Wie de Franse taal beheerst, en toch niet ingewijd is in stadsgeschiedenis, zal het relaas van Thierry Allain over de neergang van de West-Friese havenstad Enkhuizen in de achttiende eeuw probleemloos kunnen volgen. In een heldere uiteenzetting snijdt de auteur in een eerste deel de economische terugval van de haringvangst in Enkhuizen aan. Voor zover mogelijk tracht hij vergelijkingen te maken met de situatie in andere havens gelegen in de Zeven Provinciën, zoals Hoorn, Zierikzee, Kampen, Stavoren en zelfs Amsterdam.

Eén van de oorzaken van de teruggang, en wellicht de belangrijkste, is de demografische terugval, een ontvolking, ingezet op het einde van de zeventiende eeuw, en die niet alleen Enkhuizen treft maar verscheidene steden zoals Leiden, naast Hoorn en Alkmaar. De bijdrage van de auteur is vernieuwend, niet zozeer in zijn zoektocht naar de oorzaken van de terugval dan wel in de beschrijving van de manier waarop de bewoners van Enkhuizen deze neergang hebben beleefd, hoe zij die neerwaartse ontwikkeling hebben getracht te vatten en te overwinnen. De auteur is innovatief in zijn onderzoek dankzij een beroep op getuigenissen uit literaire bronnen, hoewel die niet zo talrijk zijn, of ten minste niet steeds bruikbaar zijn en echt benut konden worden. De auteur is zich daarvan bewust (65).

De stedelijke instanties hebben getracht de negatieve trend om te buigen, terwijl zij steevast het imago van een maritieme haven hoog hebben willen houden. Uiteindelijk blijkt dat investeringen lang niet meer uitsluitend ten bate van de haringvangst gebeurden maar in andere maritieme sectoren, namelijk de VOC. Of deze nieuwe investeringen een impact hebben gehad op de haringvangst is niet duidelijk. Bovendien is het weinig waarschijnlijk dat het de ontvolking van Enkhuizen in de hand heeft gewerkt.

Op basis van onvolledige statistische gegevens ontleend aan H.A. Kranenburg, A. van der Woude en vooral aan R. Willemsen (31), cijfers die hoe dan ook niet alle exhaustief zijn, onderstreept Allain de vermindering in aanvoer van het aantal lasten haring in Enkhuizen. De dalende aanvoer deed zich voor vanaf het midden van de zeventiende eeuw. Als Enkhuizen in betere tijden doorging als de belangrijkste vissershaven voor haringvangst, maar toch na Amsterdam, dan vraagt men zich af hoe het zover is kunnen komen, zelfs als de demografie van de stad hierin een cruciale rol heeft gespeeld. Een feit is dat we weinig vernemen over de afzet van de haringvangst. We kunnen moeilijk aannemen dat de aanvoer uitsluitend voor eigen consumptie bedoeld was. Gelet op de ontvolking, zal dat inderdaad wel een lokale invloed hebben gehad. Maar de auteur wijdt niet veel uit over het hinterland van Enkhuizen. Is dat met de jaren ingekrompen? Of ging de consumptie ook gepaard met wijzigingen in het voedingspatroon?

De verklaring is niet eenvoudig; want, ondanks de concurrentie met Schotse, Scandinavische en zelfs Duitse vissers op de visgronden, blijkt dan toch dat meer dan de helft van de Hollandse export van haring die via de Sont transiteerde in de periode 1691–1780, toch nog de vangst van vissers uit Enkhuizen betrof (35 & 39). Nochtans is duidelijk dat vanaf het begin van de achttiende eeuw, in tegenstelling tot de zeventiende eeuw, het aantal schepen uitgereed in Enkhuizen voor haringvangst beduidend teruggevallen was om de hele achttiende eeuw door bijna constant te blijven (36). We vernemen echter niet veel over de tonnenmaat der schepen.

Ongetwijfeld is er een terugval geweest van de haringvangst in de Nederlanden over het algemeen. En misschien ging in Enkhuizen een groeiende belangstelling uit naar investering van kapitaal en mensen in de VOC, die ontegensprekelijk een lucratievere handel voorspiegelde, ondanks het feit dat de Kamer van Enkhuizen slechts 9 procent, het laagste part van de zes Kamers, vertegenwoordigde in de bouw van Oost-Indiëvaarders. De bouw van deze grote schepen is slechts één aspect en vertelt ons niets over het rendement van de Oost-Indiëvaart zelf in loco.

In een tweede deel van zijn betoog gaat Allain dieper in op de demografische samenstelling van de bevolking van Enkhuizen en op haar ontvolking. Het is ons duidelijk geworden dat de belangstelling van de auteur voor socio-demografische aspecten het grootst is en hij zich op dat vlak in zijn sas voelt. Allain stoelt zijn onderzoek op de studie en analyse van het aantal woonhuizen en bewoners, van het aantal geboorten (of liever doopsels), huwelijken, van de migraties tussen Hoorn en Enkhuizen, ontwikkelingen die meestal een neerwaartse trend aangeven (89–109). Onderzoek op basis van grafzerken laat de auteur niet terzijde en evenmin op basis van het inkomen en het belastingstelsel.

Allain wijdt ook nog aandacht aan de haven van Enkhuizen, geconfronteerd met het probleem van de verzanding, een natuurlijk fenomeen waarmee nochtans vele havens te kampen hadden, maar niet losgekoppeld kan worden van de slechte gewoonte van schippers die ballast gewoonweg overboord wierpen. Dat zal onbetwist niet bijgedragen hebben tot een gemakkelijkere toegang tot de haven, niet het minst voor schepen waarvan de tonnenmaat doorgaans overal toenam.

De auteur wijdt een tiental bladzijden aan het project voor een nieuw stadhuis (173–182), wat misschien vreemd lijkt als de economische bedrijvigheid tanend is, maar zeer illustratief is voor het bewustzijn van het stadsbestuur dat het imago van Enkhuizen als ooit zeer welvarende haven kost wat kost wilde opkrikken.

In dat kielzog verdiept Allain zich in een laatste deel in het collectief bewustzijn van de stedelingen en peilt hij naar hun zoektocht naar een stadsidentiteit. De auteur beschrijft stedelijke tradities verbonden met de haringvangst waaruit blijkt dat de stad alles in het werk stelde om de band tussen Enkhuizen en de visserij steeds levendig te houden. Het is zeer onwaarschijnlijk dat het consolideren van socio-culturele of zelfs religieuze tradities veel zoden aan de dijk zette wanneer een onomkeerbare economische regressie zich voordeed. Als Allain zelfs even aandacht besteedt aan het feit of Enkhuizen zich al of niet Orangistisch profileerde, kan dit aspect wel een toelichting vormen op de geschiedenis van Enkhuizen maar verstrekt het geen bijkomende verklaring op de neergang van de ooit bloeiende stad.

Allain voert een verhelderend betoog. Ontegenzeggelijk levert hij het bewijs de geschiedenis van Holland zeer degelijk te beheersen en veel aspecten in zijn onderzoek te willen betrekken steunend op een minutieuze analyse van een omvangrijk bronnenmateriaal. De kern van voorliggende studie ligt vervat in de demografische analyse en dat is dan ook de sterkte van het boek. Het economische luik van de geschiedenis van Enkhuizen is misschien minder diepgaand aan bod gekomen. Dat had misschien scherpere schijnwerpers ontstoken gericht op de terugval van Enkhuizen als havenstad.