<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.11292</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.11292</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>De geboorte van het moderne <sc>ik</sc>. Geluk en identiteit in Nederlandse egodocumenten, circa 1500-1850</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Bakker</surname>
<given-names>Catharina Th.</given-names>
</name>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>12</month>
<year>2021</year>
</pub-date>
<volume>136</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>2021084</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Buijs</surname><given-names>Peter</given-names></name>
</person-group>
<source>De geboorte van het moderne <sc>ik</sc>. Geluk en identiteit in Nederlandse egodocumenten, circa 1500-1850</source>
<publisher-loc>Hilversum</publisher-loc>
<publisher-name>Verloren</publisher-name>
<year>2021</year>
<page-range>214 pp.</page-range>
<isbn>9789087049195</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2021 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2021</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.11292"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Door de komst van sociale media lijken zich verschuivingen voor te doen in de manier waarop het &#x2018;ik&#x2019; zich manifesteert. Deze veranderingen zijn op dit moment nog moeilijk te duiden, maar het is wel duidelijk dat het &#x2018;ik&#x2019; niet stabiel is, maar kan veranderen door maatschappelijke, culturele en technologische omwentelingen. Aldus mentaliteitshistoricus Peter Buijs, die in 2007 promoveerde op <italic>De eeuw van het geluk</italic>.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup> In zijn nieuwste boek, <italic>De geboorte van het moderne <sc>ik</sc>. Geluk en identiteit in Nederlandse egodocumenten, circa 1500-1850</italic> buigt Buijs zich over de vraag waar het &#x2018;moderne ik&#x2019; vandaan kwam. Gebruikmakend van de inventarisaties van het Onderzoeksinstituut Egodocumenten en Geschiedenis neemt hij brieven, autobiografie&#x00EB;n en dagboeken onder de loep. Daarnaast onderzoekt hij een forse stapel contemporaine verhandelingen over zielkunde en verstand, van onder meer beroemde denkers als David Hume, Thomas Hobbes en John Locke, maar ook Willem Anthonie Ockerse.</p>
<p>Op basis van internationale studies op het gebied van mentaliteitsgeschiedenis van Charles Taylor, Joachim Weintraub, Dror Wahrman, Arianne Baggerman, Rudolf Dekker en Michael Mascuch, en Roy F. Baumeister formuleert Buijs vijf hypotheses die zouden samenhangen met de opkomst van het moderne ik.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref></sup> Deze hypotheses wil hij in zijn boek toetsen. De eerste luidt dat moderne identiteit ontstond op het moment dat aandacht voor het alledaagse leven samenging met aandacht voor het innerlijk (Taylor); de tweede dat er een relatie zou bestaan tussen opkomend historisch besef en de opkomst van belangstelling voor het &#x2018;ik&#x2019; (Weintraub); de derde dat een gevoel van onbehagen een rol speelde bij het ontstaan van het moderne ik (Wahrman); de vierde dat daarbij een veranderend tijdsbesef van invloed was (Baggerman, Dekker en Mascuch); en de laatste dat identiteit rond 1800 een probleem begon te worden en dat dit samenhing met toegenomen keuzemogelijkheden (Baumeister).</p>
<p>Het boek is thematisch-chronologisch opgebouwd. In het eerste deel van het boek, dat begint in de zestiende eeuw, laat Buijs zien wat de praktische functie van het schrijven van egodocumenten was. Hij neemt de brieven van Erasmus als beginpunt en voegt daarbij de geschriften van enkele andere humanisten, waaronder Viglius en Lipsius, om aan het eind te concluderen dat de oudste door hem bestudeerde brieven en autobiografische geschriften vooral praktisch van aard waren en dat ze voortbouwden op voorbeelden uit de antieke oudheid. Het schrijven was vooral een nuttige bezigheid, gericht op het openbare leven: men schreef om een netwerk te onderhouden, om gebeurtenissen niet te vergeten of om deze over te dragen aan een volgende generatie. Godsdienst speelde een belangrijke rol: de persoonlijke identiteit was vooral verbonden met het geloof, aldus Buijs.</p>
