Rond de laatste eeuwwisseling publiceerden vijf onderzoekscommissies die waren ingesteld door de ministers van Financiën en Volksgezondheid, Welzijn en Sport hun rapporten over het verloop van het naoorlogse rechtsherstel van de ontrechte Nederlandse Joden. Vrijwel gelijktijdig publiceerde NIOD-onderzoeker Gerard Aalders twee studies, Roof (1999) en Berooid (2001). Nadien verschenen publicaties die vanuit andere onderzoeksvragen tot stand waren gekomen. Zo verschenen in 2005 het proefschrift Ontrechting en rechtsherstel van Wouter Veraart en in 2008 een boek van Philip Staal over de erfenissen van Joodse oorlogswezen – geïnspireerd door zijn eigen ervaringen. Raymund Schütz publiceerde een kritisch artikel in BMGN-Low Countries Historical Review over notarissen in de Tweede Wereldoorlog. Ondergetekende onderzocht het rechtsherstel van Joodse verzekerden en de internationale discussie over de ‘Joodse oorlogstegoeden’ na 1995.

Aan deze – onvolledige – reeks voegden de NIOD-onderzoekers Hinke Piersma en Jeroen Kemperman in november 2015 Openstaande rekeningen toe. Voor het eerst stond het beleid op lokaal niveau centraal, en wel dat van de gemeente Amsterdam. Net als eind jaren negentig gaf een maatschappelijke discussie de aanzet tot deze studie. Het Parool had op 30 maart 2013 bericht over een vondst in het archief van het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam. De hoofdstad had overlevende Joodse huizenbezitters en nabestaanden boetes opgelegd voor de niet-betaalde erfpachtcanon over de oorlogsjaren. Het NIOD kreeg opdracht de kwestie nader te bestuderen. Na de presentatie van een rapport met voorlopige bevindingen volgde in september 2014 de opdracht voor een vervolgstudie.

Piersma en Kemperman speelden het klaar om veertien maanden later een doorwrochte studie te presenteren. Zij schetsen hoe ‘Joodse huizen’ volgens anti-Joodse bezitsverordeningen onder beheer werden gesteld, waardoor de eigenaren huurder van hun eigen huis werden. Wanneer die huizen daarna werden verkocht, moesten zij het pand verlaten: ‘Zij werden achtereenvolgens gedegradeerd van huiseigenaar via huurder tot dakloze’ (76). Uit de analyse van het gemeentelijk beleid blijkt dat de gemeente Amsterdam tijdens de bezetting zelf baat had bij het op de markt komen van geroofd Joods onroerend goed. De huizen die onder beheer waren gesteld, vonden gretig aftrek bij ‘oorlogskopers’, vaak NSB’ers. Tot de kopers behoorde ook de gemeente Amsterdam. Het kwam de gemeente in verband met plannen voor stadsvernieuwing goed uit dat ‘Joodse huizen’ in sommige buurten leeg kwamen te staan. Zij verwaarloosde die huizen en werd daarbij ‘geholpen’ door Amsterdammers die gedreven door brandstoftekorten in de Hongerwinter het hout uit de huizen haalden. Hierdoor waren veel Joodse huizen na de bevrijding rijp voor de sloop. De gemeente kon de vooroorlogse plannen voor stadsvernieuwing en verbetering van de verkeersdoorstroming doorzetten zonder kostbare onteigeningsprocedures. Het gevolg was dat na de bevrijding hele stukken van de oude Joodse buurt van de kaart verdwenen.

Joodse huiseigenaren die de vervolging hadden overleefd, werden niet alleen met het verval en de sloop van hun huizen geconfronteerd. Zij kregen na de bevrijding de openstaande rekeningen gepresenteerd die nog op hun bezit berustten. Tijdens de bezetting hadden de nieuwe eigenaren vaak verzuimd de erfpachtcanon te betalen, met name door de toenemende economische ontwrichting en de vlucht in september 1944 van ‘foute oorlogskopers’. Naast die onbetaalde rekeningen kregen de Joodse huiseigenaren of de nabestaanden een strafboete opgelegd voor te late betaling van de erfpachtcanon, en voor niet-betaalde straatbelasting. Sommigen kregen daarnaast nog rekeningen voor ‘diensten’ die de gemeente in bezettingstijd had verleend, zoals het dichtmetselen van hun onbewoonde huizen.

