is dan weer dat Van Dam dankzij haar focus op de veelzijdige representatie van het openbare badhuis in middeleeuwse bronnen de gebruikelijke associaties tussen badhuizen en bordelen weet uit te breiden en de focus opnieuw meer op het hygi&#x00EB;nische aspect legt.</p>
<p><italic>Het middeleeuwse openbare badhuis: fenomeen, metafoor, schouwtoneel</italic> kent echter ook aanzienlijke tekortkomingen, die allereerst zichtbaar worden in de bronnenselectie. Hoewel Van Dam in het eerste hoofdstuk tamelijk bombastische en omslachtige woorden gebruikt om haar bronnencorpus onder de noemer &#x2018;mentale iconografie&#x2019; te scharen, blijft het onduidelijk welke criteria of zoekstrategie&#x00EB;n ze hanteerde om dit corpus samen te stellen. De overbodige mededeling dat de auteur zich in haar keuze niet beperkt heeft tot teksten met het trefwoord &#x2018;bad&#x2019; in de (sub)titel maakt de nieuwsgierige lezer niet veel wijzer. Bovendien strekt het bronnencorpus zich uit van de twaalfde tot en met de zeventiende eeuw. De focus ligt weliswaar op bronnen uit het Heilige Roomse Rijk, Frankrijk en de Nederlanden van de veertiende tot en met de zestiende eeuw, maar veel van het bestudeerde materiaal kan bezwaarlijk nog als middeleeuws omschreven worden. Wat is bijvoorbeeld de relevantie van een badhuissc&#x00E8;ne uit 1633 die commentaar geeft op de Dertigjarige Oorlog&#x003F; De auteur positioneert ook vrij argeloos heel wat zestiende-eeuwse post-reformatorische bronnen tegenover veel oudere teksten, zonder dat ze daarbij voldoende historisch inzicht biedt in de vele socio-economische, religieuze en culturele verschillen doorheen de tijd. Van Dams badhuis wordt op die manier een ahistorische gemeenplaats die niet be&#x00EF;nvloed wordt door bredere maatschappelijke ontwikkelingen.</p>
<p>Deze onnauwkeurige bronselectie houdt Van Dam echter niet tegen om vaak boude stellingen te poneren en historici daarbij regelmatig een veeg uit de pan te geven. Ze verweert zich met name fel tegen de weergave van het middeleeuwse badhuis als bordeel. In Van Dams misprijzende bewoordingen is die representatie een &#x2018;negentiende-eeuwse legende&#x2019; die &#x2018;zelden onderbouwd&#x2019; wordt, &#x2018;hardnekkig&#x2019; is en &#x2018;klakkeloos&#x2019;, &#x2018;te pas en te onpas&#x2019; herhaald wordt waardoor het middeleeuwse badhuis &#x2018;veroordeeld&#x2019; is tot bordeel (25-35). De verbetenheid waarmee Van Dam zich in het eerste hoofdstuk uitspreekt tegen het idee dat sommige middeleeuwse badhuizen het decor vormden voor prostitutie is merkwaardig. Hierdoor gaat ze namelijk compleet voorbij aan concrete onderzoeksresultaten van historici die middeleeuwse prostitutie onderzochten en wel degelijk tot de conclusie komen dat bepaalde badhuizen effectief prostitutie faciliteerden. Al in 1996 toonde Guy Dupont dit overtuigend aan voor de Brugse stoven (al krijgt Dupont een onbegrijpelijke sneer omdat zijn boek over prostitutie te veel afbeeldingen van badhuizen zou bevatten, 34). Recenter bestudeerden Laura Schoorens en Jelle Haemers concrete bronnen zoals huurcontracten en boedelbeschrijvingen om te onderbouwen dat diverse Leuvense badhuizen wel degelijk als bordeel gebruikt werden.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup> Ook een grondigere studie van het gewoonterecht, stedelijke ordonnanties en juridische traktaten had dit kunnen aantonen, maar Van Dam oordeelt onterecht dat dit &#x2018;buitengewoon interessant fenomeen&#x2019; buiten de reikwijdte van dit boek valt (42).</p>
