Anno 2017 doet alleen het stevig gepromote kaasje Old Amsterdam nog vermoeden dat er ooit koeien graasden op wat nu de Dam is. Verder zal het de meute toeristen die de hoofdstad teistert een worst wezen dat Amsterdam is begonnen als agrarische nederzetting. Maar wie dat wél interesseert kan zich over dat boeiende onderwerp helemaal laten bijpraten door historisch geograaf Chris de Bont, die twee jaar geleden een beknopte, op Amsterdam en omstreken toegesneden publieksversie uitbracht van zijn monumentale Wageningse proefschrift Vergeten Land uit 2008, dat het hele West-Nederlandse kustgebied bestrijkt.

Publieksboek is misschien niet het juiste woord want eenvoudige kost is Amsterdamse boeren nu ook weer niet. Dat ligt niet zozeer aan het af en toe onvermijdelijke technische jargon als wel aan de grote topografische gedetailleerdheid in de vier kernhoofdstukken 6–9, waarin De Bont een overzichtelijke en door veel kaartwerk ondersteunde rondgang maakt langs alle middeleeuwse veenontginningen in en om Amsterdam. Alleen rasechte Groot-Amsterdammers die regelmatig door hun stad en haar buitenwijken en voorsteden ronddwalen zullen steeds bij de les kunnen blijven zonder een stadsplattegrond of een topografische kaart bij de hand te houden. Wat het lezen dan weer vergemakkelijkt (en veraangenaamt), is de problematiserende werkwijze van De Bont, die zijn betoog heeft opgebouwd rond specifieke ‘kwesties’ waarover wetenschappelijke discussie bestaat; een prima keuze.

In de hoofdstukken 6 en 7 wordt eerst de blik gericht op respectievelijk het Haarlemmermeergebied en Waterland, waarbij onderwerpen als de chronologie van de uitbreiding van het Haarlemmermeer, de ‘verdwenen bewoning’ bij Spaarnwoude, het ontstaan van Sloten en de dichtheid van woudtoponiemen in Waterland worden besproken. In hoofdstuk 8 – met ruim 100 bladzijden veruit het langste van het boek – komen we dan aan bij het stroomgebied van de Amstel en de Amsterdamse boeren. Stap voor stap voert De Bont de lezer hier langs de oevers van de Amstel naar het centrum van het huidige Amsterdam. Een belangrijke eerste kwestie is, hoe we ons de monding van de Amstel precies moeten voorstellen. Dat is een ingewikkeld verhaal, want oorspronkelijk zijn er twee veenriviertjes geweest die Amstel heetten, door De Bont aangeduid als noorder-Amstel en zuider-Amstel. De noorder-Amstel kwam uit de richting van (het) Amstelveen en mondde bij het huidige centraal Station in het IJ uit. De zuider-Amstel kwam uit de richting van Abcoude en kende verschillende takken waarvan er één via de Watergraafsmeer op het IJ uitwaterde. Vervolgens is ergens in de loop van de twaalfde-dertiende eeuw in verschillende fasen en vanuit twee richtingen een gegraven verbinding tot stand gebracht tussen de noorder- en de zuider-Amstel (het tracé Amstelstation – Stopera). Pas daarna is de noorder-Amstel afgedamd. Voor een antwoord op de veelbesproken vraag wanneer dat dan precies heeft plaatsgevonden laat De Bont bewust twee opties open. Als de dam primair bedoeld was om binnenwater te reguleren, valt het meeste te zeggen voor een late datering (derde kwart van de dertiende eeuw); als de dam eerst en vooral buitenwater moest tegenhouden, ligt een vroegere datering (twaalfde of zelfs elfde eeuw) meer voor de hand. Voor het laatste pleit ook de behoorlijke breedte van de Amstel ten noorden van Ouderkerk (inclusief het gegraven stuk), die vooral te verklaren zou zijn door oeverafslag als gevolg van regelmatige wateroverlast vanuit het IJ.

Ten slotte komen ook de Amsterdamse boeren in beeld. Lang bekend is dat de vroegste bewoning, die we ons als een ‘hoevenzwerm’ en nog niet als een gesloten lintbebouwing moeten voorstellen, op de lijn Nieuwendijk-­Dam-Kalverstraat gezocht moet worden. Deze oudste ontginningsbasis zal rond het jaar 1000 zijn ontstaan, toen zeker ook werd ontgonnen vanaf de oevers van de zuider-Amstel. De oorspronkelijke verkaveling is op basis van gedetailleerd archiefonderzoek door Oldewelt en Dudok van Heel op de huidige locatie van het Koninklijk Paleis duidelijk te reconstrueren, mits men ervan uitgaat dat de Amstellandse ontginners destijds met de toen gangbare hoevemaat hebben gewerkt. De projectie van die maatvoering op de huidige Dam (194–201) is fascinerend, ook al geeft De Bont aan het einde volmondig toe dat het om een opeenstapeling van hypothesen gaat (201). Vergelijkbare bespiegelingen over de oudste ontginningen langs de zuider-Amstel leiden haast vanzelf tot een ook al oude (en bij tijd en wijle ongekend felle) discussie over de locatie van het Kasteel van Amsterdam. Als daaronder het ‘stamslot’ wordt verstaan dat de heren van Amstel (een Stichts ministerialengeslacht) in of bij Amsterdam hadden, sluit De Bont zich aan bij de door de archeoloog Van Regteren Altena geponeerde stelling dat dit versterkte huis, een mottekasteel, gezocht moet worden op de locatie van de Portugees-joodse begraafplaats Beth Haim te Ouderkerk. Die ligging, zowat naast een oude middeleeuwse kerk en op een brede, voor de veenontginningen vitale zijdewende, maakt het bovendien waarschijnlijk dat de Amstels een hoofdrol hebben gespeeld in de ontginningen bij Amsterdam, vermoedelijk als locatores (‘hoofdconcessiehouders’ namens de bisschop van Utrecht).

Vanaf Ouderkerk zoomt De Bont weer uit naar de ontginningen bij Duivendrecht, Diemen, de zogenaamde Ronde Hoop (ten zuiden van Ouderkerk) en het Amstelveen. Ook hier zoekt De Bont steeds de dialoog met historici, archeologen en historisch-geografen die de afgelopen decennia op dezelfde ontwikkeling hun visie hebben gegeven. Het leidt tot boeiende beschouwingen over onder andere ontstaan en locatie van veenmeren in Amstelland – denk aan Watergraafsmeer en Bijlmermeer maar er waren er meer – de bewoningsmogelijkheden in de Ronde Hoop, en over het later grotendeels verdronken Nieuwerkerk in het Amstelveen. Volgt nog een kort hoofdstuk over de ontginningen ter weerszij van de Beneden-Vecht (Diemen-Muiden en Muiden-Naarden), waarna De Bont afsluit met een opstel over de zeekerende bedijkingen langs IJ en Zuiderzee, die in de eerste helft van de veertiende eeuw een doorgaande keten vormden. Het bewijst dat het in dit deel van Holland klaar was met de Grote Ontginning, waarvan Amsterdam een product is en nog altijd de sporen draagt. Voor wie die wil traceren, is De Bonts boek een must-read. En voor wie wél in de Grote Ontginning geïnteresseerd is maar niet alle Amstellandse details hoeft te kennen, zijn de inleidende hoofdstukken 2 en 3 over veenvorming en veenontginning verplichte kost.