De Paarse kabinetten onder leiding van de sociaal-democraat Wim Kok (1994–2002) waren bijzonder omdat voor het eerst sinds de jaren vijftig vvd en PvdA weer in één kabinet zaten en vooral omdat voor het eerst sinds 1918 er geen christen-democraten aan deel namen. Toch heeft het boek van Klaartje Peters als titel ‘Een doodgewoon kabinet’. Zij verwijst daarmee naar de aan Wim Kok toegeschreven uitspraak, die overigens nooit uit de mond van Kok zelf werd op getekend. Wel sprak hij van een ‘gewoon parlementair kabinet’. Hij wilde de verwachtingen temperen en elk triomfalisme ten opzicht van het CDA, waarmee hij net vier jaar had geregeerd, vermijden. Aan het einde van het boek concludeert Peters dat de samenstelling van de Paarse kabinetten bijzonder was, maar dat ze in veel opzichten ook typisch Nederlandse coalitiekabinetten waren, ‘hoewel “doodgewoon” misschien wat te sterk is uitgedrukt’.

Het vlot leesbare boek van Peters neemt een voorschot op het deel over de Paarse kabinetten dat te zijner tijd zal verschijnen in de serie van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG) in Nijmegen. Maar dat zal nog even duren, want eerst moeten in die serie de jaren zeventig en tachtig nog worden geboekstaafd. Die gedegen serie is veel breder opgezet omdat het naast de beraadslaging in de ministerraad ook de parlementaire behandeling van wetgeving en het functioneren van het parlement in kaart brengt. Alleen al omdat de notulen van de ministerraad tot 25 jaar na dato geheim zijn, had de serie van het CPG nog niet toe kunnen komen aan de Paarse kabinetten, ook al behoorden medewerkers van het CPG tot de kring van adviseurs van Peters. Peters heeft de gelukkige keuze gemaakt niet te willen wachten tot de notulen beschikbaar zouden komen. Dat is bijzonder voor een boek dat specifiek over kabinetten gaat. Behalve op openbare bronnen - reeds beschikbare (politiek-)wetenschappelijke studies, ego-documenten, berichten in de pers -, heeft zij zich vooral gebaseerd op interviews met direct betrokkenen. Toen zij aan het boek begon leefden alle ministers uit de paarse periode nog.

Die direct betrokkenen worden uitvoerig aan het woord gelaten. Dat levert een gedetailleerd inzicht op in de interne verhoudingen van de kabinetten. Peters boek is dan ook in de eerste plaats een verhaal over machtsrelaties en intermenselijke betrekkingen. Het door de Paarse kabinetten gevoerde beleid komt zeker ook aan de orde, maar richt zich door de gekozen aanpak toch vooral op die verhoudingen tussen mensen. Dat is de grote kracht van het boek. Met overtuiging laat Peters zien hoe de prettige verhoudingen in Paars I en de wens bij de betrokkenen om van Paars een succes te maken, dat succes in belangrijke mate verklaren, hoezeer ook Bolkestein als fractievoorzitter in de Tweede Kamer het profiel van de VVD scherp hield. De sfeer in Paars II was op zich wel goed, maar de constellatie was ongunstiger. Het nieuwe was er af. Belangrijke bruggenbouwers (de D66er Wijers en de VVD er Dijkstal) zaten niet meer in het kabinet. De voortdurende strijd tussen minister van Financiën Zalm (VVD) en de minister van Sociale Zaken Melkert (PvdA), die in Paars I binnen het kabinet werd uitgevochten, verplaatste zich tijdens Paars II naar het parlement, omdat Melkert fractievoorzitter van de PvdA was geworden. Toch maakte Paars ii bijna de rit vol. Dat het uiteindelijk ten val kwam naar aanleiding van het NIOD-rapport over de val van Srebrenica lag niet aan minder goede verhoudingen in het kabinet, maar aan het uitzonderlijke van het drama in Srebrenica. Waarmee het boek het belang van die interne verhoudingen ook gelijk weer relativeert.

