Rurale metropool is een rijk boek. Geschraagd door 37 tabellen, 32 grafieken, 19 bijlagen, 3 kaarten en 1 cd-rom presenteert Meindert Schroor de resultaten van zijn onderzoek naar de bevolking, migratie en financiën van Groningen in de jaren 1595–1795. Lang bleef die periode in de geschiedenis van de stad onderbelicht. Wel kwam zij aan de orde in overzichtswerken als Historie van Groningen. Stad en Land (1976) of de meer recente serie Geschiedenis van Groningen (2008–2012), maar deze coproducties betreffen vooral de provinciale geschiedenis. Bovendien beslaan zij de tijdspanne van de prehistorie tot en met de twintigste eeuw, waardoor noodzakelijkerwijs slechts grote lijnen zijn getrokken. Pim Kooij heeft in 1994 in zijn artikel ‘Groningen. Central place and peripheral city’ wel specifiek aandacht gegeven aan de ‘stad’. Hij wees er toen op dat Groningen zich aan het einde van de zestiende eeuw steeds meer op zijn directe omgeving richtte, ook al bleef het nadien het verzorgingscentrum van een groot achterland.

Schroor heeft nu dus een dissertatie geschreven waarin het zeventiende- en achttiende-eeuwse Groningen object van onderzoek is. Samen met de eerder verschenen studie van Albert Buursma – ‘dese bekommerlijke tijden’. Armenzorg armen en armoede in de stad Groningen 1594–1795 (2009) – over armenzorg en armoede in de stad Groningen ligt er nu een stevige basis voor de sociaaleconomische historie van de stad tussen 1595 en 1795.

De centrale vraag van Schroor luidt ‘of en zo ja in hoeverre de geografie van invloed was op de demografische en economische ontwikkeling en de financiële politiek van de stad, meer specifiek op de natuurlijke bevolkingsontwikkeling, op de migratie, op de werkgelegenheidsstructuur en op de stedelijke financiën’ (23). Hij kadert die vraag binnen twee geografische concepten. Enerzijds dat van de site: de fysieke kwaliteiten van de plaats; anderzijds dat van de situation: de functie van de site, dat wil zeggen, de relatie tussen de ligging van de stad en zijn omgeving.

In feite is deze monografie een bewerking van vier eerder door Schroor geschreven artikelen die nu als hoofdstukken zijn opgenomen. Hij analyseert daarin hoe het inwonertal van Groningen tussen 1595 en 1795 fluctueerde, maar per saldo met slechts 800 mensen groeide. In twee periodes piekte het echter naar 25.000–30.000. Zoals elders in Europa speelde migratie in het pre-industriële tijdperk de hoofdrol in de schommelingen van de bevolkingsomvang. Op sterfte en – in mindere mate – geboorte had men toen weinig greep. Het is daarom opmerkelijk dat in Groningen de mortaliteit al relatief vroeg (omstreeks 1730) begon te dalen en er tussen 1750 en 1780 zelfs sprake was van een geboorteoverschot. Hier, schrijft Schroor, toonde zich het gelijk van Van Doeveren, Gronings hoogleraar in de medicijnen, die rond 1770 betoogde dat de Groninger in gezegende omstandigheden leefde. Gelegen op het einde van de Hondsrug, bespoeld door twee riviertjes met relatief schoon water, toonde de site hier een gunstig gezicht.

De migranten kwamen vooral uit het Duitse achterland, de Ommelanden en Drenthe waar zij vaak rechtstreeks arriveerden als gevolg van een gebrek aan stedelijke voorzieningen in het achterland. Overheersten aanvankelijk Duitse en Noord-Nederlandse mannen in de stroom immigranten, na het midden van achttiende eeuw groeide het aandeel nieuwe bewoners uit de overige Nederlanden ‘als uitvloeisel van een voortschrijdende sociaaleconomische integratie van Groningen in het Nederlandse staatsverband’ (299). Uit Friesland migreerden zowel absoluut als relatief weinig mensen naar Groningen, want ‘Stad en Lande en het grootste deel van Drenthe kunnen nog wel als een noordelijke eenheid worden beschouwd, Friesland hoorde daar beslist niet bij’ (298).

