Vóór hij de politiek in ging, werkte Maarten van Traa (1945–1997) als journalist bij Algemeen Handelsblad en als tv-programmamaker bij de VPRO en de NOS. Vanaf 1979 was hij internationaal secretaris van de PvdA. In die functie speelde hij een sleutelrol in het verzet van de partij tegen de plaatsing van kruisraketten. In 1986 werd Van Traa lid van de Tweede Kamer. Hij zou dat blijven tot zijn dood door een verkeersongeluk in 1997. Hij was woordvoerder buitenlandse zaken en vreemdelingenbeleid. In 1992–1993 was hij een van de voorvechters van een actieve Nederlandse opstelling in de oorlog in het voormalig Joegoslavië. In 1994–1996 verwierf hij veel prestige als voorzitter van de enquêtecommissie opsporingsmethoden (IRT).

Van Traa had al met al een interessante loopbaan waarover bovendien prachtig bronnenmateriaal voorhanden is, inclusief een omvangrijk privéarchief. Willem van Bennekom – oud-advocaat en -rechter in Amsterdam – verdient alle lof voor zijn uitgebreide onderzoek. Zo sprak hij maar liefst 147 tijdgenoten. De auteur is onduidelijk over zijn relatie met Van Traa. Waarschijnlijk waren zij bevriend en het boek draagt daarvan de sporen – de hoofdpersoon wordt wel erg vaak ‘Maarten’ genoemd. Toch is deze biografie beslist niet onkritisch bijvoorbeeld over de manier waarop Van Traa er in zijn liefdesleven ‘een rommeltje’ van maakte. Hinderlijk is de manier waarop Van Bennekom met zijn bronnen omgaat. Hij beklemtoont weliswaar dat zijn boek ‘geen proeve van wetenschappelijke bekwaamheid’ is, maar het uitgebreide notenapparaat is vaak waardeloos. Zo wordt veelvuldig verwezen naar PvdA-archieven zonder vermelding van een inventarisnummer, de aard van het stuk of de datum ervan.

Het grootste probleem is echter dat de biograaf te veel wil vertellen, vooral over Van Traa’s omgeving. In het begin zijn deze intermezzo’s soms nog wel amusant – bijvoorbeeld over het studentenleven in Amsterdam in het midden van de jaren 1960 en de oorsprong van Van Traa’s corpsdispuut – maar op den duur gaan ze de lezer tegenstaan omdat de hoofdpersoon er nauwelijks een rol in speelt. Zo blijft in het hoofdstuk over de leerjaren onduidelijk hoe een intelligente, maar verder traditionele student zich kon ontpoppen tot een gepassioneerd links politicus. Volgens de auteur kreeg Van Traa zijn politieke inspiratie tijdens zijn studieverblijf in Parijs, waar hij van dichtbij ‘les événements’ van mei 1968 meemaakte: ‘Wat Provo en de discussies aan de UvA niet te weeg hadden kunnen brengen gebeurde nu dus’. Van Bennekom vermeldt op maar liefst drie plaatsen dat Van Traa in juni 1968 Frankrijk werd uitgezet nadat de politie hem had aangehouden in een auto vol pamfletten, maar vergeet daarbij uit te leggen waarvoor die pamfletten dienden of hoe Van Traa bij deze activiteiten betrokken was geraakt. Ik had graag het zestal pagina’s over president De Gaulle en studentenleider Cohn-Bendit ingeruild voor evenveel alinea’s met feitelijke informatie over Van Traa’s activiteiten in deze periode.

Deze werkwijze – lange schetsen van Van Traa’s omgeving terwijl diens activiteiten en opvattingen niet uit de verf komen – kenmerkt het gehele boek. Verreweg het langste hoofdstuk behandelt de jaren als partijbestuurder. De lezer krijgt een beeld van het veelzijdige handwerk van de internationaal secretaris maar de auteur brengt weinig klaarheid in Van Traa’s rol in de kruisrakettendiscussie. De discussie over de uitzending van Dutchbat naar Srebrenica – de motie Van Traa/Van Vlijmen (CDA) uit mei 1993 lag aan de basis van de uitzending van Dutchbat – komt evenmin uit de verf. Helemaal ingewikkeld wordt het in het hoofdstuk over het vreemdelingenbeleid, waar Van Bennekom – die ook een handboek schreef over het asielrecht – zijn eigen visie op de huidige problemen op dit terrein tracht te verweven met Van Traa’s denkbeelden over de toestand in de jaren 1980–1990.

In al zijn werkkringen moest Van Traa forse tegenslagen incasseren en hij verloor onderweg veel vrienden door ruzie. Al op de eerste pagina spreekt de auteur van ‘een soort kruisweg in de politiek’. Van een ministerschap (waarvan Van Traa al op jonge leeftijd droomde) is het nooit gekomen. Voor de journalistiek was Van Traa waarschijnlijk niet praktisch genoeg. En in de politiek was hij te star en te weinig tot compromissen bereid, zoals in de kruisrakettenkwestie en de asielkwesties.

Zo lang Van Bennekom slechts zijn bronnen aan het woord laat, is zijn betoog de moeite waard. Daardoor ontstaat bijvoorbeeld een mooie momentopname van documentairemaker Hans Keller met wie Van Traa in zijn VPRO-tijd nauw samenwerkte. Uitzonderlijk is ook het hoofdstuk over Van Traa’s schokkende ontdekking – hij was de 40 al gepasseerd – dat hoogleraar Economie Piet van Traa niet zijn biologische vader was. Hij bleek een buitenechtelijk kind uit een relatie van zijn moeder met journalist Sybout Colenbrander. Het is ontroerend om, aan de hand van citaten uit hun brieven te lezen, hoe de twee – met succes – probeerden een verstandhouding op te bouwen.

De volhardende lezer vindt hier en daar mooie citaten. Zo was Van Traa in de woorden van Jan Pronk ‘de sociaal-democraat die wij allen behoren te zijn’. Helaas maakt Van Bennekom niet duidelijk waar zijn hoofdpersoon – die vooral overkomt als een weliswaar bevlogen maar ook knorrige en betweterige figuur – deze reputatie aan had verdiend. Een ander voorbeeld is Van Traa’s omschrijving van Joop den Uyl, kort na diens overlijden: ‘Ik ruik zijn sigarenrook, ik hoor zijn gemompel aanzwellen tot een overtuigend idee. Hij wist mijn ziel te raken.’ Blijkens het register is Den Uyl de meest voorkomende persoon in het boek. Toch wordt niet duidelijk wat voor rol hij als ‘politieke vader’ van Van Traa speelde. Veel meer dan dat ze vaak lange discussies voerden, komt de lezer niet te weten. De jaren van Maarten van Traa had de ‘latere’ Den Uyl meer kleur kunnen geven. Dat is een van de gemiste kansen van deze teleurstellende biografie.