Kardinaal Désiré-Joseph Mercier (1851-1926), aartsbisschop van Mechelen, is in België een van de vergeten helden van de Eerste Wereldoorlog. In Kardinaal verzet beschrijft de Belgische historicus Jan de Volder hoe Mercier die heldenstatus tijdens de oorlogsjaren verkreeg, om vervolgens te concluderen dat het eigenlijk niet onterecht is dat hij na zijn dood snel in de vergetelheid verdween.

Eind 1914 was België een door de Duitsers bezet land. Alleen achter de IJzer verdedigde het Belgische leger nog een klein stukje eigen grondgebied, aangevoerd door de jonge koning-soldaat Albert. De regering was uitgeweken naar Le Havre, maar de zes katholieke bisschoppen waren nog op hun post en het nieuwe Duitse bestuur had vooralsnog niets gedaan om hun macht in te perken. In 1914 was de Belgische katholieke kerk nauw verweven met de politiek. De katholieke partij was ruim dertig jaar aan de macht geweest en in het maatschappelijke en culturele leven was de invloed van de kerk groot. Aartsbisschop Mercier zag het als zijn plicht een leidende rol te spelen.

Kerstmis 1914 richtte Mercier zich tot het Belgische volk in zijn herderlijke brief ‘Patriotisme et Endurance’, een bijzonder uitvoerig epistel (de brief is integraal in het boek opgenomen) waarin hij zijn kudde voorhield hoe zij zich tegenover de nieuwe machthebbers moest opstellen. Mercier wond er geen doekjes om: ‘Deze macht is geen wettig gezag. Bijgevolg zijt gij, in het innige van uw gemoed, noch achting, noch verkleefdheid, noch gehoorzaamheid verschuldigd. Het enige wettige gezag in België, is datgene dat aan onze Koning, aan zijn regering, aan alle vertegenwoordigers van het volk toebehoort. Dit alleen is voor ons het gezag. Dit alleen mag aanspraak maken op de genegenheid van ons hart, op onze onderhorigheid’ (251).

In hoeverre Mercier hierbij namens de Kerk sprak is echter hoogst twijfelachtig. De Volder toont aan dat het hier ging om een eenmansactie: Mercier had de andere vijf bisschoppen gevraagd de brief mede te ondertekenen, maar dit hadden zij allen geweigerd. Niet uit morele lafheid, maar omdat zij het niet in het belang van het volk achtten de verhouding met de Duitse machthebbers op de spits te drijven. Een van de bisschoppen noemde de brief zelfs ‘een oorlogsverklaring aan de bezettingsmacht’ (50). Ook het Vaticaan was niet overmatig enthousiast over de actie van de Belgische kardinaal. Merciers fel patriottische brief strookte allerminst met de beleidslijnen die de pasbenoemde paus Benedictus XV had uitgezet.

Een van de kwaliteiten van Kardinaal verzet is de analyse van de verschillende visies in Mechelen en Rome en de wrijving die daardoor ontstond. Paus Benedictus was neutraal: hij stelde zich boven de partijen en zijn beleid was erop gericht de oorlog zo spoedig mogelijk te beëindigen. Uit de brief van Mercier bleek daarentegen dat de bisschop patriottisme zag als een religieuze plicht en dat er voor hem geen vrede denkbaar was als de oorlog niet eindigde in een geallieerde overwinning en een vernietiging van het Pruisische militarisme. Mercier vroeg de paus herhaaldelijk zich uit te spreken tegen de wandaden die de Duitsers in België hadden begaan (zoals de executie van burgers en de verwoesting van Leuven, inclusief de katholieke universiteitsbibliotheek), maar hoewel Benedictus zich begaan toonde met het lot van het Belgische volk, weigerde hij zich te laten verleiden tot een expliciete veroordeling.

Volgens De Volder werd Mercier verblind door zijn eigen patriottisme: hij scheen zich niet te realiseren dat een pauselijke veroordeling zou neerkomen op partij kiezen, en dat het Vaticaan daarmee zijn positie als potentiële vredestichter zou verliezen. Daarbij reikten de overwegingen van Rome veel verder dan die van de kardinaal in Mechelen. In Galicië hadden Russische troepen Oostenrijk-Hongaarse kerken verwoest en katholieke geestelijken vermoord: de aanval op de Kerk was niet zo eenzijdig als Mercier beweerde.