<p>In het tweede deel laat Buijs zien hoe de geschriften die hij bestudeerd heeft langzaam maar zeker van inhoud veranderden. Waar dagboeken eerst vooral als geheugensteun dienden, werden ze aan het eind van de zestiende en in de loop van de zeventiende eeuw meer en meer een spiegel van het dagelijkse leven. Gezin, familie en dood werden belangrijke thema&#x2019;s. Daarnaast kwam er in de door hem bestudeerde bronnen aandacht voor intellectuele ontwikkelingen. Al eerder werd aandacht geschonken aan alledaagse kwesties in combinatie met zelfreflectie en het uiten van emoties, maar halverwege de zeventiende eeuw werd het aardse bestaan van grotere betekenis. De ziel werd gaandeweg losgekoppeld van het christelijke denken, opvoeding werd belangrijker en er kwam meer aandacht voor de persoonlijke identiteit. In de loop van de achttiende eeuw werden zowel dagboeken als autobiografie&#x00EB;n nog persoonlijker: er kwam meer aandacht voor het zielenleven, verdriet en geluk werden explicieter genoemd, en de dood werd in verband gebracht met zelfreflectie en emotie. Ten slotte maakt Buijs gewag van opkomend historisch besef in de geschriften die hij heeft bestudeerd. Dit zou mensen aan het schrijven hebben gebracht. Die historische interesse bestond al eerder, maar Buijs plaatst deze vooral in de periode vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw.</p>
<p>In het derde en laatste deel van het boek gaat Buijs op zoek naar de wortels van het moderne ik. De meest rudimentaire vormen van individualiteit vindt hij in geschriften van auteurs die in ballingschap leefden onder zware omstandigheden, in auteurs die reflecteerden op hun relatie met God (met Augustinus als grote voorbeeld) en in geschriften die zelfreflectie en zelfverbetering beoogden (met Lavater als voorbeeld). Maar de grote omslag vindt volgens hem plaats aan het einde van de achttiende eeuw, toen dagboekauteurs teleurgesteld hun persoonlijke frustraties over de ooit hoge verwachtingen van het leven begonnen te uiten. In deze tijd waren afkomst, beroep of positie niet langer voldoende om je identiteit aan op te hangen. Een rijk innerlijk leven hoorde er ook bij. De geschriften uit deze tijd zijn nog altijd op zelfreflectie gericht, maar deze zelfreflectie was niet langer religieus ge&#x00EF;nspireerd. Dagboeken werden veel meer dan voorheen gericht op persoonlijke ervaringen, zoals huwelijksproblemen en -geluk. Deze ontwikkeling hing samen met toegenomen keuzemogelijkheden en met een romantisch ge&#x00EF;nspireerd cultuurpessimisme, dat zich uitte in onbehagen met de toegenomen aandacht voor uiterlijk vertoon. Buijs heeft dit niet alleen in egodocumenten gevonden, maar ook in contemporaine geschriften over bijvoorbeeld het zielenleven.</p>
<p>De eerder genoemde hypothesen worden door Buijs grotendeels bevestigd. In sommige gevallen was er sprake van een iets eerdere ontwikkeling, in andere gevallen ging het meer om gelijktijdigheid dan oorzakelijk verband, maar <italic>grosso modo</italic> geldt ook voor Nederland dat het moderne ik zich hoofdzakelijk begon te manifesteren aan het einde van de achttiende eeuw.</p>
<p><italic>De geboorte van het moderne <sc>ik</sc></italic> leert de lezer veel over het dagelijkse leven in de zestiende tot en met halverwege de negentiende eeuw. De gekozen tekstfragmenten zijn raak en soms bijzonder ontroerend. Zo citeert Buijs Willem IJsbrandt van Hamelsveld (1771-1835), die in zijn memoires over de dood van zijn vader schrijf: &#x2018;Zijn oog was reeds gebroken, ik hield zijn hand in de myne vast, en vroeg: <italic>Myn Vader, zyt gy wel te vreden!</italic> Toen was zijn antwoord: <italic>Myn lieve Jongen, gy hebt mij zoo wel gedaan &#x2013; kom hier, dat ik u zegen, met uw vrouw en kinderen...&#x2019;</italic> (89). Dergelijke fragmenten maken het een mooi boek.</p>
