De auteur stelt zich tot doel een gedetailleerd overzicht te geven van de Belgische economische politiek en haar economische ontwikkeling van circa 1980 tot 2015. Tegelijkertijd plaatst hij zijn overzicht in een context van de tijdens die periode geldende economische theorie en van de heersende internationale omstandigheden. Het boek is chronologisch opgevat maar daarbinnen ligt de klemtoon op een thematische benadering.

De studie vangt aan met een analyse van de neoliberale denkbeelden zoals die in de Westerse economische politiek ingang vonden vanaf de jaren tachtig van de 20e eeuw en de toepassing hiervan in België tijdens de regeringen Martens V en VI. Daarop volgt een thematisch overzicht, waarin de financiële groepen en de belangrijkste economische sectoren van het land aan bod komen binnen de context van de nieuwe neoliberale economische politiek. In de volgende hoofdstukken gaat de aandacht naar de ontwikkeling van de wereldeconomie tijdens de jaren negentig en naar de pogingen van de toenmalige eerste minister Jean-Luc Dehaene om België te doen aansluiten bij de Europese integratie en monetaire unie. Daarbij aansluitend wordt de financiële globalisering van de wereldeconomie tijdens de jaren negentig beschreven en worden de toenmalige strategieën van de grote Belgische bedrijven geschetst. Voor wat betreft het begin van de 20e eeuw gaat de aandacht eerst uit naar de verdere liberalisering van de Belgische economie tijdens de regeringen van eerste minister Verhofstadt, voorts naar de toename van de Franse invloed in diverse Belgische economische sectoren en naar de initiatieven tot het behoud van de welvaartsstaat. In diezelfde context wordt de regionalisering van de Belgische economie bestudeerd, waarbij zowel de dynamiek van de Vlaamse economie als de langzame herstructurering van de Waalse economie belicht wordt. De financiële crisis van 2008, haar impact op het Belgische bankwezen en de daaropvolgende economische stagnatie worden in het laatste hoofdstuk grondig behandeld. Het boek wordt afgesloten met een aantal slotbeschouwingen die de evolutie van de voorbije 35 jaar kritisch evalueren.

Het overzicht is zeer gedetailleerd waardoor de lezer soms het bos tussen de bomen niet meer ziet. Vanuit een encyclopedisch oogpunt is het boek echter bijzonder goed gedocumenteerd en vlot geschreven. Wel worden soms de nationale en internationale achtergronden van bepaalde ontwikkelingen in de Belgische politiek onvoldoende uitgewerkt. In de eerste plaats worden de diepere bepalende factoren bij de doorbraak van de neoliberale politiek niet genoeg gespecificeerd. In feite was de populariteit van een neoliberale politiek in de jaren tachtig te wijten aan een structurele crisis van het naoorlogse ‘gemengde economie’ model, waarover in het boek zo goed als niets wordt gezegd. Bovendien wordt te weinig aandacht besteed aan het opdoeken van het Bretton Woods akkoord in 1971 en aan de daarmee verbonden kortlopende monetaire crisis: die waren eveneens een belangrijk verklarend element bij de succesvolle opkomst van de neoliberale ideeën. Een tweede lacune betreft de bespreking van de regionaliseringspolitiek in België: de oorzaken van het verschil in economische ontwikkeling tussen Vlaanderen en Wallonië worden in dit verband te weinig uitgediept. De creative destruction-wet van Schumpeter bijvoorbeeld, had een veel catastrofaler effect in Wallonië dan in Vlaanderen, niet zozeer omdat het gewicht van de traditionele sectoren – historisch en structureel gezien – in Wallonië veel dominanter was dan in Vlaanderen, maar vooral omdat de Belgische expansiewetgeving van 1958 wegens structurele factoren vooral Vlaanderen ten goede is gekomen en slechts heel marginaal Wallonië.

Voorts moet de schaalvergroting in de sector van het Belgische bankwezen begrepen worden in het licht van de Europese Eenheidsakte van 1982; de privébanken werden door de Nationale Bank van België vurig aangespoord hun fusie-strategie op te drijven om zich als Europese banken te kunnen profileren. Het verzwakte toezicht van de Bankcommissie – een gevolg van de privatiseringsstrategie van de neoliberale regeringen – zou hierbij leiden tot de crisis van het Belgische bankwezen in het begin van de 21e eeuw. Ten slotte was de expansie van de luchtvaart tijdens het laatste kwart van de 20e eeuw, met haar gunstig effect op de economische ontwikkeling, niet alleen te wijten aan de dalende prijzen in zake personenvervoer, maar niet minder aan de dalende vrachtprijzen.

Deze enkele opmerkingen doen geen afbreuk aan de indrukwekkende eruditie bij de historische toelichting van de Belgische economie en van de Belgische neoliberale politiek tijdens de periode 1970–2015. Ook de randbemerkingen bij de vastgestelde ontwikkeling zijn meer dan het lezen waard.