<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.11283</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.11283</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Voor de tijd van het jaar. Vervaardiging, organisatie en gebruikscontext van Middelnederlandse devote liedverzamelingen, ca. 1470-1588</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Scheepsma</surname>
<given-names>Wybren</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universiteit Leiden</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>12</month>
<year>2021</year>
</pub-date>
<volume>136</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>2021070</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>de Morr&#x00E9;e</surname><given-names>C&#x00E9;cile</given-names></name>
</person-group>
<source>Voor de tijd van het jaar. Vervaardiging, organisatie en gebruikscontext van Middelnederlandse devote liedverzamelingen, ca. 1470-1588</source>
<comment>Middeleeuwse Studies en Bronnen <sc>clxv</sc></comment>
<publisher-loc>Hilversum</publisher-loc>
<publisher-name>Verloren</publisher-name>
<year>2017</year>
<page-range>407 pp.</page-range>
<isbn>978-90-8704-659-0</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2021 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2021</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.11283"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>In de handelseditie van haar proefschrift <italic>Voor de tijd van het jaar. Vervaardiging, organisatie en gebruikscontext van Middelnederlandse devote liedverzamelingen, ca. 1470-1588</italic> richt C&#x00E9;cile de Morr&#x00E9;e zich op een relatief kleine groep van laatmiddeleeuwse tekstverzamelingen, namelijk bundels met geestelijke liederen in het Middelnederlands. Bij het samenstellen van haar onderzoekscorpus hanteerde zij nog enkele aanvullende criteria. Centraal staat de eis dat het moet gaan om handschriften waarin de opgenomen liederen op basis van een jaarcyclus zijn geordend. Verder geldt dat een liederenhandschrift minimaal vijftien liederen moet bevatten. Ten slotte beperkt De Morr&#x00E9;e zich tot &#x2018;devote liedverzamelingen&#x2019;, dat wil zeggen tot collecties die uit de sfeer van de Moderne Devotie afkomstig zijn.</p>
<p>Op de aldus ingestelde zeef blijven uiteindelijk vijf handschriften liggen. De kern van deze studie wordt gevormd door de hoofdstukken 2 en 3, waarin deze handschriften worden onderzocht en beschreven. Waar nodig of relevant wordt het betoog ondersteund door uitvoerige bijlagen met handschriftbeschrijvingen en inhoudsopgaven. Hoofdstuk 2 behandelt het handschrift Berlijn 185, dat dateert uit het laatste kwart van de vijftiende eeuw en afkomstig is van de zusters van het gemene leven van Sint-Cecilia uit Zwolle, ook wel bekend als het Kinderhuis. Dit liederenhandschrift van 344 folia omvat twee codicologische eenheden, met opschriften aangeduid als het <italic>Somer stuc</italic> en <italic>Vander hoechtyt</italic>, en bevat maar liefst 94 Middelnederlandse liederen. Nadat een eerste kopiist een collectie van 78 liederen verdeeld over de twee eenheden had aangelegd, voegden diverse kopiisten naderhand op leeg gebleven plaatsen in het boek liederen toe. De Morr&#x00E9;e beschouwt dit belangrijke, maar weinig bestudeerde handschrift als de primaire bron voor haar studie. In feite toetst ze de door haar ontwikkelde hypotheses rondom dit Berlijnse handschrift op een secundair corpus, op basis van de drie pijlers &#x2018;structuur&#x2019;, &#x2018; clustering&#x2019; en &#x2018;gebruikscontext&#x2019;.</p>