<p>Desondanks blijven enkele belangrijke vragen onbeantwoord. De eerste vraag betreft het bronnencorpus. Het is bekend dat een aanzienlijk aantal mensen in de behandelde periode niet of nauwelijks schreef. Ze konden het niet of ze hadden er geen tijd voor. Buijs is zich daarvan bewust. Niettemin vindt hij dat zijn selectie voldoende is om een betrouwbaar beeld te schetsen, omdat hij de bronnen heeft gespreid over &#x2018;de tijd en de genres&#x2019; en zich daarnaast verdiept heeft in andere geschriften uit de tijd die aandacht schenken aan bijvoorbeeld zielkunde en zelfkennis. Op zich zijn dit goede argumenten, maar omdat Buijs verder niet uitlegt hoe de selectie precies tot stand gekomen is, komt zijn greep uit de bronnen willekeurig over. Had hij niet beter eerst een kwantitatief onderzoek kunnen doen in de enorme berg beschikbare bronnen om pas daarna een beter beargumenteerde selectie te maken&#x003F; Overigens zou hij ook bij een dergelijke benadering zijn conclusies met meer slag om de arm moeten weergeven. Zelfs bij een kwantitatieve analyse blijft de groep analfabeten immers buiten beeld en die groep was veel groter dan de groep waarin het moderne ik zich manifesteerde.</p>
<p>Een tweede kwestie hangt hiermee samen en betreft het aspect van gender. Vrouwen komen in het begin van de onderzochte periode niet aan het woord. In de loop van de beschreven eeuwen neemt hun aantal toe &#x2013; eerst mondjesmaat, later frequenter. Aan deze ontwikkeling besteedt Buijs echter geen aandacht. Het valt op dat de verschuivingen die hij signaleert in de inhoud van de documenten gelijke tred houden met de toename van het aantal citaten van vrouwelijke auteurs. Naarmate er meer vrouwen aan het woord komen, neemt de aandacht voor bijvoorbeeld huiselijk geluk toe. Dit doet de vraag rijzen in hoeverre er sprake is van toeval, dan wel gelijktijdigheid (de opkomst van het moderne ik viel toevallig samen met de toename van het aantal vrouwen dat de pen ter hand nam), of dat er zelfs een oorzakelijk verband aan te wijzen is. Het is een gemiste kans dat Buijs deze vraag niet stelt.</p>
<p>Zo bezien is <italic>De geboorte van het moderne <sc>ik</sc></italic> een degelijk boek dat veel prachtige inkijkjes biedt in het dagelijks leven van de elite in de periode 1500-1850. Maar deze studie is indirect vooral een oproep aan mentaliteitshistorici om meer onderzoek te doen naar dit interessante thema en daarbij vooral de factor gender niet over het hoofd te zien.</p>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Peter Buijs, <italic>De eeuw van het geluk. Nederlandse opvattingen over geluk ten tijde van de Verlichting, 1658-1835</italic> (Hilversum 2007).</p></fn>
<fn id="fn2"><label>2</label><p>Charles Taylor, <italic>Sources of the Self: The Making of Modern Identity</italic> (Cambridge 1989); Karl Joachim Weintraub, <italic>The Value of the Individual: Self and Circumstance in Autobiography</italic> (Chicago/Londen 1978); Dror Wahrman, <italic>The Making of the Modern Self: Identity and Culture in Eighteenth-Century England</italic> (New Haven 2004); Arianne Baggerman, Rudolf Dekker en Michael Mascuch, <italic>Controlling Time and Shaping the Self: Developments in Autobiographical Writing since the Sixteenth Century</italic>. Egodocuments and History Series 3 (Leiden 2011). <sc>doi</sc>: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://doi.org/10.1163/ej.9789004195004.i-541">https://doi.org/10.1163/ej.9789004195004.i-541</ext-link>; Roy F. Baumeister, <italic>Identity: Cultural Change and the Struggle for Self</italic> (New York/Oxford 1986).</p></fn>
</fn-group>	
</back>
</article>