In een artikel in het Tijdschrift voor Biografie uit 2012 pleit Mineke Bosch voor een nieuwe soort biografie, dat wil zeggen, een biografie waarin rekenschap wordt gegeven van de manier waarop mensen binnen een relationeel en sociaal proces gestalte geven aan hun ‘persona’ als wetenschapper, auteur of welke andere publieke rol dan ook. Daarbij benadrukt ze dat performance nooit kunstmatig is, maar altijd verweven met het leven van de persoon in kwestie. Bovendien is performance ook altijd gerelateerd aan gender. Deze nieuwe biografie, schrijft Bosch, biedt de mogelijkheid ‘te begrijpen hoe vrouwen en mannen zich in allerlei situaties hebben kunnen staande houden, hebben kunnen overleven of hebben kunnen gloriëren, zonder enerzijds te vervallen in noties van het vrije individu dat keuzes maakt of anderzijds in noties van structurele beperking waarin individuen gevangenen zijn van hun tijd en omgeving’.1

Met Marie Elisabeth Belpaire. Gender en macht in het literaire veld 1900–1940 komt Geraldine Reymenants op perfecte wijze tegemoet aan Bosch’ verlangen naar deze nieuwe biografie. En meer, want omdat ze Belpaires leven en werk schetst binnen de groep mensen met wie Belpaire haar ideeën op het gebied van geloof en literatuur deelde, doet ze ook wat Maaike Meijer eerder in een interview in het Biografie Bulletin over een nieuw soort biografie overdacht: ‘Je kunt je [...] afvragen waar het individu deel van uitmaakt, misschien zonder het te weten of te willen. In de traditionele biografie staat het individu centraal, en dat is heel waardevol, maar het individu is altijd deel van grotere verbanden’.2

Dat grote verband is in het geval van Reymenants studie het Vlaamse literaire en journalistieke veld tussen 1900 en 1940. Daarin speelde zowel het katholieke geloof als ook het ideaal van de eenheid van België een grote rol. In dat veld was, zoals Reymenants duidelijk maakt, Marie Elisabeth Belpaire (1853–1948) een van de belangrijkste spelers. Gezegend met een welgevulde beurs, een goede opleiding, een uitstekend netwerk en een bewonderingswaardig groot doorzettingsvermogen kocht zij in 1899 de tijdschriften Het Belfort en Dietsche Warande en voegde die samen tot het literaire tijdschrift Dietsche Warande en Belfort, dat nog steeds, maar nu onder de titel DWB, bestaat. Als eigenaresse, redacteur en schrijfster bepaalde ze vele jaren lang de koers van het tijdschrift. Daarmee beïnvloedde ze de loopbanen van verschillende Belgische en Nederlandse auteurs, die ze een plek binnen de redactie of als medewerker bezorgde of juist de toegang tot het tijdschrift weigerde. Dat laatste gebeurde gewoonlijk als een schrijver zich als te progressief of niet gelovig genoeg had betoond, ook al maakte Belpaire af en toe een uitzondering. Aan het begin van de twintigste eeuw richtte ze onder andere een afdeling voor vrouwen van de Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding op; de Constance Teichmannbond – een bond voor vrouwen – en in 1914 de frontsoldatenkrant De Belgische Standaard. Bovendien zette ze zich in voor de invoering van het kiesrecht voor vrouwen.

‘Uniek,’ noemt Reymenants Belpaires ontwikkeling en positie als vrouw binnen de letteren. Hoewel er aan die uniciteit wel wat af te dingen valt – George Eliot bijvoorbeeld was de leidende kracht achter het tijdschrift The Westminster Review, ook al was ze niet de eigenaresse ervan – is het zeker opmerkelijk dat een vrouw in de eerste helft van de twintigste eeuw zoveel macht en invloed had als Belpaire. Juist in de periode tussen de beide Wereldoorlogen was, zoals Erica van Boven in verschillende publicaties heeft laten zien, de weerstand van mannelijke critici tegen vrouwelijke auteurs bijzonder fel. Dat leidde tot verschillende soorten van zelfpresentaties, waarvan die van bescheiden, onambitieuze schrijfster de gebruikelijkste was. Naast, of beter, verweven met haar verhandelingen over het reilen en zeilen van Dietsche Warande en Belfort vanaf de oprichting tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, gaat Reymenants daarom uitgebreid in op Belpaires zelfpresentatie als geletterde vrouw, stimulator van de vrouwenemancipatie en eigenaresse/redacteur van een vooraanstaand letterkundig tijdschrift.

Die verschillende rollen brachten, zo stelt Reymenants, spanningen met zich mee, vooral omdat Belpaire zich geenszins verzette tegen de rooms-katholieke kerk die, algemeen gesproken, vasthield aan het idee van ‘de vrouw’ als verzorgend, passief en ondergeschikt aan echtgenoot en kinderen. Hoe dan presenteerde Belpaire zich als vrouw met macht binnen deze wereld? Het hielp dat Belpaire ongetrouwd bleef en geen verantwoording schuldig was aan een echtgenoot. Verder vond ze een oplossing voor de spanning tussen haar vooraanstaande positie enerzijds en de conservatieve ideeën van de katholieke kerk anderzijds door zich niet als gelijke, maar als zorgende en stimulerende ‘moeder’ van haar mederedacteuren en de verschillende medewerkers te presenteren. Dat dit een strategie was, blijkt uit haar privégeschriften, want daarin toonde ze zich wars van enig conventioneel vrouwelijk script. Interessant in deze context is ook dat, zoals Reymenants opmerkt, Belpaire juist dankzij haar ‘onvrouwelijke’ karaktereigenschappen haar al eveneens ‘onvrouwelijke’ hoge positie had kunnen bereiken.

Deze dynamiek van ‘beamen en tegenspreken van het dominante discours’ die bij veel vrouwen als ‘historische actoren’ voorkomt, leidt er volgens Reymenants toe dat ‘er geen eenduidig oordeel mogelijk is over die vrouwen, zowel in hun eigen tijd als nu. Voor de enen was/is Belpaire een kwezel, voor anderen – voor mij – was/is ze een (gematigde) feministe. Een “feministische kwezel” lijkt misschien nog het meest geschikte “etiket”’ (123).

Dat oordeel lijkt iets te hard voor Belpaire – als je ‘kwezel’ tenminste als ‘hypocriet’ definieert – die oprecht gelovig was én oprecht geloofde in de vrouwenemancipatie. Bovendien laat Reymenants zien dat Belpaire welbewust voor een publiek imago van ongevaarlijke vrouw koos, omdat dat voor haar de beste strategie was. Op deze wijze lukte het haar ook een groot aantal vrouwelijke auteurs in te zetten voor Dietsche Warande en Belfort. Zo kon ze de literaire loopbaan bestendigen van onder anderen Jeanne de Bruyn, Annie Salomons en Margo Scharten-Antink.

Bovendien doet Reymenants met de betiteling van Belpaire als feministisch kwezel onrecht aan zichzelf. Haar studie naar het leven en werk van Marie Elisabeth Belpaire in het kader van gender en macht in het literaire veld laat op uitstekende wijze zien hoe complex, ambigue en ambivalent het proces van performance is, en hoe waardevol het onderzoek naar dit proces kan zijn.