Van een publieke discussie over dit beleid was nauwelijks sprake: in naoorlogs Nederland was er weinig aandacht voor het lot van de Joden. Van hen werd dankbaarheid verwacht, wat bijvoorbeeld tot uiting kwam in de totstandkoming van het Monument van Joodse Erkentelijkheid op het Weesperplein. De discussie bleef veelal binnenskamers. Dat betekent niet dat Joodse woningbezitters zonder meer betaalden. Dat konden de meesten ook niet omdat ze van alle bezit waren beroofd en vaak nog geen inkomsten hadden. Wanneer de huiseigenaren beroep aantekenden, beriep de gemeente zich op het zakelijke aspect van de erfpachtwetgeving. Die bood volgens de gehanteerde interpretatie geen ruimte voor het principe van redelijkheid en billijkheid, dat een centrale rol speelde in de herstelwetgeving. Het loslaten van het zakelijk karakter zou leiden tot onderscheid op grond van subjectieve criteria. De gemeente verwees de Joodse eigenaren naar de Raad voor het Rechtsherstel. De herstelwetgeving bood echter weinig soelaas. De anti-Joodse bezitsverordeningen waren met terugwerkende kracht nietig verklaard, waardoor Joodse eigenaren formeel gedurende de bezettingstijd eigenaar waren gebleven. Zij waren nu dus verantwoordelijk voor de niet-betaalde kosten. Die moesten zij op de ‘oorlogskopers’ en beheerders verhalen. Dat lukte maar sporadisch, en zo draaiden Joodse huiseigenaren op voor de openstaande rekeningen van degenen die tijdens de bezetting hun huizen hadden bewoond of verhuurd. Om hun huizen weer te kunnen betrekken moesten zij echter wel met de ‘oorlogskopers’ schikkingen treffen. Soms konden ‘oorlogskopers’ slechts via een kortgeding uit huis gezet worden. Uiteindelijk besloot de gemeente wel om in bepaalde gevallen de helft van de boetes kwijt te schelden. De straatbelasting kwam veelal te vervallen.

Piersma en Kemperman illustreren hun bevindingen met individuele voorbeelden, zowel van door de Duitse roofmaatregelen getroffen Joden als van gemeentelijke ambtenaren en advocaten. Zo’n voorbeeld is de Amsterdamse gemeenteadvocaat D.K.G. de Jong, die zelf Joods was en naar Zwitserland was gevlucht. Na de bevrijding keerde hij terug in zijn functie. Hij was voorstander van een ruimhartiger gemeentelijk beleid, dat niet op strikt juridische argumenten was gebaseerd. Dat beleid zou rekening moeten houden met de bijzondere omstandigheden van de Joodse slachtoffers tijdens de bezetting. De gemeente Amsterdam nam zijn adviezen echter niet over.

Een vergelijking met de situatie in Den Haag, Rotterdam, Groningen en Leeuwarden laat verschillen zien, maar het beleid ten aanzien van de betaling van de erfpachtcanon komt in grote lijnen overeen met dat van de hoofdstad. Dat had onder meer te maken met het landelijke overheidsbeleid. Een belangrijke factor was het besluit geen specifieke voorzieningen voor Joodse slachtoffers te treffen. De wederopbouw, gepersonifieerd door minister van Financiën Piet Lieftink, stond volledig in het teken van het nationaal collectief en was nadelig voor het individu. Financieel-economische motieven waren daarbij leidend. Amsterdam, waar de gemeentekas grote tekorten liet zien, volgde die lijn. Daarnaast voelde de gemeente zich niet verantwoordelijk voor de schade die Joden door toedoen van de bezetter hadden geleden. Dit alles leidde tot het harde gemeentelijke beleid tegenover de beroofde Joodse huiseigenaren.

Openstaande rekeningen plaatst het Amsterdamse beleid in de context van de reeds bekende informatie over de kille ontvangst van Joodse overlevenden. Het boek is vooral belangrijk omdat het een nieuw terrein belicht: het beleid van een lokale overheid. Juist dat van Amsterdam is interessant, omdat de stad voor de oorlog 80.000 Joodse inwoners telde. Hoewel goed geschreven, zijn de juridische beschouwingen voor geïnteresseerde lezers en vakgenoten die niet juridisch onderlegd zijn, ingewikkeld en soms moeilijk te volgen. Dit is echter een onontkoombaar euvel, omdat juridische, historische en maatschappelijke vragen over ‘roof en rechtsherstel’ in samenhang bestudeerd moeten worden. ‘Het recht’ – lees: de wetgeving – en de formalistische interpretatie daarvan bepaalden grotendeels het beleid, met alle gevolgen van dien voor de gedecimeerde Joodse gemeenschap van Amsterdam.