Het boek beschrijft in fascinerende details de politieke manoeuvres die zich rond de figuur van Mercier voltrokken. De Duitse autoriteiten wilden hem kwijt en pleitten voor een diplomatieke oplossing waarbij de kardinaal naar een positie binnen het Vaticaan zou worden ‘gepromoveerd’. Maar de paus wilde daarvan niet weten, de aanwezigheid van de ‘pro-Entente’ kardinaal zou de neutrale status van het Vaticaan alleen maar schaden. Daarbij was Mercier bijzonder populair onder het Belgische volk en van nut als contactpersoon met de geallieerden.

De Volder besteedt helaas nauwelijks aandacht aan de rol die Mercier speelde in de geallieerde propagandacampagnes, terwijl die toch grotendeels verantwoordelijk waren voor het creëren van zijn internationale heldenstatus. De prelaat is in dit opzicht te vergelijken met de Nederlandse tekenaar Louis Raemaekers (1869-1956): beiden waren fel anti-Duits en toch omgeven door een zweem van onpartijdigheid. Mercier was een man van de Kerk en Raemaekers een waarnemer uit een neutraal land. Hun anti-Duitse opstelling stelde de geallieerde propagandamachine in de gelegenheid de oorlog af te schilderen als een rechtvaardige strijd tegen de Germaanse tirannie. Ook over de contacten tussen de kardinaal en de Belgische regering in ballingschap wordt betrekkelijk weinig gezegd.

In de laatste oorlogsjaren mengde Mercier zich in de toen opnieuw oplaaiende Vlaamse kwestie. De Belgische bevolking bestond in 1914 uit ongeveer vier miljoen Vlamingen en drie miljoen Walen. Toch waren de vier universiteiten in het land alle Franstalig. De Duitse Flamenpolitik beoogde een wig te drijven tussen het Vlaamse en Waalse volksdeel door aan de wensen van de Vlaamse Beweging gehoor te geven. In de zomer van 1916 kreeg dat zijn beslag in de vernederlandsing van de universiteit van Gent, een project dat overigens geen succes werd. Als gewoonlijk trok kardinaal Mercier fel van leer tegen het Duitse beleid. De paus zag dit met lede ogen gebeuren: ‘In dit soort heikele kwesties kan men niet gematigd genoeg zijn’ (135). Het Vaticaan besefte maar al te goed dat de Vlaamse kwestie al veel langer speelde, en men hield Mercier deels verantwoordelijk voor de weinig vooruitstrevende rol die de Kerk in deze discussie had gespeeld. De Volder is van oordeel dat Mercier beslist geen Vlamingenhater genoemd kan worden (199), maar dat hij wel overtuigd was van de superioriteit van de Franse taal en cultuur. Om die reden had hij zich altijd verzet tegen de introductie van het Nederlands in het hoger onderwijs: het exclusieve gebruik van het Nederlands zou volgens hem op den duur een belemmering vormen ‘in de concurrentiestrijd der volkeren’ (220) – vervang het Frans door het Engels en het debat is meteen relevant voor de Nederlands(talig)e academische wereld.

In zijn conclusie vergelijkt De Volder de houding van Mercier met die van Benedictus. Volgens hem verdient de paus onze bewondering omdat hij pleitte voor een oorlog tegen de oorlog, en niet, zoals Mercier, voor een oorlog tegen de vijand (227). Zijn boek lijkt ten dele dan ook een oproep tot een herwaardering van Benedictus XV. Dat is een volkomen legitiem thema, zelfs als Mercier daardoor af en toe wat naar de achtergrond verdwijnt.

Kardinaal verzet is vlot en helder geschreven, maar de bronvermelding is soms te summier. Wanneer De Volder verwijst naar ‘recente betrouwbare studies’ (16) verzuimt hij die in een noot te noemen en hij gebruikt ‘welwillende neutraliteit’ als een citaat (97) zonder duidelijk te maken dat deze frase is ontleend aan het Duitse ultimatum aan België uit augustus 1914. Dat geen illustraties zijn opgenomen is betreurenswaardig. Dat een register ontbreekt is onvergeeflijk.