De titel van deze autobiografie verwijst naar Fasseurs dubbele loopbaan als historicus en jurist. Zijn studie in duplo (1957-1965) aan de Rijksuniversiteit Leiden bleek een gouden combinatie. Hij legde de basis voor zijn rijk geschakeerde carrière in zijn eerste werkkring op de stafafdeling Wetgeving Publiekrecht van het Ministerie van Justitie die zijn toenmalige collega en latere CDA-bewindsvoerder Dries van Agt typeerde als ‘fokkerij van juridische raspaarden’. Fasseur doorgrondde Haagse beleids-en besluitvorming, bouwde een invloedrijk netwerk op en raakte nauw betrokken bij maatschappelijk gevoelige dossiers over historische kwesties.

In zijn vrije tijd schreef de gedreven departementsambtenaar aan zijn dissertatie (1975) over het negentiende-eeuwse Cultuurstelsel op Java dat hij vanuit een ‘Nederlandcentrisch’ perspectief analyseerde als een aanvankelijk succesvol koloniaal gouvernementsproject. Zijn promotor Ivo Schöffer en de andere prominente historicus aan zijn alma mater, Henk Wesseling, benaderden hem in 1977 voor de bijzondere leerstoel in de geschiedenis van de West-Europese expansie (eufemisme voor de obsolete term koloniale geschiedenis). Een decennium later werd hij gewoon hoogleraar in de geschiedenis van Zuidoost-Azië. Ten slotte maakte hij in 1998 de overstap naar de rechterlijke macht als rechter-plaatsvervanger van het Amsterdamse gerechtshof.

De godinnen Clio (studie/werkstad Leiden) en Themis (woon/werkstad Den Haag) flankeerden zijn werkzaamheden en wierpen elkaar behendig de bal toe. Dat gebeurde voor het eerst begin 1969 toen Fasseur dankzij zijn historische geloofsbrieven secretaris werd van de coördinatiecommissie die in de departementale archieven onderzocht in hoeverre Nederlandse militairen tijdens de bloedige dekolonisatieoorlog wandaden hadden begaan. Hij voltooide deze ‘Excessennota’ grotendeels eigenhandig binnen vier maanden. In de Tweede Kamer Minister onderkende president Piet de Jong dat er ‘excessen’ waren voorgekomen. Ook terugblikkend onderschrijft Fasseur dat uit piëteit voor Indiëveteranen niet gesproken kon worden van ‘oorlogsmisdaden’ of ‘structureel geweld’.

Dat typeert hem als nuchter historicus die publieke gevoeligheid en politieke haalbaarheid betrekt in oordeelsvorming en woordkeuze. Dan ligt opportunisme op de loer. Dat was niet het geval toen hij Loe de Jong in 1987 adviseerde in de ‘Indische delen’ van diens Koninkrijk niet te zwichten om het begrip ‘oorlogsmisdaden’ te vervangen voor de diplomatieke term ‘excessen’. Er lijkt wel sprake van als Fasseur anno 2016 grondig onderzoek naar de schaal waarop oorlogsmisdaden zijn begaan wetenschappelijk niet ‘uitdagend genoeg’ acht; oorlog betekent nu eenmaal structureel geweld. Zijn gedebiteerde gemeenplaats wringt. Zowel excessen als oorlogsmisdaden impliceren afwijkingen van de norm.

In 1977 bemiddelde Fasseur in de zaak-Menten voor de in het nauw gebrachte minister van Justitie Van Agt. Hij vond zijn Leidse collega Schöffer bereid het historisch-wetenschappelijk onderzoek naar deze oorlogsmisdadiger op zich te nemen. Fasseur wist hoe de hazen liepen in het Haagse. Zijn politieke voorkeur lag bij het CDA, hoewel hij begin jaren zeventig en opnieuw aan het eind van zijn leven kortstondig lid is geweest van D66. Politieke ambities koesterde hij niet; hij prefereerde autonomie in de coulissen van het politieke bedrijf. Zo was hij tijdens het kabinet-Lubbers III als raadsadviseur in buitengewone dienst (1990-1993) nauw betrokken bij de nieuwe Politiewet (per april 1994), één van de grootste naoorlogse bestuurlijke veranderingsprocessen. Zijn laatste publieke functie als gerenommeerd historicus-jurist was zijn lidmaatschap van de Commissie van Onderzoek Bestluitvorming Irak (2009-2010).

Fasseurs omvangrijke oeuvre telt – naast specialistische artikelen en lezingen – vier studies over Nederlands-Indië en zes titels over Wilhelmina en Juliana. Zijn laatste biografie gaat over oorlogspremier Gerbrandy (2014), Wilhelmina’s tegenspeler gedurende de vijf Londense jaren in exil. Zijn thema’s koloniale geschiedenis, koningshuis en bezettingsperiode appelleren aan nationalistische sentimenten en democratisch burgerschap. Fasseur acht het de taak van elke historicus om zijn kennis en inzichten uit te dragen naar een breed publiek.