Niettemin levert het boek een zeer welkome bijdrage aan de recente politieke geschiedschrijving. Het goed gestructureerde boek schetst een tijdsbeeld van Paars, waaraan eerdere boeken als die van Jouke de Vries ook reeds een bijdrage leverden. Peters boek weet dat tijdsbeeld door de rijkdom van de interviews met betrokkenen nader in te kleuren. Door het aanvankelijk uitblijven van typisch paarse beleidsresultaten leek de politiek van een kabinet met het CDA te worden voortgezet, maar uiteindelijk waren er – vooral in het tweede Paarse kabinet - toch veel resultaten te melden die met het CDA waarschijnlijk niet zouden zijn gerealiseerd: de winkeltijdenwet, het homohuwelijk, de euthanasiewetgeving, de legalisering van prostitutie. Maar van de staatsrechtelijke ‘kroonjuwelen’ van D66 kwam niets terecht. Van Mierlo liet het ministerie van Binnenlandse Zaken aan de andere partijen en werd minister van Buitenlandse Zaken. D66 liep zelf ook niet hard voor die kroonjuwelen. En toen D66 in het tweede Paarse kabinet getalsmatig niet meer nodig was, werd het er niet beter op. Het kabinet overleefde een tussentijdse val in de nacht van Wiegel over het referendum. Het werd al snel weer gelijmd. D66 koos eieren voor zijn geld en bleef in het kabinet.

Het grote gewicht van de interviews in het boek stuit ook op grenzen. Het gevaar van rationalisatie achteraf door de betrokkenen ligt op de loer. De meesten zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van Paars en velen zijn er als bewindspersoon actief in geweest. Opinies van niet-Paarse politici over Paars lijken wat onderbelicht. Met VVD-coryfee Hans Wiegel is niet gesproken, terwijl hij wel wordt opgevoerd als een grote criticaster van Paars. En CDA -voorman Elco Brinkman wordt in de conclusie zelfs genoemd als de tweede grote reden – naast de druk van D66 - waarom Paars tot stand kwam. Met Brinkman is wel gesproken, maar zijn visie op de gang van zaken in 1994 is niet expliciet opgenomen.

De auteur stelt op verschillende plaatsen in het boek dat de samenstelling van de Paarse kabinetten bijzonder was. Weliswaar gaf Van Mierlo aan dat het elkaar uitsluiten van de PvdA en de VVD berustte op ‘een intrinsieke vervalsing’ van de werkelijkheid (20), de meesten voelden toch wel aan dat Paars niet voor de hand lag. Dick Benschop, staatssecretaris in Paars ii, spreekt in het boek van een ‘onnatuurlijke coalitie’ (161). Peters borduurt hierop voort in haar slothoofdstuk. Zolang Bolkestein als fractievoorzitter onder Paars i de degens kruiste met PvdA-fractievoorzitter Wallage bleven de onderlinge verschillen voor de kiezers duidelijk. Het leverde beide partijen bij de verkiezingen in 1998 geen windeieren op. Maar vanaf Paars ii is dat voorbij. De ‘depolitisering’, zoals Van Mierlo dat noemde, slaat toe, of zoals Peters (268) het omschrijft: ‘het einde van het ideologisch debat in Nederland, in het bijzonder in het parlement, ontstaan door de vereniging van de voormalige politieke tegenstanders PvdA en VVD in één kabinet’. Matheid en het negeren van onderwerpen als de integratieproblematiek hoorden daarbij, hetgeen bijdraagt ‘aan de ontevredenheid die aan het einde van de paarse jaren oplaait, en daarmee ook aan de opkomst van Fortuyn, die zich tot vertolker maakt van die ontevredenheid’ (269). De uitslag van de verkiezingen van 2002 was voor beide partijen desastreus.

Vanaf 2012 vormen VVD en PvdA desondanks opnieuw samen een ‘onnatuurlijke’ coalitie, maar dan zonder D66. Zij zullen hopen op de electorale resultaten van Paars I, maar vrezen voor die van Paars II. De analyse van Peters geeft alvast een voorzet voor een mogelijke verklaring van de resultaten in 2017.