<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="book-review" xml:lang="en" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">BMGN</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>BMGN - Low Countries Historical Review</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="epub">2211-2898</issn>
<issn pub-type="ppub">0165-0505</issn>
<publisher>
<publisher-name>Royal Netherlands Historical Society &#x007C; KNHG</publisher-name>
<publisher-loc>Amsterdam, The Netherlands</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">bmgn-lchr.11085</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.51769/bmgn-lchr.11085</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Article</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Regentenwerk. Vergaderen in de Staten-Generaal en de Tweede Kamer, 1750-1850</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Rutjes</surname>
<given-names>Mart</given-names>
</name>
<xref ref-type="aff" rid="aff1"/>
</contrib>
<aff id="aff1">Universiteit van Amsterdam</aff>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>10</month>
<year>2021</year>
</pub-date>
<volume>136</volume>
<issue>0</issue>
<elocation-id>2021060</elocation-id>
<product>
<person-group person-group-type="author">
<name><surname>Lauret</surname><given-names>Lauren</given-names></name>
</person-group>
<source>Regentenwerk. Vergaderen in de Staten-Generaal en de Tweede Kamer, 1750-1850</source>
<publisher-loc>Amsterdam</publisher-loc>
<publisher-name>Prometheus</publisher-name>
<year>2020</year>
<page-range>349 pp.</page-range>
<isbn>9789044645064</isbn>
</product>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00A9; 2021 The author(s)</copyright-statement>
<copyright-year>2021</copyright-year>
<license xlink:href="https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/" license-type="open-access">
<license-p>This work is licensed under the Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)</license-p>
</license>
</permissions>
<self-uri xlink:href="http://www.bmgn-lchr.nl/articles/10.51769/bmgn-lchr.11085"/>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>De Staten-Generaal uit het Restauratietijdvak hebben over het algemeen een vrij geringschattende historische pers genoten. Terwijl ze in de oude Republiek het hoogste bestuursorgaan vormden en na 1848 als centrum van de politieke macht gingen gelden, bleef de macht van de Kamerleden in de periode 1813-1848 daar op het oog ver bij achter. Ze werden gezien als ideologisch kleurloze heren die vooral een aantal keer per jaar ja moesten knikken bij de wetsvoorstellen van de koning. Hoewel het Restauratietijdvak in Nederland als geheel in de laatste decennia wat meer kleur op de wangen heeft gekregen, onder andere door het onderzoek van Niek van Sas, Jeroen van Zanten en Matthijs Lok, gold dit nog niet voor de &#x2018;gerestaureerde&#x2019; Eerste en Tweede Kamer.</p>
<p>Dit onderzoek, waarop Lauren Lauret in 2020 promoveerde aan de Universiteit Leiden, wil het traditionele beeld van met name de Tweede Kamer bijstellen. Dit doet zij niet zozeer door te wijzen op het eigen karakter van de restauratiepolitiek, maar vooral door de continu&#x00EF;teiten te benadrukken die zijn blijven bestaan in de vergaderpraktijken tussen de oude Staten-Generaal, de Bataafse parlementen, en de Staten-Generaal van het (Verenigd) Koninkrijk der Nederlanden. De politieke veranderingen uit de periode 1795-1848 zorgden ervoor dat de hoogste regeringscolleges zich steeds moesten &#x2018;heruitvinden&#x2019;. Dit proces ging volgens Lauret behalve met verandering, vooral gepaard met behoud en aanpassing van tradities uit eerdere perioden. Het overnemen van bestaande tradities was, zo stelt zij terecht, een activiteit, een proces van overdracht waar een hoop werk voor nodig was, en dus geen kwestie van passieve overlevering. Het cre&#x00EB;ren van traditie was het gevolg van pragmatische redenen, maar ook van overwegingen van politieke legitimiteit en om recht te doen aan de veranderde politieke omstandigheden. Zoals Lauret het zelf samenvat: &#x2018;een vergaderpraktijk die zich niet liet aanpassen aan veranderde omstandigheden, veranderde in een reliek uit het verleden; terwijl een vergaderpraktijk die dat wel toestond, uitgroeide tot een traditie en kon worden doorgegeven aan de volgende generatie&#x2019; (227).</p>
<p>Het proces van het overnemen van vergaderpraktijken wordt in dit boek in zes thematische hoofdstukken uit de doeken gedaan, waarbij steeds de functie van bepaalde tradities in de Republiek, het Revolutietijdvak en de Restauratie besproken wordt. Daarbij ligt de nadruk op die laatste periode. In het eerste hoofdstuk bespreekt Lauret de carri&#x00E8;re van Jan Elias Nicolaas van Lynden van Hoevelaken, een regent die zowel als Gedeputeerde en als lid van de Tweede Kamer dienst had gedaan. Aan de hand van zijn politieke biografie schetst ze hoe de persoonsgebonden betrekkingen die de bestuurscultuur van de Republiek hadden gekenmerkt nog tot ver in de negentiende eeuw door bleven werken. Het tweede hoofdstuk is gewijd aan het onderkomen van de vergadering, waarin de auteur benadrukt dat hier een traditie werkzaam was die bestond uit het bewaren van een balans tussen doelmatigheid, representativiteit en spaarzaamheid. Tegelijkertijd constateert ze ook dat er het nodige veranderd was ten opzichte van de Staten-Generaal van de oude Republiek: zitplaatsen werden in de gerestaureerde Staten-Generaal verdeeld op basis van loting en de Tweede Kamerleden handhaafden het Bataafse principe dat zitplaatsen voor de leden aan elkaar gelijk waren. In hoofdstuk 3 komen de vergaderregels aan bod, om zo te laten zien hoe het wetgevingsproces vorm kreeg. Lauret stelt hier dat wetsvoorstellen voor 1815 vooral in commissies werden voorbesproken en dat deze functie na 1815 overgenomen werd door de Afdelingen. Ook hier was dus sprake van een zekere continu&#x00EF;teit.</p>