Om die reden beschouwt hij Loe de Jong, ondanks de tekortkomingen van zijn ‘Panorama Mesdag van de Tweede Wereldoorlog’, als ‘de grootste Nederlands historicus van de vorige eeuw’. Fasseur bewonderde De Jong om diens ongeëvenaarde werkkracht, terwijl zijn eigen werkdrift niet minder imponeert. Werkwijze en visie van de twee historici lijken op elkaar. Beiden richtten zich tegelijkertijd tot de geïnteresseerde leek én vakgenoot, baseerden zich op grondig archiefonderzoek, vonden oral history een hachelijke zaak, schreven aus einem Guss, werden nooit geteisterd door een writer’s block en hanteerden een soepele pen. Ze gruwden van generaliserende theorieën en concepten over het verleden. Ze waren niet etatistisch, zoals hen is verweten, maar wel overtuigd monarchist.

Dat heeft ertoe bijgedragen dat ze de enige twee historici zijn geweest die het vertrouwen kregen om het Koninklijk Huisarchief te mogen raadplegen. In beide gevallen heeft de volksvertegenwoordiging over dit gevoelig prerogatief gedebatteerd, al valt het familiearchief buiten haar bevoegdheid. Beiden interviewden Juliana uitgebreid, waarbij Fasseur merkte dat de prinses sommige herinneringen rechtstreeks putte uit De Jongs geschiedwerk. Hun bevindingen over Wilhelmina stemmen vergaand overeen. Haar vlucht op 12 mei 1940 was staatsrechtelijk en juridisch de enige juiste stap geweest en de oorlogskoningin had in Londen twijfelachtige democratische opvattingen gekoesterd.

Fasseur acht de tijd rijp om de staatsrechtelijke verhoudingen achter de schermen van zijn tweedelige Wilhelmina-biografie (1998 en 2001) te belichten. De arbitragecommissie bij eventuele meningsverschillen met hof of politiek – met Wesseling als voorzitter – is nooit bijeengekomen. Beatrix heeft geen manuscript tevoren willen lezen en vertrouwde op het positief advies van Herman Tjeenk Willink als vicevoorzitter van de Raad van State aan premier Wim Kok. Fasseur is stellig dat hij zijn project resoluut had beëindigd bij opgedrongen wijzigingen tegen zijn zin. De Jong heeft bij deel 9 (1979) één keer naar premier Van Agt gedreigd met deze uiterste consequentie. Dat machtswoord is bij de Wilhelmina-biografie nooit uitgesproken. Fasseur plaatste zich dan ook veel minder dan De Jong tussen zijn onderwerp en de lezer. Waar zijn oudere collega het stempel draagt van bevoogdend historicus over goed en fout, wordt Fasseurs werk door ironie en understatement gekenmerkt. Tongue in cheek is zijn wapen. Instemmend citeert hij de republikeinse criticus Gerard Mulder, die zijn ‘heldere, afstandelijke stijl, gekruid met ironie’ zeker ‘geen lakeienproza’ noemde.

Ook de terugblik op zijn succesvolle loopbaan in Herinneringen is gedrenkt in vermakelijke ironie. Dat levert rake karakteristieken op van korpschefs die zich als ‘hele toeans’ gedroegen en van VVD-minister Ivo Opstelten die zich in 2010 ‘als een tweede Saulus op weg naar Damascus’ bekeerde tot de nationale politie. Toen Dubbelspoor in de dagbladrecensies werd besproken, groeide Fasseurs menigmaal aangehaalde antwoord ‘Majesteit, ik volg uw keuze’ op de vraag van Beatrix aan de kandidaat-biograaf van Wilhelmina wat hij wenste te drinken, bijna uit tot zijn catchphrase. ‘Je leert op zo’n paleis snel,’ voegt Fasseur er olijk aan toe.

Soms hanteert hij zijn wapen nogal bot. Fasseur acht PvdA-minister Ien Dales slagvaardig, hoewel ze met ‘haar grote tas net zo goed conducteur op de Haagse tram’ had kunnen zijn. Zijn gewaardeerde vakgenoot Elsbeth Locher-Scholten legde ‘soms modieuze onderwerpkeuzen aan den dag’ (lees: Fasseur versmaadt genderstudies). Als hij onderweg naar de KNAW in de rosse buurt ‘veelal enthousiast [werd] toegezwaaid door jeugdige dames’ bekruipt hem kortstondig het gevoel er ‘in de herfst van [zijn] leven nog steeds vitaal’ uit te zien. Zelfspot siert, maar hier voert ijdeltuiterij de boventoon. Prostituees lonken uit commerciële noodzaak.

‘U hoort nog van mij’, verzekert de kleurrijk historicus zijn hooggewaardeerde publiek. Het is helaas de laatste kwinkslag van één van de spraakmakendste Nederlandse historici van de afgelopen vier decennia. Kort na het voltooien van zijn autobiografie overleed Cees Fasseur (1938-2016) op 77-jarige leeftijd als gevolg van een fatale complicatie na een medische behandeling.