<p>In het derde hoofdstuk wordt het secundaire corpus van vier liederenhandschriften aan de hand van deze drieslag besproken. Het gaat dan achtereenvolgens om een tweede Berlijns handschrift, dat eens toebehoorde aan ene Anna van Collen; het Parijse handschrift van Liesbeth Ghoeyvaers, waarschijnlijk afkomstig uit het clarissenklooster te Brussel; het handschrift van Catherina Tirs, zuster van het gemene leven van Niesing te M&#x00FC;nster; en het handschrift Werden, dat uit Westfalen moet stammen. De handschriften worden aan de hand van goed gekozen voorbeelden voorgesteld en onderzocht op de eerder genoemde aspecten. Bij de laatste twee handschriften is dat bepaald moeilijker, aangezien deze allebei verloren zijn gegaan. De Morr&#x00E9;e moet zich hier noodgedwongen op oudere literatuur baseren en kan deze codices niet in autopsie onderzoeken. Ondanks deze onvermijdelijke beperkingen levert zij in haar studie nu een grondig en actueel overzicht van de structuur en inhoud van deze vijf devote liederenhandschriften.</p>
<p>Mijns inziens is op het selectiecriterium &#x2018;uit devote kringen&#x2019; nog wel wat af te dingen. Volgens de auteur is het Parijse handschrift weliswaar uit een clarissenklooster afkomstig, maar wordt in de literatuur gesteld dat ook vrouwen uit franciscaanse kring in de late middeleeuwen tot de invloedssfeer van de Moderne Devotie behoren. Daarbij beroept zij zich onder anderen op Koen Goudriaan, die inderdaad heeft laten zien dat de Derde Orde van Sint-Franciscus, meer bepaald het Kapittel van Utrecht, tot de Moderne Devotie gerekend mag worden. Maar de clarissen vormen de Tweede Orde en geldt de verbinding met de Moderne Devotie dan ook onverkort voor hen&#x003F; In haar proefschrift over Hendrik Herp, dat overigens ontbreekt in de bibliografie, heeft Anna Dlaba&#x010D;ov&#x00E1; laten zien dat in ieder geval de observante tak van de Eerste Orde van Franciscus in de Nederlanden duidelijk moeite deed een ander spiritueel profiel te kiezen dan de concurrerende Moderne Devotie.<sup><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></sup> De toevoeging van het handschrift Parijs had daarom meer onderbouwing mogen krijgen.</p>
<p>Zoals de titel van haar studie al aangeeft, richt De Morr&#x00E9;e zich in haar onderzoek vooral op de manier waarop de liederenbundels zijn samengesteld en ingericht volgens een jaarcyclus. Ze zoekt daarbij niet alleen naar een voor de hand liggende ordening op basis van de katholieke liturgie, maar ook naar &#x2018;kosmische, sociale en religieuze ritmes&#x2019; (59). Het lijkt alsof de auteur op zoek is naar een soort grondcriterium volgens welk eventuele middeleeuwse liederenverzamelaars hun bundels ordenden, maar dat komt uiteindelijk niet in zicht. Misschien bestaat zo&#x2019;n principe ook niet. Voor liederenverzamelaars uit devote kring lag het wel erg voor de hand om, als ze een indelingscriterium zochten, de liturgische kalender als uitgangspunt te nemen. Het leven van geestelijke zusters werd immers, meer nog dan dat van leken, geregeerd door het liturgische jaar. Maar in de praktijk blijkt iedere verzamelaar dit principe toch weer net iets anders uit te werken. En als hun werk later door anderen werd aangevuld, hanteerden die vaak ook weer eigen criteria en gooiden de verzameling naar hun inzicht om. Uiteindelijk zien we hier dus vooral individuele variatie en geen vast basispatroon.</p>
<p>De Morr&#x00E9;e is op haar best als ze ingaat op de inhoud en de achtergrond van de liederen uit de door haar bestudeerde bundels. Ze opent ieder hoofdstuk met een sprekend voorbeeld, voorzien van een moderne vertaling, omdat ze bekendheid aan deze onbekende teksten wil geven. Verder lardeert ze haar betoog geregeld met detailstudies over bepaalde liederen en de manier waarop die zijn overgeleverd, bewerkt en vertaald. Achteraf bezien had de focus van dit boek misschien meer op de inhoud van de liederen gericht moeten worden en minder op de manier waarop die liederen in de voorliggende verzamelingen zijn geordend. De grote kennis van De Morr&#x00E9;e van het genre van het geestelijke lied had dan nog beter tot uitdrukking kunnen komen.</p>
</body>
<back>
<fn-group>
<fn id="fn1"><label>1</label><p>Anna Dlaba&#x010D;cov&#x00E1;, <italic>Literatuur en observantie. De Spieghel der volcomenheit van Hendrik Herp en de dynamiek van laatmiddeleeuwse tekstverspreiding</italic>. Middeleeuwse Studies en Bronnen 149 (Hilversum 2014).</p></fn>
</fn-group>
</back>
</article>