<p>In de tweede helft van het boek wordt aandacht besteed aan de overlegcultuur, de band tussen Staten-Generaal en de Oranjes, en de verkiezingen. Lauret wijst erop dat de Staten-Generaal besluiten namen die door al haar leden onderschreven dienden te worden en dat het bereiken van consensus de belangrijkste doelstelling was. Hierbij hoorde een overlegcultuur waarin drie elementen van belang waren: er diende een sfeer van harmonie te bestaan, er was een voorkeur voor beslotenheid en kleinschaligheid, en de eerbiedwaardigheid van de vergadering stond voorop. Alle drie deze elementen waren weer terug te vinden in de Staten-Generaal van na 1813 en zouden dominant worden na de afscheiding van Belgi&#x00EB;. In het hoofdstuk over de relatie tussen Oranje en Staten-Generaal staan ceremonies en rituelen centraal. Lauret analyseert de ceremonies die een rol speelden in de verhouding tussen de Oranjes en de Staten-Generaal als belangrijke, actief vormgegeven tradities die van belang waren in de machtsstrijd tussen de twee instituten. Het laatste hoofdstuk richt zich op de Kamerverkiezingen. Hierin wordt het beeld genuanceerd dat die verkiezingen er eigenlijk niet toe deden. De verkiezingen laten zien dat er sprake was van een gecompliceerde machtsstrijd tussen koning, provincies en Kamerleden, waarbij de Provinciale Staten tot 1850 meer invloed bleven houden dan tot nu toe vaak werd aangenomen.</p>
<p>Dit boek brengt zodoende op verschillende terreinen in kaart hoe politieke tradities werden overgenomen, met welke doelen dit gebeurde en hoe tradities werden ingezet om politieke instituties aan te passen aan veranderde politieke omstandigheden. Deze politieke cultuurbenadering van de Staten-Generaal van de Restauratie heeft een aantal grote voordelen. De nadruk op continu&#x00EF;teit in plaats van verandering biedt een aantal verfrissende interpretaties, zoals de vaststelling dat de Provinciale Staten nog lange tijd een deel van hun invloed wisten te bewaren, of dat de consensuscultuur van de Restauratie niet alleen verklaard kan worden vanuit postrevolutionaire opvattingen over het &#x2018;<italic>juste milieu</italic>&#x2019;, maar zeker ook vanuit overlegtradities van de oude Republiek. Maar dit perspectief maakt vooral heel mooi de actieve positie van de Staten-Generaal in het restauratietijdvak inzichtelijk, als een instituut waar niet slechts geprobeerd werd te &#x2018;restaureren&#x2019;, maar actief vorm werd gegeven aan de positie van een wetgevend lichaam in een veranderde context. Lauret brengt haarfijn in beeld dat het parlement niet alleen een passieve spreekbuis van de koning was, maar een zelfstandig opererend lichaam dat een eigen positie in het staatsbestel wilde innemen. De gerestaureerde Staten-Generaal komen naar voren als een <italic>trait-d&#x2019;union</italic> tussen het revolutietijdvak en 1848, zo laat dit mooie onderzoek zien.</p>
<p>Wat de implicaties van deze benadering zijn voor de betekenis van het tijdvak 1750-1850 voor de politieke ontwikkeling van Nederland blijft voor mij een punt van discussie. Lauret gebruikt het voortbestaan van tradities in vergadercultuur tussen de achttiende en negentiende eeuw als een argument om vraagtekens bij deze periode als een <italic>Sattelzeit</italic> te plaatsen. De <italic>Sattelzeit</italic>-these van Reinhart Koselleck, die veronderstelde dat politieke en sociale begrippen hun moderne betekenis verkregen in de periode 1750-1850, had echter betrekking op de ontwikkeling van het politiek-sociale gebruik van <italic>begrippen</italic>, dus op het spraakgebruik. Hoe de veranderde betekenis van concepten zich verhoudt tot een onderzoek naar vergader<italic>praktijken</italic> had uitgebreider in kaart gebracht en beargumenteerd mogen worden dan nu het geval is. In dit verband is ook Laurets uitspraak dat de periode 1750-1850 eerder een normale eeuw in de Nederlandse politieke geschiedenis is dan een eeuw die een breuk tot stand bracht opmerkelijk (234). In de eerste plaats bevreemdt deze stelling omdat &#x2018;politiek&#x2019; breder is dan het onderwerp van dit boek, te weten de vergadercultuur van Den Haag (en korte tijd Brussel), maar bovenal omdat dit uitstekende onderzoek naar de rol van tradities juist laat zien dat dit bij uitstek een periode was waarin de druk op het bestaande systeem en zijn instituties zo hoog was dat alle zeilen bijgezet moesten worden om te behouden wat er te behouden viel &#x2013; en dat was lang niet alles, zo toont de auteur ook aan in dit boek. De sterke nadruk op het actief werken aan tradities lijkt me zodoende eerder een argument om deze periode als een tijd van crisis en verandering te benoemen dan als een periode van &#x2018;normale&#x2019; politiek. Voer voor discussie kortom, zoals een geslaagd (promotie)onderzoek dat biedt.</p>
</body>
</article>