Aan de hand van (vooral) de gegevens over de beroepen van de (nieuwe) burgers toont Schroor vervolgens aan dat de immigranten uit het westen overwegend werkzaam waren in luxenijverheid en innoverende beroepskringen, terwijl migranten uit de eigen omgeving in de verzorging (transport en voeding) terecht kwamen, en personen uit het verder weg gelegen achterland vaak ambachtslieden waren. Het ging hier veelal om rurale kettingmigratie waarbij sprake was van een sterk verband tussen informatiestromen en migratieroutes. Gedurende de achttiende eeuw verloren de ambachtelijke beroepen evenwel terrein ten gunste van die in de handel, de diensten en de transportsector.

Enigszins los van de eerste drie hoofdstukken staat dat over de stedelijke financiën. Daarin analyseert Schroor dat de buitenbezittingen van de stad in de loop van de jaren een steeds belangrijkere inkomstenbron voor de stad werden. Hierdoor was er ‘geen stad in de Republiek die zo’n zelfstandige armslag had als Groningen’ (301). Afnemende opbrengsten van de accijnzen konden daarmee voldoende worden opgevangen. Zij maakte ook leningen op de kapitaalmarkt mogelijk als grote kosten moesten worden gedekt, zoals de wederopbouw van de in 1710 ingestorte Der Aa-kerk.

De verdienste van het boek bestaat vooral in het diepgaande archiefonderzoek dat Schroor heeft verricht. Dat was geen sinecure, want complete, ononderbroken seriële bronnen zijn voor de vroegmoderne tijd immers zelden voorhanden. Het beeld dat de onderzoeker over een langere periode wil construeren is in die omstandigheden per definitie incompleet. Daarom verdient het deels op grond van extrapolatie verkregen resultaat van dit onderzoek alle lof. Het vult een lacune in onze historische kennis van de stad Groningen. In het bijzonder de twee concepten site en situation blijken als kompas voor het onderzoek nuttig te zijn geweest.

Toch roept deze studie ook vragen op. Zo gaat het in hoofdstuk 2 over de migratie, feitelijk alleen over immigratie. Die zou bepalend zijn geweest voor de fluctuaties in de bevolkingsomvang van de ‘rurale metropool’ Groningen tussen 1595 en 1795. Maar dat is één kant van de medaille. Evenzeer interessant is te weten waarheen de inwoners die Groningen verlieten, gingen. Hoeveel waren dat? Welke motieven hadden zij om te vertrekken? Is er juist in die tijden niet een sterke relatie tussen bevolkingsomvang en migratiesaldo? Het demografisch beeld van een stad wordt completer als (antwoorden op) dergelijke vragen onderdeel van de analyse uitmaken.

Ook de uitspraak dat er tussen 1595 en 1795 sprake was van ‘een voortschrijdende sociaaleconomische integratie van Groningen in het Nederlandse staatsverband’ (299), roept vragen op. Hoe rijmt zij met de constatering dat Friesland beslist niet bij de noordelijke eenheid hoorde? Of met hetgeen Kooij over Groningen concludeerde, namelijk dat de stad zich sinds het einde van de zestiende eeuw steeds meer richtte op haar directe omgeving? Een begrip als ‘staatsverband’ of – explicieter – ‘Nederlands staatsverband’ is een abstractum dat enige concretisering behoeft. Van een ‘Nederlands staatsverband’ lijkt evenwel in grote delen van de zeventiende en achttiende eeuw noch in politieke, noch in sociaaleconomische of maatschappelijke zin erg sprake te zijn geweest, zoals ook Hans Knippenberg en Ben de Pater betogen in De eenwording van Nederland (1988).

Deze recensie kan in de beperkte ruimte die beschikbaar is, niet uitputtend zijn. De rijkdom van het door Schroor aangedragen bronnenmateriaal heeft ons een schat aan informatie gegeven over de sociaaleconomische en financiële geschiedenis van de stad Groningen in de zeventiende en achttiende eeuw. Dat in de compositie van het boek de artikelsgewijze productie soms nog doorschemert – zo lijkt de bespreking van de bevolkingsomvang in hoofdstuk 2 dat de immigratie als thema heeft, beter thuis te horen bij hoofdstuk 1 dat over de demografische ontwikkelingen gaat – is (helaas) inherent aan een dissertatie op basis van artikelen. Dat doet niets af aan de waarde van deze dissertatie. Met Rurale metropool is Groningen een standaardwerk over zijn verleden rijker.