<p>Hoewel Van Dam meermaals beweert dat h&#x00E9;t middeleeuwse badhuis niet bestaat, gaat ze in haar ijver om haar onderwerp te deseksualiseren voorbij aan de verscheidenheid aan sociale functies die het badhuis bekleedde. Meermaals wringt ze zich in bochten om het seksuele karakter van haar bronnen te minimaliseren. Dat is onder meer het geval bij de bespreking van een paneeltje toegeschreven aan Hans Baldung Grien &#x2018;De badstoof of de Hekeling der Ouderenlingenliefde&#x2019; (237-240), een gravure van Hans Sebald Beham van drie vrouwen in een badhuis (119), maar ook bij tal van badstoofminiaturen die Bourgondische kopie&#x00EB;n van Valerius Maximus&#x2019; <italic>Facta et dicta memorabilia</italic>-handschriften bevatten. Deze miniaturen, die teksten rond ondeugden zoals &#x2018;luxuria en libido&#x2019; beschrijven, tonen zonder uitzondering gemengde stoven waar naakte mannen en vrouwen elkaar betasten. De overgrote meerderheid van deze manuscripten werd bovendien in Brugge vervaardigd, een stad met een levendige bad- en bordeelcultuur. Van Dam ziet hierin geen weerspiegeling van de Brugse badhuiscultuur, maar houdt het erop dat luxuria en libido &#x2018;begrippen zijn die in de middeleeuwen veel minder exclusief verbonden zijn met seksualiteit dan voor ons&#x2019; (90) of dat &#x2018;niemand zich realiseert dat het hoofse publiek voor wie en in wiens opdracht deze miniaturen gemaakt zijn er dan wel een heel beheerste vorm van bandeloosheid op na moeten hebben gehouden&#x2019; (35). Hierbij handhaaft de door Norbert Elias ge&#x00EF;nspireerde auteur een te strikte opdeling tussen elite- en volkscultuur, hoewel studies de aanwezigheid van erotiek als populair thema binnen middeleeuwse hoofse kringen al meermaals hebben aangetoond.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup> In een poging om ook homo-erotiek in het middeleeuwse badhuis te minimaliseren, interpreteert de auteur een Brugse juridische bron incorrect. Wanneer een man beschuldigd wordt van sodomie, voert hij aan dat hij enkel de penis van zijn metgezel aangeraakt heeft. Hiermee impliceerde de beschuldigde dat er geen anale penetratie had plaatsgevonden in een poging een lichtere straf te krijgen. Van Dam maakt hier echter uit op dat we dergelijke handeling niet als een homo-erotisch gebaar mogen zien, &#x2018;want anders zou hij dat immers nooit ter verdediging hebben durven aanvoeren&#x2019; (218-219). Uiteraard is niemand vrij van fouten, maar gezien de beschuldigende vinger naar diverse vakgenoten vallen eigen misstappen extra op.</p>
<p>De meerwaarde van deze studie is zoals gezegd dat de auteur het concept van &#x2018;het bad&#x2019; in heel diverse bronnen analyseert en als opstapje gebruikt om middeleeuwse noties rond vuil en schoon, gezond en ziek, orde en chaos in beeld te brengen. Deze interessante interpretaties omtrent de middeleeuwse representatie van het badhuis zeggen echter niet noodzakelijk veel over de werkelijk beleefde realiteit in bepaalde badhuizen. De ambities van <italic>Het middeleeuwse openbare badhuis</italic> zijn hoog, maar worden dus niet volledig ingelost. De auteur wil terecht aantonen dat het middeleeuwse badhuis een veelzijdig fenomeen was en stereotype denkbeelden doorbreken. Het alternatief dat Van Dam naar voor schuift is echter opnieuw vrij eenzijdig en doet de complexiteit van het middeleeuwse badhuis niet volledig recht.</p>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Guy Dupont, <italic>Maagdenverleidsters, hoeren en speculanten. Prostitutie in Brugge tijdens de Bourgondische periode (1385-1515)</italic> (Brugge 1996); Laura Schoorens en Jelle Haemers, <italic>Vogelvrije vrouwen&#x003F; Prostitutie in laatmiddeleeuws Brabant</italic> (Leuven 2018).</p></fn>
<fn id="fn2"><label>2</label><p>Herman Pleij, <italic>Oefeningen in genot. Liefde en lust in de late Middeleeuwen</italic> (Amsterdam 2020); Michael Camille, &#x2018;&#x201C;For Our Devotion and Pleasure&#x201D;: The Sexual Objects of Jean, Duc de Berry&#x2019;, <italic>Art History</italic> 24:2 (2001) 169-194. <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1111/1467-8365.00259">https://doi.org/10.1111/1467-8365.00259</ext-link>.</p></fn>
</fn-group>
</back>
</article>