<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.11910</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.11910</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Dutch Golden Age(s). The Shaping of a Cultural Community</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Prak</surname>
<given-names>Maarten</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universiteit Utrecht</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>04</month>
<year>2022</year>
</pub-date>
<volume>137</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>2022019</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="editor">
<name><surname>Blanc</surname><given-names>Jan</given-names></name>
</person-group>
<source>Dutch Golden Age(s). The Shaping of a Cultural Community</source>
<comment>Gouden Eeuw: New Perspectives on Dutch Seventeenth-Century Art 1</comment>
<publisher-loc>Turnhout</publisher-loc>
<publisher-name>Brepols</publisher-name>
<year>2020</year>
<page-range>243 pp.</page-range>
<isbn>782503591070</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2022 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2022</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.11910"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Toen het Amsterdam Museum op 12 september 2019 bekendmaakte de term &#x2018;Gouden Eeuw&#x2019; te vervangen door het neutrale &#x2018;zeventiende eeuw&#x2019; leidde dat niet alleen tot een kleine mediastorm, maar gaf het museum daarmee tegelijk een nieuwe impuls aan de discussie over het karakter van die bijzondere periode uit de Nederlandse geschiedenis. Er lijken intussen drie posities in het debat te zijn ontstaan. Een aanzienlijke groep historici wil niet langer met &#x2018;Gouden Eeuw&#x2019; geassocieerd worden. Het Amsterdamse Centrum voor de Studie van de Gouden Eeuw heet bijvoorbeeld sinds kort het Amsterdam Centre for Studies in Early Modernity. Met deze neutrale aanduiding zijn de negentiende-eeuwse associaties van nationale trots in een klap weggevaagd. Een variant van deze werkwijze is om Gouden Eeuw tussen aanhalingstekens te plaatsen of vooraf te laten gaan door &#x2018;zogeheten&#x2019;. Zo blijft de term in gebruik, maar wordt er tegelijk afstand van genomen. Een tweede richting, vooral populair in de museale wereld, is om &#x2018;Gouden Eeuw&#x2019; te reserveren voor de culturele productie uit die periode. De rechtvaardiging hiervoor is dat het begrip oorspronkelijk vooral daarop betrekking had. Op deze manier blijft een gekend merk bruikbaar in de communicatie naar een groot publiek. Een derde richting, gevolgd door een minderheid waartoe ook ondergetekende behoort, handhaaft de term, maar voorziet die van een andere betekenis door te laten zien hoe de voorspoed van de Gouden Eeuw mede te danken was aan het gewelddadige optreden van de Republiek en haar inwoners, inclusief de slavenhandel en slavernij. De voordelen van deze benadering zijn dat het bijzondere van deze episode herkenbaar blijft op een manier die het hyperneutrale &#x2018;zeventiende eeuw&#x2019; per definitie ontbeert en dat het bredere publiek geen afstand hoeft te doen van een bekende term, maar juist heropgevoed wordt over de inhoud daarvan.</p>
<p>De bundel onder redactie van de in Gen&#x00E8;ve werkzame kunsthistoricus Jan Blanc is tegen deze achtergrond een welkome uitgave. Het boek komt voort uit een groot project onder de titel &#x2018;A Golden Age&#x003F; Re-Thinking 17th-Century Dutch Painting&#x2019; en wordt aangekondigd als het eerste deel van een serie onder de titel &#x2018;Gouden Eeuw: New Perspectives on Dutch Seventeenth-Century Art&#x2019;. De expertise van de auteurs en de titel van de serie suggereren dat dit een publicatie is die vooral voor de tweede stroming interessant is, maar zeker een deel ervan heeft betrekking op de gehele discussie. Dit is namelijk een werk met twee gezichten: het eerste gedeelte rapporteert over onderzoek naar het gebruik van de term &#x2018;Gouden Eeuw&#x2019; in de zeventiende eeuw, terwijl het andere specifiek handelt over de cultuur van de zeventiende-eeuwse Republiek. C&#x00E9;line Bohnert, Maria Aresin en redacteur en projectleider Blanc belichten in het eerste deel achtereenvolgens de uitgaven van Ovidius&#x2019; <italic>Metamorfosen</italic> (de klassieke referentietekst voor het begrip &#x2018;Gouden Eeuw&#x2019;), het gebruik van de term &#x2018;Gouden Eeuw&#x2019; in Gerard de Lairesses geschilderde cyclus <italic>De vier tijdperken</italic> en de toepassing van deze stijlfiguur in uiteenlopende teksten uit de periode zelf.</p>
