Deze bundel bevat vijf bijdragen over het in de titel van dit boek beschreven onderwerp, waarvan er drie over individuele historici gaan: Izaäk Gosses (behandeld door Hanno Brand), Geert Aeilco Wumkes (behandeld door Johan Frieswijk) en Obe Postma (behandeld door Philippus Breuker). Dit zijn wat ongelijksoortige figuren die onderling niet makkelijk vergelijkbaar zijn of tot één cohort, school of generatie behoren: Izaäk Gosses was een wat zuinige vakhistoricus, hoogleraar te Groningen, die meer over Holland en Zeeland schreef; zijn visie op Friesland – een wat ouderwets beeld van een gewest van vrije boeren – werd ad hoc in verspreide opstellen en recensies neergelegd. Wumkes was een gepromoveerd predikant en heemkundige met historische interesses en een behoorlijke dosis regio-patriottisme; zijn historiografische relevantie draait om zijn betrokkenheid bij de Friese Beweging en – als provinciaal bibliothecaris – bij de oprichting van de Fryske Akademy in 1938 (dus kort voor het einde van de hier gekozen periode). Postma tenslotte, was een wiskundeleraar in Groningen met een bijzondere belangstelling voor de landbouwgeschiedenis van zijn regio van herkomst; zijn benadering zou later als Raumgeschichte bestempeld worden: een soort historiserende sociale geografie.

Wie dit heterogene drietal overschouwt ziet meteen dat er een mismatch gaapt tussen Friese betrokkenheid en historisch professionalisme. Gosses was een vakhistoricus maar legde zich niet echt toe op de Friese geschiedenis, de anderen hadden een grote Friese betrokkenheid maar beoefenden de geschiedenis als liefhebberij en vanuit een eerder heemkundige invalshoek. Die mismatch wordt aan de orde gesteld in de beide inleidende artikelen. Marnix Beyen beschrijft de kaders van het professionele academische bedrijf voor heel Nederland en Maarten Duijvendak legt de beoefening van de regionale geschiedenis langs de polariteit amateur-professional. Hij stelt boeiende kaders en referentiepunten voor de regio-geschiedenis aan de orde (tijdschriften, stadsgeschiedenis) maar evenmin als Beyen past hij zijn uitweidingen op de Friese situatie toe. Uitgerekend hier zou een vergelijking met de Friese casus belangwekkend en relevant zijn geweest. Hoe sterk was het stedelijk niveau in Friesland vergeleken met het gewestelijke? Hoeveel talent en energie, hoeveel organisatorische genootschappelijkheid, hoeveel archivalische ondersteuning werd er van de Friese regionale geschiedschrijving afgeroomd door stedelijke kaders in bijvoorbeeld Leeuwarden? In andere Nederlandse randgewesten waren stedelijk identiteiten krachtig en provinciale kaders zwak; het vermoeden dient zich aan dat dat in Friesland andersom lag.

Is die mismatch bij uitstek Fries? De regio heeft immers een sterk besef van eigenheid en bestuurlijk particularisme, maar ontbeerde een universitair centrum waar een regionaal gefocust, professioneel historisch bedrijf zou hebben kunnen ontluiken. Het zou boeiend zijn om gelijksoortige regionen (Limburg, Brabant) hier vergelijkenderwijs naast te leggen; maar de drie biografische artikelen hebben daarvoor geen oog, en de inleidende artikelen bezien de periferieën uitsluitend in hun afzonderlijke relatie tot een landelijk-professioneel zwaartepunt, en vanuit het perspectief van dat zwaartepunt, zonder onderlinge vergelijking. Friese individuen worden langs de meetlat van een ideaaltypische, nationaal-professionele, academisch geïnstitutionaliseerde geschiedschrijving gelegd; het omgekeerde – een extrapolatie vanuit de casus Friesland naar de grotere kaders – vindt niet plaats. Dat heeft te maken met een manco waar de vakhistoriografie hier te lande wel vaker onder lijdt: de neiging om de geschiedenis van de geschiedschrijving vooral te zien als een soort institutionele voorouderverering, een familiegeschiedenis met biografische weetjes over de historici van vroeger, hun universitaire carrières en hun onderlinge meningsverschillen. Een eerder intellectuele dan biografische geschiedenis van de geschiedschrijving zou andere kaders moeten kiezen dan die van de universitaire instituten; waardoor instanties als het Friese Genootschap of de Fryske Akademy beter tot hun recht zouden komen. Immers, zij weerspiegelen andere intellectuele en historiografische stromingen dan de Rankeaans-Fruinse universitaire traditie, die geschiedenis bestudeert, in de woorden van Peter Burke, als ‘the archive-based study of changes imposed from above’.

Er verdampt nogal wat ‘geestelijke rekenschap van het Friese verleden’ in de marges van deze bundel. De oudheidkundige Pieter Boeles was kennelijk een belangrijke geestelijke slijpsteen voor alle drie de hier behandelde figuren, maar als oudheidkundige staat hij hier aan de zijlijn; terwijl wel het intrigerende vermoeden wordt gewekt dat de verhouding archeologie-geschiedschrijving in de randgewesten, met hun rijk materieel erfgoed en magere archieven, anders lag dan in de Randstad. Literatuurhistorici, taalkundigen en tekstbezorgers staan ook buiten het blikveld – alleen in Breukers artikel komen de genootschappelijk georganiseerde regionale amateurhistorici en ‘hyphenated historians’ even in zicht. Onder de namen die Breuker noemt om Postma’s carrière te contextualiseren zien we de literatuurhistoricus Brouwer, de filoloog Overdiep, de tekstbezorger Sipma, de kerkhistoricus Cuperus, en de rechtshistoricus Van Apeldoorn. Dat intrigeert en werpt een suggestief strijklicht, niet alleen op Postma, maar ook op de ontwikkeling van de studie van het verleden in het Friese gewest als zodanig. Breukers artikel zou misschien beter als uitgangspunt dan als sluitstuk van deze bundel hebben gediend.

De auteurs noemen ook de trage ordening en ontsluiting van behoorlijke archieven als een hindernis voor de Fries-regionale geschiedschrijving. Misschien dat specialistische historici in aanpalende specialismen, met andersoortige documentatiecorpora, daarom eerder uit de startblokken kwamen? Met Peter Burke’s citaat in het achterhoofd zou de lezer graag meer te horen hebben gekregen over de geschiedenis van het Friese archiefwezen.

Kortom, het boek laat de lezer met nogal wat vragen zitten. Dat de lezer tot die vragen wordt geprikkeld, met boeiende proefboringen in enkele historiografische en methodologische kaders, is de verdienste van deze bundel.