<p>Dit laatste hoofdstuk is in mijn ogen het <italic>pi&#x00E8;ce de r&#x00E9;sistance</italic> van het boek. Blanc geeft daarin een indringend beeld van de brede aanwezigheid van de beeldspraak van het gouden tijdperk in de zeventiende eeuw. We kunnen eruit afleiden dat &#x2018;Gouden Eeuw&#x2019; geen inventie was van het negentiende-eeuwse nationalisme, maar al in de zeventiende eeuw tot het vaste repertoire behoorde om niet alleen de bloei van de kunsten aan te duiden, maar ook die van de samenleving. Daarvoor was een omkering nodig van Ovidius&#x2019; aflopende reeks, die begint met de gouden tijd en daarna via zilver en brons afzakt naar ijzer. De Lairesse zag de zeventiende eeuw zelf waarschijnlijk als een bronzen tijdperk. Toen Vondel in 1647 in een lofdicht op de Oranjes echter sprak van &#x2018;het goude volck in goude weerelds eeuw&#x2019; (77), had hij het niet over een ver verleden, maar over Holland in het hier en nu. De historiografische bijdrage van Maria Holtrop verwerpt in deel 2 van het boek dan ook terecht het idee dat de &#x2018;Gouden Eeuw&#x2019; een negentiende-eeuwse uitvinding was. Die eeuw verleende het begrip wel een luidere toon; chauvinisme veranderde in nationalisme. De vraag die daarmee voor het debat in de eenentwintigste eeuw wordt gesteld is: kunnen we alleen maar af van dat nationalisme door de hele term af te schaffen&#x003F; Blanc vindt alvast dat dat niet nodig is.</p>
<p>De vier andere bijdragen in het tweede deel, geschreven door neerlandicus Jeroen Jansen en de kunsthistorici Stijn Bussels, Lorne Darnell, Marije Osnabrugge en Sarah W. Mallory, verhouden zich op een andere manier tot het thema &#x2018;Gouden Eeuw&#x2019;, namelijk via het idee van een Nederlandse culturele identiteit, de &#x2018;cultural community&#x2019; uit de titel van het boek. Wat zij daar precies onder verstaan, blijft rijkelijk vaag. Zij belichten achtereenvolgens het idee van &#x2018;natuurlijkheid&#x2019; in de po&#x00EB;zie van de zeventiende eeuw, en dan vooral die van Joost van den Vondel (1587-1679), Gerbrand Bredero (1585-1618) en Maria Margaretha van Akerlaecken (c. 1605-c. 1665), de opvattingen van de Utrechtse jurist en oudheidkundige Arnoldus Buchelius (1565-1641) over gotische en contemporaine architectuur, de weergave van het landschap buiten de Republiek, en ten slotte de voornamelijk imaginaire voorstellingen van het eiland Mauritius in de Nederlandse schilderkunst van de zeventiende eeuw. Het zijn stuk voor stuk mooie opstellen, die net als de rest van het boek profiteren van talrijke, vaak in kleur gedrukte illustraties op groot formaat. Wel is de onderlinge samenhang van dit deel minder groot omdat er geen problematiek of benadering is die de artikelen verbindt. In het nawoord komt Blanc ook nauwelijks terug bij deze stukken en concentreert hij zich helemaal op de discussie over de terminologie van het eerste deel.</p>
<p>Alles overziend lost deze eerste aflevering nog maar zeer gedeeltelijk de belofte in van de serietitel, die nieuwe perspectieven op de kunst in het vooruitzicht stelt. Het is dankzij de kwaliteit van de afzonderlijke bijdragen en door het nieuwe licht dat geworpen wordt op het debat over het begrip &#x2018;Gouden Eeuw&#x2019; desalniettemin een waardevolle toevoeging aan de omvangrijke literatuur over deze bijzondere periode in de geschiedenis van Nederland en de Nederlandse rol in de wereld.</p>
</body>
</article>